U bent hier

– Wegens de coronamaatregelen werden deze vragen om uitleg via videoconferentie behandeld.

De heer Ronse heeft het woord.

Uit een onderzoek van Stijn Baert blijkt dat de werkzaamheidsgraad bij mensen van buiten de EU zeer laag ligt. Voor mensen van binnen de EU is dat een kleine 77 procent, voor mensen van buiten de EU 53 procent. Als het gaat over dames van buiten de EU, dan is dat nog een stuk lager: zes op de tien zijn niet aan het werk. Voor alle duidelijkheid, dat betekent dat zij in een uitkeringstraject zitten, maar toch hadden we een ambitie om die werkzaamheidsgraad fors te verhogen. Daar zit toch heel wat potentieel, denk ik. Daarom heb ik een aantal vragen.

Minister, hoe ziet de ‘outreachende’ aanpak om vrouwen van niet-EU-nationaliteit te activeren op de arbeidsmarkt er concreet uit? Op welke manier kan de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB) hen het best bereiken? Wat zijn volgens u de specifieke noden en drempels? Zijn er goede praktijken uit binnen- en buitenland die mogelijk kunnen inspireren voor onze Vlaamse aanpak?

Mevrouw Malfroot heeft het woord.

Minister, 1,4 miljoen personen op werkzame leeftijd zijn niet-beroepsactief. U zult werken aan het omhoog krijgen van die werkzaamheidsgraad. Toch is het zo dat de werkzaamheidsgraad bij bepaalde groepen op de arbeidsmarkt in Vlaanderen problematisch laag is. Zo presteert ons land het slechtst van alle EU-landen op het vlak van de arbeidsmarktintegratie van migranten die niet afkomstig zijn uit de EU. In 2019 was de werkzaamheid bij die groep slechts 61 procent, 12 procent minder dan bij personen geboren in België.

Die cijfers wijzen op de nood om werkonwilligen en niet-beroepsactieven uit groepen met een structurele onwil om betaalde arbeid uit te voeren strikter aan te pakken. Op dit moment gebeurt dat te weinig door VDAB. In 2019 werd bij slechts 262 personen de uitkering gedeeltelijk verminderd of geschorst als gevolg van een werkweigering. In 2018 was dat nog 890 keer het geval.

Minister, op welke termijn neemt u initiatieven om een verplichte gemeenschapsdienst voor personen met een uitkering in te voeren? Welke andere initiatieven worden ondernomen om werkonwilligen aan te pakken? Hoe verklaart u die structureel lage tewerkstelling van bepaalde groepen op de Vlaamse arbeidsmarkt? Welke acties onderneemt u daarvoor? Hoe evalueert u het sanctioneringsbeleid van VDAB voor werkweigeraars? Waarom daalt het aantal opgeschorte of verminderde uitkeringen jaarlijks? Welke acties onderneemt VDAB nog om die werkonwilligen te verminderen? Welke initiatieven onderneemt u om meer vrouwen met een migratieachtergrond aan het werk te krijgen?

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Ter introductie wil ik het even hebben over de link die wordt gelegd tussen niet-beroepsactieven en werkonwilligen. Ik vind dat een beetje een rare kronkel. Dé niet-beroepsactieve persoon bestaat niet. Dat gaat zowel over mensen die er bewust voor kiezen om niet te werken als over mensen die wegens ziekte langdurig niet meer aanwezig zijn op de arbeidsmarkt. Dat gaat soms over mensen die zijn afgehaakt, bijvoorbeeld na een uitsluiting, of over mensen die door hun sociale situatie niet meer toekomen aan werk zoeken. Het gaat ook over huismannen en huisvrouwen, die geen uitkering krijgen. Ik zou die associatie dus toch niet maken. Ik vind het onterecht dat niet-beroepsactieven en werkonwilligen aan elkaar worden gelinkt.

Ik ben het wel eens wat de werkonwilligen betreft. Dat zijn werklozen die ondanks het ontvangen van een uitkering weigeren om de nodige stappen richting werk te zetten. In dat geval moet het sanctiebeleid in werking treden. Wij zijn in Vlaanderen zeer solidair met mensen die werk zoeken, maar zij die het systeem misbruiken, moeten worden gesanctioneerd en finaal ook worden uitgesloten uit het systeem als ze weigeren mee te werken aan hun traject naar werk.

Ik kom tot de eerste vraag, over de outreachende aanpak. Het bereiken van niet-beroepsactieve vrouwen met een migratieachtergrond is een prioriteit in het Vlaamse regeerakkoord. Voor mij is dat ook echt belangrijk.

Ik heb daarnet al geantwoord op de vraag van Allessia Claes: het is duidelijk dat alleen vrouwen – en alleen zij – de keuze hebben om al dan niet een carrière uit te bouwen. Samen met VDAB werken we momenteel aan een aantal projecten om vrouwen kennis te laten maken met elkaar. Onbekend is onbemind. Ik zal me ook persoonlijk engageren voor een aantal van die trajecten.

Er lopen al verschillende trajecten om niet-beroepsactieven te bereiken. Dat is namelijk de eerste stap: we moeten hen kunnen bereiken. Tot eind 2022 loopt ook de ESF-oproep (Europees Sociaal Fonds) ‘Outreach & Activering’.

Daarnaast lopen er ook mentorprojecten. Hiervoor verwijs ik naar de vraag van Imade Annouri van de commissievergadering van 6 februari 2020. We zijn daar uitgebreid op ingegaan en ik zal dus niet alles herhalen. Maar VDAB zet ook een aantal stappen op dat vlak en werkt momenteel aan het project ‘instroommodel voor niet-beroepsactieven’. Daarbij wordt samengewerkt met lokale partners om niet-beroepsactieven te bereiken. Als dat lukt, kun je hen overtuigen om bijvoorbeeld een begeleidingstraject bij VDAB op te starten.

De coronacrisis zorgt natuurlijk wel voor een moeilijke opstart. Het is namelijk onze bedoeling om mensen effectief op te zoeken, waar ze ook wonen. Ik hoop dat er op dat vlak snel een ‘perspectief’ – het grootste modewoord ooit – geboden kan worden. Ik zie de opstart van het instroommodel ook als een opportuniteit om goede praktijken uit een aantal mentoringprojecten en ESF-oproepen op te nemen in de structurele werking van VDAB.

Er waren ook heel wat vragen over de noden. We hebben hierover op 10 december al uitgebreid gediscussieerd naar aanleiding van de vraag om uitleg van collega Bothuyne over de economische impact van migratie. Op 7 mei werd dit nogmaals besproken naar aanleiding van een vraag van collega Gennez.

Er zijn heel wat drempels op dit vlak. Enerzijds zijn er drempels aan de aanbodzijde, zoals de mate van scholing van een persoon met buitenlandse herkomst, zijn taalkennis en randvoorwaarden als huisvesting, kinderopvang, trauma’s, mobiliteit enzovoort.

Daarnaast zijn er ook drempels aan de vraagzijde, zoals vooroordelen, maar evengoed een gebrek aan kennis van de doelgroep. De mate waarin werkgevers bereid zijn om kansen te geven, is natuurlijk ook een bepalende factor. Ik denk dan bijvoorbeeld aan werkplekleren.

Er werd gevraagd naar praktijken in het buitenland. Daarvoor moet ik opnieuw verwijzen naar de projecten voor ‘mentoring naar werk’ maar ook naar de bestaande dienstverlening aan hogeropgeleide anderstaligen. Die dienstverlening vloeit voort uit het AMIF-project (Asylum, Migration and Integration Fund) ‘@level2work’, waarbij onder andere werd geëxperimenteerd met een ‘one-stop shop’, waarbij alle dienstverlening aan anderstaligen gebundeld wordt, zowel de mentoring naar werk als de jobhunting.

Er waren ook ESF-projecten ‘activering vluchtelingen’ in Antwerpen en Gent, waarbij VDAB een partner was. Die waren geïnspireerd op buitenlandse voorbeelden. Zo was er het Antwerpse project BENO (Basiseducatie na OKAN), een vervolgtraject voor OKAN-jongeren die nood hebben aan bijkomende oriëntering. Jullie merken dus dat VDAB over het muurtje kijkt om inspiratie op te doen in andere landen.

Er werden ook vragen gesteld over de sancties en het aantal werkwilligen. Wij zien de gemeenschapsdienst als een nieuwe Vlaamse activerende maatregel. Ik herhaal nogmaals mijn stelling: de gemeenschapsdienst heeft tot doel om langdurig werkzoekenden opnieuw aansluiting te bieden op de arbeidsmarkt en om arbeidsritme op te bouwen, niet om werkonwilligen te sanctioneren. Ik herhaal dat misschien voor de twintigste keer, maar vind dat wel essentieel. Deze maatregel kadert in de maatregelen naar een passend traject naar werk, waarbij de band tussen langdurig werkzoekenden en de arbeidsmarkt hersteld wordt of waarbij we hen er opnieuw aansluiting bij doen vinden.

Het grootste obstakel op dat vlak is de juridische context. Ik hoop dat ik en de regering jullie op dat vlak in de komende weken een duidelijk kader kunnen verschaffen. Jullie kennen de juridische drempels. Zelf denk ik dat het kader van het wijk-werken het meest geschikt is, maar daar zijn negatieve aspecten aan verbonden, zoals de beperking van het aantal mensen dat daaraan kan deelnemen. We moeten echter echt wel stappen vooruit zetten op dat vlak.

We hadden het vorige week al over het sanctioneringsbeleid van VDAB, onder andere met collega Muyters. Ik zal nu niet opnieuw die hele procedure overlopen.

Het aantal en de kwaliteit van de transmissiedossiers genieten mijn prioritaire aandacht. Het aantal transmissies is niet teruggevallen, integendeel, tussen 2016 en 2019 is het aantal transmissies gestegen van 26.292 tot 31.104. Het aantal werkzoekenden is wel drastisch teruggevallen. Er zijn nu veel meer verwittigingen tijdens het bemiddelingstraject en sancties per werkzoekende dan in de voorgaande jaren. De cijfers voor 2020 zijn nog niet beschikbaar. Ze zullen door corona wel wat afwijken, ook door het gebrek aan fysieke mogelijkheden.

Toch vind ik dat het bemiddelings- en sanctietraject beter kan. De procedure is nu te complex en te omslachtig, de verwachtingen naar werkzoekenden zijn ook niet altijd transparant en objectief geformuleerd, de digitale dienstverlening is niet altijd juridisch sluitend. Mevrouw Malfroot, zoals ik vorige week al zei, maken we werk van die procedure om alles helderder te maken waardoor het sanctioneringsbeleid ook efficiënter kan verlopen.

De heer Ronse heeft het woord.

Het verhaal van de gemeenschapsdienst en het sanctioneringsbeleid vraagt om een specifiek debat, dat we zeker nog kunnen voeren. Mijn interesse ging echter vooral uit naar de groep die niet-uitkeringsgerechtigd is en die heel veel talenten heeft om dingen op de arbeidsmarkt te doen. Ze doet dat echter niet om weet ik welke reden. Kan er ook voor hen een strategie worden uitgewerkt en kan men hen verleiden om hun talenten op de arbeidsmarkt in te zetten?

Mevrouw Malfroot heeft het woord.

Dank u wel, minister, het was een heel uitgebreid antwoord op toch ook wel een aantal uitgebreide vragen.

U hebt een punt: niet iedereen die niet-beroepsactief is, is daarom werkonwillig. Het is natuurlijk wel zo dat er een aantal personen zijn die manifest weigeren om te gaan werken. Dat is een waarheid die we toch wel moeten durven te zeggen en die jullie misschien niet graag horen, maar het is natuurlijk wel zo. Deels heeft dat ook te maken met de kloof tussen werken en niet-werken. Ik heb het hier dan over de uitkeringsgerechtigden die zich soms niet altijd aangesproken voelen tot de arbeidsmarkt omdat er te weinig meerwaarde uit te halen valt en te weinig mee te verdienen is. Het is dan makkelijker om thuis te blijven dan om effectief te gaan werken.

U investeert heel veel om de mensen aan de slag te krijgen en dat is terecht, want de werkzaamheid moet naar omhoog. U blijft daarin investeren. We stellen ook wel vast dat 6 op de 10 vrouwen van niet-Europese afkomst niet werkt en ook niet ingeschreven staat bij VDAB. U had bij de beleidsbespreking al gezegd dat u met minister Somers aan een traject werkt om ervoor te zorgen dat die personen ook ingeschreven raken bij VDAB, en dit in het kader van hun integratie en traject naar werk. Dat lijkt mij ook een goede manier, en zelfs de beste manier, om hen op te volgen en om te meten en in kaart te brengen hoe het met hun traject naar werk zit. Volgens de cijfers is er een manifeste onevenredigheid tussen de investering die de overheid levert ten opzichte van het aantal allochtone werkzoekenden die effectief naar duurzaam werk uitstromen.

U hebt daarnet ook erkend dat die sanctionering beter kan. Als ik mij niet vergis, hebt u in het verleden ook al gezegd dat als men zich bij VDAB aanmeldt, men daar ook een afsprakenblad krijgt. Het zou misschien wel interessant zijn om daarin het aanleren van de taal op te nemen. Als je dat dan niet doet, heb je natuurlijk wel een stok achter de deur om te sanctioneren. U verklaart ook dat u weet dat VDAB mensen sanctioneert als ze hun afspraken niet nakomen, maar u weet niet over hoeveel personen het gaat, en hoeveel personen in dit geval de taalvereisten niet zouden nakomen.

Wij blijven bij ons standpunt dat het toch wel hoog tijd wordt dat de resultaten worden gekoppeld aan de inspanningen die de Vlaamse Regering op het vlak van het traject naar werk levert. Ik ben ervan overtuigd dat er toch nog meer resultaten kunnen worden geboekt doordat men korter op de bal speelt en men de maatregelen strenger opvolgt.

De heer Annouri heeft het woord.

Minister, ik steun het principe om de vrouw met de migratieachtergrond zoveel mogelijk te helpen om de brug te maken naar de arbeidsmarkt. Ik denk dat dat een interessante en nobele piste is om een aantal mensen en ook de arbeidsmarkt vooruit te helpen. Het is goed om daar creatief over na te denken.

Daarnaast denk ik dat de grootsteden daar een cruciale rol in spelen en dat daar bijzondere aandacht voor moet zijn omdat men daar de doelgroep ook het meeste vindt.

Tot slot wil ik ervoor pleiten om heel veel aandacht te hebben voor de onderliggende factoren die ervoor zorgen dat die stappen niet worden gezet, zoals mobiliteit – waar u zelf naar hebt verwezen – en een gebrek aan voldoende kinderopvang. Zo moeten mensen niet de keuze maken tussen het ene of het andere maar kunnen ze bewust kiezen om die stap te zetten zonder zich zorgen te moeten maken over praktische zaken. De factoren die ervoor zorgen dat mensen die stap niet zetten, moeten tot een minimum worden beperkt.

De heer Ongena heeft het woord.

De lage tewerkstellingsgraad bij niet-EU-burgers is natuurlijk een oud zeer. Ons land bengelt daar al jaren onderaan het Europese lijstje. Daarvoor worden een drietal oorzaken naar voren geschoven. Professor Baert heeft dat onlangs nog gedaan. Zo is er een serieuze achterstand in de opleidingen en is er een lage tewerkstellingsgraad bij vooral vrouwen. Dat is hier al duidelijk aangekaart en daar is nog heel wat werk aan de winkel. We rekenen daarvoor ook op de outreachende aanpak die hier naar voren wordt geschoven. Maar de eerste oorzaak die professor Baert, die er toch niet van verdacht kan worden een linkse rakker te zijn, naar voren schuift, is discriminatie. We hebben het er vorige week uitvoerig over gehad. Er is een belangrijke doorbraak gerealiseerd met die correspondentietesten. De vraag is nu natuurlijk hoeveel sectoren daar gebruik van zullen maken en die belangrijke aanpak in gang zullen steken. Rond deze tijd zou er wat meer duidelijkheid moeten zijn over hoeveel sectorconvenanten die nieuwe aanpak zouden meenemen. Minister, hebt u daar al meer zicht op?

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Ik dank de collega’s voor de uitbundige aanvullingen. Op dit moment steekt corona natuurlijk stokken in wielen.

Mevrouw Malfroot, we moeten die groep bij uitstek fysiek proberen te bereiken. Taal wordt ook altijd opgenomen in de afsprakenbladen, dat is ook vandaag al zo. Het klopt echter dat we geen aantallen hebben en dat moet veranderen. Daar hebt u absoluut een punt. We werken daar ook aan met VDAB. Ik ben een talenplan aan het maken en dat moet daar zeker in.

Er zijn ook mensen die absoluut niet meewerken aan een traject naar werk. Dat is net de reden waarom die controles zo belangrijk zijn.

Collega Annouri, de grootsteden zijn van belang maar niet alleen in negatieve zin. Zij kunnen net ook inspiratie bieden. Dat werkt dus absoluut in twee richtingen. Vandaar dat ik het ook zo belangrijk vind dat VDAB met al die grootsteden ook een samenwerkingsovereenkomst heeft. U weet dat ik daar vorige week in de plenaire vergadering over uitgeweid heb en dat ik het niet oké vond dat die er niet zijn.

Minister Hilde Crevits

Het is eigenlijk goed dat Kortrijk zegt dat het de randgemeenten wil meenemen maar dat mag niet vertragend werken. Ik vind wel dat de eieren wat dat betreft moeten worden gelegd, zoals ik vorige week ook al heb gezegd.

Het leren van een taal is mogelijks een deel van het traject naar werk. Dat wordt van de werkzoekende gevraagd. Wanneer die dat niet doet, wordt daar ook op gereageerd. Dat kan mee in de afspraken zitten.

Er zijn veel randvoorwaarden zoals kinderopvang maar daar kan het nieuwe inburgeringstraject ook inspiratie voor bieden.

Collega Ongena, het klopt dat ons land niet echt vooraan staat maar eerder achteraan bengelt. Opleiding, lage tewerkstellingsgraad, discriminatie, het zijn allemaal oorzaken waar we hard aan werken.

Ik weet dat u ongeduldig bent, collega Ongena. Een aantal sectoren hebben evenwel nog wat uitstel gevraagd in functie van het sociaal overleg. Ik heb dat gerespecteerd. Zeker in deze tijden vind ik het van belang dat we dat respecteren. Maar ik ben ervan overtuigd dat u zult worden beloond voor uw geduld. Uw ongeduld is eigenlijk ook het mijne. Ik begrijp uw ongeduld zeker. 

Iedereen is het eens, op dat punt toch.

Mevrouw Malfroot heeft het woord.

Ik heb toch nog een korte slotbedenking. We zijn het er duidelijk over eens dat er twee groepen niet-beroepsactieven zijn: de vrijwillig niet-beroepsactieven, onder meer huismoeders en huisvaders, en daarnaast de werklozen. Ik blijf bij mijn standpunt dat we extra inspanningen moeten leveren om wie een uitkering geniet, wel degelijk aan het werk te krijgen. En dan is sanctionering misschien toch wel een middel, vooral om misbruik tegen te gaan.

Ik vind dat hier nogal wordt geminimaliseerd dat er heel wat werkonwilligen zijn. We moeten dat toch durven te zeggen. Ik zou mij eerder focussen op de personen die wel degelijk van een uitkering genieten en eigenlijk wel de weg naar werk kunnen vinden, dan op personen die om bewuste redenen – bijvoorbeeld om voor hun kind te zorgen – op dit ogenblik niet vrijwillig zoeken naar werk. Zij trekken ook geen uitkering. Ik denk dat je dat onderscheid moet maken.

Ten slotte zie ik de kans om er in het kader van integratie voor te zorgen dat elke nieuwkomer zich ook effectief inschrijft bij VDAB, zodat je dat meer kunt opvolgen en ook vooral kunt werken aan die taal. Want er wordt zoveel geïnvesteerd in taal, dat taal op termijn geen reden meer mag zijn om geen werk te vinden. We zien de investeringen die de overheid hiervoor doet. Ik dank u.

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is gesloten.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.