U bent hier

– Wegens de coronamaatregelen werden deze vragen om uitleg via videoconferentie behandeld.

Mevrouw Partyka heeft het woord.

Net zoals bij de collega’s raakt de regiovorming mij in het hart. Als lokaal bestuurder en als parlementslid is dit een heel belangrijk thema dat we samen met de minister met veel belangstelling volgen. De voorgeschiedenis hoef ik niet te schetsen en het doel heeft de minister ook al uitgebreid toegelicht.

Hebben alle gouverneurs inmiddels hun advies overgemaakt, minister? Kunt u daar krachtlijnen in herkennen?

Gaan die adviezen aanleiding geven tot een hertekening van de modelkaart? Zijn er lokale besturen die hebben aangegeven te willen aansluiten bij een andere referentieregio, eventueel uit een andere provincie?

En dan ook nog een specifieke vraag: is er ondertussen al contact geweest met de federale overheid over de afbakening van hulpverleningszones en het eventuele aansluiten op de oefening die Vlaanderen maakt over die regio’s? Die hulpverleningszones, politie en brandweer: dat is toch een belangrijk gegeven voor de besturen.

De heer Ongena heeft het woord.

Minister, ik verwijs naar de uitvoerige inleiding en toelichting van collega Partyka. Ik zou het niet beter kunnen. Mijn vragen gaan dezelfde richting uit.

Ik deel de nieuwsgierigheid van collega Partyka naar wat de gouverneurs nu hebben binnengebracht, welk advies ze hebben uitgebracht over het ontwerp van indeling in de referentieregio’s, welke opmerkingen er zijn gemaakt en hoe u daar als minister naar kijkt en wat uw verdere plannen zijn. Wat gaat u met die adviezen doen?

Ik kijk ook naar het federale niveau. Hebt u al overleg gehad met het federale niveau, om te zien of we de politiezones en de hulpverlenings- en brandweerzones gaan aanpassen en inkaderen in die regio’s?

Ik kijk ook naar de Vlaamse overheid zelf. Het Agentschap Binnenlands Bestuur (ABB) heeft gevraagd dat de Vlaamse sectorale beleidsdomeinen die met die regionale afbakeningen zitten ook een advies zouden formuleren over de afbakening van de referentieregio’s. Is dat advies al binnen? Zo niet, wanneer wordt het verwacht? Aan wie zijn die vragen gericht?

De heer De Loor heeft het woord.

Minister, net als bij de vorige problematiek van de contractualisering mogen we ons ook hier niet focussen op een paar negatieve voorbeelden. We moeten het globale plaatje zien. Ik zal ook de inleiding er niet bij nemen. We kennen allemaal de context.

Minister, werd alle input reeds verzameld? Brachten de gouverneurs al advies uit over het voorstel van afbakening van de referentieregio’s? Zo ja, wat is het advies van de gouverneurs? Zo neen, welke ontbreken dan nog? Hoe zal dit verder worden aangepakt voor de referentieregio’s waarover geen advies werd verkregen?

De gouverneurs kregen de opdracht de lokale gesprekken rond regioafbakening te faciliteren en advies in te winnen. Welke adviezen scharen zich achter het voorstel van de dertien referentieregio’s zoals vooropgesteld door de Vlaamse Regering? Welke adviezen wijken af van het voorstel van de Vlaamse Regering? En waarop zijn deze afwijkingen gebaseerd? Welke bedenkingen werden geuit? Werden er alternatieve voorstellen op tafel gelegd? Welke motivering werd hiervoor gegeven?

Had u reeds overleg met het ABB, aangezien zij de ondersteuning hebben geboden? Hoe ervaren zij deze fase van het regiovormingsproces?

Ook de Vlaamse Regering engageerde zich om alle nieuwe regionale afbakeningen binnen de referentieregio’s te aligneren. Er zou ook een traject uitgezet worden om dit te doen, niet enkel voor de nieuwe maar voor alle bestaande afbakeningen. Hoe ver staat het daarmee?

Hoe ervaart u de oefening tot nu toe? Er werd uitstel verleend. Eerst was het eind december 2020. Dat werd dan met een tweetal weken opgeschoven naar midden januari. Zijn er eventueel bijsturingen nodig in het proces qua aanpak, timing en partners? En wat zijn de volgende stappen?

Minister Somers heeft het woord.

Minister Bart Somers

Ik dank de drie collega’s voor de vraagstelling. Ik ga proberen om zo goed mogelijk te antwoorden.

De gouverneurs van de vijf provincies hebben hun advies over de regiovorming afgerond en aan mij bezorgd. Ik wil ze bedanken voor het werk dat ze gedaan hebben, het consultatietraject en het door hen goed onderbouwde advies. Ik ga vandaag niet heel concreet ingaan op alle elementen. U moet dat begrijpen. Ik ga daarmee eerst naar de regering gaan. Mijn bedoeling is om in de loop van februari op basis van de verschillende adviezen een voorstel van definitieve afbakening van de referentieregio’s aan de Vlaamse Regering voor te leggen. Zodra dat gebeurd is, ben ik heel graag bereid om in de commissie verder met jullie van gedachten te wisselen.

Ik ga kort in op wat er in hoofdlijnen per provincie wordt gezegd. Eerst en vooral wat Antwerpen betreft is er een aantal gemeenten dat vraagt of het niet mogelijk is om bij een andere regio binnen de provincie Antwerpen ingedeeld te worden. Er is weinig discussie over het feit dat er drie regio’s moeten zijn, maar hier en daar is er een gemeente die twijfelt of ze toch niet bij de andere wil worden ingedeeld. Een concreet voorbeeld is de Rupelstreek die historisch bij het arrondissement Antwerpen zat en die voor de brandweer bij de regio Mechelen zit. Die zegt nu dat ze liever bij de regio zit waar die het meest vertrouwd mee is, namelijk de regio Antwerpen.  

Limburg gaat globaal akkoord met een regio. Dat is globaal, want er is altijd hier en daar een opmerking.

In Oost-Vlaanderen is er nog wat discussie over Waasland, Dendermonde, de Vlaamse Ardennen en regio Denderland: zitten die regio’s goed? Zijn die te klein of te groot? Daar is iets meer – laat ik zeggen ­­– discussie. 

In Vlaams-Brabant is er over het algemeen een draagvlak voor twee regio’s. In het zuiden zijn er enkele gemeenten die liever bij Oost-Brabant willen aansluiten. Er is daarover weinig discussie. Dus ik denk dat er toch een brede consensus is.

In West-Vlaanderen komt de realiteit van de vijf regio’s naar voren. U weet dat er daar drie regio’s waren, maar we wisten dat er daarover nog wat discussie zou zijn. Een deel van de gemeenten wijst op de provinciale schaal. Men zegt dat men toch met de provinciale schaal en met subregio’s zou moeten werken. Dat debat komt daar ook om de hoek kijken. Dat in vogelvlucht omdat ik daarover eerst ten gronde nog in de schoot van de regering wil verder praten.

Ik wil wel ingaan op een aantal aandachtspunten en bekommernissen die de gouverneurs hebben opgepikt en die leefden bij de lokale besturen. Als eerste is er vooral de vraag over de wenselijkheid van harde grenzen tussen de referentieregio’s. Grensgemeenten vragen een bijzonder statuut of specifieke ondersteuning ter zake. De vraag is dus hoe hard die grenzen moeten zijn. Dat is een logisch debat dat we hier ook al gevoerd hebben. Als je die heel hard maakt, is dat moeilijk. Als je ze te zacht maakt, dan betekent die regiovorming een lege doos. Er moet een goed optimum worden gezocht tussen beide.

Verder is er de vraag om subregionale samenwerking mogelijk te laten op basis van de noden. Ik denk dat dat een relevante vraag is. In de regio’s waar een centrumstad aanwezig is, is er potentieel een spanningsveld tussen de belangen van de stad en die van de kleinere gemeenten. Dat is ook een gekende reactie die je kon verwachten en die nu ook in beeld wordt gebracht. De regio’s moeten over voldoende slagkracht beschikken, zowel door financiering en ondersteuning als door een voldoende grote schaal. Ook over de democratische legitimiteit is vaak gepraat. Hoe zorgen we ervoor dat die gegarandeerd blijft? En dan is er de vraag aan Vlaanderen en aan de federale overheid om mee hun verantwoordelijkheid te nemen en hun regionale afbakeningen, beleid en regelgeving aan te passen aan die regelgeving eens ze tot stand is gekomen.

Dat zijn allemaal terechte bekommernissen die ik ook wil meenemen in het vervolgtraject.

Wat betreft de vraag of er een gemeente is die naar een referentieregio in een andere provincie wil gaan: zo is er maar eentje. Dat is Zwijndrecht. Er was ook een debat over Vlaams-Brabant en Limburg, maar uiteindelijk is Zwijndrecht een gemeente die nu ingedeeld is bij de regio Antwerpen en die liever naar de regio Waasland zou gaan en die ook om de mogelijkheid vraagt om te onderzoeken of ook de provinciegrens verlegd zou kunnen worden. Dat is de positie van Zwijndrecht.

Wat de adviezen van de Vlaamse sectorale beleidsdomeinen betreft, heb ik aan mijn collega-ministers in de Vlaamse Regering ook een adviesvraag over regiovorming gesteld. De regioafbakening heeft immers ook een impact op de bestaande regionale afbakeningen, en er zijn ook Vlaamse beleidsdomeinen waar nagedacht wordt over nieuwe regionale afbakeningen.

Ik heb tot nu toe van vijf ministers adviezen ontvangen. Dat zijn natuurlijk stuk voor stuk boeiende werkstukken.  Minister Beke heeft een advies gegeven over de beleidsvelden Welzijn en Gezondheidszorg. Het gaat dan bijvoorbeeld over de eerstelijnszones en de regionale zorgzones. Minister Dalle heeft een advies gegeven over de beleidsvelden Jeugd, Media en Brussel. Minister Demir heeft een advies gegeven over de beleidsvelden Omgeving en Natuur, Justitie en Handhaving, en Toerisme. Het gaat dan onder meer over de gebiedsgerichte werking in het omgevingsbeleid, de justitiehuizen en de toeristische regio’s. Minister Diependaele heeft een heel interessant advies gegeven over het beleidsveld Wonen en een advies over het beleidsveld Onroerend Erfgoed. Het gaat onder meer over het traject voor de vorming van woonmaatschappijen, de intergemeentelijke onroerenderfgoeddiensten en de regionale landschappen. Minister Peeters heeft een advies gegeven over het beleidsdomein Mobiliteit en Openbare Werken waarbij het onder meer gaat over het traject van de vervoerregio’s. Ik verwacht ook nog een advies van minister Crevits in het kader van haar bevoegdheden Werk en Sociale Economie.

Het spreekt voor zich dat rekening zal worden gehouden met de bemerkingen van elk advies bij het vervolg van het afbakeningstraject en de uitrol van de visie op regiovorming.

Deze adviezen lokken sowieso een debat daarover uit, toch op een aantal plaatsen. Die kaart zal niet spectaculair veranderen maar het lijkt me logisch dat er een aantal aanpassingen uit zullen volgen. Hoe die hertekening eruit zal zien, kan ik u nog niet vertellen. Ik weet dat zelf ook nog niet, dat zal voorwerp uitmaken van de besprekingen binnen de Vlaamse Regering. Ik wil zoveel mogelijk rekening houden, op een rationele manier, met de voorkeuren van de lokale besturen, maar ik wil ook naar de bruikbaarheid van het systeem kijken. Soms leidt de optelsom van alle lokale vragen tot een regiowerking die niet meer consistent en coherent is en die soms niet voldoende schaal meer heeft. We moeten beide in balans brengen.

Ik wil ook rekening houden met de bezorgdheden van mijn collega’s binnen de Vlaamse Regering. Het wordt dus zaak om de verschillende puzzelstukjes op een goede manier samen te leggen.

Wat het overleg met de federale overheid betreft, heb ik eind 2020, kort na het aantreden van de nieuwe Federale Regering, al een eerste aangenaam gesprek gehad met minister van Binnenlandse Zaken Annelies Verlinden. Op 7 januari heb ik haar een brief gestuurd met een concrete vraag naar een overleg op korte termijn over de regiovorming.

Ik wil samen met haar bekijken hoe we op korte termijn de impact van de regiovorming op de federale bevoegdheden in kaart kunnen brengen. Op basis daarvan kunnen we een constructieve dialoog aangaan over de afstemming van de federale afbakeningen op de referentieregio’s. Het gaat dan voor alle duidelijkheid over de politiezones en de hulpverleningszones, maar ook over de gerechtelijke arrondissementen waarover ik ook met federaal minister van Justitie, Vincent Van Quickenborne, een gesprek wil voeren.

Ik plan om in de loop van februari naar de Vlaamse Regering te gaan met een definitieve afbakening van de referentieregio’s. Tegelijk wil ik dat moment aangrijpen om waar mogelijk tegemoet te komen aan de bezorgdheden en aandachtspunten van de lokale besturen en van de Vlaamse sectorale beleidsdomeinen. De verdere aanpak van de regiovorming zal ik dus ook bespreken met mijn collega’s binnen de Vlaamse Regering.

Een vraag is bijvoorbeeld hoe hard die grenzen zijn. Volgens het ene extreem zijn we daar heel soepel in maar dan is regiovorming een lege doos. Dan is dat de zoveelste overlegstructuur naast andere overlegstructuren. Wanneer we die grenzen hard maken, dan snijden we misschien in een waardevol weefsel dat soms organisch gegroeid is en gooien we goede praktijken weg. We moeten dus een goed evenwicht zoeken tussen beide. Wanneer we een regel maken zonder enige consequentie, dan hebben we niets bereikt. Wanneer we daar heel rigide mee omgaan, richten we misschien onnodig veel schade aan. Onder meer de tijd zal daar een element in zijn.

Eens de referentieregio’s afgebakend zijn, wil ik een implementatiepad afspreken voor de omzetting in de verschillende sectoren van de Vlaamse overheid. Het is evident dat dit consequenties heeft, niet alleen voor mij maar voor alle collega’s in de Vlaamse Regering.

Ik denk dat we er niet aan moeten beginnen als er in de Vlaamse Regering geen bereidheid bestaat, een zeker voluntarisme, om onze structuren aan te passen aan die nieuwe referentieregio. Als ik met elke collega-minister afzonderlijk spreek, heeft die een heel eenvoudige oplossing. Die zegt dan om zijn structuur als uitgangspunt te nemen. Als je alleen naar dat beleidsdomein kijkt, is dat waarschijnlijk niet zo’n dwaas idee. Het zijn net al die verschillende beleidsdomeinen die naast elkaar bestaan, die vanuit een lokaal perspectief een oerwoud van structuren creëren. Het zal een stukje snoeien zijn, aanpassen, respect voor elkaar hebben, maar ook stappen vooruit zetten. Ik wil daar dus een implementatiepad in, met een realistisch en ook duidelijk tijdskader. Die doorvertaling kan voor mij in verschillende snelheden gebeuren. Sommige projecten zullen complexer zijn, maar ik wil daarin duidelijkheid, dat er een duidelijk traject is voor de komende jaren over hoe we daarmee omgaan, zodat er meer eenduidigheid, transparantie en eenvoud komt in dat tussenniveau dat vandaag in Vlaanderen te veel uit elkaar gewaaid is en te complex geworden is.

Tot slot wil ik ook een intensief begeleidingstraject starten binnen het Labo Regiovorming, opgestart in de schoot van de VVSG. Dat labo zal lokale besturen en regio’s actief ondersteunen in het transitietraject. Ik onderzoek ook in welke mate verder rechtstreekse ondersteuning geboden kan worden aan de regio’s.

Daar staan we nu. Adviezen ingewonnen, interessante adviezen. Ik heb een aantal elementen aangekaart. Ik wil half februari niet alleen afkloppen hoe die referentieregio’s er zijn, maar ik wil ook een transitiepad, zowel naar de Vlaamse collega’s als naar de verdere uitrol – hoe moet de democratische legitimatie werken. We hebben daarover hier ook al gepraat. Er zijn trouwens door een aantal collega’s goede voorbeelden aangehaald die we ook meenemen, zodat lokale besturen een correcte betrokkenheid blijven hebben en de democratische legitimiteit van deze regio’s gegarandeerd is. Dus half februari of ten laatste eind februari hoop ik meer nieuws te hebben.

Mevrouw Partyka heeft het woord.

Dank u wel voor uw antwoord, minister. Eerlijk gezegd, ik moet er nog eens over nadenken, maar wat wel heel interessant is, zijn die sectorale adviezen. Kunnen we die eventueel ter inzage krijgen om mee te kunnen lezen? Het lijkt me bijzonder interessant om te weten hoe de verschillende vakministers daar tegenover staan. Zoals u terecht zegt, zijn de lokale besturen het lijdend voorwerp in dezen. De Vlaamse overheid creëert veel structuren. De ambitie van de regio moet dus zijn om niet opnieuw bijkomende structuur te realiseren: een ‘lean’ overheid die niet te veel structuren opzet, maar die vooral de lokale besturen versterkt in plaats van ze uit te putten door vertegenwoordigd te moeten zijn in allerlei organen die de Vlaamse overheid opricht.

Het is de laatste tijd eigenlijk vooral de Vlaamse overheid die een dappere steen bijdraagt aan de veelheid van regio’s en structuren waar de lokale besturen in verdrinken en hun kracht een beetje kwijtspelen door allerlei intermediaire actoren die ook niet democratisch verkozen zijn, maar er wel veel macht door krijgen. Het is dus een heel interessante oefening. Er is de vraag om de sectorale adviezen te kunnen inkijken, en ook de vraag hoe de communicatie naar de lokale besturen over de afbakening van de regio’s verder zal verlopen. Misschien moeten we bij gelegenheid ook nog eens doorbomen over de ambitie die u in die regio wilt leggen, dat  het weer geen bijkomende koterij is of nog een bijkomende structuur waarin we dapper overleggen. Op welke manier kunnen we echt die ambitie duidelijk stellen en waar wilt u precies naartoe met die regiovorming? Wat betekent dat dan voor de andere gebieden van de Vlaamse overheid? Is er een bereidheid om te gaan naar een betere stroomlijning van al die overlegorganen?

De heer Ongena heeft het woord.

Minister, ook van mij bedankt voor uw antwoord.

De elementen uit die adviezen liggen een beetje in de lijn van de verwachtingen. Er zijn heel veel lokale, regionale en subregionale bekommernissen die nu naar boven komen. Daarom zou ik u toch willen oproepen tot waakzaamheid, minister. Als hoeder van deze hervorming moet u erover waken, zoals u zelf ook aangeeft, dat ze niet wordt uitgehold. Als u gaat ingaan op elk van die ongetwijfeld terechte bekommernissen, dan vrees ik dat we de ambitie die we met die regiovorming hadden, namelijk orde creëren in de chaos van intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, moeilijk zullen kunnen halen. Dus dit is toch wel echt een duidelijke oproep om hoeder te blijven van deze hervorming, zodat de regiovorming op het eind van de rit – ik sluit me aan bij collega Partyka – wel degelijk een meerwaarde biedt voor het Vlaamse landschap.

Wat die harde en zachte grenzen en het probleem van de schaal betreft, denk ik dat u toch een lijn zult moeten trekken, omdat u anders niet tot een coherent geheel zult kunnen komen. Daarom mijn bijkomende vraag: bent u als minister zelf nog van plan initiatieven te nemen naar deze of gene gemeenten toe om toch nog eens rond de tafel te gaan zitten en die gemeente ervan te overtuigen in een bepaalde indeling in te stappen? Of gaat u dat nu zelf beslissen, met de Vlaamse Regering?

En dan nog een vraag richting de voorzitter: als de regering de knoop uiteindelijk doorhakt, half februari of eind februari, is het misschien geen slecht idee om meteen een gedachtewisseling te agenderen, zodat we daar dan niet nog eens naar hoeven te vragen. Het is echt wel een belangrijke hervorming, die we vanuit het parlement moeten kunnen opvolgen.

Die boodschap heb ik begrepen, mijnheer Ongena. Ik denk dat dat ook wel een wijs voorstel is.

De heer De Loor heeft het woord.

Minister, dank u wel voor het antwoord, maar dat antwoord roept natuurlijk wel opnieuw tientallen andere vragen op. U hebt een overzicht gegeven, in grote lijnen, van de stand van zaken in verschillende provincies, maar als er wordt afgeweken van die referentieregio’s, zit er een lijn in de motieven die daar dan voor worden aangehaald? Is dat gebaseerd op objectieve redenen of eerder op gevoel? U hebt het voorbeeld aangehaald van de Vlaamse Ardennen. Ik weet dat die oefening hier bezig is en dat ze met klachten gespeeld hebben, maar ik had daarover sterk de indruk dat dat op basis van het emotionele was, op basis van het gevoel, niet direct ingegeven door objectieve motieven. Dat is één punt.

Collega Partyka heeft er al naar verwezen: die sectorale adviezen Wonen, Welzijn en Onroerend Erfgoed, kunnen we die krijgen? Het zou wel interessant zijn om te weten wat die adviezen stellen. Matchen die met de huidige referentieregio’s? Komen die overeen?

Hoor ik u een kleine opening laten om toch af te stappen van die harde grenzen? Als u te veel openingen laat, dan blijft er van het oorspronkelijke verhaal van de regiovorming niet veel over. Ik heb daarover nog een bijkomende vraag. In de nota worden er al openingen gelaten, onder andere met het matroesjkamodel, dat past binnen de referentieregio’s. Staat daar een limiet op? Wanneer moet dat matroesjkamodel eindigen? Als u dan nog bijkomende openingen laat, dan is het hek misschien van de dam.

Ik kijk opnieuw uit naar uw antwoord, minister. 

De heer Tommelein heeft het woord.

Minister, ik heb goed geluisterd naar een aantal zaken. Het klopt dat we in West-Vlaanderen nogal geschrokken zijn, zeker in mijn regio, van het initiële voorstel dat op tafel lag. Voor ons was het heel snel duidelijk dat er in de regio Oostende weinig tot geen draagvlak was om te gaan samen samenwerken met de regio Roeselare, waar we heel veel sympathie voor hebben, maar waarmee nauwelijks contact is.

We waren het er vrij snel over eens, ook met de burgemeesters van de kernsteden in West-Vlaanderen, dat dat toch wel een zeer eigenaardige constructie was. Ook de gesprekken met de collega’s uit de regio brachten veel duidelijkheid. Dan heb ik gemerkt dat er een drang was om naar een provinciaal niveau terug te keren. Maar het is mijn overtuiging, en ook die van heel wat van mijn collega’s, dat we naast de provincie niet nog extra lagere instanties moeten creëren. Het niveau is er al vandaag. Er wordt vandaag al gewerkt met de vijf referentieregio’s. Dat is de natuurlijkste manier om te werk te gaan.

We hebben het ook gezien met de aanduiding van de vaccinatiecentra. Op een heel spontane manier kwam de gemeente Middelkerke bij Oostende aanleunen om gezamenlijk een vaccinatiecentrum te hebben. De gemeente De Haan kwam heel spontaan bij de gemeente Bredene. Daardoor kreeg je een natuurlijke spontane regiowerking, waarin de burgemeesters naar het meest efficiënte, het meest simpele en het meest werkbare niveau zoeken voor hun gemeenten. Dit zie je op het terrein gebeuren. Het gaat niet over theoretische discussies en over lijntjes kleuren, maar over wat het meest efficiënte is om samen te werken en om een aantal dingen samen te doen.

De heer Vaneeckhout heeft het woord.

Collega’s, dit blijft een boeiend debat. Je merkt in de verschillende tussenkomsten, zelfs van mensen uit dezelfde partij, andere nuances en gevoeligheden. Ik zou dat politiek kunnen uitspelen, maar het lijkt mij langs de andere kant gewoon ook boeiend in parlementair opzicht, dat we daar op die manier genuanceerd over kunnen nadenken. Ieders ervaring is anders.

Minister, u schetst in zeer bedekte termen – en ik begrijp dat ook wel – de adviezen van de gouverneurs. Ik heb ze zelf niet allemaal gezien. Maar natuurlijk zijn ook wij actief. Wij zien een aantal dingen passeren. Je merkt bij een aantal lokale besturen een grote bezorgdheid over wat hiervan de einddoelstelling is en over de onduidelijkheid daarover. Ik zou u dus willen vragen om daar de nodige aandacht voor te hebben.

Ik heb nog een aantal punctuele vragen of aanbevelingen.

Het zou inderdaad goed zijn dat we de sectorale adviezen zien. Ik ben het met u eens dat het weinig zin heeft om eraan te beginnen als van bij het begin uw collega’s in de Vlaamse Regering zouden zeggen dat zij er niet in meegaan. In dat opzicht ben ik het eens met wat de vraagstellers hierover inbrengen. Ik ben daarover bezorgd, al was het maar omdat uw collega Diependaele vorige week in de commissie Wonen heeft gezegd dat er voor de sociale huisvestingsmaatschappijen volgens hem geen link meer moet zijn met de regiovorming. Als dat de teneur wordt in de Vlaamse Regering, ben ik toch bezorgd. Dan zijn wij een oefening aan het maken die dreigt een maat voor niets te worden. Ik hoop alvast niet dat u op die manier als minister van Binnenlands Bestuur de geschiedenis wilt ingaan, dat we ons een paar jaar ledig hebben gehouden met een oefening die uiteindelijk geen resultaat heeft.

Ik wil van de gelegenheid gebruikmaken om het pleidooi te ondersteunen van de beste burgemeester van Vlaanderen, met veel liefde voor al mijn collega’s. Ik heb het over André Van de Vyver uit Zwijndrecht. Ik wil ten volle rekening houden met de bezorgdheden vanuit Zwijndrecht.

Ik kondig hier aan dat, wat ons betreft, het voorstel tot regiovorming nog niet voldragen is. Wij zouden toch graag, zoals collega De Loor al zei, een gedachtewisseling hebben in de diepte op het moment dat die keuzes worden gemaakt. Dit beperken tot een paar tussenkomsten van een of twee minuten bij een vraagstelling, is te weinig voor dit debat.

De heer Warnez heeft het woord.

Eerst en vooral wil ik zeggen dat ik toch tevreden ben met het antwoord van de minister dat hij, zonder de doelstelling van een regiovorming af te breken, niet uitsluit dat er om gemotiveerde redenen toch enige flexibiliteit bestaat in de regiogrenzen. Maar je hebt inderdaad in het matroesjkamodel in de nota al in flexibiliteit voorzien. Daarom denk ik dat het grotere model met sterke subregio’s ook geen slecht model is. Collega Tommelein, met alle sympathie vanuit Roeselare ook voor Oostende uiteraard.

Heel concreet is de vraag: hoe gaat u exact om met die adviezen van de gouverneur, met andere woorden met de stem van de burgemeesters? Want ik begrijp dat die niet helemaal unaniem zijn en dat er in een aantal provincies een consensus over bestaat en in andere niet. Jullie zijn dus niet unaniem. Gelukkig maar, want als er alleen maar unanimiteit zou zijn, zouden we niet zoveel stappen vooruit kunnen zetten. Wat is dan wel voldoende? Hoe luid moet de stem van de burgemeesters klinken binnen een provincie om die stem ook te volgen?

De heer Van den Heuvel heeft het woord.

Ik wou nog even kort aansluiten. Ik denk dat het een heel goede discussie is waarin alle pijnpunten al naar voren zijn gekomen. Ik wil nog twee aandachtspunten formuleren. Een, de minister heeft het gezegd. We hebben dat al gehad in een vorige discussie. Toen heb ik gezegd: kijk, minister, als je het wil laten lukken, moet je wat faciliteiten kunnen toestaan. Ik ben blij te horen dat de minister dat ook overweegt, maar ik kan tegelijkertijd ook zeggen dat dat moet worden bewaakt. Hij heeft die nuance ook gelegd want anders houden we van de regiovorming weinig over. Ik denk dat dat een delicaat evenwicht is, maar ik denk dat het de enige weg is om nu met enig enthousiasme van start te kunnen gaan. Maar houdt het ook binnen de perken want anders wordt het inderdaad een lege doos. Ik ben wel blij te horen dat u daar de juiste toon hebt gevonden.

Twee, ik denk dat het ook heel belangrijk is en het zou leuk zijn als we de sectorale verslagen van de ministers krijgen, want voor mij is die regiovorming tweezijdig. Ten eerste is er de lokale basis en de burgemeesters zijn daar een beetje overvallen in coronatijd et cetera. We lezen dat ook in de verslagen van de Antwerpse provinciegouverneur. Dat is punt een: van onderuit, via de lokale burgemeesters. Maar het succes van de regiovorming hangt ook af van uw collega’s, minister. Vandaar dat ik ook uitkijk naar die sectorale adviezen van uw collega’s want ik denk dat het al dan niet succesvol ondernemen van de regiovorming voor een groot deel bepaalt in welke mate Vlaanderen en de verschillende departementen onder de bevoegdheid van uw collega’s zich inschrijven in die regiovorming en daar dan rekening mee houden. Het zijn niet alleen de gemeenten en de lokale besturen die daarin een verantwoordelijkheid hebben, maar evenzeer de Vlaamse overheid zelf. En daar ligt bij uw collega’s ook een verantwoordelijkheid.

Namens de N-VA-fractie wil ik nog heel even het woord nemen. Minister, collega’s, vooreerst denk ik dat er heel veel wijze zaken gezegd zijn. Er wordt hier ook de opmerking gemaakt dat er soms wel eens breuklijnen zijn in visies binnen een partij, maar ik denk dat dat ook logisch is. Die oefening is op zich heel terecht want we willen geen bijkomende laag, maar we willen juist die administratieve verrommeling tegengaan. Dat moet als uitgangspunt altijd overeind blijven. Maar we merken hier inderdaad dat Vlaanderen zowel sociologisch, economisch als maatschappelijk heel heterogeen is.

We hebben locaties, en ik zal geen namen noemen, waar een sterk provinciaal gevoel heerst. We hebben de regio’s waar steden als het ware een sterke dominante rol spelen. Het is dus zeer heterogeen.

De burgemeesters hebben hun werk gedaan, ik denk dat het merendeel van uw collega-ministers dat ook hebben gedaan. We hebben ook kennisgenomen, en dan spreek ik uit eigen ervaring, van het overleg binnen de sectoren. Ik denk onder andere aan huisvesting, vervoersregio’s enzovoort. Ik denk dat we nu niet mogen versagen, dat we verder moeten werken en niet bij de pakken mogen blijven zitten. Ik kijk dan ook met belangstelling uit naar het document waar we verder op kunnen werken. Soms echter zullen meningen binnen regio's of binnen beleidsdomeinen botsen. Het lijkt me dan ook utopisch te denken dat er volledig met ieders wensen rekening zal worden gehouden. Laten we verder werken aan wat we willen, een duidelijk matroesjkamodel in Vlaanderen met regio’s en subregio’s, om zo verder aan de slag te gaan.

Minister Somers heeft het woord.

Minister Bart Somers

Collega's, ik denk dat we een heel open en hoogstaande gedachtewisseling voeren over die regiovorming. Ik wil iedereen bedanken voor zijn insteek en engagement in dit verhaal. Ik voel dat, over grenzen van meerderheid en oppositie heen, iedereen begrijpt dat die regiovorming belangrijk is en dat we daar werk van moeten maken. We zullen verschillen van mening over hoe dat moet gebeuren, over de democratische legitimiteit daarvan enzovoort maar de noodzaak om orde op zaken te stellen in de verrommeling van structuren die in de tijd zijn gegroeid, is een gemeenschappelijk objectief.

Het belang van de oefening die we maken, mogen we niet onderschatten. Dit is echt een soort van interne Vlaamse staatshervorming die we proberen door te voeren en die absoluut noodzakelijk is. Ik probeer uit te leggen waarom.

Vanuit het perspectief van een lokaal bestuur is het waanzin om te zien hoeveel bovenlokale structuren er zijn. Daar verliest een kat haar jongen in. Ik ben 20 jaar burgemeester, ik was misschien niet de beste maar ook niet de slechtste. Ik ben daar heel erg mee bezig geweest maar ik zou niet kunnen opsommen in welke structuren de stad Mechelen allemaal zit, laat staan dat ik zou kunnen opsommen wie daarmee bezig is en wie ons daar vertegenwoordigt en dat ik zou kunnen garanderen dat mijn administratie weet wat daar allemaal gebeurt. En dat geldt voor iedereen die op lokaal vlak bezig is en daar eerlijk over is. Daar moet dan ook verandering in komen.

We hebben dat doorheen de jaren verwaarloosd. Ministers hebben beleid gevoerd en hebben vanuit hun perspectief, en alleen vanuit hun beleidsperspectief, op een verkokerde manier hun beleid uitgehold. Vaak hebben zij vanuit dat perspectief goede tussenstructuren ontwikkeld. Het is niet allemaal dwaas wat er bestaat, er zit ook een zekere logica in, maar het zorgt er wel voor dat het lokaal onbeheersbaar wordt.  Mevrouw Partyka zegt dat we onze energie daarmee verliezen. Dat slorpt inderdaad zoveel energie op en werkt zo disfunctioneel dat we geen goed beleid meer kunnen voeren. We moeten daar dus iets aan veranderen. Dat is een eerste perspectief.

Het tweede perspectief is het Vlaamse perspectief. Doorheen de jaren zijn we steeds meer gaan beseffen dat die lokale besturen zeer waardevol zijn, dat zij misschien wel het beleidsdomein van morgen zijn, dat we hen eigenlijk meer in plaats van minder verantwoordelijkheden moeten geven, dat we daar eigenlijk meer in plaats van minder op moeten leunen. Als we daar goed mee willen werken, moeten we daar op een andere manier mee omgaan.

De derde dimensie is een te grote verscheidenheid aan gemeenten in ons land. Nog los van de discussie dat er te veel gemeenten zijn – dat is mijn overtuiging – en dat we moeten evolueren naar een opschaling, stellen we vast dat we met hele kleine en hele grote gemeentes zitten. Zo heeft de stad Antwerpen misschien meer ambtenaren dan 10 procent van de gemeenten inwoners heeft. In dat spanningsveld zitten we. Om daar op een goede manier mee te kunnen werken moeten gemeenten massaal fusioneren of moet er een werkbare tussenstructuur worden gemaakt die voldoende dicht bij de gemeentebesturen staat en waarin zij kunnen functioneren.

Naast het feit dat ik ervan overtuigd ben dat we naar Nederlandse of Deense schaal moeten evolueren voor gemeenten, wat we nu doen op basis van vrijwilligheid, heb ik het voorbije anderhalf jaar ondervonden dat we, zeker nu met deze crisis, kampen met een gebrek aan sterke tussenstructuren. Wanneer de regiovorming had bestaan, dan waren we tijdens deze coronacrisis slagvaardiger geweest, onder meer inzake contactopsporing. We zouden het ongetwijfeld op regionaal vlak hebben georganiseerd. We hebben nu het geluk dat we er heel snel in geslaagd zijn om die vaccinatiecentra uit de grond te stampen maar dat hadden we ook op regionale basis kunnen doen. We hadden veel meer op regionale basis kunnen doen dan we vandaag hebben gedaan. Ook wat ruimtelijke verrommeling en mobiliteit betreft, waren we met die regio's verder geraakt. We hebben die dus nodig. Dat is geen gemakkelijke oefening, maar we moeten die nu doorzetten. We hebben nu een ‘once in a lifetime opportunity’ om iets waar we in Vlaanderen al dertig jaar over spreken, door te zetten. Het staat ook in het regeerakkoord. Ik voel ook bij de oppositie kritische coöperatie, we moeten daar nu een succes van maken. Daarvoor zullen we moeilijke keuzes moeten maken.

We hebben adviezen gekregen van de lokale besturen die vertaald zijn in degelijke nota's van de gouverneur en daarnaast hebben we de sectorale adviezen met hun inzichten. Wanneer we die allemaal samenleggen, weten we dat we niet iedereen tevreden zullen stellen, dat is onmogelijk. Het is nu dus het moment voor de Vlaamse Regering om haar verantwoordelijkheid te nemen en die regels af te bakenen, en zich daar intern op te aligneren. Dat zal hier en daar een teleurstelling zijn voor een lokaal bestuur, dat heb ik vanaf het begin gezegd. Ik heb toen gezegd dat 70 procent van de gemeenten tevreden zal zijn en 30 procent ontevreden. Wanneer we rekening houden met alle vragen van de lokale besturen, dan zullen vele regio's te klein zijn en andere regio's te groot, zullen we sommige regio's niet kunnen vormen omdat de ene gemeente a en de andere gemeente b zegt. De argumenten die regio’s geven om daarvoor te pleiten, zijn soms politiek, soms sociologisch, gaan soms over de schaal en soms over de bestaande samenwerkingsverbanden.

Maar die botsen op hun beurt ook weer met elkaar. In Oost-Vlaanderen botst dat af en toe met elkaar. Wij gaan daar nu een keuze in moeten maken. Die keuze is volgens mij een fundamentele keuze. Het afbakenen van die regio’s, en dan ook heel duidelijk het vervolgtraject: wat betekent dat nu? Het gaat over een vervolgtraject naar de Vlaamse sectorale indelingen, een vervolgtraject naar hoe men gaat werken aan de democratische legitimiteit. Er is de vraag die bijvoorbeeld collega’s Ongena, Vaneeckhout en Warnez regelmatig stellen: hoe gaat men in dat lokaal bestuur, waar niet iedereen in de meerderheid zit, waar niet iedereen burgemeester is, ervoor zorgen dat de genomen beslissingen in die regio gelegitimeerd zijn, dat daar een correcte interactie is die democratisch gefundeerd is? Hoe ga je de lokale structuren die ontstaan zijn, maximaal herijken op die nieuwe structuur?

Er is de vraag naar soepelheid. Is er een deur opengezet? Ik ben niet dogmatisch in heel die operatie. In alle eerlijkheid, ik heb van in het begin gezegd: of dat nu vijftien of zeventien regio’s zijn, of zestien, of veertien, daar zit geen ideologie achter. Het gaat om werkbare gehelen. Laten we eerlijk zijn: als we 80 procent van de structuur zouden kunnen opkuisen en herijken op dit model, dan hebben we een revolutie gepleegd die nog nooit gebeurd is. Er zullen er een aantal blijven bestaan. Ik geef twee voorbeelden. De kustgemeenten, de specificiteit van de kustgemeenten. Gaan we die nu afschaffen, gaan we verbieden dat dat bestaat? En dan de kunststeden: moeten we dat project waarmee we ons in Europa in de markt zetten, loslaten? Ik denk het niet. Maar er zijn er wel heel veel.

Ik wil daar ook niet te soepel in zijn. Ik ga de moeilijke moeten zijn daarin, ik ga degene moeten zijn die moet duwen en tegen de ministers moet zeggen: dat zijn allemaal wel goede argumenten, en u gaat iets minder optimaal werken vanuit uw sector, maar het gaat wel optimaler worden voor het geheel. Dat gaan keuzes zijn die we moeten maken. Sommige ministers gaan tegen mij zeggen dat hun indeling optimaal is voor hun sector. Maar als iedereen zijn optimale indeling gebruikt, wordt het geheel totaal suboptimaal.

Men moet altijd het algemeen belang centraal stellen ten aanzien van het particulier belang van een sector. Het algemeen belang van de Vlaamse overheid moet centraler staan dan het particulier belang van één sector. Dat betekent dat sommigen een beetje suboptimaal gaan moeten werken om het geheel optimaal, beter te laten functioneren. Dat gaat dus een gevecht zijn. Ik zou iedereen in deze commissie willen uitnodigen om op uw beurt ook in de andere commissies ambassadeur daarvan te zijn. Dat gaat af en toe betekenen dat een minister die een bepaalde bevoegdheid heeft, gaat moeten aanvaarden, – om dit model te laten lukken – dat men zich moet ijken op die regio, ook al had hij een betere structuur kunnen bedenken, mocht hij helemaal alleen in de wereld bestaan. Anders functioneert het niet, ook in het belang van de lokale besturen.

Waar gaat die soepelheid voor mij voor een stuk in zitten? Dat gaan voor een stuk de faciliteiten van collega Van den Heuvel zijn, maar dat kan in mijn ogen ook een stuk uitdovende faciliteiten zijn. Daar kan men een tijdselement in laten meespelen. Dat zijn soms heel specifieke samenwerkingsverbanden, zoals mijn twee voorbeelden. Je gaat die daar niet in moeten wringen, dat is ook niet nodig. Maar het overgrote deel van die samenwerkingsverbanden moet daar wel in passen.

De sectorale adviezen mag u niet inzien. Ik heb die van minister Crevits op dit moment nog niet allemaal. Ik wil eerst naar de Vlaamse Regering en ze dan hier geven. Ik vind het niet meer dan correct dat mijn collega’s eerst de kans krijgen, in de schoot van de Vlaamse Regering, om die adviezen te bespreken. En dan gaan die allemaal toegankelijk zijn voor iedereen en zal dat een onderdeel zijn van het debat. Ik ga vanuit de Vlaamse Regering natuurlijk ook met een voorstel naar jullie moeten komen. Maar ik wil eerst dat we dat kunnen bespreken. Dat is ook de logica. Er is één naam gevallen: collega Diependaele. Ik wil daar toch van zeggen dat die in alle eerlijkheid een van mijn grootste bondgenoten is voor dit model. We gaan misschien nog wat moeten discussiëren over de juiste afbakening. Maar wat de keuze betreft om voor een regiowerking te gaan en een sanering door te voeren: collega Diependaele is daar ook heel geëngageerd in en bereid om daaraan mee te werken vanuit zijn beleidsdomein – dat heeft hij mij trouwens al gezegd – en op een juiste manier daaraan mee te werken. Hij gaat dus niet kamperen op zijn eigen beleidsdomein, maar het bredere geheel daarin zien. Ik ken hem zo en ik weet dat hij dat op die manier wil doen.

Ik denk dat dat toch een aantal elementen zijn. Ik hoop dat ik daar een beetje een antwoord gegeven heb over hoe mijn filosofie daarin is. Ik weet dat ik daar een verantwoordelijkheid heb. Wat ik niet ga doen, ga ik heel eerlijk zeggen. 

Als ik vaststel dat dat verzandt – wat nog altijd kan, hé –, omdat men niet de kracht vindt om door te duwen, dan moeten we dat niet doen. Dan moeten we de boel laten zoals het is. Dan blijft het chaotisch en dan hebben we niet de kans gegrepen die er nu is. En dan zal de druk op andere hervormingen alleen maar groter worden, want op dit moment functioneert het niet goed. Ik zou iedereen echt willen oproepen om mee te helpen en om dit niet te zien vanuit een partijpolitiek kader. Er zitten natuurlijk partijpolitieke elementen in, alsook ideologische, maar ik denk dat we hier toch een consensus zouden moeten vinden dat dit echt belangrijk is voor Vlaanderen. We moeten dat opkuisen en moeten daar een zuivere, rijpe en transparante structuur in krijgen. We kunnen dan nog discussiëren over een aantal elementen daarin, maar ik hoop dat we er hier samen voor gaan. De volgende weken zullen heel cruciaal zijn. De volgende weken zullen we zien of dit op een goede manier valt en of we die gordiaanse knoop doorgehakt krijgen, want dat is wat we moeten doen: die knoop doorhakken. Hier en daar zal er iemand wat ongelukkig zijn, maar we gaan wel een structuur krijgen waarmee we opnieuw vooruit raken.

Dit was volgens mij een zeer duidelijke uitnodiging om hier vrij spoedig verder van gedachten te wisselen. Maar het reglement is wat het is en dus krijgen de drie vraagstellers nog een slotwoord.

Mevrouw Partyka heeft het woord.

Ik wil me gewoon aansluiten. Ik vind de suggestie van collega Ongena om hier een gedachtewisseling aan te wijden bijzonder goed. Ik denk dat we alles dan op dat moment verder kunnen uitklaren.

De heer Ongena heeft het woord.

Ik ben in zekere zin gerustgesteld, minister, dat u een zekere souplesse gaat tonen, maar ik heb vooral onthouden dat u de moeilijke gaat uithangen. En ik vind het goed dat u de moeilijke gaat uithangen, zowel naar een aantal lokale besturen toe – hier en daar zal dat nodig zijn om wat te forceren – als naar collega-ministers toe. Ik zal de opdracht die u mij gegeven hebt om achter minister Crevits haar veren te zitten, zeker opnemen. Met Vlaanderen – en dat hebben we zelf in de hand – moeten we het goede voorbeeld geven om de regiovorming op die manier samen tot een succes te maken.

Minister, ik had nog een paar bijkomende vragen gesteld waarop geen antwoorden gekomen zijn, maar ik ga ervan uit dat we dat dan houden voor de gedachtewisseling.

Wat die gedachtewisseling betreft, ik vind dat een zeer goede suggestie, maar ik hoor dat er al volop adviezen van gouverneurs circuleren, dus het zou goed zijn, als we een gezonde en volwassen discussie willen, dat we allemaal over die informatie beschikken en dat we naast de adviezen van de gouverneurs ook de sectorale adviezen kunnen inkijken. Het is een belangrijke oefening, collega’s, en het is dan ook belangrijk dat we die op een volwassen manier kunnen doorvoeren. To be continued.

Minister Somers heeft het woord.

Minister Bart Somers

Ik zal ervoor zorgen dat alle adviezen, zowel die van de gouverneurs als de sectorale, bezorgd worden, maar sta me toe eerst het gesprek aan te gaan binnen de Vlaamse Regering. Nadien krijgt u dat dan, voor we het debat hier in de commissie voeren. Dan hebt u alle informatie, mijnheer De Loor.

Ik denk dat iedereen daar vrede mee kan nemen.

De vragen om uitleg zijn afgehandeld, het onderwerp allesbehalve.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is toegankelijk.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.