U bent hier

– Wegens de coronamaatregelen werd deze vraag om uitleg via videoconferentie behandeld.

Ik wil er u allen nog op attent op maken dat ik strikt op de timing zal toezien.

De heer Van Miert heeft het woord.

Voorzitter, minister, collega’s, ik maak de aftrap van een rijtje onderwerpen waar wij een stand van zaken aan u vragen, minister. Het betreft een aantal onderwerpen die u binnen uw bevoegdheden nauw aan het hart liggen, en bij mij is dat dan de modernisering van ons hr-beleid. Dat is een van de onderwerpen waar wij zeker, ondanks de waan van corona, werk van moeten maken.

Ik heb drie vragen voor u. Wat is de stand van zaken van uw onderhandelingen met de vakorganisaties omtrent de modernisering van het hr-beleid binnen de Vlaamse overheid? Wanneer zult u een globale visienota kunnen opstellen en indienen? Welke tijdslijn schetst u vandaag voor de totstandkoming van de nodige besluiten en aanpassingen? Ziet u bepaalde lessen die we zeker uit deze speciale coronaperiode moeten trekken voor ons toekomstig personeelsbeleid voor de ambtenaren?

Minister Somers heeft het woord.

Minister Bart Somers

Mijnheer Van Miert, ik mag er u op wijzen dat dit een belangrijk thema is, dat u en velen van ons aanbelangt en bezighoudt. Bewijs daarvan is dat de heren Brecht Warnez en Kurt De Loor een gelijkaardige vraag gesteld hebben tijdens de beleids- en begrotingstoelichting eind november vorig jaar. Mijn antwoord is sindsdien niet zo veel veranderd, maar ik licht u graag nog even de hoofdlijnen toe.

Het is inderdaad een van mijn doelstellingen om het hr-beleid van de Vlaamse overheid te moderniseren en zo een dynamische en aantrekkelijke werkgever te blijven. In de evolutie daarnaartoe heb ik toen vijf sporen onderscheiden en dat doe ik nog steeds: rechtspositie, loopbaan- en beloningsbeleid, ziekteregeling en re-integratie, pensioen en uitstroom. Dat zijn de vijf thema’s waarrond we willen werken om ons hr-beleid te moderniseren. Ik zie die ook als één geheel, om tot een consistent beleid ter zake te komen. De bedoeling is dat over deze sporen ernstig onderhandeld zal worden met de vakorganisaties. In maart 2020 was er al een informele gespreksronde met die representatieve vakorganisaties opgestart, maar ten gevolge van corona en de lockdown hebben we de werking ervan opgeschort.

Vlak voor het kerstreces werd die informele gespreksronde opnieuw hervat, vorige week vond een tweede informeel overleg plaats. We zijn dus weer aan de opstart begonnen. Wanneer zal ik een globale visienota t.a.v. de ‘contractualisering’ opstellen?’ Ik wil nog eens benadrukken dat ik ‘contractualisering’ binnen de grotere context wil bekijken. Dit is niet een doelstelling op zich, dat zou een te enge kijk op de zaak zijn. Dit is wel een belangrijk onderdeel van de modernisering, maar ik wil de globaliteit in beeld houden, omdat ik geloof dat de Vlaamse overheid op die manier een aantrekkelijke overheid kan zijn.

Wanneer denk ik de totstandkoming van de nodige besluiten en aanpassingen van dit Vlaams personeelsstatuut (VPS) te kunnen realiseren? Mijn bedoeling is om in 2021 die onderhandelingen in de diepte en ten gronde te voeren om de nodige besluiten en juridische aanpassingen van het VPS te doen, om die aanpassingen dan in de loop van deze legislatuur te realiseren.

Om het vernieuwde hr-beleid te kunnen realiseren, moet er ook voldoende aandacht geschonken worden aan verandermanagement bij de lijnmanagers, de hr-groep, leidinggevenden en personeelsleden. Het is een migratie naar een nieuwe manier van werken, dat vraagt tijd. Ik wil daar deze legislatuur voor gebruiken maar ik wil de onderhandelingen dit jaar kunnen voeren en ook dit jaar met resultaten komen zodat iedereen weet waar we de volgende jaren naartoe gaan en hoe we die stap zullen zetten.

Op het vlak van hr-beleid was en is de belangrijkste les uit de coronacrisis de snelle omschakeling naar thuiswerk, en de verschillende voor- en nadelen die dat met zich meebracht. We hebben het daar op 5 januari in de commissie over gehad naar aanleiding van een vraag van de heer Warnez.

Op 18 december 2020 is de nieuwe omzendbrief ‘hybride werken binnen de Vlaamse overheid’ meegedeeld aan de Vlaamse Regering. Over die omzendbrief zal nu nog onderhandeld worden met de vakorganisaties.

Wanneer thuiswerken als maatregel niet meer verplicht zal zijn, is het belangrijk om een gezonde balans na te streven tussen aanwezigheid op kantoor, wat volgens mij toch noodzakelijk zal blijven en inherent aan de job, en thuiswerken of elders werken, wat volgens mij een blijver zal zijn.

Ik noem dit de belangrijkste les of beleidswijziging van de coronacrisis op het vlak van hr omdat dit gevolgen heeft voor het leiderschap, de organisatiebetrokkenheid, het welzijn, het prestatiemanagement op afstand, de ontwikkeling van digitale vaardigheden enzovoort. Corona heeft hier echt een diepgaande impact. We moeten nagaan hoe we in dat hybride werken een succes maken van een goed personeelsbeleid. Het gaat immers over veel meer dan enkel bepalen wanneer men thuis mag werken of wanneer men naar kantoor moet komen. Daar komen veel meer aspecten bij kijken zoals leiderschap, een nieuwe manier van leidinggeven aan mensen met wie je niet in dezelfde ruimte werkt maar die op afstand werken. Vraag is hoe men die mensen aanstuurt en evalueert, hoe men hun welzijn garandeert, hun prestaties meet en dergelijke. Ik denk dat dit een heel belangrijke impact heeft op onze hr-visie voor de toekomst.

De heer Van Miert heeft het woord.

Minister, ik dank u voor uw antwoord. De lokale besturen kijken heel vaak naar het Vlaamse niveau om te zien hoe de zaken daar worden geregeld met het oog op eenduidigheid. De lessen die hier worden getrokken, de visie die u naar voren brengt, zijn een leidraad voor hoe we dat, zeker in de steden, willen doen met ons ambtelijk apparaat. En de vragen die op ons afkomen, gaan vooral net over dat thuiswerk. Het gaat bijvoorbeeld over een vergoeding die daar eventueel tegenover staat. Dat leeft momenteel overal in Vlaanderen, en daarom wilde ik u die vraag ook nog eens voorleggen. Ik heb echter begrepen dat er nog veel in de pijplijn zit en dat het een ‘work in progress’ is. We zullen dit dan ook verder opvolgen maar het is heel belangrijk dat we een leidraad krijgen om dat in onze eigen organisaties misschien niet 100 procent te copy-pasten maar dan toch duidelijk naar het voorbeeld dat u in kaart wilt brengen, te kunnen uitrollen.

De heer Tommelein die voor zijn Oostendse vlag zit, heeft het woord.

Het zijn ook de kleuren van KV Mechelen, voorzitter. 

Ik heb het niet over voetbal, ik heb het over de vlag van Oostende.

Is die van Mechelen hetzelfde, minister?

Minister Bart Somers

 Neen, die is mooier, mijnheer Tommelein, daar staat een adelaar op.

Uw tijd loopt, mijnheer Tommelein.

Ik heb een heel korte vraag, dat is de reden waarom ik de tijd neem.

Minister, in tijden van corona lijkt het me ook belangrijk om in te zetten op het mentale welzijn van de medewerkers van de Vlaamse overheid. Ik vraag me af of u daarvoor al maatregelen hebt genomen.

De heer De Loor heeft het woord.

Collega’s, minister, ik heb alle begrip voor het feit dat de syndicale organisaties de oefening die u aan het maken bent, met een heel kritisch oog volgen. Als er gesproken wordt over statutaire ambtenaren, wordt er vaak gefocust op een aantal negatieve voorbeelden, maar ik denk dat we het kind absoluut niet met het badwater mogen weggooien. Ik wil er één aspect uitlichten. De sp.a-fractie vindt het enorm belangrijk dat de ambtenaren hun werk onafhankelijk kunnen uitvoeren. Ik moet u waarschijnlijk niet vertellen dat statutairen sterker en beter beschermd zijn en daardoor ook minder gevoelig zijn voor politieke druk. Minister, bent u zich ervan bewust dat die contractualisering van de ambtenarij kan raken aan die onafhankelijkheid en meer ruimte laat voor politieke inmenging, waar we ons absoluut voor moeten behoeden? Vandaar ook ons voorstel om daar zeker ook waarborgen tegen in te bouwen. Bent u daartoe bereid?

Minister Somers heeft het woord.

Minister Bart Somers

Eerst en vooral bedankt voor de verschillende elementen. Ik begrijp, mijnheer Van Miert, dat het werk dat Vlaanderen verzet ten aanzien van zijn ambtenaren, een bron van inspiratie kan zijn voor lokale besturen. Ik heb dat ook altijd zo ervaren. Je kijkt rond, je kijkt ook naar collega’s uit andere steden en gemeenten, en je kijkt ook eens naar Vlaanderen om te zien wat daar gebeurt, hoe men daar een personeelsbeleid uitbouwt. Maar wat de specifieke situatie van de rechtspositieregeling van de lokale ambtenaren betreft, zijn we ook aan het werk en is het, samen met de vakorganisaties, ook onze bedoeling om ook dat statuut grondig te moderniseren en ervoor te zorgen dat je een grotere autonomie gaat krijgen als lokaal bestuur om dat zelf in te vullen. Voor die lokale besturen die nood hebben aan een volledig uitgewerkt statuut, gaan we zorgen dat dat model er ook ligt. Wij gaan daar dus toch wat meer ruimte creëren voor de lokale besturen om daar een modern hr-beleid te voeren. Dat voor alle duidelijkheid. Dat is parallel aan, maar staat los van datgene wat we doen op het vlak van de Vlaamse administratie. Dat zijn twee verschillende sporen die we bewandelen, maar dat spoor gaan we ook verder uitwerken, natuurlijk ook in goed overleg met de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG) en dergelijke meer.

Ten tweede was er de vraag van collega Tommelein naar het welzijn van onze ambtenaren. Een heel terechte vraag, omdat ik denk dat we allemaal voelen dat op dit moment die coronacrisis al zo lang aansleept dat het welbevinden van mensen sterk onder druk staat. Vandaag lees ik nog in de kranten dat de barometer van het welbevinden en optimisme van mensen op een laag punt zit. Dat heeft natuurlijk te maken met de eindeloze duurtijd, de onzekerheid, de dreiging van die derde golf, die nieuwe coronavariant, het toch vaak ontredderend nieuws. Tegelijkertijd zitten we ook in de donkerste periode van het jaar, de lente is nog niet helemaal in zicht, het is psychologisch een zware periode voor mensen. Er zijn ook veel mensen die iemand verloren hebben, er is economische onzekerheid. Je voelt dat er heel veel druk ligt op de samenleving en op mensen. Vanzelfsprekend zijn onze ambtenaren een deel van die realiteit, die lijden daar ongetwijfeld ook onder. Wat doen we daar? We organiseren webinars, we hebben een bevraging georganiseerd, we hebben coaches aangesteld, we zorgen voor begeleiding. Uit de enquêtes die we gedaan hebben naar het welzijn, bleek dat in het najaar – dat was de laatste keer dat we dat gedaan hebben, misschien wordt het tijd om het eens opnieuw te doen – nog altijd 84 procent zich goed voelde als ambtenaar, wat een hoog cijfer is, en ook tevreden was over de manier waarop het werken op afstand georganiseerd werd. Ik denk dat we daar echt wel de vinger aan de pols houden, ook onze leidinggevenden daarin ondersteunen en dat we alle tools in stelling brengen die we kunnen hebben om onze ambtenaren zo goed mogelijk te ondersteunen in hun welbevinden en in hun goed functioneren, maar ook in hun persoonlijk welbevinden.

Dan kom ik natuurlijk bij de laatste vraag van collega De Loor.  

Collega De Loor, uiteraard ben ik me ervan bewust dat er politieke druk kan ontstaan, zoals ook in een private organisatie vormen van druk kunnen ontstaan die ongewenst zijn. We hebben daar een sterke deontologische code voor. Maar ik vind dat – en we verschillen daar van mening over – een onvoldoende sterk argument om daarom de idee van een vaste benoeming overeind te houden.

Ik wil dit doen in overleg met de vakorganisaties, ik wil goed luisteren naar wat zij te zeggen hebben. Daarom zijn er ook eerst die informele rondes, om goed te begrijpen waar we naartoe willen. En ik vind ook dat we daar aandacht voor moeten hebben, absoluut, want we mogen daar niet blind voor zijn. Maar dat is voor mij geen argument om de vaste benoeming overeind te houden. Ik vind dat geen voldoende basis om een systeem te behouden dat volgens mij niet meer actueel is, dat niet meer beantwoordt aan de hedendaagse noden, dat een modern en performant personeelsbeleid in de weg staat en dat ook negeert dat een carrière er vandaag de dag helemaal anders kan uitzien dan pakweg dertig jaar geleden. Toen bleven mensen vaak heel hun leven binnen één onderneming functioneren, nu gaan mensen sneller op zoek naar nieuwe uitdagingen en komen ze op nieuwe plaatsen terecht. Wij hebben ook behoefte aan instroom van elders, niet enkel aan mensen met een administratieve achtergrond. We hebben nood aan mensen uit de private sector en omgekeerd kan de private sector af en toe mensen gebruiken die vanuit de administraties komen. Ik denk dat de vaste benoeming een hindernis vormt voor het voeren van een modern en performant personeelsbeleid.

Het argument dat dat systeem misschien beter beschermt tegen politieke beïnvloeding, is niet altijd juist. Je zou dat argument trouwens ook kunnen gebruiken tegen de vaste benoeming; beeld u in dat mensen vast benoemd worden op partijpolitieke basis, dan zit je er een generatie lang mee. Dat is nooit gebeurd in het verleden. Nooit zijn mensen vast benoemd vanwege hun politieke overtuiging, dat is nooit ergens gebeurd in Vlaanderen, mijnheer De Loor, dat heeft nergens zo bestaan ... Dat kan ook tegenwerken. Dat kan een negatief effect zijn.

Ik denk dus dat de afweging tussen pro’s en contra’s, zelfs vanuit dat perspectief, niet overtuigend genoeg is om vast te houden aan de vaste benoeming. We gaan dus in de richting van een nieuw HR-beleid, waarbinnen die contractualisering een doel of instrument is voor de modernisering, naast een aantal andere. Ik vind dat je dat in zijn totaliteit moet bekijken.

De heer Van Miert heeft het woord.

Minister, niet om u onder druk te zetten, maar we zijn ondertussen – en dat kunnen we samen vaststellen – toch al wel een eindje gevorderd in deze legislatuur. De grote discussies moeten nog beginnen, maar we moeten er toch voor zorgen dat het dossier geen stof ligt te vergaren, minister. Ikzelf of de andere collega’s zullen regelmatig wel eens blazen, als we vermoeden dat er een laagje stof op gaat liggen.

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is gesloten.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.