U bent hier

– Wegens de coronamaatregelen werd deze vraag om uitleg via videoconferentie behandeld.

Collega’s, ik wil u eerst meedelen dat het Bureau de beperking van de spreektijden bij de behandeling van vragen om uitleg heeft vastgelegd. Voor de goede orde herhaal ik ze nog even: de eerste vraagsteller heeft vijf minuten, andere vraagstellers hebben drie minuten en voor aanvullende tussenkomsten heeft men twee minuten. Gezien de agenda zal ik vandaag zeker proberen die tijden te doen respecteren.

De heer Brouns heeft het woord.

Minister, de versterking van onze lokale besturen in de strijd tegen de georganiseerde en ondermijnende criminaliteit is een absolute noodzaak. Ik verwijs in dat verband naar de berichten die ons helaas steeds vaker bereiken over de impact van de georganiseerde misdaad op onze Vlaamse samenleving. We waarderen het dan ook dat u daartoe de nodige inspanningen levert, dat u al wat werk hebt verzet en ook nog zult verzetten de komende maanden en jaren. U bent volop bezig met de voorbereiding van een decretaal kader daaromtrent. Samenwerkingsakkoorden worden in het vooruitzicht gesteld voor een vlotte uitwisseling van alle relevante informatie tussen lokale besturen, bestuurlijke en gerechtelijke overheden en diensten en tussen alle relevante private actoren en bestuurlijke overheden. Hiervoor zal er op Vlaams niveau een Kruispuntbank Handhaving worden opgericht. Alle informatie over vergunningen en subsidies, maar ook alle informatie waarover de inspectiediensten beschikken, die een heel belangrijke rol spelen in de veiligheidsketen, kan daar gekruist in worden opgenomen.

Wij hebben ook wel ervaring op dat terrein, met name in de Nederlandse grensregio. We stellen vast dat een aanzienlijk deel van de legale economie bij ons wordt gefnuikt door het inzetten en gebruiken van ondernemingen en organisaties om illegale praktijken op te zetten of te ondersteunen. Het gaat daarbij om het gebruik van bedrijven om de import van drugs te faciliteren, voor mensenhandel, om geld wit te wassen en dergelijke meer. De lokale besturen van steden en gemeenten zijn als het ware poortwachters: zij hebben meestal als eerste een zicht op personen, bedrijven en organisaties die zich daar willen vestigen en malafide bedoelingen hebben. Het is dan natuurlijk ook cruciaal om een zo efficiënt mogelijk screeningsmechanisme op te zetten om degenen met die verkeerde intenties zo snel mogelijk te kunnen detecteren en daar gepast op te reageren.

Vandaag is de bestuurlijke aanpak in Vlaanderen toch nog hoofdzakelijk reactief op basis van klachten of info die ons bereikt. Daarom pleiten wij voor een misdaadpreventieplatform waar gegevens worden gekoppeld op basis van diverse patronen die kunnen worden gedetecteerd en die wijzen op iets dat ondermijnend en crimineel zou kunnen zijn. Het platform kan zo een ‘misdaadscore’ generen, zodat er veel sneller en vooral veel gerichter controles kunnen worden georganiseerd door de diverse diensten, in plaats van dat men, zoals vandaag, als het ware systematisch elk bedrijf of elke organisatie apart moet controleren. Dat is ook een enorme versterking van de informatiepositie van lokale besturen en veiligheidsdiensten, en dat laat het parket ook toe om over te schakelen van een meer reactieve naar een meer proactieve aanpak.

Er bestaan ter zake vandaag al twee proefprojecten in Vlaanderen: één in Genk, dat recent werd opgestart, en één in Antwerpen, dat er al iets langer is. Minister, ik pleit absoluut voor het uitbouwen van één uniek misdaadpreventieplatform, bijvoorbeeld via een webapplicatie waarop alle Vlaamse steden en gemeenten kunnen intekenen, om zo te komen tot die efficiëntere aanpak van de georganiseerde en ondermijnende criminaliteit in Vlaanderen. Eén sterk en uniform platform heeft op zich al een preventieve werking. Personen, bedrijven en organisaties met malafide intenties zullen op die manier worden afgeschrikt, omdat ze weten dat ze veel sneller op de radar van lokale besturen, inspecties en politie- en veiligheidsdiensten kunnen verschijnen.

Dit idee is ook al kort besproken en aangebracht tijdens een studiedag over de bestuurlijke aanpak van georganiseerde criminaliteit waaraan ik recent, op 8 oktober 2020 heb deelgenomen. De studiedag werd druk bijgewoond door tal van experts op het terrein.

Minister, hoe staat u ten opzichte van het idee van de uitrol van één Vlaams misdaadpreventieplatform voor alle steden en gemeenten? Bent u bereid om een dergelijk platform tot stand te brengen en daarbij de bestaande expertise die reeds door een aantal projecten tot stand is gekomen, mee te nemen in uw beleid?

Minister Demir heeft het woord.

Minister Zuhal Demir

Collega's, het misdaadpreventieplatform is ons goed bekend. Op dit ogenblik experimenteren sommige overheidsdiensten met enkele privéfirma’s om, op basis van vrij toegankelijke financiële en economische gegevens, een detectie te kunnen doen van fraudepatronen en misbruik van legale ondernemingsstructuren. Mijn kabinet had reeds meerdere contacten met de pilootgebruikers en ontwikkelaars van het geciteerde platform. Zo waren er contacten met het Arrondissementeel Informatie- en Expertisecentrum (ARIEC) Antwerpen en de afdeling Bestuurlijke Handhaving van de dienst Maatschappelijke Veiligheid Stad Antwerpen. Beide diensten waren betrokken bij de ontwikkeling van de door u beschreven ‘misdaadscore’. Deze diensten zijn dan ook vol lof over resultaten die gegenereerd worden en zien ook nog uitbreidingen naar andere partners, maar melden mij ook dat het systeem nog niet volledig af is en nog verder moet worden ontwikkeld.

Ik ben zeker bereid dit verder te bekijken, maar toch wil ik daar twee kanttekeningen bij maken, waarmee we rekening moeten houden. Die zogenaamde ‘misdaadscores’ genereren, is maar een middel dat snel een aanwijzing van een afwijkende dan wel verdachte actie signaleert. Deze aanwijzing kan aanleiding geven tot verdere onderzoeken dan wel tot motivering voor beslissingen in een vergunningenbeleid. Belangrijk is dan ook dat een gemeente een uitgewerkt handhavingsbeleid heeft. Dat is essentieel. Op dit moment is het zo dat dit voor kleinere gemeentes niet altijd het geval is. Daar moeten we dus rekening mee houden.

Er is natuurlijk ook een interpretatievrijheid aan verbonden, als je dergelijk platform uitrolt zonder bijkomende ondersteuning. Om een onderbouwde interpretatie te kunnen maken, is er nood aan kennisopbouw en expertise. Hier zouden de ARIEC en de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG), in het kader van opleidingen, moeten worden ingeschakeld. De ondersteuning van de kleinere gemeenten en de opleiding in kennisopbouw zijn dus belangrijk.

De vraag stelt zich dus of het simpel ter beschikking stellen van een scorebord wel de efficiëntste manier van aanpak is. Zo zullen grotere steden met een uitgebouwd handhavingsbeleid en een ondersteunende ARIEC, daar zeker voordeel uit halen. Maar indien daar geen uniform kader rond gebouwd is, waar de kleinere gemeentes geen gebruik van maken door geen handhavingsbeleid, dan dreigen we gewoon een verschuiving van georganiseerde misdaad te veroorzaken naar de kleinere gemeentes. Dat is natuurlijk niet de bedoeling.

Daarom zijn er voor mij twee randvoorwaarden nodig bij de terbeschikkingstelling van een dergelijk platform. De eerste is een degelijke opleiding tot gebruik en interpretatie voor alle steden en gemeenten. De tweede is een Vlaamse dienst die, door de genomen maatregelen van bepaalde steden, de verschuivingen in kaart kan brengen en andere besturen kan verwittigen om gelijkaardige maatregelen te nemen. Een dienst dus die ook de lokale besturen kan bijstaan. Dat kan worden samengebracht in de Vlaams Directie Integriteitsbeoordeling voor Openbare Besturen (DIOB), waar ik het al eerder over had. Deze kan de misdaadscores in de toekomst dan gaan toetsen in de Kruispuntbank Bestuurlijke Handhaving, eens die opgericht is. Want de grote uitdaging die de pilootpartners zien, is de verfijning, verduidelijking en actualisering van deze aanwijzingen ‘misdaadscores’. Daarom is uitbreiding, koppeling of kruising met andere administratieve databanken nodig. Actualisering van de scores is van belang omdat het misbruik zich zal aanpassen aan nieuwe situaties en opnieuw door malafide ondernemingen zal worden gezocht.

Samenvattend heb ik dus zeker oren naar uw vraag om een dergelijk platform te ondersteunen en aan te bieden aan de steden en gemeenten – we zijn daar al mee bezig –, maar ik wil ook zeker zijn dat de opgenoemde randvoorwaarden vervuld zijn. Zoals ik al eerder stelde, is het DIOB-decreet klaar en wordt dit voorgelegd aan de partners om verder te verfijnen. 

De heer Brouns heeft het woord.

Dank u wel voor uw uitvoerig antwoord, minister. Ik ben akkoord met elk woord dat u gezegd hebt. Het mag gezegd: ik ben heel tevreden met uw antwoord. Het ligt volledig in de lijn van hoe ik het zelf graag ontwikkeld zou zien. Ik ben er volledig mee akkoord dat het een zeer dynamisch gegeven zal zijn en blijven. Dat is natuurlijk het voordeel van dit soort platformen, dat je met verschillende diensten – ook federale – koppelingen kunt maken om zo efficiënt mogelijk te werken. Het is uiteraard een middel om verdachte signalen sneller te detecteren, want vandaag moeten de diensten dat eerder nog reactief en erg manueel doen.

U schetste twee randvoorwaarden. Het lijkt me inderdaad een evidentie dat het deel moet zijn van het handhavingsbeleid op lokaal niveau, ook bij de allerkleinste steden en gemeenten. Maar ik zie dit net als een opstap, een soort hefboom om er werk van te maken. Als we dat vanuit Vlaanderen aan hen aanbieden, dan kunnen zij dat, al dan niet in een samenwerkingsverband, opnemen. Er kan misschien vanuit het agentschap Justitie gedacht worden aan intergemeentelijke samenwerkingsverbanden (IGS’en), om zo het bestuurlijk handhavingsbeleid te kunnen versterken, voor hen die het niet in de schoot van een politiezone opnemen. Want dat zou natuurlijk ook wel kunnen. Ondersteuning, opleiding, begeleiding bij de interpretatie is uiteraard nodig. Ik denk dat een sterk kader bouwen absoluut een ‘must’ is om hiermee aan de slag te gaan, want het blijft natuurlijk zeer delicate materie. Ik denk dat alle elementen die u hebt aangeraakt, inderdaad noodzakelijke randvoorwaarden zijn om hiermee verder te gaan. Voor mij zou het een fundament kunnen zijn van het nieuwe decreet Bestuurlijke Handhaving, in de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit.

Ik heb nog een aantal vragen betreffende de Kruispuntbank Handhaving, die in voorbereiding is. De Vlaamse inspectiediensten zullen daarin informatie uitwisselen of kruisen voor de lokale besturen. Wordt die databank ondergebracht bij het Vlaams agentschap Justitie? Welke middelen worden daarvoor voorzien qua expertise en capaciteit? En ook daar heb ik eigenlijk dezelfde vraag over de randvoorwaarden voor de lokale besturen: hoe worden zij daarbij ondersteund, dus specifiek voor die Kruispuntbank Handhaving?

Mevrouw De Vreese heeft het woord.

Ik denk dat zowel de minister als de heer Brouns terecht wijst op het belang van informatie-uitwisseling tussen de verschillende inspectiediensten, maar ook het belang van de vergaring van de informatie die ter beschikking is, om daarmee verder aan de slag te gaan. Ik heb maar één verdere vraag daaromtrent aan de minister, over iets dat me nog niet volledig duidelijk is in verband met dat misdaadpreventieplatform. U hebt gezegd dat dat nog niet volledig af is. Is het iets dat blijvend in ontwikkeling is, of staat er ergens een datum op waarvan men zegt: ‘Oké, op dit moment staat het misdaadpreventieplatform op punt en kunnen we het gaan uitbreiden.’?

Collega’s, als u me toestaat, zou ik zelf als ervaringsdeskundige ook een klein woordje willen inbrengen.

Ik denk dat de heer Brouns en de minister meer dan gelijk hebben dat er in het bestrijden van de ondermijnende criminaliteit – om het zo te noemen – heel goed moet worden samengewerkt. Maar het is natuurlijk wel belangrijk, mijnheer Brouns, dat iedereen daarin zijn rol speelt. Het kan niet zo zijn dat lokale overheden, ongeacht of het grote of kleine gemeenten zijn, in de plaats moeten treden van degenen die het eigenlijke opsporingswerk moeten doen. Het initiatief blijft daar volgens mij heel belangrijk. Als we kijken naar het uitrollen van platformen, dan is het goed dat gemeenten zelf middelen krijgen, minister, om mee te werken in dat samenwerkingsverband tegen de ondermijnende criminaliteit. Maar we moeten het er wel over eens zijn dat het vooral justitie en de politie zijn die in het opzoekingswerk ‘in the lead’ zijn en van daaruit hun dossiers ontwikkelen.

Minister Demir heeft het woord.

Minister Zuhal Demir

Fijn dat we het allemaal eens zijn. Ik ga in op enkele punctuele zaken.

De databank wordt inderdaad ondergebracht bij het agentschap Justitie. Daar zal ook 1 miljoen euro voor worden vrijgemaakt, binnen de budgetten die we hebben. Dat is heel wat geld, maar ik denk dat het belangrijk is dat we dit doen. We doen dat ook in samenwerking met Informatie Vlaanderen.

Collega De Vreese, het platform is inderdaad iets dat blijvend in ontwikkeling is. Op een bepaald ogenblik moet je dat echter wel in gebruik nemen. Daar staat dus daadwerkelijk een begindatum op, maar dan moet het ook goed zitten, men moet hebben kunnen proefdraaien en er moet ook bewezen zijn dat het werkt.

De heer Brouns heeft het woord.

U bent niet ingegaan op mijn bijkomende vraag over de kruispuntbank, maar daar hebben we het dan later nog wel eens over.

Goed, per definitie is dit een dynamisch gegeven. We moeten ergens starten. Het is het koppelen van verschillende bestaande databanken dat op een bepaald moment een indicatie zal geven of iets verdacht is. Als een bedrijf bijvoorbeeld een veelvoud aan wagens heeft in verhouding tot het aantal personeelsleden, dan is dat een klein knipperlicht.

Collega’s, ik denk dat we de jongste maanden weer tal van signalen hebben gezien over de enorme omvang die de georganiseerde misdaad in onze samenleving aanneemt. In 2020 is er een nieuw record gevestigd in de Antwerpse haven, met maar liefst 65 ton cocaïne, om maar aan te geven hoe breed dat probleem vandaag in onze samenleving aanwezig is. In Nederland stelde men al in 2014 vast dat daar 16 miljard euro crimineel geld werd witgewassen. Ook de Nederlandse ondermijningsbeelden tonen aan dat dit zeer diep vertakt is in de samenleving daar. De druk die daar wordt opgevoerd, daar moeten wij ook in Vlaanderen alert voor zijn. Ik denk dat het dus dringend tijd is dat men werk maakt van een sterk en daadkrachtig bestuurlijk handhavingsbeleid, waarbij de lokale besturen een cruciale rol kunnen spelen. Collega Vandeput, u hebt natuurlijk gelijk: elke speler moet daar zijn rol in spelen. Als lokaal bestuur zijn wij echter vandaag de poortwachters. Wij worden vandaag als eerste gecontacteerd als men een vergunning vraagt voor een pand of als een bedrijf zich wil vestigen. We moeten dus alle tools hebben om die eerste screening zo efficiënt mogelijk te kunnen doen, om dat samen met de diverse partners verder te onderzoeken indien dat nodig blijkt.

Ik stel vast dat we een consensus hebben dat dit een heel belangrijk instrument kan zijn in de strijd tegen de georganiseerde misdaad en de versterking van de lokale besturen inzake het bestuurlijk handhaven op dat vlak.

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is gesloten.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.