U bent hier

– Wegens de coronamaatregelen werden deze vragen om uitleg via videoconferentie behandeld.

De heer Ronse heeft het woord.

Minister, wat de langdurig zieken betreft, hebt u een sterke en heel ambitieuze visienota voorgelegd, die ook inzet op wat goed was, namelijk de re-integratietrajecten. We zien een verdubbeling van vijfduizend naar tienduizend. Tegelijkertijd zien we ook een betere preventie. Het is dus een en-enverhaal. U wilt ook een mentaliteitsverandering, waarbij gefocust wordt op wat mensen kunnen en niet op wat ze niet langer kunnen, dus op het potentieel, op het positieve. Wij schrijven ons geheel in in die voluntaristische lijn, die u neerschrijft in uw visienota.

Op welke manier denkt u ervoor te kunnen zorgen dat die re-integratietrajecten effectief ingevuld worden? Dat was namelijk wat het zorgenkindje. Ik denk dat de voorzitter daar ook al enkele keren op gewezen heeft. Het is goed dat we dit doen, maar ze moeten wel ingevuld kunnen worden. Wat zijn daar de kritische succesfactoren?

Een belangrijk luik is de samenwerking met de federale overheid. Ik heb van u al een aantal keren vernomen dat er wel een positieve vooruitgang zit in het verhaal van die arbeidsintegratiejobs, waarbij iemand minder gemakkelijk zijn uitkering kan verliezen. Daardoor wordt het risico bij het opnieuw aan de slag gaan wat verminderd. 

Daarnaast is er de hele hetze rond het op pensioen stellen en het niet meer sturen van een controlearts naar die 29.000 langdurig zieken. Dat vind ik al heel wat minder positief. Misschien kunt u daarover ook uw licht laten schijnen? 

De samenwerking tussen VDAB en het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (RIZIV) wordt geëvalueerd door het Onderzoeksinstituut voor Arbeid en Samenleving (HIVA). Wat is de stand van zaken van deze studie? Wanneer zullen wij deze resultaten krijgen? Voorzitter, kunnen we misschien in deze commissie ook een hoorzitting organiseren waarin deze resultaten, die ons toch allemaal interesseren, voorgesteld worden?

Bent u van plan om uw federale collega te vragen om de beslissing om ruim 29.000 langdurig zieken niet meer te contacteren tot hun pensioen terug te draaien? Met andere woorden: kunnen die mensen toch betrokken worden bij die re-integratieprojecten?

Nu vorm ik een koppeltje met mijn eigen vraag om uitleg. Er is uiteraard geen mooiere en aangenamere partner denkbaar dan mezelf op dat vlak. Dank u, voorzitter, dit is een ‘perfect match’. Die vraag gaat over de burn-outs en de promotiekansen na een burn-out. Dat is een problematiek die ik heel goed ken. Ik ben zelf geen slachtoffer geweest van een burn-out maar ken wel wat mensen die daarvan het slachtoffer geweest zijn of vandaag nog zijn. Ik denk dat veel mensen, helaas, nog op te veel onbegrip botsen op dat vlak en dat dit iets is waarop nog veel taboes rusten.

Een interessant onderzoek van de Universiteit Gent stelt dat het burn-outverleden voor 406 managers een heel grote hypotheek legt op de toekomstkansen van werknemers. Ze hebben een derde minder kansen op promotie. Dat is gigantisch. Men zou oordelen dat die werknemers minder stressbestendig zijn en niet over leiderschapscapaciteiten beschikken. Bovendien zouden ze minder geneigd zijn om te vertrekken, mochten ze daardoor een promotie mislopen.

Ik vind dat toch wel vrij frappant. Ik denk dat onze samenleving toch al zo gevorderd moest zijn dat we dat in een context kunnen plaatsen en wat empathie opbrengen op dat vlak. Uiteraard kan de overheid niet alles oplossen, maar misschien kunnen we wel, vanuit onze bevoegdheden, eens kijken op welke manier de vooroordelen rond dat burn-outverhaal kunnen worden weggewerkt. Wie een burn-out heeft gehad krijgt zo toch nog alle kansen om zijn of haar carrière degelijk uit te bouwen.

Dank u wel, voorzitter, het was fantastisch om met mezelf een koppeltje te zijn.

Ik ben blij dat u zichzelf fantastisch vindt, collega Ronse.

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Ik vind dat wel een beetje narcistisch hoor, als ik dat mag zeggen.

Ik zou het hierbij laten, minister.

Minister Hilde Crevits

Het is alweer een lange dag, collega’s. Ik denk dat ik een beetje hydratatie nodig heb. Ik zal eens bij collega Vande Reyde te rade gaan.

Bedankt, collega Ronse, voor uw gekoppelde vragen, die gaan over mijn actieplan rond de re-integratie van langdurig zieken. Ik ben blij dat we hiermee een stap vooruit zetten. Het is geen geheim dat die doelgroep mij nauw aan het hart ligt en voor mij ook prioritair moet kunnen meestappen in het kansenverstrekkend verhaal.

We willen eigenlijk in eerste instantie vertrekken vanuit onze eigen hefbomen en instrumenten in Vlaanderen. De lat ligt daarvoor hoog: we willen in 2021 ons contingent van 5000 trajecten optimaal benutten. Voor de periode 2022-2023 zou ik een nieuw ambitieus groeipad willen kunnen bewandelen naar 7500 en vervolgens 10.000 trajecten. Daarvoor heb ik uiteraard ook de federale overheid nodig, want die financiert trouwens ook die trajecten.

Het invullen van die re-integratietrajecten is zeker geen opdracht van VDAB alleen. We zullen hoofdzakelijk op twee manieren inzetten op een verhoogde instroom, enerzijds door artsen, arbeidsongeschikten en werkgevers meer en beter te informeren en te sensibiliseren over de mogelijkheden die er zijn om een traject naar werk aan te vatten. Daar moeten we zorgen dat alle betrokken gesprekspartners de mogelijkheden van VDAB én de vele partners kennen en binnen handbereik hebben wanneer verdere stappen naar werk bespreekbaar worden. De drempel moet zo laag mogelijk zijn en hiervoor gaan we ook nieuwe partnerschappen aan, bijvoorbeeld met sociale secretariaten, of via lokale netwerken van huisartsen. 

Ik wil alleszins ook een mindswitch realiseren bij de brede bevolking. We moeten gaan van arbeidsongeschikt naar arbeidsgeschikt. Dat is een steen die ik wil verleggen, onder andere via een brede communicatiecampagne. Ik vind dat herstel van ziekte combineren met een zekere mate van werk eigenlijk heel normaal zou moeten zijn, en heel vanzelfsprekend, daar waar het opportuun en mogelijk is – uiteraard enkel waar het mogelijk is. Maar laat ons dan ook naar mensen die ziek zijn, of chronisch ziek zijn, niet kijken vanuit het perspectief van de ziekte, naar wat men allemaal niet meer kan, maar naar wat men wél nog kan. Dat is een stapsgewijs proces, maar wel een dat gestart moet worden.

Er zijn vijf acties die we met de federale partners willen opnemen. Ook dat is natuurlijk essentieel. Prioritair is dat VDAB sneller in het re-integratieproces betrokken moet worden. Dat is superbelangrijk. We hebben daarover ook passages voorzien in ons regeerakkoord. En ten tweede, naast het ambitieuze objectief, het breed communiceren en het streven naar het sneller betrekken van VDAB, moeten we ook durven na te denken over responsabiliseringsmechanismen. Ik vind het ook heel belangrijk dat we gesprekken voeren – dat is ook met de Federale Regering – over de drempels die een hogere uitstroom naar werk in de weg staan. Heel veel mensen in arbeidsongeschiktheid zijn onzeker over de financiële impact bij deeltijdse werkhervatting. Vandaar dat het ook mijn vraag is naar de federale overheid om meer combinaties mogelijk te maken. De combinatie van werk en ziekte, herstel, revalidatie. Ik heb over al die zaken ook al een gesprek gehad met collega Vandenbroucke, en ook een eerste gesprek met collega Dermagne. Mijn kabinet heeft ook een gesprek gehad, en dat gaf in elk geval hoop.

Dat was er uw tweede vraag: hoe pak je dat aan? De Vlaamse en de federale overheid zijn in deze kwestie eigenlijk partners met een gemeenschappelijk belang. Ik ga ervan uit dat ook de Federale Regering voluit de kaart trekt van de visie op kansen die moeten worden gegeven.

Dan is er de HIVA-evaluatie van de samenwerking. Vorige week is een ontwerpversie van het rapport opgeleverd aan VDAB. We zijn die nu aan het analyseren. We hebben nog geen finale versie, maar zodra ik die heb, zal ik die ook aan deze commissie laten presenteren.

Ik betreur uiteraard die beslissing om een groep langdurig zieken los te laten. Die beslissing is federaal genomen. Collega Ronse, mochten er bij die mensen toch werkwilligen zijn, dan zijn ze uiteraard welkom bij VDAB, maar met mijn actieplan kijk ik eigenlijk vooruit. Als mensen al heel lang in de ziektesituatie zitten en de link met de arbeidsmarkt compleet kwijt zijn, dan vraagt het een enorme inspanning om hen terug te halen. Dat blijkt ook uit alle studies. Voor mij is het dus echt van belang dat we hen niet loslaten. Dat vraagt een mindswitch, maar ook een structurele positiebepaling voor VDAB in het proces.

Ten slotte, VDAB zou die mensen allemaal contacteren na drie en vijf maanden. Dat hoeft niet VDAB te zijn. Als een bedrijfsarts weet wat de rol van VDAB is, dan kan die ook vragen stellen: hoe zit het met uw werk, wat kunnen we doen? Er zijn zoveel instrumenten in Vlaanderen, om werkposten aan te pakken, om mensen te begeleiden in nieuwe trajecten. Die worden te weinig gebruikt. Dat betekent dus dat je die band moet proberen te behouden van mensen met de arbeidsmarkt, want als je die loslaat, dan wordt de angst van die mensen om terug naar de arbeidsmarkt te komen bijzonder groot. Ik kan dat die mensen niet verwijten.

Collega Ronse, dan was er uw vraag over de burn-outs. Terecht merkt u op dat arbeidsongeschiktheid niet altijd van fysieke aard is. Op Vlaams niveau zet ik met een uitgebreid pakket aan flankerende acties in op de preventie van burn-outs. We nemen ook actie om het huidige actieplan voor werkbaar werk te evalueren. Ik wil een nieuw VESOC-akkoord (Vlaams Economisch Sociaal Overlegcomité) en eigenlijk een nieuw actieplan inzake werkbaar werk. Daarnaast volgen we ook de evoluties in de opmaak van het federale antiburn-outplan. Daarover is er ook een schriftelijke vraag gesteld, door collega Saeys. We zitten hierover heel regelmatig samen met het kabinet van collega Dermagne. Ik zal er dus ook over waken dat het Vlaamse en het federale beleid op dat vlak elkaar versterken en aanvullen.

De heer Ronse heeft het woord.

Dank u wel. Misschien eerst een rechtzetting: voor alle duidelijkheid, ik vind mezelf helemaal niet zo mooi en fantastisch als ik net deed uitschijnen. Ik was eigenlijk een beetje cynisch aan het doen, met die grappige term van de gekoppelde vraag.

Minister, wat die vraag over de langdurig zieken betreft, ben ik het volledig eens met uw redenering: hoe langer iemand in inactiviteit zit, hoe langer die periode duurt, hoe moeilijker het is om die persoon te versterken, hoe moeilijker het is om de kloof tussen die persoon en de arbeidsmarkt te dichten. Dat is zeer juist, maar dat lijkt me een reden te meer om er vooral voor te zorgen dat we mensen niet uit het oog verliezen, ook die 29.000 langdurig zieken niet die nu het signaal hebben gekregen dat de controlearts er niet meer zal komen. Ik vond dat eigenlijk fout. Ik heb gisteren een lang gesprek gehad met een langdurig zieke, iemand die echt al zeer lang ziek is, die eigenlijk in die situatie zit. Ik heb hem gezegd dat ik dat systeem van jaarlijkse controleartsen een fout systeem vind. Als je been werd geamputeerd, dan moet er niet jaar na jaar een controlearts komen om diezelfde pijnlijke vaststelling te doen. Dat been zal niet teruggroeien.

Wat die mensen wél nodig hebben, is jaar na jaar een multidisciplinair team dat kan nagaan hoe die persoon op een aangepaste manier bij de huidige of de vorige werkgever of in een andere context kan werken. Dat kan misschien leiden tot een aantal actiepunten: opleiding volgen, stage volgen, misschien op het vlak van zorg extra investeren in die persoon. Die benadering moet dus veel humaner. Nu laten we die mensen echt veel te veel aan hun lot over, en dat is echt niet goed. Ik vind dus dat we ook die 29.000 mensen niet mogen loslaten. Ik hoop dus dat de Vlaamse Regering op dat vlak toch een overleg aangaat met de minister van Volksgezondheid, Frank Vandenbroucke, en de mensen van het RIZIV, om het lot van die mensen toch te verbeteren en hen te versterken.

Twee, ik ben heel dat u volhardt in uw ambities voor uw re-integratieprojecten. Ik geloof daar ook heel sterk in. Misschien, minister, moeten wij tegelijk ook nadenken over experimenten. We moeten out of the box durven te denken. Ik denk aan het voorbeeld van voormalig collega Rob Beenders, die op een heel onverwacht moment ernstige gehoorbeperkingen kreeg en die dankzij implantaten geholpen is geweest. Hij vertelde mij dat heel veel mensen in zijn situatie dat systeem zelfs niet kennen en dus niet meer aan de bak kunnen geraken. Wij moeten durven te investeren in het bekendmaken van de mogelijke middelen die hen wel weer in staat zouden stellen om te werken. Wij moeten hen daar ook financieel in ondersteunen. Het kost ons als samenleving immers veel meer om die mensen in hun isolement te laten.

Wat burn-out betreft, ben ik heel blij dat u mijn visie deelt. Wij mogen geen talent verloren laten gaan door de promotiekansen van die mensen te verminderen. U bent ook gevoelig voor dat punt en u zult daarrond actie ondernemen. 

Mevrouw Gennez heeft het woord.

Ik vind vraag en antwoord heel interessant. U weet dat wij als sp.a niemand willen achterlaten. Mensen die willen werken en de ambitie hebben om dat te doen, moeten uiteraard alle tools en alle mogelijkheden krijgen om dat ook te kunnen. Maar er zijn enkele belangrijke randvoorwaarden, zoals u, minister, het ook hebt opgemerkt. U vindt het positief dat de financiële impact van werk op de uitkering correcter en klantvriendelijker in kaart wordt gebracht. Ook ik vind het ongelooflijk belangrijk dat de combinatie van uitkering en loon zonder terugval van rechten moet worden geoptimaliseerd. Het is positief om opnieuw aan het werk te gaan met eventueel nog een deel van de ziekte-uitkering. Dat overleg met de federale instanties kan goed verlopen om de drempels te verminderen.

Wat wel moet worden vermeden, is dat de uitstroom naar werk van een beperkt aantal trajecten ook nog eens beperkt wordt. Het heeft weinig zin een traject op te zetten als nadien ook geen jobaanbieding of geen volwaardig aangepaste job volgt. Dat zou alleen maar voor meer demotivatie zorgen. Dat moeten wij zeker voorkomen. De wetgeving is daarin ook duidelijk. Redelijke aanpassingen weigeren is een vorm van discriminatie die niet kan op de arbeidsmarkt. Als dergelijke redelijke aanpassingen niet mogelijk zijn, moet dat in een verslag gemotiveerd worden. Vandaag zijn er nog geen adequate standaarden waaraan zo'n verslag moet beantwoorden. Het is belangrijk dat wij daar werk van maken, om de rechtszekerheid en het jobaanbod voor de mensen die terugkomen naar de arbeidsmarkt uit een langdurige ziekte, te garanderen.

Ik heb nog een vraagje over de mogelijkheden die u zegt te zullen onderzoeken van re-integratie via uitzendarbeid. Het instrument bestaat en ik vind het geen probleem dat het mee wordt ingezet. Maar het risico is dat het geen duurzaam perspectief biedt voor de betrokkene. Ook dat zou de motivatie niet altijd ondersteunen. Hoe kunt u daarin garanties inbouwen?

Minister, ik heb u horen zeggen dat u vooruit wilt. Vanaf 21 maart kunt u een lidkaart kopen van de nieuwe beweging genaamd Vooruit. Zeer welkom!

Ik kan mij voorstellen dat u alle versterking kunt gebruiken, maar ik zie het toch niet snel gebeuren.

De heer Ongena heeft het woord.

Ik dank collega Ronse voor de vraag en de minister voor het antwoord.

Minister, ik heb uw visienota voor de aanpak van langdurig zieken met veel interesse gelezen. Als je het eerste deel, over de huidige situatie, leest, word je daar niet vrolijk van: er zijn 281.000 langdurig zieken in Vlaanderen, een cijfer dat sterk stijgend is. Volgens het eigen Vlaamse steunpunt Werk zou eigenlijk maar een groep van ongeveer 88.000 mensen het grootste potentieel hebben om weer aan het werk te raken. Dat zijn mensen die minder dan een jaar langdurig werkloos zijn. Dus eigenlijk zeggen we zelf al dat het voor bijna 200.000 mensen heel moeilijk gaat worden.

Als je dan ziet dat je met 3600 mensen in een begeleidingstraject zit, van wie maar 30 procent doorstroomt naar werk, spreek je over een goeie 1000 mensen die je hebt gere-integreerd naar werk, op een groep van 281.000. We hadden het daarnet al over een druppel op een hete plaat. Ik vrees dat we daar ongeveer zitten.

Maar goed, we kunnen daar allemaal moedeloos over worden, maar het belangrijkste is dat u daar actie in wilt ondernemen. U hebt verwezen naar uw actieplan met vijftien heel concrete acties, waarvan vijf in overleg met de federale overheid – het is belangrijk dat dat gebeurt – maar natuurlijk ook tien in eigen winkel, als ik het zo mag noemen. U verwacht daarbij natuurlijk ook weer heel veel van VDAB, en terecht. Niet alleen VDAB, voor alle duidelijkheid, maar die gaat ook een belangrijke rol spelen, zeker als u die ambitie wilt opschroeven naar tienduizend begeleidingstrajecten.

Hoe is men dat binnen VDAB aan het voorbereiden? Gaat dat extra capaciteit vragen? Excuus dat ik altijd op die nagel klop, maar we mogen daar natuurlijk ook niet blind voor zijn. Hoe zijn de voorbereidingen daar? Verwacht men daar extra capaciteit en extra budget die men nodig zal hebben? Kunt u daar misschien al inkijk in geven?

De discussie hierover is ook op federaal niveau gevoerd. Minister Vandenbroucke kondigde aan dat hij zeker met u in overleg zou gaan, maar ook dat er een soort re-integratiecoördinator zou komen, een soort brugfunctie tussen alle betrokkenen, om die mensen toch terug richting werk te kunnen begeleiden. Hoe staat u tegenover die nieuwe functie die daar in het leven wordt geroepen? Ziet u daar ook mogelijkheden in als een belangrijke rol in uw eigen Vlaams actieplan? Kunt u daar al iets over zeggen?

Ik wil ook nog heel kort aansluiten, collega’s. Dit is een bijzonder belangrijk onderwerp. Het gaat inderdaad over een bijzonder grote groep mensen, en helaas neemt het aantal ook toe. Het is ook een heel diverse groep. Dat bewijzen de cijfers van het steunpunt: 88.000 mensen worden ingeschat als hebbende een potentieel voor de arbeidsmarkt. Dat is ongeveer de helft van de werkzoekendenpopulatie die op dit moment bij VDAB ingeschreven is en in begeleiding zou moeten zijn. Dat is toch een enorm aantal mensen. En als we het echt menen met die kansen, met die begeleiding op maat, met het ‘niemand laten vallen’, dan is dat eigenlijk een bijzonder grondige hertekening van ons hele beleid, zowel in arbeidsmarktbeleid als in welzijnsbeleid en de grens daartussen die zou moeten vervagen.

De minister heeft een heel sterke visienota neergelegd, maar naar aanleiding van de HIVA-evaluatie die is aangekondigd en ook een aantal andere stappen die moeten worden gezet in deze commissie, kunnen en moeten we hier zeker nog een grondiger debat over voeren. Er zijn in deze commissie veel prioriteiten rond arbeidsmarkt, en dit is er zeker eentje van. Wordt dus vervolgd.

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Bedankt, collega’s. Ik ben het er absoluut mee eens dat dit een heel belangrijke problematiek is, maar ik zou toch willen waarschuwen voor te snel te veel resultaten. Het klopt wat de heer Bothuyne zegt, dat het een grondige aanpassing, maar ook een switch vraagt in ons aller denken.

Er wordt heel weinig gebruik gemaakt van de instrumenten die we in Vlaanderen hebben om langdurig zieken bijvoorbeeld een aangepaste werkpost te geven of te begeleiden bij werk. We denken nog te vaak in twee sporen: ofwel is men ziek, ofwel werkt men. Ik heb uit eigen familiale ervaring meegemaakt hoe werk ook tijdens een ziekteproces louterend kan zijn en energie kan geven. We moeten daar dan ook op een andere manier naar kijken. Ik zie dat ook in mijn mailbox. Telkens wanneer ik iets zeg over langdurig zieken, dan voelt een pak mensen zich aangevallen omdat wij hen zouden willen doen werken. Maar dat geldt natuurlijk niet voor iedereen, bijvoorbeeld zwaar zieken.

De vraag is alleen of het, ook wanneer men zwaar ziek is, normaal is om volledig de band door te knippen met het werk of met de mogelijkheden op werk. Op school bijvoorbeeld is er voor kindjes die zwaar ziek zijn Bednet, waardoor de contacten met de klas behouden blijven. Dat bevordert de re-integratie nadien heel fors en het geeft ook energie, zowel aan de klas als aan het kind thuis. Ik vind dat we daar op een andere manier naar moeten kijken, maar dat zal niet van vandaag op morgen geregeld geraken, collega’s.

Collega Ronse, het kabinet-Vandenbroucke werkt momenteel aan de begroting of aan het proces. Een multidisciplinair team maakt daar deel van uit, met ergotherapeuten, psychologen en dus zeker niet alleen artsen. Ik vind dat loopbaancoaching eigenlijk in een dergelijk multidisciplinair team hoort. Dat hoeft niet altijd iemand van VDAB te zijn, dat kan ook iemand binnen de gespecialiseerde entiteiten zijn die daar rekening mee houdt. Maar dat moet toch een onderdeel zijn van het proces dat zieke mensen doorlopen.

Er zijn momenteel superveel experimenten in voorbereiding op onze nota. De mensen op ons kabinet hebben een bloemlezing gegeven over wat er allemaal al is gebeurd. Ik ben er echt van onder de indruk. De mensen over wie u spreekt, collega Ronse, hebben we ook gehoord op het kabinet. Dat was heel interessant. Het ging ook heel specifiek over die hoorapparaten. Maar er zijn ook heel veel ESF-projecten rond dit thema. In 2018 zijn er elf innovatieve projecten opgestart. We zijn ook heel veel over de muur en over de grenzen van onze regio gaan kijken. We hebben daar heel wat budgetten voor vrijgemaakt. In 2019 zijn er ook acht projecten opgestart. Ik kan u schriftelijk al die projecten bezorgen zodat u kunt zien wat er is gebeurd. In twee jaar tijd is er 8,5 miljoen euro aan ESF-middelen besteed aan pilootprojecten en experimenten voor langdurig zieken. Ik vind dat goede en belangrijke budgetten.

Collega Gennez, volwaardige jobkansen zijn van belang. We zullen in het actieplan ook onderzoeken waar mensen de meeste kansen hebben en wat de succesfactoren zijn bij een traject naar werk. Aanpassingen aan de werkvloer kunnen nu al worden geadviseerd, bijvoorbeeld door jobcoaching. Dat bestaat, alleen worden onze instrumenten niet voldoende gebruikt. We vinden het nog altijd normaal dat iemand die ziek was en terugkomt, opnieuw hetzelfde doet als vroeger, terwijl dat niet altijd kan. Soms zal dat op een andere plaats moeten of op een andere manier. Ik zie anderzijds ook werkgevers die heel sensibel zijn om mensen kansen te geven. Alleen is het nog niet voldoende ingebed in onze cultuur.

Ik denk dat het overleg met het federale niveau vlot zal verlopen, maar het zal vooral van belang zijn om de procedures goed op elkaar af te stemmen. Ik heb van collega Frank Vandenbroucke gehoord dat we duidelijk eenzelfde doelstelling hebben. Dat is al veel. Als je hetzelfde wilt bereiken, dan kun je discussiëren over de manier waarop, maar ik wil niet dat er tussen het federale en het Vlaamse niveau energie verloren gaat. De beschikbare energie en budgetten moeten optimaal worden gebruikt.

Uitzendarbeid kan ook de stap zijn naar een duurzame job. Voor sommige mensen is dat net de juiste stap. Het kan een tijdelijke oplossing zijn voor mensen die zich tijdelijk beter voelen om te werken. Het kan ook dienen om een flexibel arbeidsritme op te bouwen. Ik vind trouwens dat de sector zich ook zeer open opstelt en eigenlijk ook een rol speelt in dat verhaal. Ik heb binnenkort een gesprek met de sector.

Collega Ongena, ik wil een nuance maken wat de cijfers betreft. 80 procent van de mensen vindt de weg naar werk zonder begeleiding. Vaak is die VDAB-begeleiding niet nodig. Zij die daar nood aan hebben, komen bij VDAB terecht. Voor mij is het echter van belang dat we de energie op het juiste moment inzetten. Ik vind het terecht dat u de vraag naar de capaciteit stelt en naar hoe men dan zal doen. In 2019, voor de coronacrisis, ging het om 4600 trajecten, waarvan een derde naar werk is uitgestroomd. Dan voel ik dat er iets fout moet zijn met het moment waarop die mensen bij VDAB komen. Als we iemand over al die werkangsten heen moeten helpen, wordt dat ontzettend moeilijk. Als we de mensen die hiervoor zorgen daar vroeger bij kunnen betrekken, zal dat misschien tot meer succes leiden en aanstekelijk werken.

Mijnheer Ongena, ik sta positief tegenover een coördinator als bruggenbouwer. In sommige gevallen worden de mensen van het kastje naar de muur gestuurd. We voelen dat de mensen nood aan een houvast hebben. Als een coördinator kan helpen, vind ik dat zeer positief, maar hij mag natuurlijk niet de activeringsrol van VDAB op zich nemen. Hij kan als brugfiguur helpen om de stap naar VDAB te zetten. Ik mis de link tussen een multidisciplinair team en werk. Ik vind dat daar eigenlijk de eerste hefboom zou moeten zitten.

Wat de capaciteit van de trajecten betreft, gaat het nu om een financiering door het RIZIV. Ik heb het engagement gekregen dat een verhoging van het objectief bespreekbaar is. First things first. Ik wil eerst en vooral de 5000 trajecten voor 2021 goed ingevuld krijgen. Ik hoop ook dat de uitstroom van de mensen die hiermee starten beter wordt.

De heer Ronse heeft het woord.

Ik hoop dat we daar binnenkort door middel van een gedachtewisseling of hoorzitting verder op kunnen ingaan.

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is gesloten.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.