U bent hier

– Wegens de coronamaatregelen werd deze vraag om uitleg via videoconferentie behandeld.

De heer D’haeseleer heeft het woord.

Het onderzoeken van fraude in de sociale huisvestingssector zoals domiciliefraude en het niet aangeven van buitenlandse eigendommen enzovoort vind je in elke beleidsnota van de opeenvolgende ministers van Wonen terug. Iedereen is het er uiteraard over eens dat sociale fraude maximaal uitgesloten moet worden, zodat de woningen terechtkomen bij wie ze nodig heeft.

Als je de recente, beschikbare cijfers met betrekking tot fraudebestrijding bekijkt, zowel op het vlak van domiciliefraude als op het vlak van buitenlandse eigendommen, zijn de resultaten bedroevend te noemen. Je kan stellen dat er heel wat fraudeurs door de mazen van het net glippen. En die mazen van dat net zijn immens groot.

Het is vooral op basis van de info van de sociale verhuurders dat sporadisch gevallen van fraude worden ontdekt.

Uit het antwoord op schriftelijke vragen, heb ik geleerd dat in 2019 er 194 dossiers of klachten met betrekking tot domiciliefraude door de toezichthouders werden behandeld. Dat heeft geleid tot amper zes processen-verbaal, waarvan er nog eens vijf geseponeerd werden. Bij de controle op buitenlandse eigendommen zijn er zelfs amper cijfers beschikbaar.

In de meeste gevallen zijn het de bewoners van de sociale woningen zelf die op de hoogte zijn van het feit dat een buurtbewoner een eigendom in het land van herkomst bezit of waarvan de gezinstoestand niet strookt met wat is doorgegeven aan de huisvestingsmaatschappij, dikwijls omdat de eigenaars al eens hun mond voorbij praten.

Een burger kan een klacht in verband met een vermoeden van bijvoorbeeld domiciliefraude van een sociale huurder melden aan de politie, de betrokken sociale verhuurder en de afdeling Toezicht van het agentschap Wonen-Vlaanderen. Steeds moet de burger zich echter kenbaar maken en is deze drempel voor veel mensen veel te hoog om initiatief te nemen. Om deze kwaal van sociale fraude in deze sector efficiënt te kunnen aanpakken, moet er volgens ons een laagdrempeligere mogelijkheid worden geboden om dergelijke fraude te melden. Daarom pleiten we ook voor een anoniem meldpunt van fraude in de sociale huisvesting.

Minister, bent u bereid om de mogelijkheid van een anoniem meldpunt te onderzoeken? Zo ja, hoe ziet u dan een eventuele invulling van dit meldpunt?

Minister Diependaele heeft het woord.

Minister Matthias Diependaele

Alvorens op uw specifieke vragen in te gaan, wil ik er in eerste instantie op wijzen dat er wel degelijk heel wat inspanningen worden geleverd om domiciliefraude een halt toe te roepen. Domiciliefraude bestrijden is in eerste instantie een verplichting van de verhuurders, van de sociale woonactoren zelf. De afdeling Toezicht zette de laatste jaren dan ook sterk in op het ondersteunen van de actor hierbij. Zo organiseerde ze in 2016 verschillende overlegmomenten in alle Vlaamse provincies waarbij toelichting werd gegeven over domiciliefraude en hoe die kan worden aangepakt. De toezichthouder gaf aan wat de sociale verhuurders zelf kunnen doen en welke rol de afdeling Toezicht heeft. Aan de hand van een casus bracht de toezichthouder telkens een debat op gang onder de deelnemers waarbij ervaringen en tips uitgewisseld werden. De toezichthouder gaf ook de aanbeveling om een interne procedure of werkwijze op te stellen.

Tijdens de globale onderzoeken in de periode 2016-2020 gingen de toezichthouders vervolgens na of de sociale huisvestingsmaatschappijen (SHM’s) wel degelijk een werkwijze hadden om domiciliefraude aan te pakken en die ook in de praktijk toepasten. Zo werd bekeken of die procedure alle mogelijke stappen bevatte die de SHM zelf kan ondernemen. Er werd daarbij gekeken of de procedure onder andere voorzag in volgende zaken: een bevraging via de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid naar aanleiding van onder andere de inhuurname; kennisname van de automatische meldingen die de SHM ontvangt via de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen (VMSW) met betrekking tot aangemelde personen; vergelijking en controle van de gekende gezinssituatie met de officiële gezinssituatie; nagaan of de SHM aandacht heeft voor domiciliefraude tijdens plaatsbezoeken; nagaan of de SHM de betrokken huurder(s) systematisch vraagt om een vermoedelijke situatie van domiciliefraude uit te klaren en hierbij vraagt om de verbruiksfacturen voor te leggen; bevraging van de buurtbewoners; opvolging van de verbruiksgegevens bij gebruik van individuele meters in gemeenschappelijke delen; samenwerking met de wijkagent; nagaan of de rol van de afdeling Toezicht in de procedure verwerkt is.

De controle werd uitgevoerd bij 78 SHM’s die actief zijn in de huursector. De meeste SHM’s hadden een procedure of werkwijze voor de aanpak, maar soms ontbrak bijvoorbeeld de rol van de afdeling Toezicht in de procedure. In 17 onderzoeken gaf de toezichthouder aan dat de SHM een procedure moest opstellen of de bestaande procedure moest aanvullen.

Tijdens de laatste globale onderzoeken stelden de toezichthouders ook vast dat meerdere SHM’s samenwerkingsprotocollen opstelden met de lokale politiezones, waardoor de samenwerking met de wijkagent sterk verbeterde.

De SHM’s nemen hun verantwoordelijkheid inzake domiciliefraude duidelijk zelf op, vragen steeds meer de verbruiksgegevens van de nutsvoorzieningen van de sociale huurwoning in kwestie bij de toezichthouder op en werken steeds meer en nauwer samen met de lokale politie en het parket. Die versterkte aanpak verklaart de cijfers: de toezichthouder wordt immers pas ingeschakeld door de SHM als zijn optreden een meerwaarde kan betekenen voor het dossier.

Ook de controle op buitenlandse eigendommen van sociale huurders zal performanter worden gemaakt. Dat hebben we vorige week uitgebreid besproken in de commissie naar aanleiding van uw vraag om uitleg, mijnheer D’haeseleer.

Dit allemaal om te zeggen dat er niet stilgezeten wordt en dat de domiciliefraude-problematiek en de onroerende eigendom in het buitenland wel degelijk worden aangepakt.

Ik ga vervolgens in op uw specifieke vraag over de mogelijkheid van de oprichting van een anoniem meldpunt van fraude in de sociale huisvesting. Dat lijkt mij geen goed idee en ook overbodig. Zoals u wellicht weet, bestaat er al een meldpunt sociale fraude. Anonieme meldingen worden niet behandeld, maar de burger krijgt de garantie dat zijn identiteit wordt beschermd. Ik zie dus niet in waarom er een anonieme melding mogelijk zou moeten zijn. Er lijkt mij dus geen noodzaak te zijn tot het oprichten van een apart meldpunt voor fraude in de sociale huisvesting.

Meneer D'haeseleer, in hoogstpersoonlijke eigen naam wil ik daar nog iets aan toevoegen. Ten eerste, we zijn het er allebei over eens dat fraude – welke fraude dan ook: sociale fraude, fraude in sociale huisvesting, domiciliefraude – onaanvaardbaar is. Ten tweede, ik ben voor een sterk overheidsapparaat dat ervoor zorgt dat die fraude zoveel mogelijk wordt aangepakt. En ten derde – en op dat vlak hebben we blijkbaar een fundamenteel verschillende visie op de identiteit van de Vlaming, want daarover gaat het toch – denk ik dat Vlamingen geen verklikkers zijn. Ik wil dat ook op geen enkele manier aanmoedigen. Voor mij heeft dat echt te maken met de identiteit. Ik had het toevallig deze ochtend in de auto met m'n kinderen van zeven en negen jaar over ‘overdragen’. Ik had het er met hen over dat dat eigenlijk niet mooi, niet leuk is. Dat is een boodschap die ik meegeef aan mijn eigen kinderen, omdat ik eigenlijk vind dat dat tot de identiteit van de Vlaming behoort. Ik ben niet voor een verklikkersmentaliteit.

Maar daarmee heb ik natuurlijk niet gezegd – die verwarring mag u niet maken – dat er vanuit de overheid geen sterk systeem moeten zijn. Wij jagen de sociale huisvestingsmaatschappijen op om ervoor te zorgen dat ze die domiciliefraude en andere vormen van fraude aanpakken. Ook wat de eigendommen in het buitenland betreft, ben ik het er absoluut mee eens dat het een taak is van de overheid om dat streng aan te pakken. Maar anonieme meldpunten – er bestaan er al enkele, zoals daarnet aangehaald – zal ik zeker niet verder uitbouwen, en zeker niet anoniem.  Als u het mij vraagt, is de Vlaming geen verklikker. Maar misschien verschillen we daarover van mening. Ik dank u.

De heer D’haeseleer heeft het woord.

Minister, ik dank u voor uw antwoord. Ik had natuurlijk wel gedacht dat u het over de boeg van verklikkers en kliklijnen ging gooien. Er zijn trouwens al anonieme meldpunten, minister. Bij verschillende politiezones kan men anoniem melden, en ook bij de RVA. In het verleden was ik inspecteur bij de RVA. Als die klachten duidelijk waren en genoeg informatie bevatten, werden die klachten onderzocht, ook al stond er geen naam onder.

Het probleem is dat er bijvoorbeeld bij domiciliefraude geen automatische knipperlichten zijn die duiden op mogelijke fraude. Bij de RVA zijn er koppelingen van databanken. Stel dat iemand werkloos is en via interim enkele dagen in de maand werkt, maar dat niet aangeeft en zo toch zijn volledige werkloosheidsuitkering opstrijkt. Wel, die databanken geven automatisch een signaal aan de RVA: er is een socialezekerheidsbijdrage betaald voor die persoon die werkloos is, dus is er zwartwerk. Op basis van die databanken kan de overheid dan zelf actie ondernemen.

Maar dat automatisme bestaat weinig of niet als het gaat over fraude in de sector van de sociale woningen. U hebt daar het voorbeeld aangehaald van de facturen van water en elektriciteit die worden opgevraagd. Dat gaat echter enkel over mensen die een sociale woning hebben, maar eigenlijk ergens anders wonen. Daar kan dat wel een rol spelen. Maar wanneer iemand ingeschreven staat als alleenstaande en er toch een partner bij inwoont, zul je dat weinig of niet kunnen bewijzen aan de hand van de elektriciteitsfactuur – want het licht brandt nu eenmaal, of dat nu voor één persoon of voor een heel gezin is,  dat maakt niet veel verschil – en in mindere mate aan de waterfactuur, omdat dat heel moeilijk te bewijzen is.

In deze gevallen, vooral wanneer het gaat over het niet aangeven van eigendommen in het buitenland, is de belangrijkste bron van bewijs van fraude, de meldingen van bewoners die iets opmerken bij de buren. Het zijn dus meestal de buren die hun mond voorbijpraten, zoals ik daarnet zei. Of ze zien inderdaad dat er, in de plaats van een alleenstaande, constant iemand bij die persoon inwoont. Zij moeten dat dan melden aan de sociale huisvestingsmaatschappij.

Minister, mijn vraag is ingegeven door een aantal telefoons die ik recent ontving, twee op twee maand tijd, van mensen die dergelijke vormen van domiciliefraude – waaronder een van een eigendom in het buitenland – hadden aangegeven bij de sociale huisvestingsmaatschappij. Binnen de twee dagen kwam de betrokkene, de vermoedelijke fraudeur, aanbellen bij de sociale huurders omdat hij wist dat de klacht van hen kwam.

Er is dus duidelijk toch wel een probleem met het behoud van de anonimiteit van de klagers. Ik denk dat er op dat vlak nog heel veel werk aan de winkel is. Want op dat vlak zitten we wel op dezelfde golflengte: ook voor mij is de aanpak van sociale fraude in de socialehuisvestingssector heel belangrijk, zeker in het licht van het structurele tekort aan sociale woningen, waardoor we ervoor moeten zorgen dat de woningen terechtkomen bij de mensen die ze nodig hebben.

Ik denk dus dat een toezichthouder er nogmaals op moet hameren om zeer zorgvuldig om te springen met gegevens van mensen die klachten of andere feiten overmaken aan sociale huisvestingsmaatschappijen. Er waren nu toevallig twee voorbeelden uit Ninove. Maar wat is het gevolg? Weinig of geen sociale huurders zijn nog geneigd om bewijzen van fraude – hetzij domiciliefraude, hetzij eigendomsfraude – door te geven aan sociale huisvestingsmaatschappijen. Ze vragen zich af waarom ze dat zouden aangeven, als twee dagen later hun identiteit bekend wordt. Minister, ik denk dat dit een punt is dat de nodige aandacht moet krijgen in uw contacten met de sociale huisvestingsmaatschappijen. Anders denk ik dat het hele systeem van fraudeopsporing – voornamelijk gestoeld op buren die bepaalde zaken vaststellen – helemaal zal stilvallen, wat de fraudebestrijding niet ten goede zal komen.

Mevrouw Sminate heeft het woord.

Mijnheer D’haeseleer, ik ben het met u eens wanneer u zegt dat de drempel om aangifte te doen niet te hoog mag zijn. Maar zoals hier al werd aangegeven, bestaan er heel veel mogelijkheden om dat te doen: via de lokale politie, de sociale verhuurders en het federale Meldpunt voor een Eerlijke Concurrentie. Ik ben eens gaan kijken naar de website van dat federale meldpunt. Daar staat op de beginpagina dat de sociale inspecteurs de identiteit van de klagers aan niemand bekend mogen maken, niet aan de werkgever maar zelfs niet aan een rechtbank. Dat lijkt me toch een voldoende garantie, als u bezorgd bent om het feit dat die identiteit op straat gegooid zou worden. Ik ben ook geen voorstander van nog maar eens een extra meldpunt dat dan zou verdrinken in alle andere mogelijkheden. Wat ik wel graag zou weten, minister, is of die samenwerking met dat federale meldpunt positief verloopt. Krijgen uw diensten daar voldoende terugkoppeling over? Ik kreeg dus graag een evaluatie van de manier van samenwerken met dat federale meldpunt.

Minister Diependaele heeft het woord.

Minister Matthias Diependaele

Mevrouw Sminate, wat dat laatste punt betreft, heb ik niet onmiddellijk een evaluatie voorhanden. Mocht u daar interesse voor hebben, dan kunt u daarover een vraag om uitleg indienen en vraag ik het nog wel eens na. Op dit moment heb ik nog geen signalen gekregen dat dat fout zou lopen. Ik ga er dus van uit dat dat goed gaat. Maar als u daar meer informatie over wenst, zal ik dat nog eens moeten navragen, het liefst na een vraag om uitleg.

Mijnheer D’haeseleer, eerst en vooral vind ik het een beetje flauw. Ik loop nogmaals het hele lijstje af. Er is een bevraging via de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid naar aanleiding van onder andere de inhuurname. Als ik me niet vergis, is dat de kruispuntbank waarnaar u verwijst. Die behandelt de kennisname van de automatische meldingen die de SHM ontvangt via de VMSW met betrekking tot aangemelde personen, vergelijking en controle van de gekende gezinssituatie met de officiële gezinssituatie, de vraag of de SHM aandacht heeft voor domiciliefraude en nog een aantal dingen … Ik heb het lijstje overlopen. Dat zijn zaken die automatisch gecontroleerd worden. De sociale huisvestingsmaatschappijen doen daar wel degelijk hun werk. De indruk die u wekt, dat dit niet het geval zou zijn, klopt niet.

We hebben het al dikwijls gehad over het punt van de controle op buitenlandse eigendommen. Daaraan zijn we nog aan het werken, om dat door zoveel mogelijk sociale huisvestingsmaatschappijen te laten doen. We verschillen op dat vlak wat over de manier van werken. Maar wees gerust: dat willen we allemaal aanpakken. U vertelt een verhaal over buren. Ik geef grif toe – dat is mijn eigen ethische aanvoelen – dat ik het daar lastig mee heb. Ik heb het zeer moeilijk met buren die elkaar zo verklikken. Dikwijls is dat zeer terecht, daar twijfel ik niet aan. Maar ik zou liever hebben dat mijn buur mij komt verwittigen als ik mijn lamp buiten heb laten branden of wat dan ook, dan dat hij andere dingen zou overdragen. Daar heb ik het moeilijk mee, en zeker om dat anoniem te doen.

Zoals mevrouw Sminate ook aangeeft, is dat een verplichting bij die meldpunten om die naam op zijn minst niet bekend te maken. U zegt dat de persoon u gecontacteerd heeft om te zeggen dat men wist dat hij het is geweest. U kent toch voldoende interpersoonlijke relaties waarbij je zou kunnen denken dat dat uitkomt, op een manier zonder dat dat gelekt werd door die bevoegde instanties? Niets uit uw verhaal bewijst dat dat effectief gelekt is vanuit dat meldpunt. Het is soms niet zo moeilijk om te achterhalen wie zoiets geklikt heeft. Mij komt het allemaal een beetje voor als speelplaatsruzies, maar goed.

Ik denk dat ik het daarbij ga laten. Ik denk dat we daar inderdaad met een verschillende visie zitten op die zaken. Daar gaan we waarschijnlijk niet uitkomen.

De heer D’Haeseleer heeft het woord.

Ik noteer dat de minister het heeft over speelplaatsruzies. Ik vind dat een beetje jammer, omdat het hier gaat over een fundamenteel probleem in de sector, waar grote schaarste is aan sociale woningen.

Mevrouw Sminate maakt daar de vergelijking met sociaal inspecteurs, en het Meldpunt voor Eerlijke Concurrentie of dergelijke meer. Nu, die sociaal inspecteurs zijn daarvoor opgeleid, die hebben een statuut en verplichtingen. Dat is een fulltime job, ik denk dat je dat niet kunt vergelijken met de melding die toekomt bij een bediende of een directeur van een plaatselijke lokale huisvestingsmaatschappij. Die zijn absoluut niet opgeleid om te weten hoe ze daarmee moeten omgaan. Dikwijls kennen ze ook zowel de klager als de vermoedelijke fraudeur persoonlijk. Meestal komt er een klacht, en dan komt er een onderzoek. Uiteraard gaat de vermoedelijke fraudeur dan ook nog eens langs bij de sociale huisvestingsmaatschappij om te zien wat er van die zaak is, wie de klager is. Het gebeurt niet zelden dat op dat moment de klager wordt bekendgemaakt.

Minister, in dit dossier zijn de bewoners nu eenmaal de eerste en dikwijls ook de enige mensen die op de hoogte zijn van die sociale fraude, zeker als het gaat om eigendommen in het buitenland. Je kunt daarvan geen databases aan elkaar koppelen, want er zijn er gewoon geen. Er is geen informatie. Dus zeker op dat vlak hangt men uitsluitend af van de informatie die men krijgt, en dat is dikwijls iemand van de buurtbewoners die ziet dat sommige sociale huurders voor een of twee maanden teruggaan, op vakantie, naar hun woning in Turkije of Marokko, om maar een paar landen te noemen.

Ik vind het jammer dat u dat speelplaatsruzies noemt, want ik vrees een beetje dat in de loop der tijd zal blijken dat het systeem dat u zult uitdokteren, weinig efficiënt is. Ik hoop dat ik ongelijk krijg. Dan zal ik u feliciteren, ik heb het al gezegd. Maar ik vrees er een beetje voor. We kunnen de anonimiteit van mensen niet garanderen die zogezegd gaan klikken. Maar ik vind dat niet klikken, ik vind dat ze ervoor zorgen dat sociale fraude wordt bestreden. Als je over informatie beschikt, zou het eigenlijk je plicht moeten zijn om dit te melden.

U zegt ook dat u liever zou hebben dat je buur aan de deur komt bellen in plaats van dat over te dragen, zoals u het noemt. Ik weet het niet. Als een Turk of Marokkaan voor een of twee maanden teruggaat naar zijn eigendom in Turkije of Marokko om er van zijn jaarlijkse vakantie te genieten, denk je dan echt dat er veel sociale huurders gaan aanbellen bij die mannen? Moet je dan zeggen ‘Veel plezier, amuseer jullie in Turkije of Marokko’, en de zaak blauwblauw laten? Ik vind dat die aanpak, zeker op dit vlak, absoluut onvoldoende zal blijken. Wij blijven hopen dat u er bij de toezichthouder toch op zult aandringen dat men, zeker bij de informatie die naar de sociale huisvestingsmaatschappijen gaat, de klemtoon legt op de absolute garantie van die anonimiteit. Want daarmee staat of valt dit hele systeem van fraudebestrijding. Ik dank u.

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is gesloten.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.