U bent hier

– Wegens de coronamaatregelen werd deze vraag om uitleg via videoconferentie behandeld.

Mevrouw Vandromme heeft het woord.

Minister, om anderstalige nieuwkomers zo goed mogelijk op te vangen, hen zo snel mogelijk Nederlands te leren en hen te integreren, is er het uitgewerkte systeem van onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers, kortweg OKAN. Ik focus me met deze vraag op de anderstalige nieuwkomers in het basisonderwijs.

OKAN omvat een of twee onthaaljaren en eventueel een vervolgjaar voor gewezen anderstalige nieuwkomers, dat heel sterk gericht is op het verwerven van het Nederlands en op integratie en inburgering. We hebben daarvoor ook de nodige specifieke ontwikkelingsdoelen uitgestippeld. Behalve dat ene of die twee onthaaljaren, bevat OKAN ook ondersteuning, begeleiding en opvolging van gewezen anderstalige nieuwkomers en coaching van leerkrachten in het vervolgonderwijs.

Een belangrijke kanttekening bij die regeling is het feit dat er pas extra middelen worden gegeven vanaf een bepaald aantal leerlingen. Elke school heeft recht op aanvullende lestijden vanaf het volgende aantal anderstalige nieuwkomers: vier voor een autonome kleuterschool of een lagere school met één vestigingsplaats, zes in een basisschool en twaalf in een scholengemeenschap van een school. Bij een stijging of daling van het aantal anderstalige nieuwkomers tijdens het schooljaar kan men de lestijden herberekenen.

Uit Dataloep haalde ik toch enkele frappante cijfers over het aantal leerlingen in het gewone kleuter- en lager onderwijs dat aantikt op ‘thuistaal niet-Nederlands’ in de Westhoeksteden, in mijn heimat. In mijn stad Poperinge bijvoorbeeld waren in 2010-2011 nog 36 op de 2109 leerlingen die daarop aantikten. Dat was toen maar een kleine 2 procent. In 2019-2020 waren dat er al 139 op bijna evenveel leerlingen, of 6,84 procent.

In Diksmuide steeg dit aantal leerlingen van 20 op 1492 leerlingen naar 87 op 1587 leerlingen, dat is dus van 1,34 procent naar 5,48 procent. In Veurne ten slotte steeg het aantal leerlingen dat aantikt op Nederlands niet-thuistaal van 2,4 procent van de leerlingenpopulatie naar 6,47 procent in 9 jaar tijd. 

Daaruit blijkt dat heel wat scholen in landelijke gebieden, met doorgaans een kleiner leerlingenaantal, maar uiteraard ook met de nodige uitdagingen door de altijd maar diverser wordende leerlingengroep, steeds vaker in de problemen komen, ook al beschikken zij over heel degelijk personeel en bekwame vrijwilligers. De druk op de werkvloer verhoogt keer op keer. Leerkrachten en schoolteams die deze thematiek met veel enthousiasme willen oppakken, botsen op hun grenzen omdat ze niet kunnen beschikken over de nodige extra middelen. 

Minister, hoe zult u de scholen ondersteunen die niet het vereiste minimum van zes anderstalige nieuwkomers per school halen, maar toch heel wat hindernissen ondervinden om in de nodige en juiste omkadering te voorzien? Welke acties zal u specifiek voor die scholen uitwerken?

Ziet u samenwerkingsmogelijkheden met andere partners die voor scholen een steun zouden kunnen zijn?

Minister Weyts heeft het woord.

Minister Ben Weyts

Nederlands is een heel ernstige problematiek, als ik daarop mag wijzen. Het is goed dat u het opnieuw aanbrengt.

Thuistaal niet-Nederlands – zoals u er zelf op wijst – was vroeger vooral een stedelijke problematiek en is nu steeds meer een factor van belang in de landelijke gebieden. We moeten absoluut verder inzetten op de verwerving van het Nederlands voor alle leerlingen. Daarom nemen we de zeer goede initiatieven op het vlak van de taalscreening die we organiseren in het kleuteronderwijs overal in Vlaanderen, dus niet alleen in de steden.

Maar er is een wezenlijk onderscheid in de ondersteuning en de toekenning van extra lestijden als het gaat over enerzijds anderstalige nieuwkomers en anderzijds leerlingen met thuistaal niet-Nederlands.

De eerste groep, namelijk de anderstalige nieuwkomers, moet voldoen aan vijf voorwaarden: op 31 december van het schooljaar 5 jaar zijn of ouder; maximaal 1 jaar ononderbroken in België verblijven; niet het Nederlands als thuistaal of moedertaal hebben; niet voldoende Nederlands spreken of begrijpen om de lessen te kunnen volgen en niet langer dan 9 maanden ingeschreven zijn in een Nederlandstalige school.

Om aanvullende lestijden te genereren om die leerlingen te begeleiden, moet een school minstens zes anderstalige nieuwkomers als regelmatige leerlingen ingeschreven hebben of een scholengemeenschap minstens twaalf anderstalige nieuwkomers als regelmatige leerlingen ingeschreven hebben. Dat werd ingeschreven om kleinere scholen ook de mogelijkheid te bieden aanvullende lestijden te genereren door de cijfers samen te leggen op het niveau van de scholengemeenschap. Er is ook een regeling uitgewerkt met aanvullende lestijden voor gewezen anderstalige nieuwkomers, vanaf de eerste leerling.

Daarnaast zijn er de leerlingen met een andere thuistaal dan het Nederlands. Dat zijn de cijfers uit Dataloep voor het basisonderwijs waar u naar verwijst voor de Westhoeksteden. De enige voorwaarde voor het aantikken op thuistaal niet-Nederlands is een verklaring op eer van de ouders bij inschrijving. Scholen krijgen vanaf de eerste leerling werkingsmiddelen en omkadering op basis van de leerlingenkenmerken, waarvan thuistaal niet-Nederlands die indicator is die het meeste socio-economische status (SES)-lestijden genereert.

De scholen uit de Westhoek waar u naar verwijst, ontvangen op basis van hun aantal leerlingen met thuistaal niet-Nederlands extra omkadering en werkingsmiddelen. Die scholen worden dus wel degelijk ondersteund voor die leerlingen met een andere thuistaal dan het Nederlands, of ze nu anderstalige nieuwkomers zijn of niet. Dat blijft zo, maar ik wil absoluut dat die middelen ook gebruikt worden waarvoor ze bedoeld zijn.

Nederlands heeft een prominente plaats in ons beleid. Dat verdient weinig beklemtoning. Maatregelen om de taalachterstand bij leerlingen op een zo jong mogelijke leeftijd bij te spijkeren, zijn een echte noodzaak. Ik hoef het niet te herhalen, maar daarom zijn er een hele resem maatregelen: de taalscreening gekoppeld aan taalintegratietrajecten met de nodige budgetten; de eindtermen basisonderwijs waarbij we ook de focus willen leggen op het Nederlands; de zomerscholen en de taalstimulerende trajecten. 

Dat geldt ook voor het Leesoffensief dat we uitwerken. 

Door de gecentraliseerde toetsen zullen we ook veel beter de kennis van het Nederlands kunnen opvolgen.

Via het decreet over de bijsprong, dat u in het parlement op 3 maart 2021 goedgekeurd hebt, worden er ook extra middelen ter beschikking gesteld voor remediëring. Ook hier is er specifiek aandacht voor scholen met veel doelgroepleerlingen, waaronder leerlingen met een thuistaal die niet het Nederlands is.

Ten slotte kunnen de scholen altijd een beroep doen op hun pedagogische begeleidingsdienst voor de pedagogisch-didactische ondersteuning voor het onderwijs aan anderstalige nieuwkomers en leerlingen met thuistaal niet-Nederlands. De ervaringen van scholen in een meer grootstedelijke context kunnen absoluut dienstig zijn voor scholen op uw en mijn platteland.

Mevrouw Vandromme heeft het woord.

Dank u wel, minister. Ik wil toch een aantal zaken toevoegen. U hebt gelijk dat alle leerlingen die aantikken op het vlak van thuistaal niet-Nederlands meetellen. Dat klopt inderdaad. Ik wil het hier echter even hebben over de leerlingen die erkend kunnen worden voor het onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers (OKAN). Het onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers is ontstaan vanuit het idee dat scholen die leerlingen inschrijven die onze taal helemaal niet spreken extra ondersteuning nodig hebben. Ondertussen blijkt dat er in meer en meer landelijke gebieden leerlingen aan de deur staan die helemaal geen Nederlands kennen en die erkend kunnen worden als OKAN-leerlingen. Die extra middelen en lesuren werden met een ondergrens toegekend. Men vertrok daarbij wellicht vanuit het idee dat dit vooral een nood of vraag was vanuit een eerder stedelijke context en dat de gemiddelde schaal van die school in een stedelijke context ook wat groter was. Dit systeem botst nu op zijn grenzen, want u geeft aan, minister, dat er de mogelijkheid is om de aantallen op scholengemeenschapsniveau te bundelen, maar dan nog zien we dat dat in die eerder landelijke gebieden niet volstaat. Daar wordt de populatie alsmaar diverser.

Ik vraag me af, minister, of u bereid bent om te onderzoeken of het eventueel mogelijk zou zijn om die norm te verleggen. Ik geef een voorbeeld: stel dat u een school van 100 leerlingen hebt, waar er 4 leerlingen de kenmerken hebben van OKAN-leerling. De school kan echter geen beroep doen op de extra middelen, want ze komt niet aan het vereiste aantal van 6 OKAN-leerlingen. Een andere school met 400 leerlingen waar men 6 OKAN-leerlingen heeft, voldoet wel om die extra middelen te krijgen: 2 lestijden per school en 1,5 lestijd per leerling extra. Dat zijn de absolute cijfers. Ik merk toch wel heel vaak dat we botsen op die norm. Ik heb het er moeilijk mee om die uit te leggen, want ik kan die eigenlijk niet zo goed verklaren of heb geen antwoord op de vraag van de directeurs en leerkrachten waarom zij niet in aanmerking komen voor de middelen.

Bent u dus bereid om te onderzoeken of we eventueel met relatieve cijfers kunnen werken? Daardoor kunnen scholen met leerlingen, die aan de kenmerken van een OKAN-leerling voldoen, ook de extra middelen krijgen op basis van die anderstalige nieuwkomers. Dat zou toch een slok op de borrel schelen voor die scholen, die misschien niet altijd de expertise hebben die die andere scholen in een eerder stedelijke context wel hebben. Die hebben ook al meer ervaring in het heel specifiek inzetten van leerkrachten voor die doelgroep. Dat is dus mijn heel concrete vraag, minister.

Mevrouw Tavernier heeft het woord.

Minister, een snelle taalverwerving is voor anderstalige nieuwkomers echt wel van essentieel belang. Daarom staan wij vanuit de N-VA volledig achter die OKAN-werking. Wat de middelen voor OKAN betreft, vinden wij het als fractie niet onlogisch dat er een minimum aantal leerlingen wordt bepaald vooraleer er extra middelen tegenover worden gezet. Het moet behapbaar blijven, de middelen zijn niet onuitputtelijk. Stel dat een school slechts een OKAN-leerling heeft, dan zijn er nog steeds de zorgcoördinatoren om deze leerling de nodige ondersteuning, begeleiding en opvolging te geven.

Voor wat betreft de leerlingen met niet het Nederlands als thuistaal, zijn er inderdaad die werkingsmiddelen en extra omkadering, en vanaf volgend schooljaar daarenboven de taalscreening en de taalintegratietrajecten, waarbij de snelle taalwerving en ondersteuning centraal staat. Dat vindt onze fractie uiteraard uitstekend. Minister, aangezien de cijfers voor thuistaal niet Nederlands ieder jaar toenemen, is het van belang dat toekomstige leerkrachten tijdens hun opleiding goed worden voorbereid op hoe ze leerlingen met taalachterstand en anderstalige nieuwkomers optimaal kunnen ondersteunen. Hier moet voldoende aandacht voor zijn binnen de lerarenopleidingen. Zijn er in dat kader, in samenwerking met de lerarenopleidingen, al stappen gezet opdat nieuwe, beginnende leerkrachten beslagen zijn in het taalontwikkelend lesgeven?

Mevrouw Beckers heeft het woord.

Ik vind de vraag van mevrouw Vandromme heel interessant. Die OKAN-klassen zijn eigenlijk taalbaden of hoe je het ook wilt noemen. Hier in Sint-Truiden hebben we dat natuurlijk wel doordat we een asielcentrum hebben – ik weet het, ik val in herhaling – en wordt dat effectief geconcentreerd in één school, die al dat onthaalonderwijs doet. Dat werkt, dat heeft heel goede resultaten. Die kinderen krijgen een jaar lang enkel Nederlands en stromen dan gewoon door naar het reguliere onderwijs. Ik heb het in die situatie al vaak gezien: die kinderen doen het vaak heel goed en kunnen dan zelfs verder studeren enzovoort. Dat is dus het perfecte voorbeeld van een goede integratie, doordat ze eerst de Nederlandse taal machtig konden worden. Daarom vind ik het voorstel van mevrouw Vandromme heel interessant. Ik hoop inderdaad, minister, dat u dat in overweging neemt. Ik denk dat dat een meerwaarde zou kunnen zijn. 

Minister Weyts heeft het woord.

Minister Ben Weyts

Ik ben wel wat terughoudend om onmiddellijk bevestigend te antwoorden op deze vraag, omdat die natuurlijk budgettaire consequenties heeft. Je moet ergens de grens trekken, je moet ergens de lat leggen. Hier wordt voorgesteld dat die lat te hoog ligt. Als het gaat over de anderstalige nieuwkomers: minstens zes, of op het niveau scholengemeenschap is dat twaalf. Als je daar de lat lager gaat leggen, heeft dat budgettaire consequenties ten opzichte van al de rest, die je dan middelen zou moeten ontnemen, tenzij je een appel zou doen op extra middelen. Maar dan mag u mij onmiddellijk de collega in de regering aanduiden die dan het gelag mag betalen. We kunnen misschien stemmen, daar ben ik altijd voorstander van.

Met betrekking tot de lerarenopleiding hebben we recent de oproep gedaan en de investering in het kader van relance om ook te gaan naar een versterking van die lerarenopleiding, en een oproep richting projecten ter verbetering van die lerarenopleiding vanuit verschillende oogpunten. Een belangrijk aandachtspunt is net het omgaan met diversiteit, hoe we op dat vlak de lerarenopleidingen veel beter kunnen versterken. Een tweede aandachtspunt is ook de klemtoon op Nederlands, dat zit ook vervat in onze ambities in het regeerakkoord.

Je hebt enerzijds natuurlijk het versterken van leraren in opleiding op het vlak van Nederlands, maar het is ook een ander verhaal om met die diversiteit te kunnen omgaan. Dat is toch specifiek een vereiste en dat zijn specifieke talenten en vaardigheden om met kinderen te werken die met amper een notie van het Nederlands in het onderwijs binnenkomen en heel plots in een totaal andere omgeving, letterlijk en figuurlijk, terechtkomen. Dat brengt wel wat vaardigheden en een zekere vorm van empathie met zich mee. Daarom gaan we ook in de lerarenopleiding projecten die op dat vlak een versterking kunnen betekenen, ondersteunen.

Mevrouw Vandromme heeft het woord.

Dank u wel voor de laatste aanvullingen, minister.

Collega Beckers, misschien nog even aangeven dat het volledig in de autonomie van de school ligt om te kiezen hoe ze de extra middelen inzetten. Dat hoeft helemaal geen taalbad te zijn, men kan kiezen hoe men dat invult. Ik was onlangs op virtueel bezoek in de lerarenopleiding van de Arteveldehogeschool. Daar werd ook bevestigd dat er heel veel expertiseopbouw is rond taal, rond anderstalige leerlingen. Daar wordt volop op ingezet. Ik heb er alle vertrouwen in dat de lerarenopleidingen dat ook goed aanpakken.

Minister, er moet mij toch iets van het hart. Als ik er de website van Onderwijs Vlaanderen op nalees, dan staat bij de uitleg over OKAN letterlijk: “Elke anderstalige nieuwkomer heeft recht op ondersteuning om Nederlands te leren (…).” Bij die ‘elke anderstalige nieuwkomer’ denk ik dan: het hangt ervan af of er in je klas of op je school nog andere anderstalige nieuwkomers zijn. Dus mijn vraag is echt om te overwegen of een procentuele grens niet meer garantie biedt op gelijke behandeling van elke kant en het recht op ondersteuning om Nederlands beter kan verspreiden. De samenleving wordt ook in de meer landelijke gebieden diverser, dat is duidelijk. Het aantal leerlingen die aantikken op het kenmerk ‘thuistaal niet Nederlands’, stijgt, en ik denk dat we er alles aan moeten doen om de leerkrachten, de toekomstige en de huidige, te versterken.

Ik had deze week een directeur aan de lijn die me een verslag gaf van zijn school in coronatijden. Hij gaf aan dat hij zijn klassen niet mag mengen, omdat leerlingen in een eigen bubbel moeten blijven, en dat hij geen leerkrachten op overschot had. Toch stond er vorige week alweer een OKAN-leerling voor zijn deur, de vierde al met OKAN-kenmerken. Hij vond het pijnlijk vast te stellen dat hij daarvoor geen extra middelen krijgt en hij dus zelf in de begeleiding van die leerlingen moet voorzien. We moeten er alles aan doen om een directeur zijn school te laten uitbouwen tot een goede school. Mijn vraag is hier dus om toch even te overwegen – en ik begrijp dat u niet onmiddellijk ‘ja’ kunt zeggen – of die procentuele grens in dezen niet billijk zou zijn.

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is gesloten.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.