U bent hier

– Wegens de coronamaatregelen werd deze vraag om uitleg via videoconferentie behandeld.

Recent verscheen, mede op vraag van het Departement Onderwijs en Vorming, een verdiepend rapport over de mentale gezondheid van leerkrachten met als titel ‘De relevantie van de schoolcontext voor burn-out bij leraren’. In dit onderzoeksrapport gaan onderzoekers van de VUB, met data uit TALIS 2018, na hoe determinanten op het individuele vlak en op schoolniveau samenhangen met de drie dimensies van burn-out: emotionele uitputting, depersonalisatie en persoonlijke bekwaamheid. Zo proberen ze verschillen tussen scholen in kaart te brengen. De onderzoekers willen immers te weten komen of die verschillen bijdragen aan meer burn-outs in school x of y. Het resultaat is de grootste empirische studie die momenteel bestaat over burn-out bij leraren, en de conclusies zijn verrassend.

– Loes Vandromme treedt als voorzitter op.

Stress, depressies en burn-outs zijn al enige tijd de belangrijkste redenen voor afwezigheid door ziekte bij leerkrachten. De jaarlijkse rapporten van het Agentschap voor Onderwijsdiensten (AGODI) tonen dat herhaaldelijk aan. Die evolutie beperkt zich uiteraard niet tot het Vlaamse onderwijs, maar past in een bredere maatschappelijke problematiek.

In het onderwijs nemen we aan dat scholen met een ongunstigere werkomgeving en een hogere werkdruk meer leerkrachten met een burn-out produceren. Aanzienlijke verschillen tussen scholen in het aantal leraren met een burn-out zouden vervolgens het bewijs moeten leveren dat schoolorganisatorische factoren belangrijk zijn. Preventiestrategieën zouden vervolgens op schoolniveau moeten worden uitgewerkt om deze problematiek aan te pakken.

Maar de resultaten uit dit onderzoek van de VUB tonen iets anders aan. De verschillen in het aantal burn-outs bij leraren uit verschillende scholen zijn immers beperkt. Het feit dat die verschillen zo beperkt zijn, bewijst volgens de onderzoekers dat – ik citeer: “ (…) er voor de algemeen aanvaarde stelling dat de schoolcontext een cruciale rol speelt in stress, burnout en de algemene mentale en fysieke gezondheid van leraren weinig empirische evidentie is.”

De afwezigheid van grote verschillen tussen scholen zou erop kunnen wijzen dat mentale gezondheidsproblemen bij leraren in wezen een intern, psychologisch fenomeen zijn. Preventiestrategieën voor het mentale welzijn van leerkrachten vereisen bijgevolg een meer individuele in plaats van een schoolorganisatorische aanpak. Dit onderzoek zou een invloed kunnen hebben op de aanpak van het psychosociaal welzijnsbeleid op scholen. Dat zou zich meer moeten focussen op individuele preventie.

Minister, de conclusies uit dit onderzoek staan vrijwel haaks op de algemene aannames rond burn-out bij leraren. Wat is volgens u de impact van dit onderzoek op het psychosociaal welzijnsbeleid in het onderwijs? In welke mate hebben deze conclusies een impact op de manier waarop u de strijd aanbindt met die psychosociale problemen bij onderwijspersoneel?

Volgens de onderzoekers zullen preventiestrategieën meer moeten focussen op individuele factoren en minder op schoolorganisatorische factoren. Op welke manier kunt u hier als minister aan tegemoetkomen? Wat zal er nodig zijn om die eventuele shift waar te maken?

Is het nodig om het psychosociaal welzijnsbeleid in het onderwijs te heroriënteren?

Ik dank u voor uw antwoorden.

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Ben Weyts

Het is misschien wel opvallend dat er wat welzijn betreft relatief kleine verschillen zijn tussen scholen, maar wel grote verschillen tussen leerkrachten individueel. Je moet er misschien de kanttekening bij plaatsen dat de onderzoekers ook zelf aangeven dat er wel wat beperkingen zijn aan het onderzoek, zoals de manier waarop die burn-out wordt gemeten. En er zijn ook wel kleine effecten vastgesteld op schoolniveau. Zo is er bijvoorbeeld het bevorderen van wat men noemt een collaboratieve schoolcultuur. Dat gaat vooral over samenwerken, denk ik. En anderzijds is er in negatieve zin de intimidatie of het verbaal beledigen van leraren. Dat grijpt natuurlijk ook in op de burn-out. Dat zijn natuurlijk wel aspecten die schoolleiders kunnen beïnvloeden via het schoolbeleid.

Het feit dat mentaal welzijn voor een groot stuk individueel wordt bepaald, hoeft natuurlijk niet te verbazen. Ook uit ander onderzoek weten we dat het welzijn en de veerkracht, de weerbaarheid, nogal sterk verschilt van persoon tot persoon. Omgekeerd is het ook mogelijk dat in een heel verschillende context toch eenzelfde welzijnsniveau wordt ervaren. Wat voor de ene leerkracht als heel stressvol wordt ervaren, wordt niet noodzakelijk als een probleem erkend of ervaren door andere leerkrachten.

Met dit onderzoek weten we nu ook dat de noden erg verschillend kunnen zijn, naargelang de individuele leerkracht, al betekent dat niet dat de schoolcontext plots losgelaten zou moeten worden. Er zijn grote individuele verschillen, maar toch zal het welzijnsbeleid, dat zich net richt op die individuen, op de eerste plaats op de scholen moeten worden vormgegeven.

Het beleidskader zoals we dat nu kennen, dat gevormd wordt door de federale welzijnswetgeving, geeft aan de schoolbesturen de verantwoordelijkheid en de vrijheid, de autonomie om zelf een goed preventiebeleid uit te bouwen. Ik zie vooral kansen bij de scholen die met de conclusies van dit onderzoek verder aan de slag kunnen gaan en bijvoorbeeld individuele begeleiding of sessies rond veerkracht kunnen aanbieden aan die leerkrachten die er nood aan hebben. Dat is misschien al de eerste stap: het gewoon melden, het erkennen van een probleem, en toch ook het aangeven van personen die klaarstaan met eventuele oplossingen.

Als minister van Onderwijs ondersteun ik natuurlijk scholen bij dat welzijnsbeleid. We ondernemen verschillende acties die ingrijpen op zowel het welzijnsbeleid op schoolniveau als op het individuele welzijnsniveau. Ik val op dat vlak misschien een beetje in herhaling, want naar aanleiding van de knipperlichtennota van de Christelijke Onderwijscentrale (COC) hadden we al een discussie gevoerd, en heb ik op dat vlak ook een aantal zaken opgesomd.

Zo organiseren we bijvoorbeeld dit schooljaar opnieuw opleidingen en supervisies voor vertrouwenspersonen. Dat lijkt mij echt belangrijk, dat je tenminste het probleem durft te erkennen, en dan ook weet waarheen. Wanneer ze moeilijkheden ervaren door psychosociale risico’s op het werk, kunnen ze bij zulke vertrouwenspersonen terecht. In totaal gaan 60 nieuwe vertrouwenspersonen opgeleid worden, en zullen 72 reeds opgeleide vertrouwenspersonen kunnen deelnemen aan supervisiesessies.

Een tweede initiatief dat we dit jaar starten, is een project over de versterking van het welzijnsbeleid in scholen. We verwachten dat er een praktijkgericht en wetenschappelijk onderbouwd kader wordt ontwikkeld, met ook de bijpassende instrumenten en interventies, om dat welzijnsbeleid in scholen te helpen vormgeven. We willen dat vertalen in een toegankelijke inspiratiegids, die in eerste instantie gericht is op de schoolleiders en schoolbesturen. Die gids kan hen ondersteunen in het uitbouwen van een welzijnsbeleid op maat van hun school en het nemen van acties om welzijn te bevorderen.

Dit jaar wordt voor de tweede maal ook een supervisietraject psychosociaal welzijnsbeleid georganiseerd voor schoolleiders en schoolbesturen. Dat traject bestaat uit vijf halve dagen, en daarin worden schoolleiders en bestuurders begeleid in het ontwikkelen van een welzijnsbeleid op maat van hun school. Deelnemers kunnen ook met elkaar in gesprek gaan en goede praktijken uitwisselen. We gaan er ook voor zorgen dat die goede praktijken via de kanalen van het departement gedeeld worden met de rest van het onderwijsveld.

Ik wil ook meegeven dat de werkgroep psychosociale risico’s in het onderwijs nog altijd actief is. Mijn administratie werkt daarin samen met vertegenwoordigers van het gemeenschapsonderwijs, de koepels en de vakorganisaties. Ook de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg (WASO) is daarin vertegenwoordigd en nodigt regelmatig onderzoekers uit en probeert zo de vinger aan de pols te houden inzake  nieuwe wetenschappelijke inzichten en goede praktijken in het kader van het welzijn van ons onderwijspersoneel.

Mevrouw Grosemans heeft het woord.

Dank u wel, minister, voor uw antwoord. Jammer genoeg zien we heel wat burn-outs in ons onderwijs, vooral in de groep van 55-plussers, maar ook bij heel wat schoolleiders. Ik ben dus heel tevreden dat u dit probleem zeer ernstig aanpakt en dat u op verschillende manieren een oplossing zoekt voor het probleem van burn-outs en stress. U had het al over de vertrouwenspersonen. Ook de opleidingen tot inspiratiegids en vooral voor schoolleiders, die sinds dit jaar georganiseerd worden, vind ik heel sterke initiatieven. Ik denk dat een sterke schoolcultuur eigenlijk de core business is van schoolleiders: zorgen voor één team en voor samenwerking. Als je als werknemer, als leerkracht, voortdurend top-downbeslissingen over je heen krijgt, denk ik dat dat ervoor kan zorgen dat je verkeerd begrepen wordt. Ik vind het dus heel goed dat u schoolleiders ondersteunt in hun investeren in een sterke schoolstructuur.

U had het ook over de vertrouwenspersonen. Er komen zestig extra vertrouwenspersonen bij. Ik vind dat een heel goede zaak, omdat leerkrachten hier echt door geholpen kunnen worden. Ik heb een kleine steekproef uitgevoerd. Ik kan jullie verklappen dat die niet echt representatief was. Maar die deed me wel vermoeden dat heel wat leerkrachten niet goed weten wie hun vertrouwenspersoon is. Ik weet dat dit iets is dat voorbehouden is voor het niveau van de scholen, maar misschien kunt u iets betekenen op het vlak van de laagdrempelige communicatie. Ik denk dat het heel belangrijk is dat leerkrachten, ook als ze bijvoorbeeld in het midden van een schooljaar in een school terechtkomen, meteen weten wie de hun toegewezen vertrouwenspersoon is.

U had het ook over het verminderen van intimidatie en verbaal beledigen. Ik kan me zeker voorstellen dat daardoor burn-outs kunnen ontstaan. Misschien schuilt daarin ook voor leerkrachten nog een mogelijkheid voor laagdrempelige communicatie. Misschien kan de werkgroep sociaal welzijn, waarover u sprak, daarover nog laagdrempelige acties uitwerken.

Minister, ik heb nog een vraag voor u. Ik denk dat u gelijk hebt, dat er grote verschillen zijn tussen mensen en tussen leerkrachten, maar dat we ook naar de schoolomgeving moeten kijken. Dan kom ik weer tot mijn stokpaardje, de administratieve planlast. Op dat vlak onderneemt u actie via een viersporenbeleid van de onderwijsinspectie. Kunt u een stand van zaken geven op dat vlak en over de volgende stappen?

De heer Laeremans heeft het woord.

Collega, evenals u heb ik dat krantenartikel doorgenomen. Ik had daar wel een raar gevoel bij. Ik heb hier thuis namelijk wel iets anders meegemaakt, dat wel 100 procent ingegeven werd door de klassituatie op school. Het leek me dus wel een heel rare conclusie. Als je kijkt naar dat onderzoek en naar de manier waarop men tot dat artikel is gekomen, blijkt dat er van die 1645 onderzoeken slechts 13 werden overgehouden, zijnde nog minder dan 1 procent. Dat lijkt me dus wel een bijzonder selectieve interpretatie. Bovendien wordt in het persbericht van de VUB gesteld dat professor arbeidsgeneeskunde Lode Godderis er zijn bedenkingen bij heeft of de werkcontext geen rol speelt. U nuanceert dat en stelt niet te denken dat alles aan de school te wijten is, maar wel dat de manier waarop het werk georganiseerd wordt, een invloed heeft.

Dus het lijkt me toch een veel te selectief artikel.

De onderzoeker heeft ook nog de oorzaken van stress en de mentale en fysieke gezondheid bij leraren en schoolleiders onderzocht. 30 procent van de Vlaamse leerkrachten hebben stress tegenover 18 procent bij een vergelijkbare groep in andere EU-landen. Ook in het middelbaar eerste graad ligt dat cijfer beduidend hoger.

De factoren in verband met planlast hebt u al vernoemd, collega. Daar zal ik het nu niet verder over hebben.

Er zit wel iets in de beleidsaanbevelingen van het onderzoeksteam. Preventie zou meer moeten focussen op het persoonlijke niveau, zeker en vast. Ook de evaluaties die de leerkrachten nu normaal jaarlijks krijgen, moet men omvormen tot functioneringsgesprekken. Dat is een zinvolle piste. Dat betekent wel dat de directeurs een opleiding moeten krijgen om dat mee te nemen en dat ze meer tijd nodig zullen hebben voor de functioneringsgesprekken. Dat veronderstelt ondersteuning van het personeel. We hopen dat daar voldoende werk van gemaakt wordt.

De heer Vandenberghe heeft het woord.

Dank u voor de zeer interessante vraag, collega. Dit is meer dan één debat waard. De problematiek is blijvend. De uitdagingen zijn blijvend.

Ik wil dat niet ontkennen. U doet heel wat inspanningen. U neemt veel initiatieven om dat aan te pakken. Heel veel zaken komen terug tot één punt: de mogelijkheid tot beleidsvoerend vermogen in de school. Heel veel staat of valt daarmee. Het is een beetje allesomvattend, dat moeten we altijd vaststellen.

Het is misschien een beetje mijn fetisj, maar vooral de rol van de directeur is daar nog altijd belangrijk. Hij heeft de leiding en een echte octopustaak om zoveel zaken tot een goed einde te brengen. Het welbevinden van zijn personeelsleden is de basis van alles. Dat is niet alleen in het onderwijs het geval, maar ook in een bedrijf. Als er geen welbevinden is op de werkvloer, geen bedrijfscultuur voor welbevinden, dan verlies je al 30 tot 40 procent van iedereens kunnen. Dat is cruciaal.

Ik moet me aansluiten bij collega Laeremans. We moeten de directeurs op termijn de tijd en de mogelijkheid geven om daarmee aan de slag te gaan. Dan zitten we op twee sporen waar ik altijd op zal blijven hameren: ten eerste, tijd om hun werk te doen, hun corebusiness, de kerntaken, en ten tweede, de ruimte en mogelijkheden om daar de nodige opleidingen, tools en competenties voor te ontwikkelen.

Ik weet, minister, u kunt daar niets aan doen, dat corona enorm veel roet in het eten is komen gooien. Wat directies nu moeten presteren, daar kunt u ook niets aan doen, dat zijn de omstandigheden. Ze weten van geen hout pijlen te maken. Het is niet het moment om daar bij de directies op door te bomen. In heel het debat over het lerarenpact en het loopbaandebat gaan we daar heel veel aandacht aan moeten blijven besteden in de ruimste zin van het woord.

Ik wil daarom een oproep doen om daar zeer thematisch en toekomstgericht rond te werken, los van de initiatieven die u al hebt genomen. Nogmaals, alles staat of valt, als we een analyse durven te maken, met de verwachtingen tegenover een leidinggevende en zijn beleidsvoerend vermogen. Als hij dat op een correcte manier kan doen, ga je het welbevinden van de leerkrachten verbeteren, krijg je minder burn-outs. De juiste mensen op de juiste plaats, de juiste opvolgingstrajecten van leerkrachten, het proactief begeleiden, niet evalueren om te evalueren, proactieve functioneringsgesprekken, een pakket om van begin tot einde van hun loopbaan aan de slag te gaan. Ik vind dat bijzonder veel werk voor een directeur om dat allemaal te doen.

Dat is een grote uitdaging voor de toekomst, binnen de beschikbare middelen. Je kunt een euro maar één keer uitgeven. Er moeten keuzes worden gemaakt, dat besef ik ook. Het zou leuk zijn als men alles kon doen, maar we moeten eens kijken naar de kerntaak van de leidinggevenden. Wat zijn hun hoogste prioriteiten? Op welke manier kunnen we hen ondersteunen? Hoe kunnen we hun de tools aanreiken om hen daarbij te helpen? Hoe kunnen we hun de kans geven om professioneel te groeien en vorming ter zake te volgen?

En als dat snor zit en we komen tot een degelijk en gezond beleidsvoerend vermogen van de basis naar de top toe, niet omgekeerd, dan kunt u al een stuk van die problematiek op een goede manier aanpakken, denk ik. Het is een en-en-enverhaal, dat besef ik. Het is niet altijd gemakkelijk om alles overal in één keer op te lossen, net omdat het een en-en-enverhaal is, maar dat is iets waar wij met z’n allen ook in de toekomst aan moeten blijven werken.

De heer Brouns heeft het woord.

Collega’s, ik denk dat elke organisatie, elk bedrijf en zeker ook elke school heel veel zorg moet dragen voor het menselijk kapitaal, in dezen de leerkrachten, want daar draait het allemaal om. Als er een toename is van het aantal burn-outs, dan moet je vanuit je personeelsbeleid de vraag stellen waar dat vandaan komt en wat je daar als organisatie aan kunt doen. Ik denk dat het vandaag inderdaad vaak een kwestie is van meer capaciteit: tijd en voldoende geschoolde mensen om een modern personeelsbeleid te voeren.

In een vorige tussenkomst heb ik ooit gesproken over persoonlijke ontwikkelingsplannen, en ik denk dat dat cruciaal is. Je ziet dat het hr-beleid in grote, sterke organisaties echt begaan is met de ontwikkeling van het personeel. Als daar de nodige tijd en aandacht naartoe kan gaan, dan heeft dat een heel positief effect op de voldoening en het welzijn van het personeel in het algemeen, wat natuurlijk leidt tot een betere capaciteit.

Ik wil hierbij nog eens een lans breken voor een sterk en modern personeelsbeleid met persoonlijke ontwikkelingsplannen die aan de basis liggen van het traject dat leerkrachten in hun school kunnen doorlopen. Maar ik stel vast dat heel veel scholen daar vandaag niet toe komen, omdat het hun ontbreekt aan capaciteit en vooral tijd. Voor mij is het een kwestie van een zekere bestuurlijke schaal hebben om die scholen zodanig te organiseren dat er daarin een modern personeelsbeleid kan worden geïntegreerd, op een professionele manier. Ik denk dus dat we naar de schaal van scholen moeten durven te kijken, op bestuurlijk vlak, om een personeelsbeleid te voeren dat aandacht heeft voor het psychisch welzijn van de leerkrachten.

Minister Weyts heeft het woord.

Minister Ben Weyts

Ik wil kort meegeven dat de start van de opleidingen en supervisie van vertrouwenspersonen gepland is voor maart. Ik hoop dat dat lukt, gezien de covidgerelateerde omstandigheden.

Twee, ik had al een onderzoeksoproep gelanceerd rond de versterking van het welzijnsbeleid in scholen. We hebben een call gedaan richting concrete projecten. De indieningstermijn is begin deze maand afgesloten, en we gaan een project selecteren om serieus op voort te werken.

Drie, het debat ging dan even richting de administratieve planlast en het versterken van het beleidsvoerend vermogen van de schooldirectie. Daaromtrent kan ik meegeven dat – en dat heb ik al eens eerder gedaan – de Onderwijsinspectie ook een beetje Kafka-inspecteurs worden: bij elke doorlichting trachten ze ook de administratieve planlast die ervaren wordt, te detecteren of te bevragen en kijken ze naar de oorzaken. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar de mate waarin scholen administratieve planlast ervaren vanuit de koepels of vanuit de overheid, maar ook naar de mate waarin de schoolbesturen en directies zelf administratieve planlast veroorzaken richting hun leerkrachten.

Het is ook zo dat op dit moment de discussie wordt beslecht aangaande de vaste benoeming en de evaluatieprocedure. Daar zitten ook elementen in die raken aan de planlast, namelijk het formuleren van kerntaken van de schooldirectie. Dat telefoonboek met een heel uitvoerige opsomming van allerhande taken moet evolueren naar een lijst met kerntaken.

Anderzijds ben ik ook nu bezig met de directiefunctie, met de versterking van dat beleidsvoerend vermogen van de schoolleiding. In eerste instantie betreft het een initiatief rond de betere toeleiding naar de functie. Daar begint het al mee. Daarnaast gaat het ook een beetje om management van verwachtingen, en om ervoor te zorgen dat we misschien ook mensen uit de privésector zouden kunnen verleiden om ook in een directiefunctie aan de slag te gaan. Dat is een project, maar daar hoort u weldra nog meer van.

Mevrouw Grosemans heeft het woord.

Minister, dank u wel voor uw antwoord en voor uw engagement. Ik volg dat zeker verder op met de collega’s. We vinden allemaal welzijn van leerkrachten en van schoolleiders enorm belangrijk. Ik ben ervan overtuigd dat u de juiste stappen zet en de juiste keuzes maakt. Ik denk dat u in twee heel belangrijke zaken investeert. Een: investeren in die schoolleiders, in die sterke schoolcultuur van samenwerken, en in beleidsvoerend vermogen, zodat dat versterkt wordt. En twee, uiteraard, die planlast. Ik hoop echt dat we binnen onafzienbare tijd rigoureus kunnen snijden in die administratieve planlast.

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is gesloten.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.