U bent hier

– Wegens de coronamaatregelen werden deze vragen om uitleg via videoconferentie behandeld.

Mevrouw Vandromme heeft het woord.

De centra leren en werken (CLW’s) hebben vandaag van zich laten horen. Ik vermoed dat jullie de mail ook ontvangen hebben met de uitleg over de actie die ze vandaag voeren. Ik ben vandaag even langsgegaan in Kortrijk, in het lokale CLW, en heb even geluisterd naar de bezorgdheden van de leerkrachten en leerlingen, weliswaar op veilige afstand. Ze maakten vooral veel lawaai. Maar goed, mijn concrete vraag.

Met de introductie van duaal leren werd er ook beslist om het stelsel van leren en werken te laten uitdoven. Duaal leren biedt uiteraard heel wat mogelijkheden, maar ondertussen groeit de bezorgdheid over de doelgroep van leren en werken, die bij de uittekening volgens heel wat CLW’s vergeten werd.

De Vlaamse Onderwijsraad (Vlor) wijdde ondertussen al enkele adviezen aan de plannen rond de mogelijke inkanteling. In het meest recente advies van begin december herhaalt de Vlor nogmaals zijn bezorgdheid over de huidige doelgroep van jongeren in het stelsel leren en werken. Ook de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen (SERV) gaf eerder al gelijkaardige aandachtspunten mee.

Er zijn al een aantal evaluaties geweest en op basis daarvan stelde ik in de commissie Onderwijs van 9 januari 2020 een vraag om uitleg over de nakende inkanteling. U beloofde toen dat u de vinger aan de pols zou houden en samen met de relevante actoren in dit dossier ook zou bijsturen en ingrijpen waar nodig.

De discussie over de toekomst van de doelgroep van leren en werken stelt zich ondertussen echter steeds scherper, omdat de uitrol van duaal leren vanaf het schooljaar 2021-2022 samenvalt met de modernisering van het secundair onderwijs. Vanaf dan kunnen er ook duale opleidingen op niveau van de tweede graad georganiseerd worden. De onrust in de centra leren en werken groeit door de onzekerheid over een langetermijnperspectief voor hun doelgroep, als leren en werken zou uitdoven en duaal leren, zoals nu bepaald is in de regelgeving, onveranderd wordt uitgevoerd.

We horen dat er voorstellen op tafel liggen, maar er zijn op verschillende vlakken wel wat knelpunten, minister, en wel op drie vlakken. Eerst en vooral moeten de centra leren en werken de nodige flexibiliteit kunnen blijven behouden. Alleen zo kunnen ze het broodnodige maatwerk voor deze leerlingen leveren. Die flexibiliteit is er in het huidige stelsel duaal leren niet voldoende volgens de opleidingsverstrekkers.

Verder voorziet het stelsel leren en werken vandaag verschillende kwalificatiemogelijkheden, waarbij leerlingen via de combinatie van een certificaat met algemene vorming een diploma kunnen behalen, ongeacht de opleiding waarbinnen het certificaat werd verworven. Duaal leren maakt dan weer een striktere koppeling tussen de algemene vorming en beroepsgerichte vorming, alvorens een onderwijskwalificatie uit te reiken. Opleidingsverstrekkers wijzen in de huidige context op de ruime mogelijkheden tot het uitreiken van deelcertificaten en missen dit in het duaal leren.

En ten slotte moet ook de financiering herzien worden. Het gaat dan zowel om omkadering en werkingsmiddelen als om infrastructuur. De centra botsen op hun limieten als het voltijds engagement gerealiseerd moet worden.

Ongetwijfeld bent u ook bezorgd om deze groep leerlingen, minister, en wilt u alles in het werk stellen om de ongekwalificeerde uitstroom te zien dalen. Daarom deze vragen.

Hoe staat u tegenover de vele vragen en bezorgdheden over deze beoogde inkanteling?

Welke maatregelen zult u nemen om deze bezorgdheden weg te nemen en om er vooral voor te zorgen dat de mogelijke inkantelingsoperatie geen verhoging van ongekwalificeerde uitstroom teweeg zal brengen?

Mevrouw Meuleman heeft het woord.

Ik heb een gelijkaardige vraag, mevrouw Vandromme heeft de context al geschetst.

De problematiek is al meermaals aangekaart, onder andere in de commissievergadering van 5 maart. U antwoordde toen op onze vraag om uitleg dat u zich inderdaad geëngageerd had om met de stakeholders een aanpak te bespreken voor jongeren die nog niet klaar zijn voor duaal leren. U zei dat u besefte dat dat er vandaag wel heel veel zijn, en dat we een vrij ingewikkelde systematiek en structuur hebben, met de aanloop, met het leren en werken, met het deeltijds beroepssecundair onderwijs, met de naadloos flexibele trajecten (NAFT’s) en met duaal leren.

U zei nog: “We willen kijken hoe we dat allemaal goed op elkaar kunnen afstemmen, zodat we klaarheid scheppen, en dat we er vooral ook voor zorgen dat we zo maximaal mogelijk definiëren welke doelgroep bediend moet worden door welk systeem. Hoe zorgen we ervoor dat die effectief aan het werk worden gezet? Die NAFT-systemen, die dan wel onder Welzijn vallen, moeten dan ook openstaan voor de toebedeling in die structuur. We moeten echt kijken wie ervoor gaat zorgen welke doelgroep effectief wordt begeleid, en met welke finaliteit.”

U had dus wel oren naar de bezorgdheden, minister. (Het geluid weg.)

In bovenstaande uitspraak geeft u te kennen dat u het probleem erkent dat een grote groep jongeren uit de boot dreigt te vallen en dat u de systemen zult afstemmen op elkaar na overleg met alle betrokkenen. Hoe is dit sindsdien geëvolueerd? Welke bijsturingen zijn sindsdien voltrokken of liggen nog in het verschiet?

Zal de Vlor in dezen nog de kans krijgen om met u in overleg te treden?

Kunt u een overzicht geven van wat momenteel bestaat aan verschillende trajecten en hoe die zullen evolueren in de toekomst?

Hoeveel leerlingen zitten in de verschillende stelsels die vandaag bestaan? Voor welke van deze groepen leerlingen verwacht u problemen van voortijdige uitval, zonder aanpassing van de systemen waarvan sprake?

We vernemen dat betrokken jongeren brieven krijgen waarin staat dat ze het aantal toegelaten werkuren overschrijden, maar die uren passen natuurlijk in hun opleiding en zouden geen impact mogen hebben op hun groeipakket. De afstemming tussen de RVA, de RSZ en het onderwijs blijkt niet gestroomlijnd. Eveneens vraagt de RVA terugbetaling van tijdelijke werkloosheid voor schooldagen. En er ontstaan discussies naar aanleiding van afstandsonderwijs. Kent u deze problemen? Worden die verholpen? Het zou jammer zijn mocht de eindconclusie zijn dat leerlingen gewoon niet betaald zouden worden voor de lockdownperiode.

Dat is nog een bijkomende vraag naast de bezorgdheden voor de kwetsbare jongeren en de bezorgdheden aangekaart deze morgen op de actie, namelijk de flexibiliteit, de kwalificatie en de financiering.

Mevrouw Goeman heeft het woord.

Mijn beste wensen, waarde collega’s. Dat het een beter jaar mag worden dan het vorige. Ik kijk ernaar uit om jullie zo snel mogelijk in levenden lijve te ontmoeten.

De centra voor deeltijds onderwijs luiden de alarmbel. Ik heb vanmorgen ook een brief ontvangen waarin ze hun zorgen de nodige kracht bijzetten. Dat is niet het eerste dat ik daarvan hoorde. Ik ben al gecontacteerd door een aantal directies en de Vlor heeft zich in het verleden ook al kritisch uitgelaten over de inkanteling van het stelsel leren en werken in het stelsel duaal leren.

De Vlor pleit al enige tijd voor een complementair aanbod van de leerwegen, waarin alle jongeren hun plaats kunnen vinden, want op dit moment bereiken het stelsel leren en werken en duaal leren verschillende jongeren. Het duaal leren is een goede leerweg voor jongeren die arbeidsrijp zijn en hun vak willen leren op de werkvloer. Het stelsel leren en werken is, met zijn modulair systeem, veel beter geschikt voor jongeren die meer tijd nodig hebben om hun vakken algemene vorming af te leggen maar intussen wel al verder kunnen leren inzake hun praktijkvakken via een werkinvulling. Hier komen veel jongeren in terecht met een hoog risico op schoolmoeheid en die sowieso meer nood hebben aan maatwerk. Zij passen niet in het reguliere schoolsysteem.

Vandaag zitten 8500 leerlingen in het systeem deeltijds beroepsonderwijs, dit ten opzichte van het eerder bescheiden succes van duaal leren. Het is echt wel de moeite dat we ons buigen over de zorgen van de leerlingen en leerkrachten in het deeltijds beroepssecundair onderwijs (dbso). Als we het dbso inkantelen in het duaal leren, gooien we de flexibiliteit van het modulair systeem overboord en ruilen het in voor een meer rigide graadsysteem en een strikte koppeling tussen de vakken algemene vorming en praktijkvakken. Dit is technisch, maar belangrijk.

Vroeger kon men voortgaan op basis van beroepskwalificatie zonder de onderliggende onderwijskwalificaties te halen. Dat is nu nog maar beperkt mogelijk tot op het niveau van de derde graad. Jammer genoeg zijn heel veel van de hoog aangeschreven beroepskwalificaties ingeschaald in onderwijskwalificatie 4, een specialisatiejaar, waardoor er slechts een instap mogelijk is voor leerlingen die na zes jaar alvast hun onderwijskwalificatie gehaald hebben. De centra voor leren en werken schatten zelf – afhankelijk van het profiel – in dat tussen 60 en 80 procent van het publiek niet terechtkan in dat duaal systeem.

Ik heb nog een vraag over de uitwerking van de aanloopstructuur. Dat zou een apart onderwijstraject zijn zonder kwalificatiemogelijkheden, waarbij de focus ligt op het arbeidsrijp maken van de jongeren. Dat betekent dat nogal wat leerlingen gaan verschijnen in die aanloopstructuur en daar niet meer gaan uit geraken en dan afhaken. De bezorgdheid van de centra voor deeltijds onderwijs (CDO’s) is dat de ongekwalificeerde uitstroom alleen maar gaat toenemen. De conclusie voor ons is dat het stelsel leren en werken jongeren de kans geeft om toch een diploma te halen door goede opvolging van de centra, door maatwerk en door het modulair systeem. We vrezen dat heel veel van de expertise van het deeltijds beroepssecundair onderwijs omtrent het onderwijzen van kwetsbare jongeren verloren zal gaan.

Nog een laatste probleem dat de centra aankaarten, is dat van de financiering. Vandaag worden zij gefinancierd als deeltijds onderwijs, terwijl men in het systeem van duaal leren voltijds onderwijs moet aanbieden voor de helft van het geld.

Minister, hebt u reeds overleg gehad met de Vlor en de CDO’s over hun bezorgdheden?

Zult u een evaluatie organiseren van het stelsel leren en werken?

Zult u, na kennisneming van de adviezen van de Vlor en de open brief van de CDO’s, de inkanteling van het stelsel leren en werken in duaal leren on hold zetten?

Bent u bereid na te denken over een nieuw systeem voor de inkanteling van het dbso dat de modulaire werking wel behoudt?

Wat zult u doen om de ongekwalificeerde uitstroom, die nog steeds zeer hoog is in Vlaanderen, tegen te gaan?

Minister Weyts heeft het woord.

Minister Ben Weyts

Het is natuurlijk niet onbegrijpelijk dat vernieuwing en hervorming wat bezorgdheden en weerstanden oproepen. In dezen hebben we al ettelijke jaren terug een bepaalde weg gekozen.

Bij de eerste conceptnota duaal leren in 2015 werd reeds de ambitie geuit om het duaal leren uit te bouwen tot een volwaardig kwalificerende leerweg.

In de daaropvolgende conceptnota werd duidelijk aangegeven dat dit duaal leren gepaard ging met een inkanteling van het huidige stelsel voor leren en werken. Die doelstelling is ook zo opgenomen in het decreet dat in 2018 daarover werd goedgekeurd en sinds vorig schooljaar in werking is getreden.

Waarom heeft men gekozen voor dat duaal leren? Verschillende partijen wilden het potentieel van alternerend leren benadrukken en uitbreiden naar een ruimer aanbod studierichtingen, met als uitdrukkelijke bedoeling een opwaardering van deze leerweg. Daarnaast leerde de evaluatie van het decreet Leren en werken dat er binnen dat huidige stelsel knelpunten werden vastgesteld die moesten worden bijgestuurd.

Bij de uitwerking van duaal leren werden twee sporen bewandeld: een uitbreiding van het alternerend leren en een doorstart van het leren en werken.

De bezorgdheden die leven over de inkanteling van leren en werken in duaal leren, zijn natuurlijk bekend. Ik heb die al trachten te beantwoorden in een mededeling die ik samen met minister Crevits heb bezorgd aan de Vlaamse Regering op 18 december 2020.

De uitwerking van dat duaal leren is steeds opgevat als een stapsgewijs proces, zowel voor de introductie van nieuwe duale structuuronderdelen als voor de inkanteling van het leren en werken.

Het decreet geeft mee dat er een omzettingskalender moet worden uitgewerkt. Deze omzettingskalender laat toe om fijnmazig te werk te gaan en niet met al te grote schokken om leerlingen voldoende overgangsmaatregelen te bieden in deze omzetting van leren en werken naar duaal leren. De omzetting zal in de praktijk zichtbaar worden vanaf het schooljaar 2022-2023, maar volgend schooljaar worden in een backoffice, dus op het niveau van het schoolbeleid, al beleidsmatige beslissingen genomen.

De omzetting start op het niveau van de tweede graad: een aanbod dat vandaag nog volop wordt uitgebreid met het oog op deze omzetting. Het is dit aanbod dat voor een groep jongeren die vandaag in leren en werken instromen zonder een getuigschrift van de tweede graad, in de toekomst een goed alternatief moet bieden.

Naast de verduidelijking van het verder uitbouwen van deze opleidingen op niveau van de tweede graad, verduidelijkt de mededeling van minister Crevits en mezelf de ambitie met betrekking tot de aanloopfase. Duaal leren is in de eerste plaats bedoeld voor jongeren die beschikken over de nodige arbeidsrijpheid, net zoals de arbeidsdeelname van jongeren vandaag binnen het stelsel voor leren en werken. Om jongeren tot een goede mate van arbeidsrijpheid te brengen, zijn er vandaag al initiatieven binnen het stelsel voor leren en werken die we overnemen in het brede kader van duaal leren.

Heel concreet voorzagen we in 2018 al in een regelgevend kader voor de zogenaamde aanloopfase. Deze aanloopfase is geen duaal leren, maar zorgt wel voor een prima voorbereiding daarop. Het biedt jongeren immers een eerste kennismaking met een arbeidsmarkt en maakt gebruik van elementen van het standaardtraject van duale structuuronderdelen.

Over wat er vandaag allemaal bestaat aan ondersteuningssystemen binnen leren en werken, kan ik betrekkelijk kort zijn: door een rationalisatie bestaat daar vandaag ook maar een decretaal kader: de aanloopcomponent. Deze aanloopcomponent heeft eenzelfde doel als de toekomstige aanloopfase. Het zal dan ook de inkanteling van leren en werken op dat vlak vereenvoudigen.

Wat betreft concrete cijfers: in december 2020 was bijna 27 procent van de betrokken jongeren aan het werk in het stelsel voor leren en werken en 12 procent van de jongeren was klaar voor een tewerkstelling, maar had nog geen werkplek gevonden of was nog niet opgestart, bijvoorbeeld om administratieve redenen.

Dat wil zeggen dat 39 procent van de jongeren dus in te schakelen is in een traject naar tewerkstelling en dan ook meteen een plek zou moeten vinden in het duaal leren. Daarnaast is 31,5 procent opgestart in een aanloopcomponent en staat ook daar nog 11 procent van de jongeren klaar om op te starten.

De voorziene aanloopfase zou dus voor 42,5 procent van de jongeren een afdoend antwoord moeten bieden in de overgang van leren en werken naar duaal leren.

De overige 18,5 procent jongeren is divers qua samenstelling: een kleine 3 procent zit in een NAFT-traject onder toezicht van het beleidsdomein Welzijn, een groep jongeren moet nog worden gescreend en een groep jongeren moet nog worden geregistreerd. Daar hebben we in dit verhaal minder gegevens over.

Het klopt dus dat duaal leren niet voor iedere jongere uit het huidige leren en werken het aangewezen traject zal zijn, net zoals de arbeidsdeelname vandaag ook maar voor 30 tot 40 procent van de jongeren het aangewezen traject was. Net daarom is er van bij aanvang steeds meegegeven dat de aanloopfase het sluitstuk van de puzzel is.

Tot slot zijn er ook de NAFT-trajecten voor jongeren die noch arbeidsmarktrijp noch arbeidsbereid zijn en die tijdelijk nood hebben aan een NAFT.

Ik maak even de sprong naar de idee over het kwalificeren binnen de aanloopfase en duaal leren. Ik verwijs daarvoor ook naar de onderwijsinspectie en de rapportering in 2013 en de aanbevelingen die de onderwijsinspectie toen heeft geformuleerd. Dat was een rapport van hun Onderwijsspiegel, met een sterke focus op het stelsel voor leren en werken. Daar stelde men in de debatfiches de uitdrukkelijke vraag tot reflectie over kwalificeren bij een niet-geïntegreerd doorlopen van een opleiding, dus kwalificeren vanuit een ondersteunend traject. Die vraag is vandaag ook mee opgenomen in de mededeling onder de noemer ‘kwalificeren in de aanloopfase’. Daar waar er in 2013 al vragen bij werden gesteld, zien we vandaag dezelfde moeilijkheden bij het voorzien van kwalificaties in de aanloopfase.

We sluiten het op zich nog niet uit, maar de praktijk van ontwikkelcommissies wijst uit dat het in veel gevallen niet mogelijk is een kwalificatie met enig civiel effect uit te reiken. Dat civiel effect moet wel primeren: je moet er iets mee kunnen doen en het moet gevalideerd en geapprecieerd worden. Die kwalificatie moet iets betekenen in een samenleving. Een civiel effect wordt ook enkel maar gerealiseerd wanneer er een gelijkwaardigheid is tussen uitgereikte kwalificaties, ongeacht het onderwijsniveau waarbinnen die worden uitgereikt. Dat betekent dat een diploma secundair onderwijs moet worden gekoppeld aan een bepaalde beroepsgerichte vorming. Het is enkel maar door dergelijke garanties dat we ervoor kunnen zorgen dat de brede samenleving geen onderscheid meer maakt tussen onderwijsniveaus waar een kwalificatie wordt uitgereikt. Dat onderscheid wordt vandaag jammer genoeg nog wel gemaakt.

Er is ook nog een praktische vraag naar afstemming met het groeipakket en met RVA/RSZ. Die zijn onze administratie goed bekend. Momenteel is het Departement Onderwijs en Vorming samen met de collega’s van het beleidsdomein Werk volop aan het werk om deze afstemming nog scherper te krijgen zodat er voor jongeren volle transparantie is. We hebben gecommuniceerd over deze uitdagingen via Schooldirect en op de speciale coronawebpagina’s van de website.

Wat betreft uw verwijzing naar mijn beleid rond vroegtijdig schoolverlaten, geef ik graag mee dat we beide onderwerpen, duaal leren en vroegtijdig schoolverlaten, niet in één adem willen noemen. Duaal leren is een volwaardige leerweg die een antwoord kan bieden op jongeren die gebaat zijn bij een andere vorm van leren en op die wijze net vroegtijdig schoolverlaten kan voorkomen.

Maar net zoals de modernisering van het secundair onderwijs, het decreet Leerlingbegeleiding enzovoort is dat ook een preventieve doelstelling. Duaal leren is echter niet opgezet als een soort compenserende leerweg binnen een beleid van vroegtijdig schoolverlaten. Door die associatie zou je de ambitie van het duaal leren sterk ondergraven. Het zou eruitzien als een laatste redmiddel. Wat betreft het vroegtijdig schoolverlaten zelf: in de beleidsnota sprak ik mijn engagement uit om het te reduceren en te compenseren. Uiteraard wil ik daar in de eerste plaats preventief tewerk gaan door in andere beleidsmaatregelen rekening te houden met voorspellers van vroegtijdig schoolverlaten. Maar er zijn ook meer recente en concrete acties die ik ondertussen al nam. Zo moeten de acties in het kader van corona zoals de zomerscholen en taalstimulerende activiteiten ook worden begrepen als ondersteuning om vroegtijdige schooluitval te voorkomen.

Daarnaast zijn er sinds dit schooljaar ‘transitietrajecten’. Dat zijn trajecten waarbij leerlingen uit de tweede en derde graad voltijds beroepssecundair onderwijs ondersteuning krijgen bij het behalen van hun onderwijskwalificatie en hun overstap naar een vervolgopleiding of arbeidsmarkt. Dat is een project van het Departement Onderwijs en Vorming in samenwerking met ESF.

Het beleid dat uitgezet wordt, is uiteraard in de eerste plaats een aanpak voor heel Vlaanderen. Maar gezien de grote verschillen tussen regio’s en gezien het lokale karakter van sommige uitdagingen, werken we via de netwerken Samen tegen Schooluitval ook op provinciaal niveau. De netwerken Samen tegen Schooluitval hebben de opdracht om de actoren van onderwijs, welzijn en werk te mobiliseren. Zij werken aan de hand van een lokale omgevingsanalyse aan de lokale noden en kansen, zij werken een lokaal actieplan uit dat de bestaande initiatieven versterkten, en zij implementeren de acties lokaal. Dat onder begeleiding en met ondersteuning van de netwerkcoördinator die de Vlaamse overheid subsidieert: één voltijdequivalent (vte) per provincie en voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.

De coronacrisis grijp ik aan om met de vertegenwoordigers van de centra voor basiseducatie (CBE’s), de centra voor volwassenenonderwijs (CVO’s) en het personeel na te gaan hoe we het volwassenenonderwijs aantrekkelijker kunnen maken en de deelname kunnen verhogen door de brede waaier van opleidingen in de CBE’s en CVO’s actiever te promoten. We denken aan een campagne. Het volwassenenonderwijs krijgt een duidelijke plaats in het relanceplan van onderwijs. Dat is misschien een opportuniteit voor het volwassenenonderwijs om zichzelf aan te dienen aan het publiek, dat misschien het bestaande aanbod onvoldoende kent. Dit is toch wel het moment waarop veel mensen gezien de economische onzekerheid zich afvragen of zij nog wel optimaal geschikt zijn voor de arbeidsmarkt, gelet op de gewijzigde noden en omstandigheden. Van die opportuniteit willen wij gebruikmaken om ook de brede waaier van opleidingen bekend te maken en om ook even te kijken in welke mate het aanbod zichzelf ook moet aanpassen.

In het relanceplan volwassenenonderwijs zal ook aandacht zijn voor de groep vroegtijdige schoolverlaters. Degenen die vanuit het technisch of beroepssecundair onderwijs de overstap hebben gemaakt, verleid door de aantrekkelijke condities op de arbeidsmarkt zoals die er zijn in een tijd van economische overvloed, dreigen nu wel het eerste slachtoffer te worden. Zonder diploma zijn weg moeten zoeken op een gewijzigde arbeidsmarkt, is heel moeilijk. Hen wil ik aanmoedigen om via een tweedekansleerweg alsnog hun diploma secundair onderwijs of getuigschrift te behalen. De cijfers tonen aan dat er een toename is van het aantal vroegtijdige schoolverlaters die een tweede kans wagen via de Examencommissie secundair onderwijs of het secundair volwassenenonderwijs.

Het gaat om een derde van de vroegtijdige schoolverlaters. Wij hebben die cijfers op onze website staan: https://www.onderwijs.vlaanderen.be/nl/nl/samen-tegen-schooluitval/vroegtijdig-schoolverlaten/cijfers-over-schooluitval. Je ziet daar dat er toch wel wordt op ingespeeld. De Examencommissie secundair onderwijs ontwierp deze zomervakantie een digitale infosessie. Dat wil zeggen dat jongeren niet meer tot Brussel moeten komen voor hun verplichte infosessie, maar dat het kon gebeuren van thuis uit. Op die manier verwachten we meer jongeren te bereiken.

Tot slot: jongvolwassenen die het onderwijs vroegtijdig verlaten hebben maar zich ondertussen wel de competenties van een beroep hebben eigen gemaakt, kunnen via een alternatieve weg, met hun elders verworven competenties bij een EVC-testcentrum terecht. Sinds september 2020 worden er voor een negental beroepen op diverse plaatsen in Vlaanderen EVC-trajecten ingericht. Dat kan bijvoorbeeld voor kinderbegeleider, heftruckchauffeur, uitbener-uitsnijder, medewerker groen- en tuinaanleg, gids, onderhoudsmecanicien of fitnessbegeleider. Het aantal trajecten wordt de komende jaren nog uitgebreid, ook naar andere sectoren. In een EVC-testcentrum kunnen mensen de verworven competenties laten beoordelen om zo alsnog een beroepskwalificatie verwerven. Wie er niet in slaagt om alle competenties van het beroep tijdens de proef te bewijzen, krijgt een bewijs van competenties voor die onderdelen van het beroep die wel verworven zijn. Dat leidt tot vrijstellingen voor de opleiding in het volwassenenonderwijs, waardoor die persoon makkelijker een verkort traject kan starten en waartoe die persoon wordt aangemoedigd.

Mevrouw Vandromme heeft het woord.

Dank u wel, minister, voor het heel uitgebreide antwoord. Ik denk dat er heel veel mensen momenteel aan het luisteren zijn in de verwachting van wat nieuws over de plannen van duaal leren. Over de partijgrenzen heen zij wij daar allemaal mee bezig. Duaal leren is een sterk merk en wij moeten er alles aan doen om dat ook zo te houden. U had het over de mededeling die u samen met minister Crevits opstelde, waarin staat dat wij op zoek moeten gaan naar een veilige haven voor elke leerling. Maar als niet alle leerlingen leren en werken terechtkunnen in duaal leren of in de aanloopfase, waar kunnen zij dan wel terecht? Natrajecten zijn geen oplossing voor die leerlingen die niet arbeidsrijp of arbeidsbereid zijn. Je moet als leerling toch wel ergens ingeschreven zijn om daar een beroep op te kunnen doen en je te kunnen inschrijven in een centrum voor leren en werken.

Mijn tweede opmerking gaat over de groenpluk. Ik denk, eerlijk gezegd, dat er door corona effectief minder mensen weggeplukt worden uit de scholen. Er zullen minder jobaanbiedingen zijn. Ik hoor u graag zeggen dat de aanloopfase niet echt deel uitmaakt van duaal leren. Als ik het zelf moet uitleggen aan mensen die helemaal niet mee zijn in de structuur, dan spreek ik over een aanloop nemen om in een bad te springen vol werkervaringen. Als je daarvoor nog niet klaar bent, dan kun je in die aanloopfase toch al heel wat competenties opdoen. De ontwikkelcondities geven aan dat het moeilijk is om te gaan kwalificeren. In de mededeling die u opstelde, staat er letterlijk op pagina 4 dat het binnen de beroeps- en deelkwalificaties vaak niet mogelijk is om een bijkomend afgerond geheel van competenties af te bakenen in het kader van de aanloopfase.

Ik lees letterlijk “is het vaak niet mogelijk”, maar dat wil zeggen dat het in sommige situaties wel mogelijk is. Ik zou dus zeker op zoek gaan naar die situaties waarin het wel mogelijk is. Vanmorgen vertelde een leerkracht, de kok van dienst, me – weliswaar vanop afstand – dat hij vroeger lesgaf in het volwassenenonderwijs en de overstap had gemaakt naar het dbso, en dat hij ongelooflijk veel mooie verhalen kon vertellen van leerlingen die in het dbso startten en dan toch finaal via kleine succeservaringen waren geslaagd, leerlingen die hij nog regelmatig hoort. Zijn angst was vooral dat men geen oplossing zou vinden, dat men geen mogelijkheid zou geven aan die doelgroep. Dan moeten we ons echt wel zorgen gaan maken. Volgens u mogen we de koppeling met het vroegtijdig schoolverlaten niet maken, maar ik denk toch wel dat we die koppeling in dezen moeten maken en ons zorgen moeten maken over die leerlingen die het wat moeilijker hebben.

Wat is de timing? Binnen de centra is er immers toch heel wat onrust. Er is de inkanteling, er zijn de eindtermen, er is het voltijds engagement. Ik hoor wel positieve signalen over de omzettingskalender die ook in de mededeling werd meegegeven, maar toch wil ik vragen wanneer er zou kunnen worden geland wat die aanloopfase betreft. Wanneer kunnen we bericht geven over de concrete punten die zouden worden beslist?

Mevrouw Goeman heeft het woord.

Minister, als ik uw antwoorden hoor, ben ik toch echt niet gerustgesteld. De realiteit is gewoon dat er vandaag een grote groep jongeren is die echt nog wel wat werk hebben als het gaat over arbeidsattitudes, die al wat vaker de neiging tot schoolmoeheid hebben. Als ik u hoor, dan krijg ik inderdaad de indruk dat er voor die jongeren binnenkort gewoon geen plaats meer te vinden zal zijn in ons regulier onderwijs, in die zin dat het nieuwe traject duaal leren geen alternatief voor hen is. Dat heb ik u trouwens eigenlijk met die woorden horen zeggen, dat het ook niet echt de bedoeling is dat al die jongeren daar een plaats in vinden. Er is echter ook geen ander alternatief, waardoor ik echt wel vrees dat we een grote groep jongeren zullen zien afhaken. Voor mij is er dus wel een heel duidelijke link met schooluitval. Laat me duidelijk zijn: schoolmoe zijn betekent natuurlijk niet dat die jongeren leermoe zijn. Dat was een van de grote voordelen van het dbso, dat je inderdaad dat flexibel systeem had, dat modulair was. Alle mensen met wie ik heb gesproken, hebben dat ongelooflijk sterk in de verf gezet. Daarbij konden jongeren wel blijven doorleren in praktijkgerichte vakken, en daarmee kon men vaak ook heel veel enthousiasme bij die jongeren opwekken, zonder dat ze in hetzelfde tempo vooruitgingen bij de algemene vakken. Nu zit daar op een bepaald moment dus een cesuur in, waarbij die geblokkeerd geraken en dus afhaken.

U had het over die aanloopfase. Vandaag kan men daar inderdaad geen kwalificatie meer voor krijgen. De naam zegt het echter al zelf: dat is een aanloopfase naar dat nieuwe duaal leren van de toekomst, maar wat als ze niet uit die aanloopfase geraken, als ze dus nooit toegang zullen krijgen tot dat systeem van duaal leren? Wat is dan het alternatief? Ook een naadloos flexibel traject (NAFT) is immers natuurlijk geen volwaardige weg naar een diploma of naar toegang tot de arbeidsmarkt, terwijl we vaststellen dat dat dbso dat voor veel jongeren in het verleden wél was.

Ik ben dus niet gerustgesteld. Is er toch geen mogelijkheid om na te denken over een modulair systeem, waarbij er een loskoppeling is tussen praktijkvakken en algemene vakken? Nu is daar een duidelijke cesuur ingevoerd. Wat moet er gebeuren met jongeren die wel in een aanloopfase stappen, maar daar eigenlijk niet uit geraken? In welk alternatief is er voor hen voorzien?

Mevrouw Meuleman heeft het woord.

Minister, ook ik ben niet gerustgesteld door uw antwoorden. Ik heb het gevoel dat we echt rondjes draaien, dat we telkens weer hetzelfde probleem aankaarten en dat er geen schot in de zaak komt. Het is inderdaad zo dat het decreet Duaal Leren een lange weg heeft afgelegd. Het is goedgekeurd in 2018 en sindsdien, al sinds een lange tijd, waarschuwt zowel de Vlaamse Onderwijsraad als het veld ervoor dat een grote groep jongeren, de meest kwetsbaren, uit de boot zal vallen. Wat gaan we daarmee dan doen?

Ik denk dat iedereen toch eigenlijk wel aanvoelt dat er nood is aan een soort tussenniveau, een soort complementaire vorm, waar die groep die inderdaad niet in duaal leren terechtkan en ook niet in een NAFT hoort, toch nog zou terechtkunnen. Iedereen voelt aan dat die complementariteit belangrijk is, dat die expertise niet verloren mag gaan, dat die flexibiliteit van leren en werken, en dat perspectief dat daar ook werd geboden, behouden moet blijven. Voor mij is het dus nog altijd niet duidelijk waarom dat toch niet opnieuw kan worden bekeken, waarom niet kan worden bekeken of er niet toch ergens een vorm behouden kan blijven die complementair is aan wat er nu bestaat en die niet de aanloopfase en niet het systeem van duaal leren is. Er zijn evaluaties geweest. Er is ook altijd beloofd dat men dit zou evalueren en een oplossing zou vinden als er jongeren uit de boot zouden vallen. Dat blijkt nu niet het geval te zijn. Ik zou dus echt willen vragen om in overleg te gaan en toch nog te herbekijken hoe daar een oplossing voor kan worden gevonden. Ik weet wat de doelstellingen van duaal leren zijn. Ik vind het ook niet slecht om te zeggen dat dat een volwaardige leerweg is, dat men die heeft willen opwaarderen, dat dat dan voor een specifieke groep leerlingen is. Allemaal goed en wel, maar dat is een beetje het verhaal van onderwijskwaliteit en eindtermen. Je legt de lat hoger en dat is goed, maar dat wil nog niet zeggen dat de hele groep daarover kan. Het is zelfs niet eens de bedoeling dat iedereen daar terechtkan. Dat wil echter niet zeggen dat we ons geen zorgen hoeven te maken over die grote groep die inderdaad niet mee is en daar niet mee in kan stappen. Dat is nu het geval. Ook als u de cijfers geeft, is het duidelijk dat daar gewoon nog een hiaat is. Ik zou u willen vragen om dat op korte termijn aan te pakken, voor de expertise inderdaad verloren gaat en heel wat jongeren afhaken en verloren zijn.

De heer Daniëls heeft het woord.

Collega’s, dit is een belangrijk onderwerp. Minister, bedankt voor uw antwoord en ook voor het nog even belichten van de tijdslijn. Dit is inderdaad gestart met het decreet van 2018, waarbij minister Crevits voorstelde om dat duaal leren zo aan te pakken, om daar ook die aanloopfase in te steken en ook de CLW’s daar mee in op te nemen. Dit is niet de principebeslissing daarover. Die is in het verleden naar voren geschoven door de toenmalige minister van Onderwijs, mevrouw Crevits, en die rollen we nu verder uit. Ik geef dat mee omdat men doet alsof dat dat nu plots een beslissing is.

Collega Vandromme, uiteraard heb ik ook die mail gekregen, weliswaar na de actie. Voor de actie had ik geen weet van die actie. Ik was daar ook graag even naartoe gegaan, maar u wist dat blijkbaar wel. Ik denk dat dat inderdaad belangrijk is. Ik heb die goed gelezen. Collega’s, in het belang van de intellectuele eerlijkheid in het debat raad ik iedereen echter ook aan om de mededeling van minister Crevits en minister Weyts toch even goed te lezen, in combinatie met de cijfers die de minister hier net heeft gegeven. Mijn vroegere school was de eerste die een duaal traject had, met BASF. Ik ben dat mee gaan openen. We hebben dat inderdaad ontwikkeld vanuit het principe dat we jongeren die een vorm van schoolmoeheid hebben, maar absoluut niet leermoe zijn, een positief traject willen geven, namelijk een duaal traject. De groep van de CLW’s is eigenlijk een heel diverse groep. De keuze die minister Crevits toen heeft gemaakt en die nu verder wordt uitgerold, was inderdaad om via die aanloopfase zo veel mogelijk jongeren in dat duaal traject te krijgen, omdat dat hun de meeste kansen geeft op de arbeidsmarkt. De term ‘zo veel mogelijk’ is daarbij cruciaal. Met meerderheid en oppositie hebben we daarover in het verleden ook nog intellectueel interessante debatten gevoerd. Dat meen ik.

Ik heb de cijfers snel genoteerd – minister, zwaai als ik ze fout genoteerd zou hebben – en het komt er eigenlijk op neer dat we bij zo’n 18,5 procent van de jongeren – ik zie u knikken – vaststellen dat ze er via dat aanlooptraject niet gaan komen. Dat vind ik een niet onbelangrijk gegeven. Dat wil wel zeggen, collega’s, dat we in het verleden eigenlijk te veel jongeren in een traject hadden zitten dat hun minder kwalificaties gaf. Het wil eigenlijk zeggen dat iets meer dan 80 procent via een aanloopfase, een goed aanlooptraject, wel andere kansen heeft op de arbeidsmarkt. Dat mogen we toch niet zomaar overboord gooien. Die aanloopfase is inderdaad belangrijk om de arbeidsmarktgerichte competenties aan te leren.

Ik zou toch willen vragen, minister, ten eerste, om dat goed op te volgen. Kloppen die percentages? Krijgen we die jongeren zover in die aanloopfase? En ten tweede zijn er die jongeren die we in de aanloopfase niet arbeidsmarktrijp krijgen. En,  collega’s, we moeten wel goed nadenken over wat we aan het zeggen zijn. Als we ze in een aanloopfase niet arbeidsmarktrijp krijgen, dan komt er na het onderwijs nog een fase, ook een arbeidsfase. We moeten die op een plaats zover krijgen. Ik denk dat er daar nog wel iets is. Ik lees dat ook in de mededelingen. En daarom zeg ik dat het belangrijk is dat we iedereen goed informeren, collega’s. Als je de mededelingen leest – ik neem aan dat jullie ze allemaal voor jullie liggen hebben – op pagina 4 en 5, dan moeten we dat gegeven, datgene wat daar genuanceerd in staat, een kans geven. We moeten dat een kans geven.

Ik begrijp dat de CLW’s heel specifiek kijken naar het publiek dat zij vertegenwoordigen. Zij kennen hun leerlingen het beste. Ik heb in het verleden heel wat bezoeken gedaan en ik heb de leerlingen ook gezien. Ik begrijp ook dat zij vanuit hun perspectief kijken naar hun centrum, hun personeel en hun tewerkstelling. Dat kunnen we die mensen niet kwalijk nemen, want het is logisch. Maar als het effectief het doel is – en dat is wat we met de commissie, met de regering en met het parlement toch willen en wat ook in het regeerakkoord staat – om zoveel mogelijk leerlingen een zo hoog mogelijke kwalificatie te geven, zowel op het vlak van onderwijs als op het vlak van de arbeidsmarkt, dan is die inzet op die aanloopfase, zoals die heel sterk omschreven staat in de mededeling van minister Crevits en minister Weyts, absoluut een goede zaak.

En met de N-VA-fractie zijn we er ook vragende partij voor om goed te analyseren, voor die jongeren die via die aanloopfase niet in het duaal leren terechtkomen, hoeveel het er zijn en hoe we de juiste trajecten opzetten, ofwel via CLW’s ofwel bijvoorbeeld via zo’n NAFT, al dan niet in combinatie met Welzijn en Werk.

Bedankt om dat verder van nabij op te volgen.

Minister Weyts heeft het woord.

Minister Ben Weyts

Ik ga het kort houden.

Wat de timing betreft, heb ik samen met minister Crevits de ambitie om voor 1 september 2021 duidelijkheid te verschaffen rond die aanloopfase. We hebben sowieso de ambitie om die jongeren die uit de boot dreigen te vallen, vast te houden, maar we willen hen wel meenemen in een ambitieniveau, zodat ze zich via een aanloopfase richten op duaal leren en een arbeidsattitude kweken. Dat is ons ambitieniveau. We willen hen niet bij voorbaat opgeven, maar echt meenemen.

Over welke groep gaat het? Dat wil ik toch nog eens duidelijk zeggen. Op basis van de cijfers van december 2020, is 39 procent van de jongeren in te schakelen in het traject na tewerkstelling. Die groep zou meteen een plek moeten vinden in duaal leren. 31,5 procent is opgestart in de aanloopcompetent en 11 procent staat klaar om op te starten. De voorziene aanloopfase zou dus voor meer dan 42 procent een afdoende antwoord moeten bieden. En dan blijft er nog 18,5 procent van de jongeren over, maar de samenstelling van die groep is divers: er zit ook nog een onbekende in, twee zelfs. Het gaat dan over een groep van zo’n 1500 jongeren. Een kleine 3 procent is voor het NAFT, maar er is ook een groep jongeren die nog gescreend moeten worden en die dus nog niet gekwalificeerd of toegewezen zijn. En dan is er nog een groep jongeren die nog geregistreerd moet worden. Die 18,5 procent jongeren, dat is dus een diverse groep. Slechts een subgroep van die 18,5 procent maakt deel uit van de bezorgdheden die hier worden geuit. Maar ik heb de ambitie om er samen met collega Crevits voor te zorgen dat we ook die jongeren meekrijgen, naar boven laten kijken. We gaan echt een poging ondernemen om hen niet los te laten. Als het niet lukt, dan laten we hen niet uit de boot vallen.

Mevrouw Vandromme heeft het woord.

Collega Daniëls, in 2018 werd het decreet inderdaad goedgekeurd door minister Crevits, maar ook door minister Muyters. U hebt hem niet vermeld, en bij dezen herinner ik u daar graag aan.

Het is duidelijk dat meten weten is, dat we soms weleens tot inzicht kunnen komen en dat er een bepaalde doelgroep uit de boot dreigt te vallen. Minister, ik hoor u graag zeggen dat uw ambitieniveau hoog ligt, ook in het niet opgeven van bepaalde groepen. We kunnen zeggen dat het maar om 18 procent gaat, maar ik denk dat het heel belangrijk is om in kaart te brengen over welke leerlingen het gaat of over welke specifieke doelgroep.

U hebt geen antwoord gegeven op het financiële luik. Als er een voltijds engagement wordt verwacht van de leerlingen op school, dan verwacht men vanuit het dbso ook dat daar de nodige financiering tegenover staat. Ik hoop dat u dat ook tegen 1 september in kaart brengt, zodat de scholen weten wat ze kunnen verwachten.

Ik hoop in elk geval dat we over de partijen heen zorg kunnen blijven dragen voor deze toch wel zeer kwetsbare jongeren.

Mevrouw Goeman heeft het woord.

Het is natuurlijk interessant te horen dat CD&V en de N-VA naar elkaar kijken om te bepalen wie de voortrekker is geweest van dit dossier, maar wat ik vooral heb onthouden is dat er ook bij die partijen een gedeelde bezorgdheid is, zoals bij ons, over het feit dat er toch nog altijd een aantal belangrijke knelpunten zijn bij die inkanteling van het stelsel werken en leren in het duaal leren.

Versta mij niet verkeerd, collega’s: ik ben ook een groot voorstander van het duaal leren, van het feit dat we arbeidsrijpe leerlingen de kans geven om veel meer op de werkplek bij te leren. Ik denk dat dat zeer motiverend kan werken. Het probleem zit hem inderdaad in wat mijnheer Daniëls zegt, in het feit dat het de ambitie moet zijn om zoveel mogelijk leerlingen in dat systeem van duaal leren te laten instappen, maar dat we vaststellen dat dat niet voor alle leerlingen een haalbare piste is. Ik hoor u zeggen, mijnheer Daniëls – en daar heb ik toch wel wat problemen mee –, dat dat betekent dat we eigenlijk hebben aanvaard dat heel wat leerlingen vastzaten in een systeem waarin ze niet het onderste uit de kan konden halen, waarin ze minder kwalificaties opdeden dan ze eigenlijk zouden kunnen in duaal leren. Daar ben ik het toch niet helemaal mee eens. Misschien halen ze minder algemene vaardigheden, maar niet minder beroepskwalificaties. Dat is namelijk de sterkte van heel dat systeem, namelijk dat leerlingen konden blijven doorleren in dbso in hun praktijkvakken, ook als ze meer tijd nodig hadden om hun algemene vakken te halen.

Dat is voor mij nu net de zwakte van het inkantelen: de groep die meer tijd nodig had voor de algemene vakken wordt verplicht om af te haken of iets anders te gaan doen op het moment dat ze niet slagen voor die algemene vakken, terwijl ze met de beroepskwalificatie – als ze wel verder konden studeren – wel op de arbeidsmarkt hun plaats vonden. U zegt, minister, dat u wilt nadenken over oplossingen voor die groep. 18,5 procent is toch niet weinig. Die 1500 leerlingen, ik weet het, er zitten nog wat nuances op, maar het is toch een substantiële groep, wilt u wel meenemen maar ik zie nog geen oplossing en u blijft er bijzonder vaag over.

Ik wil afsluiten met een oproep om toch nog eens heel goed te bekijken of u inderdaad in het nieuwe systeem – voor mij mag dat duaal leren heten, ‘what’s in a name’ – een modulair element kunt invoeren, waarbij men verder kan studeren inzake de praktijkgerichte vakken zonder dat men noodzakelijk geslaagd is voor de algemene vakken. Ik eindig graag met dezelfde vraag als mevrouw Vandromme, hoe zit het met de financiering van het dbso? Wordt dat aangepast aan de nieuwe realiteit van duaal leren?

Mevrouw Meuleman heeft het woord.

Ik wil nog eens ingaan op de cijfers. 39 procent zal terechtkunnen in het duaal leren. Dat is misschien oké. 42 procent zit in de aanloopfase en slechts 18 procent heeft problemen, en daar doet u nog een stuk af. Maar al die jongeren in die aanloopfase waar men zich de grootste zorgen over maakt, zullen misschien niet kunnen doorstromen naar duaal leren. Dat is de bezorgdheid van heel veel mensen die met die jongeren werken. Wat gebeurt er met hen?

Niet enkel die 18 procent is problematisch, maar wat gebeurt er met die 42 procent in de aanloopfase? Vroeger hadden ze zicht op kwalificaties en konden ze doorleren en vonden hun weg wel. Nu hebben ze geen perspectief, geen maatwerk. Ze zullen misschien – dat is de grote vrees – door gebrek aan perspectief afhaken en in de ongekwalificeerde uitstroom terechtkomen. Dat willen we echt vermijden. Die 42 procent zijn ook al van onze radar: zo is het niet, dat is niet opgelost, minister. We moeten ons daar zorgen over maken. Ik denk dat u dat misschien onvoldoende beseft. Ik wil u oproepen om zeker in gesprek te gaan met de mensen die actie gevoerd hebben, en met de Vlor, om die groep nog andere oplossingen aan te bieden. We zijn er niet met wat nu voorligt.

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is gesloten.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.