U bent hier

– Wegens de coronamaatregelen werden deze vragen om uitleg via videoconferentie behandeld.

De heer Daniëls heeft het woord.

Mijn vraag gaat over de controle op het financiële beleid van scholen door de inspectie. Dat is een belangrijk thema, met nuances. Het is ook inhoudelijk belangrijk. Wij zijn het Vlaams Parlement, wij kennen middelen toe. Elk jaar is het in een begroting, eender welke partijen de meerderheid uitmaken, kijken hoe de middelen worden verdeeld en dan kijken dat de middelen efficiënt en effectief worden ingezet. In dat kader is het een belangrijke vraag en een interessant item.

Inspecteur-generaal Lieven Viaene maakte bekend dat de inspectie vanaf volgend schooljaar, bij de inspectie naar de onderwijskwaliteit, de link zal proberen te leggen tussen de kwaliteit van een school en het financieel beleid. Op dit moment gebeurt dat niet, het is ook niet echt een onderdeel van de doorlichtingsverslagen. Het Agentschap voor Onderwijsdiensten (AGODI), dat de verificatie doet, kan enkel op willekeurige plaatsen controleren of de middelen correct worden besteed indien dit is vastgelegd. Bijvoorbeeld de reguliere aanwezigheid van leerlingen wordt nagekeken, ook de afwezigheidtesten en dergelijke meer. Maar de link tussen het financiële beleid en de onderwijskundige kwaliteit, die Vlaanderen toch vooropstelt, is er op dit moment niet.

Uit wat is voorgesteld door de inspectie, komt naar voren dat ze dus ook zal nagaan of de middelen die worden toegekend, lees ‘de middelen die in de begroting staan’, waar wij richting aan geven middels ofwel decreten ofwel besluiten van de Vlaamse Regering, worden besteed in relatie tot de onderwijskwaliteit. Ik moet de collega's er niet op wijzen, zij kennen dat allemaal evengoed als ikzelf. Het rapport van het Rekenhof had in het verleden reeds aangegeven dat de relatie tussen de decretale motivatie van de toegekende middelen, dus waarom wij middelen voor iets inzetten, en de aanwending en het effect ervan, sterker moest worden opgevolgd. In deze commissie zijn er in het verleden al een aantal vragen over gesteld om die opvolging beter te doen, wetende dat wel wat scholen het goed doen. Maar we weten en ervaren ook dat als leerkrachten of directeurs ons contacteren en wij hun zeggen dat zij daar middelen voor hebben, ze dan regelmatig zeggen dat zij daar geen middelen voor hebben. Uit de dienstbrieven kan ik dan opmaken: ‘Kijk, dit.’ Dan komt er meestal een uitleg: ’Ah, ja, maar.’ Daar kun je soms wel kritische vragen bij stellen.

Minister, hoe staat u tegenover deze focus van de onderwijsinspectie? Wanneer zal dat instrument beschikbaar zijn voor het uitvoeren van dergelijke controles, nazichtkoppelingen? Op basis van welke variabelen zal het instrument opgesteld worden? Hoe gaat men die koppeling maken? Welke concrete zaken gaat men dan budgettair-financieel nakijken? Welke actoren zullen betrokken worden bij het opstellen van dit instrument, als het er nog niet zou zijn? Zal enkel de inspectie het instrument uitwerken of worden er nog andere actoren bij betrokken? Op basis van welke argumenten zal een financieel beleid als niet bevorderlijk voor de onderwijskwaliteit worden beoordeeld? Welke acties zullen worden ondernomen wanneer men bij AGODI merkt dat een financieel beleid de kwaliteit van het onderwijs niet ten goede komt?

Mevrouw Vandromme heeft het woord.

Voorzitter, collega’s, minister, elke zes jaar licht de Onderwijsinspectie scholen door op hun kwaliteitsbeleid. Vanaf volgend schooljaar wil de dienst daarbij de link leggen tussen die kwaliteit en het financieel beleid van een school, zo vernamen we op maandag 18 januari. Men noemt het de financiële radar.

De Onderwijsinspectie geeft aan tegemoet te komen aan een nood die al een hele tijd aanwezig is. AGODI, de verantwoordelijke overheidsdienst, kon tot nu toe de vraag niet stellen of bepaalde uitgaven de onderwijskwaliteit daadwerkelijk ten goede komen. Naar eigen zeggen zorgde dat wel eens voor de nodige frustraties waar mistoestanden waren.

De Onderwijsinspectie verwijst ook naar een rapport van het Rekenhof uit 2015 waarin sprake is van een lacune. Ik citeer even uit dit rapport: “De rapportering over de financiële verrichtingen van de scholen verschilt per net. De controle die het AGODI uitvoert, verdient bijsturing. Het toezicht kan meer worden gebaseerd op een risicoanalyse en op de controles die eigen zijn aan elk net. Ook de onderwijsinspectie kan vanuit het oogpunt van de onderwijskwaliteit input geven voor de risicoanalyse, maar er zijn geen afdoende afspraken met AGODI. De verantwoordingsplicht over het financieel beheer en de aanwending van de middelen is ten aanzien van participatieorganen van de scholen weinig of niet uitgewerkt.” 

Het nieuwe instrument moet dus informatie verschaffen over het financieel beleid van een school. En waar het fout loopt, wordt dit gesignaleerd aan AGODI die verder onderzoek doet.

Minister, was er een wijziging in de regelgeving nodig om de aanpassingen die worden aangekondigd ook te kunnen doorvoeren? Zo ja, wanneer en in welke zin werd de geldende regelgeving aangepast? Of moeten die aanpassingen nog komen?

Hoe zal de inspectie de keuzevrijheid van scholen over hoe zij hun middelen inzetten, respecteren? Welke garanties biedt de inspectie in dezen?

Mevrouw Beckers heeft het woord.

Voorzitter, ik zal niet mijn volledige vraag voorlezen, aangezien de twee vorige vraagstellers dat heel goed hebben gedaan. De kwestie is dat de Onderwijsinspectie nu ook kan kijken of de middelen worden gebruikt waarvoor ze moeten worden gebruikt, en vooral, of ze de onderwijskwaliteit wel ten goede zouden komen. Dat is normaal, vermits we als samenleving heel veel investeren in onderwijs.

Minister, ik heb een aantal vragen over de financiële radar. Is dit voornemen al doorgenomen met de vertegenwoordigers van onderwijsnetten en -koepels, de vakbonden en de directeursverenigingen?

De pedagogische vrijheid van het onderwijsveld is een grondwettelijk principe, waaraan niet te tornen valt. Scholen kunnen niet-gekleurde werkingsmiddelen naar eigen goeddunken inzetten voor wat volgens hun pedagogische visie het beste is om tot leerwinst te komen. Bestaat hier geen gevaar op het overschrijden van de grens met de onderwijsvrijheid?

Wat zullen de gevolgen zijn voor scholen die de middelen fout gebruiken?

Voorzitter, deze vraag gaat over de planlast. Zal deze maatregel niet zorgen voor een nog grotere verantwoordingsdrang bij de leidinggevenden en het schoolpersoneel waardoor er extra administratie zal worden opgemaakt, wat dus meer planlast zal veroorzaken bij directies en leraren?

Ik dank u.

Minister Weyts heeft het woord.

Minister Ben Weyts

Het kan geen verrassing zijn, want het is ook in de beleidsnota opgenomen: de vrijheid van onderwijs is vanzelfsprekend cruciaal. Maar vrijheid betekent niet vrijblijvendheid. Er zijn ruimschoots middelen voorhanden, de onderwijsbegroting stijgt weer met 10 procent en dat is zeer goed. Maar we moeten er natuurlijk ook voor zorgen dat er met die toegekende middelen excellent onderwijs kan worden aangeboden en dat de middelen voor onderwijs effectief tot in de klas komen en worden besteed aan die doelstellingen die de decreetgever of de regering – en dus de belastingbetaler – heeft vooropgesteld.

Dat maakt dat ik soms middelen geoormerkt wil zien, om dat principe, dat middelen worden besteed aan de doeleinden die worden vooropgesteld, te verzekeren. 

Het financieel beleid is ook een van de pijlers van kwaliteitsvol onderwijs. Dat staat ook zo beschreven in het referentiekader voor onderwijskwaliteit, en het is dat kader dat de onderwijsinspectie gebruikt om onderwijsinstellingen door te lichten. Dat is haar kader, en dat betekent dus ook dat er geen wijziging van de regelgeving nodig was om deze financiële radar te ontwikkelen. Er is een decretaal kader dat daartoe de machtiging geeft aan onze onderwijsinspectie.

Er wordt terecht aangehaald dat het Rekenhof in 2015 advies gaf aan AGODI en aan de onderwijsinspectie om het toezicht op het financieel beleid te baseren op een risicoanalyse. Het is naar aanleiding van dat advies dat die financiële radar werd ontwikkeld. Dat houdt in dat de onderwijsinspectie tijdens haar reguliere doorlichting een risicoanalyse maakt die de samenhang weergeeft van de infrastructuur, van de financiële ondersteuning en van de inzet van de personele middelen met de onderwijskwaliteit. Maar dat is natuurlijk iets anders. De onderwijsinspecteurs zijn geen boekhouders, het zijn geen fiscalisten. Ze zullen geen onderzoek voeren over de uitgaven, geen financiële analyses maken, geen jaarrekeningen analyseren. Dat garandeert denk ik ook de keuzevrijheid die elke school heeft om haar middelen volgens haar pedagogisch project te spenderen. Daarover gaat de onderwijsinspectie geen uitspraken doen.

Er was de concrete vraag hoe die financiële radar eruitziet. De onderwijsinspectie maakt daarvoor gebruik van haar bestaande instrumentarium. Een school wordt zichtbaar, licht op op de radar als een doorlichting resulteert in een ongunstig advies en daarbij op een of meerdere indicatoren van de ontwikkelingsschalen, met een link naar het financieel en materieel beleid, beneden de verwachting scoort, dus beneden de verwachting van het referentiekader voor onderwijskwaliteit, en het dus onvoldoende kwaliteit levert.

In zo’n geval zal het inspectieteam met de directeur daarover in dialoog gaan en een brief bezorgen aan het schoolbestuur waarin gevraagd wordt tegemoet te komen aan de kwaliteitsverwachtingen uit het referentiekader, zodat ook het financieel en materieel beleid een zo groot mogelijk positief effect heeft op de leerresultaten. De onderwijsinspectie geeft de scholen die op deze radar verschijnen natuurlijk de tijd en ruimte, maar dit wordt ook doorgegeven aan AGODI. Een school die een gunstig advies krijgt, zal bijgevolg niet op de radar verschijnen. Wat uiteraard niet betekent dat de onderwijsinspectie geen bemerkingen kan geven over bijvoorbeeld de besteding van de nascholingsmiddelen in relatie tot de onderwijskwaliteit.

Daarnaast is er de rol van AGODI, dat aan een systeem van risicoanalyse werkt. Daarin zal ze de informatie die ze van de onderwijsinspectie verkrijgt via de financiële radar opnemen, voor aanvullend onderzoek bij de planning en uitvoering van zijn controles.

Hoe dan ook blijft er een wezenlijk onderscheid in het perspectief van die twee overheidsdiensten. AGODI zal voornamelijk toezien op een correcte aanwending van de overheidsmiddelen. Daarnaast heb je de onderwijsinspectie, die de klemtoon legt op de effectieve aanwending in functie van de onderwijskwaliteit. De mate waarin de financiële radar effectief de juiste signalen uitzendt, zal zeker in de beginperiode wat evaluatie vragen, wat bijsturen zijn. Het is een nieuw gegeven, maar we moeten het toch wat de kans geven.

De inspecteur-generaal heeft dit extra toezicht besproken op het structureel overleg met de pedagogische begeleidingsdiensten. Het moet nog breed gecommuniceerd worden met het onderwijsveld, maar dat kan samen gebeuren met nog andere aanpassingen aan het toezicht. Zodra de reguliere doorlichtingen – na covid – opnieuw kunnen opstarten zal dat onderzoek mee uitgerold worden. Hopelijk is dat in september 2021, maar dat is ook afhankelijk van de evolutie van covid. Aangezien dit onderzoek deel uitmaakt van het bestaand instrumentarium zal dat natuurlijk geen extra planlast met zich meebrengen, want het maakt deel uit van een bestaande casus.

De heer Daniëls heeft het woord.

Dank u wel, minister, voor uw toelichting, die ik verhelderend en geruststellend vind. In de eerste plaats wordt er geen extra planlast veroorzaakt. Ten tweede wordt er verder gekeken op het moment dat een school op de radar komt in het kader van onderwijskwaliteit. Ik denk dat dat duidelijk is. We geven vertrouwen, tot op het moment waarop we ons zorgen maken over wat er gebeurt en dan gaan we de situatie van naderbij bekijken. Ik denk dat dat een goed signaal is over onze twee bekommernissen, namelijk enerzijds vertrouwen en anderzijds een efficiënte en effectieve aanwending. U haalt aan dat AGODI kijkt naar de correcte aanwending en dat de onderwijsinspectie indien nodig de klemtoon zal leggen op een effectieve aanwending. Dat lijkt me inderdaad een goede manier om de data en de info die we hebben bij deze twee instanties – AGODI en de onderwijsinspectie – met elkaar te kruisen.

Collega’s, ik wil nog even een inspirerend voorbeeld aanhalen uit Nederland. Daar hebben scholen soms een overschot. U zult me niet horen zeggen dat we de Nederlandse situatie kunnen vergelijken met de Vlaamse. Maar ik hoor soms bij leerkrachten: we krijgen daar geen middelen voor, daar zijn geen uren voor. Als ik die leerkrachten dan laat zien wat er wel bestaat op het vlak van uren, stellen ze de vraag waarvoor die dan gebruikt worden. Dan moet ik verwijzen naar de schoolraad, die daar inzage in heeft. Dan moeten leerkrachten erop gewezen worden dat dat een belangrijk orgaan is. Daarom, minister, vind ik het verstandig om te zorgen voor transparantie voor iedereen in een school, ook wat betreft de werkingsmiddelen en andere middelen, zoals SES-middelen (socio-economische status) en SES-uren, die ze krijgen. Die informatie moet niet alleen aan de inrichtende macht worden bezorgd maar ook aan de alle leerkrachten. Wanneer de inspectie een doorlichting doet, kijkt ze natuurlijk naar de verschillende vakken. En als er daar dan een knipperlicht gaat branden, wordt er verder gekeken naar het financiële beleid.

Een tweede vraag die ik me stel, minister, is of dit dan direct in het doorlichtingsverslag komt. Met andere woorden: is die financiële analyse een annex bij een niet-positief advies van de doorlichting? Of volgt er nadien een tweede onderzoek?

Mevrouw Vandromme heeft het woord.

Dank u wel, minister, voor uw toelichting. Het is goed om te weten dat de decretale basis voldoende is om deze financiële radar te kunnen organiseren.

Minister, in de coronacommissie hebben we een aantal leerkrachten en directies gehoord, die heel vaak vroegen om vertrouwen: ‘Vertrouw ons, we willen echt wel het beste voor onze leerlingen en voor onze leerkrachten. We weten vanuit onze lokale context ook hoe het moet.’ Ik volg hen ook wel in die vraag. U stelt dat het soms beter is om middelen te oormerken, om dan de garantie te hebben op het vlak van kwaliteit. Dat volg ik niet altijd. Op dat vlak heb ik wat meer vertrouwen in de scholen en de schoolbesturen. Maar goed, vrijheid is in dezen – we hebben het vanmorgen ook herhaald inzake de eindtermen – ook geen vrijblijvendheid. Dus ik snap wel dat we alle middelen die besteed worden in het onderwijs, ook zo efficiënt en effectief mogelijk moeten inzetten.

Maar toch blijf ik wat bezorgd over een aantal zaken. Ten eerste over het pedagogisch project van scholen, dat ze te allen tijde op hun eigen manier moeten kunnen uitwerken. We hebben dat ook gezien tijdens de coronacrisis, waarin we zagen dat sommige scholen al heel veel stappen hebben gezet in hun ICT-beleid en het uitwerken van een heel groot bereik. Ze waren al klaar voor het afstandsonderwijs. Andere scholen hadden andere keuzes gemaakt. We kunnen die scholen niet veroordelen omdat ze keuzes maken. De middelen voor scholen zijn ook beperkt. Maar ik denk dat het toch belangrijk is dat er vertrokken wordt van wat er lokaal als prioriteit wordt beschouwd.

Wat planlast inperken betreft, ik hoor u graag zeggen dat u ter zake ook altijd de vinger aan de pols wilt houden. U zegt wel dat dit het bestaande kader is, dat er dus geen extra planlast wordt gecreëerd, maar ik hoop toch dat dat in realiteit ook zo zal zijn. Wat dat betreft, zijn er immers toch wel heel veel vragen op het veld: als men zaken installeert, mag dat geen extra papierwerk of verantwoordingswerk met zich meebrengen.

Ik heb nog een laatste bekommernis. Ik hoorde dat ook al bij de vorige spreker. We moeten aandacht vragen voor de participatie. Heel veel leerkrachten hebben er eigenlijk geen zicht op hoe de uren en de middelen worden verdeeld. Dat is niet vanuit een wantrouwen, maar wel vanuit een gedeeld leiderschap. Samen school maken kan, denk ik, een boodschap zijn die alle scholen sterker kan maken. Als je een gedeeld beleid voert met je korps, als je daarvoor openstaat, dan kan dat alleen maar versterkend werken. Ik geloof niet dat we dat van bovenaf moeten opleggen, maar we moeten er wel voor zorgen dat we van onze directeurs sterke leiders kunnen maken, dat we hen kunnen versterken door dat gedeeld leiderschap en het aanleren van die competenties.

Mevrouw Beckers heeft het woord.

Minister, ik begrijp dus dat u toch ook het idee niet ongenegen bent om eventueel meer middelen te gaan oormerken, om er toch voor te zorgen dat de middelen die aan het onderwijs worden gegeven, beter zullen worden besteed. Martin Valcke, professor onderwijskunde aan de UGent, stelt dat scholen niet altijd met foute bedoelingen het geld verkeerd besteden, maar vaak ook verdwalen in de complexiteit van de regels. Zal dat instrument van de financiële radar dat verhelpen?

U kondigde onlangs ook aan dat u 3 miljoen euro extra zult vrijmaken voor die betere ondersteuning van die directies. Zullen die middelen ook kunnen worden aangewend voor professionaliseringstrajecten en ondersteuning inzake die financiële onderwijsregelgeving en dat financiële beheer, zodat de directies beter door het bos de bomen kunnen zien, en, zoals mevrouw Vandromme zojuist ook aangaf, er een sterk gedeeld leiderschap is, waardoor al die zaken door een breed gedragen schoolteam kunnen worden besproken en beslist?

De heer Danen heeft het woord.

(Slechte geluidskwaliteit)

Als scholen op een andere manier zullen worden geïnspecteerd, of bijkomend geïnspecteerd, is het van belang, denk ik, om scholen daar goed op voor te bereiden. Immers, zoals mevrouw Vandromme zei, zo goed als alle scholen besteden die middelen met de beste bedoelingen. Ze doen dat misschien soms op een creatieve manier, maar met de beste bedoelingen. Als ze bepaalde geoormerkte middelen misschien anders gebruiken dan bedoeld, is dat iets waarop men hen toch misschien zal moet wijzen. Zal men scholen daarop voorbereiden, en hoe zal men dat doen?

Werken de onderwijsinspectie en AGODI nu al samen als het gaat over de financiële doorlichting?

Ik herhaal ook mijn vraag van daarstraks. U wilt dat de SES-middelen geoormerkt zijn en blijven, en dat scholen die middelen gebruiken voor datgene waarvoor ze bedoeld zijn. Gaat de onderwijsinspectie ook controleren of dat al dan niet gebeurt? Is dat ook een van de focussen die u voor ogen hebt?

Mijnheer Danen, het geluid in uw keuken was wel beter. Nu kraakte het behoorlijk, maar ik denk dat u nog wel redelijk verstaanbaar was.

Minister Weyts heeft het woord.

Minister Ben Weyts

Mijnheer Danen, ik moet zeggen dat het feit dat u bent buitengezet, niet heeft geholpen voor de kwaliteit van de verbinding. In uw geval zou ik gewoon mijn excuses aanbieden, en dan kunnen we elkaar opnieuw beter begrijpen, want ik heb niet alles kunnen vatten wat u zei.

Het is ons voorrecht als regering en als parlement om beleidskeuzes te maken. Wij hebben daarvoor een democratisch mandaat gekregen, dus ook om middelen te bestemmen in functie van een specifiek doel dat wij beleidsmatig hebben aangeduid. Dat is dus een democratische keuze. We moeten er dus ook op toezien dat die doelstellingen wel echt worden gediend.

Daar dient dit voor. Dat was ook de opmerking van het Rekenhof, dat er op dat vlak in sommige scholen een probleem rijst. Daarom moet je dat dus inderdaad soms oormerken.

Ik stel ook wel regelmatig vast dat scholen ook alle baat hebben bij transparantie, ook richting leerkrachten. Ik krijg heel veel vragen. Op alle extra middelen die we vandaag toekennen, bijvoorbeeld alleen al in het kader van corona, hoor je leerkrachten, en ook sociale partners, vakbonden, reageren dat ze er allemaal niks van zien. Ze vragen waar dat is. Ik denk dus dat het ook boeiend kan zijn om ter zake wat openheid te genereren, om dit te verantwoorden, om leerkrachten zo mee te laten denken en hen te betrekken bij het totale schoolteam, bij het totaalbeleid.

Ik denk dat een en ander natuurlijk ook een pijnpunt is in het kader van het beleidsvoerend vermogen van de schooldirectie. Het is immers ongetwijfeld zo dat het in sommige gevallen, zoals mevrouw Beckers schetste, niet altijd een zaak van onwil is, dan wel het feit dat men het allemaal niet meer zo goed kan beheren, dat men niet meer zo goed de inkomsten die er zijn, kan aflijnen van de bestemming van die middelen. Dan ontstaat misschien de neiging om alles in één grote pot te laten binnenkomen en van daaruit gewoon de eigen keuzes te maken, waarbij in die diverse fases het oormerk verloren gaat. Er is ter zake een suggestie gedaan. Die nemen we mee.

Tot slot, ik zei al dat elke school absoluut baat heeft bij die openheid en die transparantie. Daarbij kunnen ook de leerkrachten bepaalde vragen stellen. Men kan vinden dat men als schoolteam meer middelen nodig heeft voor deze of gene doelstelling. Dan kan dat ook worden doorgespeeld naar het beleid zelve. Dat lijkt me ook een sterke verantwoording.

Dan was er heel concreet de vraag van de heer Daniëls over een tweede doorlichting. Het systeem is zo dat, wanneer men op de radar van de onderwijsinspectie verschijnt door de link met de onderwijskwaliteit, onmiddellijk het gesprek wordt aangegaan door de onderwijsinspectie met de directie over de mate waarin er kan worden tegemoetgekomen aan de kwaliteitsverwachtingen uit het referentiekader, maar parallel heb je natuurlijk ook het doorseinen aan AGODI via de onderwijsinspectie. AGODI zal daarbij ook eerst controleren wat er daar aan de hand is. Het kan best zijn dat de procedure daar dan ook onmiddellijk stopt. AGODI doet echter eerst een controle om te zien of het klopt wat die radar aangeeft, of het oranje knipperlicht terecht was. Ter zake gaat de communicatie dan terug richting directie.

De heer Daniëls heeft het woord.

Minister, dank u wel voor uw toelichting. Collega’s, ik denk dat dit een interessante en goede piste is, waarbij we financieel beleid en kwaliteit met elkaar in relatie brengen. We zadelen niet alle scholen daarmee op, maar wel die waar er een knipperlicht aangaat. Ik denk dat dat op dat vlak ook een goed signaal is. Er is een samenwerking tussen verschillende overheidsdiensten met betrekking tot informatie die er is. Dat lijkt mij ook een goede zaak. Minister, ik ben blij dat u ook ingaat op die transparantie waarvoor ik heb gepleit, ten aanzien van leerkrachten en het volledige team, om op die manier ook mee samen school te maken, maar ook te weten waar bepaalde klemtonen worden gelegd. Het lijkt me inderdaad beter dat dat ruimer gaat dan enkel de schoolraad, en ook ruimer dan enkel het urenpakket, want een school krijgt uiteraard veel meer middelen dan enkel dat.

We volgen dit uiteraard verder mee op.

Mevrouw Vandromme heeft het woord.

Minister, dank u wel voor de toelichting. Ik heb geen verdere vragen meer. Ik ben blij te horen dat u inderdaad een aantal zaken onderschrijft, maar ik vraag toch ook vertrouwen in de schoolbesturen zelf. Men moet hen zo veel mogelijk de mogelijkheid geven om zelf te beslissen waar de middelen worden ingezet om zo kwalitatief mogelijk onderwijs aan te bieden voor elk kind.

Ik blijf in elk geval onderschrijven dat vrijheid geen vrijblijvendheid moet zijn, dat we ook wel verwachtingen mogen stellen ten aanzien van alle middelen die naar het onderwijs stromen, dat er transparantie mag zijn ten overstaan van de leraren. Ik merk immers inderdaad, zoals collega Daniëls zei, dat heel veel leerkrachten echt niet weten hoeveel middelen er naar het onderwijs stromen.

Collega’s, minister, sta me toe afsluitend nog een klein laatste gedichtje te brengen voor jullie, van een of andere schrijfster in het verre Poperinge.

Je miststralen negerend
toch hangt er verlangen in de lucht
wachtend tot kleine bubbels openspatten
tot de warmte de horizon laat zien 

Mevrouw Beckers heeft het woord.

In een ideale wereld zouden scholen vrij en efficiënt kunnen bepalen hoe zij hun middelen besteden om tot goed onderwijs te komen, maar dit is geen ideale wereld, wat blijkt uit het rapport van het Rekenhof. Ik ondersteun dit idee van die financiële radar dus zeker en vast. Ik vind alleen dat we erover moeten waken dat dit geen extra planlast zal veroorzaken, maar ja, daarvoor zijn wij er, en dat zullen we ook doen.

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is gesloten.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.