U bent hier

– Wegens de coronamaatregelen werd deze vraag om uitleg via videoconferentie behandeld.

De heer Deckmyn heeft het woord.

Minister, deze vraag is al meer dan een maand geleden ingediend, maar is toch nog op haar plaats.

De Vlaamse Sportfederatie (VSF) trok meer dan een maand geleden aan de alarmbel en stuurde een open brief aan federaal minister Frank Vandenbroucke. Daarin werd gesteld dat men, zonder snelle actie vanuit de Federale Regering, goed op weg is om de Vlaamse sportverenigingen met een financiële kater op te zadelen. Zo stelt de VSF: “Vanaf 1 januari dreigen onze clubs het werk van duizenden coaches, lesgevers, scheidsrechters en juryleden niet meer via het statuut van het verenigingswerk te kunnen vergoeden.” Ondertussen is er al een en ander gebeurd. We zijn al voorbij 1 januari.

Het is natuurlijk niet de eerste keer dat er waarschuwingen komen op dat vlak. De bestaande regeling liep eind vorig jaar af en zorgt dus voor een zwaar probleem.

Ook tijdens debatten in de commissie Sport had u het over de zorg voor meer opgeleide trainers in de sportclubs. Maar laagdrempelige pedagogische basismodules zullen alvast niet genoeg zijn om meer gekwalificeerde trainers aan te trekken.

Ik heb in het verleden reeds gesteld dat er tot nog toe veel te weinig inspanning is gedaan om de professioneel opgeleiden een correcte vergoeding te geven als trainer, waardoor ze massaal afhaken in de clubs. Dit debat is dus wat mij betreft verre van afgelopen en gaat veel verder dan het nu aflopende financieel gunstiger statuut.

Volgens de VSF gaat het om een probleem voor alle 18.000 sportclubs in Vlaanderen en zullen de 1,4 miljoen leden van die sportclubs de dupe zijn. Zij zullen worden geconfronteerd met een verhoging van de lidgelden, die maar liefst tot in de honderden euro’s per clublid kunnen gaan.

Ondertussen is er veel water naar de zee gevloeid. Er zijn gesprekken geweest. Maar ik zal toch mijn vorige maand ingediende vragen stellen.

Minister, hebt u overleg gehad met uw federale collega? Wat waren desgevallend de resultaten van deze gesprekken? Wat is vandaag de situatie? Overweegt u extra initiatieven in het kader van de engagementen in uw beleidsbrief voor het verkrijgen van onder andere meer opgeleide trainers in sportclubs? Welke oplossingen zijn er onderzocht om deze problematiek fundamenteel aan te pakken?

Minister Weyts heeft het woord.

Minister Ben Weyts

De problematiek van de goed opgeleide trainers in de sportclubs is natuurlijk essentieel. We moeten ons bedienen van een combinatie van oplossingen.

Enerzijds moet je voorzien in goede opleidingen. In Vlaanderen hebben we daar al een heel goed traject gelopen. Daarbovenop moeten er nieuwe maatregelen worden genomen.

De Vlaamse Trainersschool (VTS) werkt aan een aantal laagdrempelige pedagogische basismodules. Het is de bedoeling om de drempels te verlagen voor trainers voor wie de drempel naar een sportkaderopleiding te hoog is. Wij hebben een alternatief aanbod, waarvoor je minder stappen moet zetten. Dat wordt uitgewerkt door de VTS.

De eerste pilootprojecten worden dit voorjaar al opgestart, zowel bij sociaal-sportieve praktijken als in verschillende sporttakken. Eind 2021 zullen we dat evalueren en zullen we bekijken hoe we dat breder kunnen uitrollen naar alle sporttakken en wat de resultaten zijn van die aanpak.

Daarnaast zetten we in op nieuwe leervormen zoals de streaming van lessen, e-learning, digitale studiehulpmiddelen binnen de VTS, en dat alles in combinatie met sterke praktijkopleidingen. Ook daar gaan we de instapdrempels voor de opleidingen verlagen, zonder te moeten inboeten aan kwaliteit.

Dat is het luik opleiding, dat is onze eigen winkel, daar vegen we voor eigen deur.

Naast een degelijke opleiding is een correcte vergoeding en statuut essentieel. Daar wringt het schoentje. Er was heel grote ongerustheid over de vernietiging van de wet op het verenigingswerk door het Grondwettelijk Hof met betrekking tot dat statuut.

Ik stuurde een brief aan toenmalig federaal minister van Sociale Zaken De Block. Ik kreeg niet zoveel respons, maar de regeringsvorming was toen bezig. Ondertussen werd in het federale parlement een herstelwet goedgekeurd die voor een tijdelijke oplossing zorgt voor de vernietigde wet op het verenigingswerk. De wet heeft een beperkte houdbaarheidsdatum.

Ik had daarvoor trouwens contact genomen met mijn collega van de Franse Gemeenschap, mevrouw Glatigny. Ik had zelf een voorstel uitgewerkt bij wijze van alternatief. Het was wel vreemd dat Vlaanderen een wetsvoorstel moest uitschrijven voor het federale niveau, maar ik had dat wel gedaan. Dat leek me enkel zinvol als ik daarvoor de steun had van mijn collega van de Franse Gemeenschap, anders zou het een heilloos pad zijn, maar daar ben dan toch ik niet in geslaagd, er was terughoudendheid aan de kant van de Franse Gemeenschap. Ik snap dat wel, dat heeft te maken met het spel van oppositie en meerderheid. Dat is dus niet gelukt.

De wet heeft dus een houdbaarheidsdatum, hij loopt af in 2021. Inhoudelijk is dat geen goede zaak want het is een achteruitgang met die 10 procent. Het wordt minder aantrekkelijk. Gelet op de beperkte houdbaarheid neem ik nog een initiatief richting Overlegcomité. Ik zal nog eens proberen mijn collega van de Franse Gemeenschap daarin mee te krijgen, om een meer aantrekkelijke regeling te kunnen krijgen voor volgend jaar minstens, maar misschien ook een aparte regeling. De tendens blijkt nu opnieuw om verschillende andere groepen op te nemen in die regelgeving. Daardoor dreigen we terug in de oude discussie te vervallen, namelijk als we de perimeter opentrekken naar verschillende andere doelgroepen, dat we niet weten waar dat eindigt. Dan dreigen we opnieuw voeding te geven aan een vernietiging of schorsing door het Grondwettelijk Hof.

Mijn voorstel is daarom: een meer aantrekkelijke fiscale regeling en een aparte wetgeving zodat er geen contaminatie kan zijn, zodat de regelgeving of wet niet kan worden vernietigd waarbij sport de dupe is, terwijl de regeling voor de sport niet geviseerd wordt, maar dat de sportsector wel collateral damage lijdt. Om dat te verhinderen zou een aparte wet beter zijn, exclusief voor de sport. Daar kunnen we dan mee naar het Overlegcomité.

De heer Deckmyn heeft het woord.

Minister, ik dank u voor uw antwoord. Het is een interessant antwoord. De problematiek van goed opgeleide trainers in een sportclub is uiteraard erg belangrijk. De problemen blijven natuurlijk, dat hebt u zelf ook aangegeven. De drempels verlagen, dat werd inderdaad uitgewerkt, maar het financiële blijft belangrijk en daar schieten we nog altijd te kort.

Er komt een evaluatie. U sprak over eind dit jaar. De opleiding zou dan beter worden uitgerold. Dat is goed, maar het jaar is nog lang. Het is al iets natuurlijk.

U stelde echter natuurlijk terecht dat het schoentje knelt bij het financiële statuut. Daar keren we steeds weer naar terug. Die federale herstelwet ter zake is tijdelijk. Die loopt af in 2021, dus dit jaar. Ik vind het wel interessant dat u het initiatief nam om proactief een ontwerpwet op te stellen. Het is de eerste keer dat ik hier hoor dat een Vlaams minister een wet gaat opstellen, of toch probeert een wet op te stellen. Ik zie collega Muyters. Hij zal daar straks ongetwijfeld nog op terugkomen. Misschien heeft hij dat ook al gedaan, maar het is toch de eerste keer dat ik hoor dat men van Vlaamse zijde ontwerpwetten maakt. Goed, dat belooft voor de toekomst. Ik blijf het interessant vinden dat u dat proactief hebt gedaan.

De situatie is alleszins minder aantrekkelijk geworden. Ik ben alvast blij dat u inspanningen doet om de  Waalse minister van Sport hierin mee te nemen, of haar probeert te overtuigen in deze kwestie. Indien dat niet lukt, zult u zelf een initiatief nemen. Minister, zo heb ik het toch begrepen, zoniet moet u me corrigeren. U wilt een aantrekkelijkere regelgeving, wat goed is. Het Vlaams Belang is daar ook vragende partij voor, maar hoe ziet u de timing concreet? Uw visie lijkt me wel oké te zijn, u wilt ergens landen, u hebt veel zaken aangegeven waarin u initiatieven wilt nemen. Allemaal goed en wel, maar wat met de timing? Die federale herstelwet loopt immers af in 2021.

De heer Muyters heeft het woord.

Collega Deckmyn, dank u wel voor het stellen van de vraag. Dit is iets waarop ik heel graag even inpik. Zoals ik al met mijn lichaamstaal liet blijken, de oorspronkelijke regeling was alleen voor sport, en ik ben heel blij te horen dat de minister daarnaar terugkeert. Dat was een initiatief van de Vlaamse Regering, die voorstelde aan de Federale Regering om de federale belasting te veranderen wat dat verenigingswerk betreft. Ik ben ook blij dat er toch nog een regeling is gekomen, zij het dat we dus twee keer 10 procent hebben: 10 procent solidariteitsbijdrage van de club en 10 procent voor de verenigingswerker. Zoals de minister al zei, het is een wet voor een jaar, en die moet worden bijgestuurd. Ik volg helemaal de redenering dat we moeten terugkeren naar de essentie van de zaak, namelijk sport. Als dat zo was geweest, dan ben ik er vrij zeker van dat we die vernietiging door het Grondwettelijk Hof niet hadden gehad, of dat er toch veel minder kans was geweest dat men daartegen zou zijn geweest. Er was geen concurrentieverstoring daar. Mijnheer Deckmyn, ik ben het ook met u eens dat de timing belangrijk is. Minister, niet alleen zou men daar tegen het einde van het jaar rond mee moeten zijn, het zou ook ideaal zijn indien de clubs zeer snel een zicht zouden kunnen hebben op de toekomst. Die 20 procent extra creëert immers een enorm gat in de kas van de clubs. Ik heb dus liever dat we al in maart weten, veeleer dan in juni, of in november, wat het volgend jaar zal zijn voor die clubs. Ik vraag dus om daar snel mee te gaan.

Er is nog een tweede punt om mee te nemen. Men vergeet soms dat de onkosten mee in die vergoeding zitten. Er is niet iets daarnaast. Het is niet zo dat men een vergoeding en daarnaast nog een onkostenvergoeding krijgt. Dat leidt echt wel tot absurde situaties, want als je dan belastingen moet betalen én de club moet nog iets betalen, dan wordt het voor de club heel duur. Men houdt er niks aan over omdat er nog onkosten zijn binnen die vergoeding. Minister, ik ga ermee akkoord dat, als men die belasting laat vallen, die onkosten niet nog eens apart moeten worden vergoed, maar als dat niet kan, dan moeten we toch opnieuw proberen naar een onkostenvergoeding te gaan, zo lijkt me, maar ik hoor ook graag uw visie daarop.

Minister Weyts heeft het woord.

Minister Ben Weyts

Het gaat, voor alle duidelijkheid, niet over de Waalse minister. Het is een gemeenschapsbevoegdheid, het is dus de minister van de Franse Gemeenschap waarmee ik contact heb gehad.

Ik ga proberen werk te maken van de tweede zit van de Federale Regering, of van het Federale Parlement, zoals u wenst. Het is een opportuniteit om te proberen de zaken goed te schrijven. Zoals het voorstel nu op tafel ligt en is uitgewerkt, is het de facto een lastenverhoging die een bonus is voor de federale begrotingskas. Ik veronderstel dat een extra last voor de sportsector echt niet de bedoeling is. Zoals collega Muyters terecht opmerkt, zijn we in de huidige regeling zelfs zover dat onkostenvergoedingen de facto worden belast. Wij zitten in een totaal andere ratio. Wijzelf, als parlementsleden hebben fiscaal vrijgestelde onkostenvergoedingen. Dat is toch wel een beetje te gek, dat we daar lasten op laten heffen in hoofde van de federale overheid. Ik ga daar proberen een initiatief in te nemen via, denk ik, het Overlegcomité.

We zitten met een vreemde situatie. Dat moet ik even duiden. Je zou kunnen vragen waarom ik het afgelopen jaar niet heb gewerkt met het Overlegcomité. In de commissie Sociale Zaken lag het wetsvoorstel ter tafel. Het zat op het niveau van het parlement en niet op het niveau van de regering. Er werd uiteindelijk medio december via die weg, door extra amendementen, een wetsvoorstel goedgekeurd. Ik kon dus niet werken via het Overlegcomité. Dat kan nu wel. Dat is een gewijzigde situatie. Nu kunnen we, gezien de termijn, werken met een wetsontwerp in plaats van een wetsvoorstel. De regering kan het initiatief opnieuw naar zich toetrekken. Dan kan ik gebruik maken van het Overlegcomité, om daar invloed uit te oefenen. Zo liggen alle kaarten op tafel. 

De heer Deckmyn heeft het woord.

Minister, u bent duidelijk geweest. De kaarten liggen inderdaad op tafel en u maakt werk van de tweede zit van de federale meerderheid. Dat wil impliciet zeggen dat ze gebuisd is. Ik ben blij dat er ondertussen een – zij het tijdelijke – regeling is. Maar we moeten zo snel mogelijk werk maken van een degelijke oplossing. Ik denk dat u daartoe al de aanzet hebt gegeven. We zullen dit uiteraard verder blijven opvolgen.

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is gesloten.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.