U bent hier

– Wegens de coronamaatregelen werden deze vragen om uitleg via videoconferentie behandeld.

Mevrouw Vandromme heeft het woord.

Minister, heel recent stelde u een academisch steunpunt aan om, zoals u ze zelf noemt in de media, ‘centrale toetsen’ te ontwikkelen.

Dit samenwerkingsverband van vijf universiteiten en twee hogescholen zal centrale toetsen ontwikkelen die alle Vlaamse leerlingen vanaf 2023 op vier momenten in hun schoolcarrière zullen afleggen: op twee momenten in het lager onderwijs en aan het einde van de eerste en derde graad secundair onderwijs. De proeven zullen in eerste instantie focussen op Nederlands en wiskunde.

In het regeerakkoord werd afgesproken om regelmatige, gestandaardiseerde, genormeerde en gevalideerde net- en koepeloverschrijdende proeven in te voeren. Ook in de beleidsnota Onderwijs hebt u het over de plannen voor het invoeren van dergelijke proeven.

In de commissie Onderwijs van 2 juli 2020 stelde ik u al een vraag omtrent deze gestandaardiseerde en genormeerde proeven. U stelde daar heel expliciet dat de samenwerking met het brede onderwijsveld cruciaal is voor de ontwikkeling van deze proeven en de gedragenheid ervan. Een top-downbenadering van zo’n belangrijke ontwikkeling is dus geen goed idee. Verder had u het ook over de koepelgebonden proeven en toetsen waar al heel wat ervaring rond opgebouwd is en waar we zeker uit kunnen leren. Ten slotte gaf u ook enige toelichting over de haalbaarheidsstudie die focust op het praktische en organisatorische. De pedagogisch-psychomotorische, organisatorische en technisch-juridische aspecten bij de invoering van deze proeven worden hier onderzocht. Op basis van de resultaten van dit onderzoek kunnen de nodige beslissingen genomen worden met betrekking tot het concreet implementatietraject.

Minister, in hoeverre worden de onderwijsverstrekkers verder betrokken bij de ontwikkeling van deze proeven? In hoeverre wordt de expertise van onderwijskoepels die met eigen proeven of toetsen werken, ingezet? Hoever staat deze haalbaarheidsstudie? Zijn er al tussentijdse conclusies getrokken? Wanneer wordt de studie opgeleverd?

De heer Daniëls heeft het woord.

Collega's, de aanhef van mijn vraag ga ik niet herhalen, die heeft mevrouw Vandromme al geschetst. Ik geef wel mee dat de kwestie van eigen toetsen een goede zaak is om beter de vinger aan de pols te houden dan vier tot vijf jaar te moeten wachten op een internationale toets. Want als daar iets uit komt, ben je vier of vijf jaar verder. We hebben keer op keer vastgesteld dat we in de internationale toetsen achteruitgaan. Dan is het nu belangrijk om dat fijnmaziger op te volgen. Dat is ook de reden waarom het uitgebreid is opgenomen in zowel het Vlaams regeerakkoord als de beleidsnota. Minister, onze fractie is tevreden dat u dit nu daadwerkelijk omzet in beleid.

Heel concreet gaat het om een samenwerkingsverband van de vijf Vlaamse universiteiten – UGent, KULeuven, VUB, UAntwerpen en UHasselt – en twee hogescholen – AP Hogeschool en Arteveldehogeschool – onder leiding van professor Johan van Braak van UGent. Ik denk dat wij op deze manier alle mogelijke gevoeligheden die er publiekrechtelijk en privaatrechtelijk kunnen zijn, ondervangen. Dat moet het mogelijk maken om het netoverschrijdende karakter te kunnen waarmaken. Dat samenwerkingsverband zal als onafhankelijke instantie gestandaardiseerde, genormeerde, gevalideerde en net- en koepeloverschrijdende proeven uitwerken. Elk woord daarin heeft zijn belang. Daarbij zullen de onderwijsverstrekkers betrokken worden bij deze samenwerking. Ik denk dat het goed is dat de universiteiten het wetenschappelijke kunnen ontwikkelen en dat daarbij de onderwijsverstrekkers worden betrokken. Deze onderwijsverstrekkers worden geraadpleegd opdat de proeven door heel het onderwijsveld gedragen zouden worden zodat de reflectie over de resultaten van de proeven ook gebruikt kan worden. Het is immers belangrijk dat scholen de proeven gaan gebruiken in hun kwaliteitsbeleid. Zo krijgen wij als overheid ook een veel beter zicht op het kwaliteitsbeleid. Wetenschap om de wetenschap alleen zou jammer zijn. Het moet ook een link hebben met het onderwijsveld.

Collega’s, wij lezen regelmatig dat dit een revolutie is in het Vlaamse onderwijs, dat gebruik van algemene Vlaamse toetsen – vinger aan de pols. Maar wij hebben vandaag ook al toetsen, collega Vandromme heeft ernaar verwezen. De verschillende onderwijskoepels gebruiken hun eigen toetsen. Ook die kunnen al interessante informatie opleveren voor de scholen die behoren tot dat net of die koepel, maar zij geven geen info op Vlaams niveau. Die resultaten worden ook niet volledig vrijgegeven. De analyses ervan zijn ook beperkt. Door de implementatie van proeven die Vlaanderenbreed zijn, kunnen we de algemene tendensen wel zien en heeft de Vlaamse overheid een instrument om een objectief zicht te krijgen op de leerwinst van de Vlaamse leerlingen. Dat is een goede zaak.

Centrale toetsen zijn al langer onderwerp van discussie. Minister en collega’s, ik heb het gevoel dat wij die kaap intussen voorbij zijn. Men ziet in dat het interessant is dat de overheid alle partners bijeenbrengt om te meten en te weten. Ik hoop dat wij niet opnieuw discussies krijgen of dit wel zinvol is. Dat zou jammerlijk tijdverlies zijn

Minister, ik heb volgende vragen. Welke motivatie ligt aan de basis voor de keuze voor de toetsmomenten in het 4de en 6de leerjaar basisonderwijs en het 2de en 6de leerjaar secundair onderwijs? Is het de bedoeling om ook toetsen te maken voor andere momenten in de onderwijscarrière? Hoe zal de kwaliteit van deze centrale toetsen gemonitord worden door de jaren heen? Je kunt niet telkens opnieuw dezelfde toets afnemen.

Professor Duyck geeft aan dat centrale toetsen kunnen zorgen voor een betere, objectievere oriëntering van studenten. Wij hebben al de Columbusproef, die wordt afgenomen vóór het einde van het secundair onderwijs. Kunnen die naast de centrale toetsen blijven bestaan of worden zij erin geïntegreerd? Kunnen er elementen uit de Columbusproef worden gebruikt in de centrale toetsen? Columbus is meer dan een centrale toets. We moeten dus opletten niet alles te vermengen. Op welke manier zal erover gewaakt worden dat het afnemen van de toetsen en ook de interpretatie van de resultaten op een correcte manier zal gebeuren in de scholen? Het zou zeer jammer zijn als scholen bij het afnemen van de toetsen zouden ingrijpen om hun resultaat wat te flateren. Dat zou niet goed zijn voor het kwaliteitsbeleid van de school zelf en evenmin voor de algemene interpretatie van die toetsen.

Ik heb nog één extra vraag: blijven wij ook deelnemen aan internationaal vergelijkend onderzoek?

Minister Weyts heeft het woord.

Minister Ben Weyts

Wat hebben wij ondertussen gedaan? Begin december erkende de Vlaamse Regering op mijn voorstel het steunpunt dat de gestandaardiseerde, genormeerde en gevalideerde net- en koepeloverschrijdende toetsen in Vlaanderen zal ontwikkelen. Het steunpunt bestaat uit een samenwerkingsverband tussen de vijf Vlaamse universiteiten en twee hogescholen – de AP Hogeschool en de Arteveldehogeschool – onder leiding van professor Johan van Braak (UGent). Alle bestaande expertise inzake toetsontwikkeling in Vlaanderen is dus gevat in dit steunpunt. Iedereen die er daarover toe doet, zit mee aan tafel. De invoering van die toetsen is een zeer uitdagend en complex project. Om dat vlot te laten verlopen, wordt er momenteel een haalbaarheidsstudie uitgevoerd. Daarin gaan we kijken naar de meer praktische complicaties. De resultaten van die studie worden begin volgende maand verwacht. De volledige studie zal pas na een grondige bespreking in de stuurgroep aan mij voor vrijgave voorgelegd worden. Ik kan dus niet verder ingaan op eventuele voorlopige resultaten, want die heb ik nog niet.

De toetsen zullen inderdaad op vier scharniermomenten in het curriculum van elke leerling in het leerplichtonderwijs afgenomen worden. Dat wil zeggen op het einde van het vierde en zesde leerjaar van het basisonderwijs en op het einde van de eerste – het tweede jaar – en derde graad – het laatste jaar – van het secundair onderwijs. We hebben voor deze momenten gekozen omdat we beschikken over eindtermen voor het einde van het zesde leerjaar basisonderwijs en de eerste en derde graad secundair onderwijs. Om een meetmoment mogelijk te maken op het einde van het vierde leerjaar zal het steunpunt een aparte cesuur op basis van de eindtermen van het zesde leerjaar bepalen. Bovendien liggen de afnames tussen het vierde en het zesde leerjaar vrij kortbij, waardoor leerwinstmeting gemakkelijker wordt. 

Die meetmomenten zijn belangrijke sleutelmomenten in de loopbaan van elk kind. De toets zal dus ook toelaten dat de leerling, ouders en leraren de informatie uit de toets kunnen gebruiken bij de studiekeuze, -oriëntering en -advisering. Het is niet uitgesloten dat we op termijn de toets zullen afnemen op misschien zelfs meerdere meetmomenten, maar dat is in deze fase nog niet mogelijk te beoordelen.

Het is inderdaad zo dat er nog andere toetsen zijn, zoals Columbus, om de leerlingen te helpen bij hun studiekeuze. Het kan inderdaad niet de bedoeling zijn dat we dezelfde leerling verschillende keren dezelfde test laten afnemen. De proeven moeten dus minstens complementair zijn aan de centrale toetsen in het secundair onderwijs. Maar, de eerste afname van die centrale toetsen op het einde van de derde graad secundair onderwijs is voorzien op het einde van het schooljaar 2025-2026. Tot dan moeten er dus zeker nog andere oriënteringsproeven bestaan.

Deze toetsen zijn inderdaad een revolutie in ons onderwijs. Het spreekt dus voor zich dat er een voldoende groot draagvlak moet zijn vanuit het volledige onderwijsveld. Dit zal gebeuren door een stuurgroep die mee de kwaliteit zal bewaken. Deze stuurgroep zal bestaan uit: de pedagogische begeleidingsdiensten, de vier onderwijsvakbonden en de Vlaamse Scholierenkoepel zodat ook de leraren en de leerlingen vertegenwoordigd zijn, experten uit de onderwijsadministratie en de onderwijsinspectie, en de leden van het dagelijks bestuur van het steunpunt. De stuurgroep kan ook beslissen om externe experts aan te stellen die mee advies kunnen verstrekken. Gelet op de brede samenstelling van het universitaire steunpunt zullen die externe experts in het buitenland gezocht moeten worden. Terzijde wil ik toch ook meegeven dat de pedagogische begeleidingsdiensten, de Vlaamse ScholierenKoepel en de Vlaamse Onderwijsraad al deel uitmaken van de stuurgroep die de haalbaarheidsstudie opvolgt. Er is dus een maximale betrokkenheid.

Er zal ook een externe expertgroep worden opgericht, waarin er een ruime vertegenwoordiging zal zijn van de onderwijsverstrekkers via de pedagogische begeleidingsdiensten. Ook met die groep willen we de mogelijkheid besproken zien om die centraal ontwikkelde kerntoetsen te complementeren met items die zij zelf ontwikkelen, op voorwaarde dat daarbij de vereisten op het vlak van kwaliteit en haalbaarheid niet in het gedrang komen. Zo blijft het resultaat op de kerntoetsen wel vergelijkbaar, maar is er mede-eigenaarschap, opnieuw met de bedoeling om het draagvlak zo groot mogelijk te houden.

Verder heb ik voor de kerstvakantie mijn akkoord gegeven opdat we zouden deelnemen aan het project Centre for Educational Innovation and Research van de OESO. Het doel van dat project is de ondersteuning in het opbouwen van een grotere betrokkenheid van de belangrijkste middenveldorganisaties bij een belangrijke onderwijshervorming.

Tot slot wil ik nog even meegeven hoe we zullen waken over het correct afnemen van de toetsen en het gebruik van de resultaten. Met het woord ‘gestandaardiseerd’ bedoelen we natuurlijk niet alleen de gestandaardiseerde ontwikkeling, maar natuurlijk ook het gestandaardiseerd afnemen van die toets, een gestandaardiseerde verwerking van de resultaten en analyses die ook gestandaardiseerd zijn. Een toets op zulke schaal gestandaardiseerd laten verlopen, betekent natuurlijk ook een grote logistieke uitdaging. Deze vraag wordt ook verder aangepakt in het kader van die haalbaarheidsstudie. Belangrijk is dat ik kort na de oplevering van de haalbaarheidsstudie ook werk maak van een bestek voor de aanbesteding van een digitaal toetsenplatform. Via dat platform kan het afnemen van de toets digitaal en dus al in grote mate gestandaardiseerd verlopen. Ook de verwerking van de resultaten kan zo grotendeels geautomatiseerd verlopen. Dat laat ook toe dat leerlingen en scholen zo snel mogelijk na het afnemen van de toets feedback kunnen krijgen.

De scholen zullen ook daadwerkelijk aan de slag moeten gaan met de resultaten. Het steunpunt zal dan ook de opdracht hebben om de effecten van de introductie van die centrale toetsen te monitoren. Elke school zal een schoolfeedbackrapport krijgen, met daarin de eigen resultaten, vergeleken met de resultaten van een selectie van andere, vergelijkbare scholen. Zo kunnen scholen zichzelf dus echt een spiegel voorhouden: waar doet een school het goed, doet ze het beter in vergelijking met vergelijkbare andere scholen? Wel is het belangrijk – en dat is natuurlijk de bekommernis omtrent datageletterdheid – dat het schoolfeedbackrapport voldoende toegankelijk en leesbaar is, zodat het ook daadwerkelijk wordt gebruikt in het kader van de interne kwaliteitszorg van de school. Net om dat mogelijk te maken, zullen we natuurlijk ook inzetten op een versterking van die datageletterdheid, in eerste instantie bij de directies, bij de schoolleiders, maar ook bij de leerkrachten.

Wat de internationale onderzoeken betreft: ik denk dat het zinvol zal blijven om ons in internationaal perspectief te meten met andere landen. Het systeem dat we nu op poten zetten, is er eigenlijk om ervoor te zorgen dat we onszelf een spiegel kunnen voorhouden, om de scholen een instrument te bieden waardoor ze zelf kunnen evalueren welke leerwinst ze boeken en op welke domeinen ze het goed of minder goed doen ten opzichte van vergelijkbare scholen. Dat is één zaak. Een tweede zaak is natuurlijk de vraag hoe ons onderwijs in zijn totaliteit internationaal scoort. Die zullen we hiermee niet beantwoorden, dus daarvoor blijven we natuurlijk aangewezen op die internationale onderzoeken Programme for International Student Assessment (PISA) en Trends in International Mathematics and Science Study (TIMSS). Het blijft natuurlijk wel een opdracht, denk ik, om onszelf daar internationaal te gaan vergelijken.

Mevrouw Vandromme heeft het woord.

Minister, dank u wel voor het antwoord. Collega Daniëls, u stelt dat er slechts om de vier jaar daadwerkelijk een mogelijkheid is om daarnaar te peilen. Dat las ik toch, of dat had u in uw betoog aangegeven. Ik stel echter vast dat dat toch wel veel meer dan om de vier jaar gebeurt. Er zijn de jaarlijkse peilingen, waarover er ook informatie wordt gegeven. U zei dat er maar om de vier jaar data beschikbaar zijn.

Minister, wat ik toch ook heb geleerd uit de coronacommissie, is dat Vlaanderen eigenlijk de eerste regio is waar uit onderzoek kon worden vastgesteld dat er een leerachtstand is bij onze leerlingen. Dat wil dus wel zeggen dat er data beschikbaar zijn waarop er onderzoek kon gebeuren. Stellen dat er helemaal niets is, vind ik dus wat overdreven.

Minister, we maken ons toch wel wat zorgen. Ik denk dat deze toetsen voor u en uw fractie twee doelstellingen hebben. Aan de ene kant wordt er gedacht aan kwaliteitsbewaking. Ik denk dat dat ook de afspraak was, dat dat ook onze lezing van het regeerakkoord is, namelijk dat er proeven worden opgemaakt die gestandaardiseerd, genormeerd en gevalideerd zijn en waardoor we scholen inderdaad een methodiek, handvatten kunnen geven om aan kwaliteitsbewaking te doen. Dat is een instrument om kwaliteitszorg mogelijk te maken. Het is echter iets anders als men die testen ook gaat gebruiken om studieoriëntering te organiseren, om leerlingen individueel een score te geven, te testen. Ik zou daar dus graag duidelijkheid over hebben: wat is de prioritaire zaak in dezen? Wat wil men bereiken met die proeven?

Gisteren bleek uit de pers heel duidelijk dat er steeds meer wordt gebruikgemaakt van bijlessen. Mensen gaan onderzoeken hoe ze hun kind kunnen laten bijscholen, een problematiek die wellicht wordt versterkt door corona. Wat ik echter ook heb onthouden, en wat Pedro De Bruyckere ook aangaf, is dat er in andere landen waar er centrale toetsen bestaan, ook meer wordt gebruikgemaakt van bijlessen om net beter te kunnen scoren op die toetsen. Onze fractie heeft toch wel enig voorbehoud wat dat ‘teaching to the test’ betreft. Ik kende graag uw visie daarop. Hoe kan men dat beperken?

Wij vinden het ook nog altijd belangrijk dat de klassenraad het eindoordeel kan vellen over een leerling. Het kan niet zijn dat een gestandaardiseerde, genormeerde of gevalideerde proef in de plaats gaat treden van de beslissing van een klassenraad. Voor ons is dat toch wel nog altijd het meest cruciale.

De heer Daniëls heeft het woord.

Minister, dank u wel. Ik was net een bedenking aan het maken. We hebben hier een lang onderwijsbegrip, waarvoor we nog geen afkorting hebben: de gestandaardiseerde, genormeerde, gevalideerde net- en koepeloverschrijdende proeven. Ik stel voor ‘G³NKOP’s’ te gebruiken. Dan hebt u daar meteen al een afkorting voor.

Collega Vandromme, alle gekheid op een stokje, ik heb ‘internationale toetsen’ gezegd. Die zijn er om de vier, vijf jaar. Ik heb uiteraard ook gesproken over de koepeltests en dergelijke meer. Die gebeuren wel jaarlijks en periodiek. Ik had het dus wel degelijk over internationale proeven.

Collega’s, ik hoor regelmatig dat de onderwijstijd beperkt is. Als er dus onderwijstijd wordt gebruikt om proeven af te nemen, en die proeven gebeuren uiteraard bij individuele leerlingen, dan roep ik op om die gegevens dan ook maximaal te gebruiken. Het zou toch raar zijn dat een leerling een genormeerde, gevalideerde en gestandaardiseerde koepel- en netoverschrijdende test aflegt, die dus wetenschappelijk en door onderwijsverstrekkers op inhoud is gevalideerd, en dat we dan aan leerkrachten gaan zeggen dat ze die info niet mogen gebruiken naar aanleiding van die klassenraad. Dat lijkt me echt zeer raar. Het is uiteraard de klassenraad die die gebruikt, met alle andere info, maar het lijkt me niet meer dan normaal dat men die info – want het is natuurlijk een leerling die dat invult – gebruikt. Uiteraard kan die klassenraad autonoom optreden, dat is geen computer, maar ik neem dan ook aan dat die klassenraad niet onder druk staat van een of andere instantie om geen C- of B-attesten te geven en dergelijke meer. Daar moeten we dan toch ook over waken. Dat terzijde, maar ik wou dat toch nog even meegeven.

En inderdaad, de info op Vlaams niveau lijkt me interessant. Maar ik ben er blij om, minister, dat je als school – en dat gebeurt nu ook bij de peilingsproeven en de parallelproeven, voor wie ze aanvraagt – nu een benchmark hebt. Als school kun je wel denken dat je goed bezig bent – en velen zijn ook goed bezig –, maar, collega’s, de eerlijkheid gebiedt ons ook te zeggen dat we het in de collectiviteit niet zo goed doen, toch niet op basis van de laatste internationale toetsen. Dan denk ik dat het wel goed is dat scholen inderdaad een rapport krijgen. Minister, op dat vlak wil ik toch nog oproepen dat dat rapport zo lees- en begrijpbaar mogelijk is. Met andere woorden: wat kan men erin lezen, wat kan men er niet in lezen? Dat is een belangrijk punt om mee te geven aan scholen. Tot daar mijn bijkomende bekommernissen.

Minister Weyts heeft het woord.

Minister Ben Weyts

Ik weet natuurlijk dat we van ver komen, in die zin dat verschillende koepels hun eigen instrumenten hadden. We moeten dus echt die brug over en naar een Vlaanderenbrede aanpak evolueren. De terughoudendheid die blijft bestaan, die proberen we maximaal weg te masseren, in de hoop dat we iedereen ervan kunnen overtuigen dat dit niet alleen nuttig is, maar ook nodig, en dat we eindelijk moeten doen wat men in het buitenland al lang doet. Wij zijn de enigen die nog links rijden, al de anderen rijden rechts. Het wordt tijd om na te denken of rechts rijden misschien niet zinvoller is.

Wat gaan we uiteindelijk met die resultaten doen? Ik denk dat we eenieder de mogelijkheid moeten bieden om dat te kunnen aanbieden als mogelijk instrument voor individuele oriëntatie. Ik denk dat die vraag in hoofde van de leerlingen en de ouders ook wel zal rijzen en ik zou hun dat nu niet bij voorbaat willen onthouden.

Is dit dan een decisief instrument voor de klasraden om te gaan oordelen over de overgang naar een volgend jaar? Neen, dat is natuurlijk niet de bedoeling. Daar blijft de autonomie van de klasraden overeind. Ook met oog op het draagvlak zou het onverstandig zijn om dat zo te gaan organiseren. Ik hoop vooral dat we nu definitief die nieuwe weg zijn ingeslagen.

Mevrouw Vandromme heeft het woord.

Ik wil nog kort even stellen dat onze fractie zeker altijd bezorgd blijft over de kwaliteit van ons onderwijs en ook de nood ziet aan extra instrumenten om te gaan meten waar het probleem precies ligt. Kwaliteitszorg is voor ons dus zeker een prioriteit. Toch benoemen we ook graag de bezorgdheid die u daarnet ook aanhaalde en houden we op dat vlak toch graag de vinger aan de pols, zodat die informatie bewaakt blijft. We willen zeker niet dat er rankings van scholen ontstaan die dan gebruikt worden om het onderwijs in kaart te gaan brengen. Dat is het laatste wat we willen.

Nog een laatste bedenking: ik denk dat we er alles aan moeten doen om scholen, zoals u ook al aangaf, goed datageletterd te maken, zodat ze aan de slag kunnen met de informatie die dan verzameld wordt via de gestandaardiseerde, genormeerde en gevalideerde proeven – ik had de afkorting niet genoteerd.

De heer Daniëls heeft het woord.

Dank u wel voor dat stukje dictee, collega Vandromme: G³NKOP. Dat is bij deze geregeld.

Minister, bedankt. Ik roep eigenlijk alle partners op, zowel de wetenschap als de koepels, om hier gestaag aan verder te werken, met een open blik en met de bedoeling om op Vlaams systeemniveau info te hebben en om scholen valide info te geven om aan hun onderwijskwaliteit te werken en daar zicht op te hebben. Dat kan voor iedereen alleen maar winst opleveren, leerwinst in dezen. Ik vraag ook dat iedereen zich bewust wordt van zijn rol in dit verhaal en dat we de debatten van vroeger achter ons laten. Maar inderdaad, de gevaren uit het buitenland, waar men soms echt is doorgeslagen, die mogen we niet meenemen, al vrees ik daar niet echt voor, net vanwege onze Vlaamse nuchterheid.

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is gesloten.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.