U bent hier

– Wegens de coronamaatregelen werden deze vragen om uitleg via videoconferentie behandeld.

De heer Steenwegen heeft het woord.

Hoe goed kippenhouders ook hun best doen, stallen van vleeskippen zorgen voor geurhinder. Om na te gaan of de theoretische modelleringen die voor een vergunningsaanvraag worden gemaakt, overeenkomen met de realiteit, besliste de provincie West-Vlaanderen in maart 2018 om hierover een studie te laten maken. Want hoewel uit de modellering bleek dat de geurimpact aanvaardbaar zou zijn, werden er in het openbaar onderzoek ernstige bezwaren ingediend.

Aan de hand van snuffelmetingen werden bij acht bedrijven de reële geuremissies opgevolgd in de periode van 2018 tot en met 2019. Het ging bij die bedrijven om zowel klassieke als emissiearme stallen. Begin vorige maand werd de studie door de deputatie van West-Vlaanderen besproken. De conclusie bevestigt dat de theoretische modellen niet overeenstemmen met de realiteit: ze onderschatten de geurhinder. De studie bevestigt de vermoedens die er al waren. Ze bevestigt het algemene aanvoelen dat de huidige geurimpactbepaling op basis van het olfactometrische geuremissiecijfer niet overeenstemt met de vaststellingen tijdens de metingen. Wetende dat er de laatste jaren een sterke groei aan kippenstallen is, moeten we beseffen dat de reële impact van die kippen groter is dan we eigenlijk dachten.

De conclusie van het onderzoek is dus dat die theoretische modellen zouden moeten worden aangepast. Hoewel de studie werd uitgevoerd door de provincie West-Vlaanderen, is het logisch dat de conclusies daaruit niet alleen in West-Vlaanderen zouden moeten leiden tot een aanpassing van het beleid, maar op het hele Vlaamse grondgebied.

Minister, bent u op de hoogte van de resultaten van deze studie?

Bent u bereid om deze praktijkresultaten te gebruiken in de vergunningverlening, zodat het al of niet toekennen van een vergunning op basis van mogelijke geurhinder beter overeenstemt met de werkelijke hinder?

Welke stappen bent u bereid daarvoor te zetten?

De heer Vandenhove heeft het woord.

Voorzitter, minister, collega’s, ik zal de analyse niet herhalen. Mijn vragen betreffen hetzelfde onderzoek. Ik ga ervan uit dat u op de hoogte bent van dit onderzoek. Maar hoe evalueert u het resultaat?

Bent u ertoe bereid om de inschatting van de geurimpact te gebruiken in heel Vlaanderen bij milieueffectrapporten (MER's) en vergunningsdossiers?

Zoals collega Steenwegen aangaf, blijkt hieruit nog maar eens heel duidelijk dat de effectieve overlast, geuroverlast, altijd hoger ligt dan de cijfers in rapporten aangeven.

Minister Zuhal Demir

Collega’s, uiteraard zijn we ook op de hoogte van de studie en de verkregen resultaten. De geurimpact van een bedrijf kan worden bepaald aan de hand van twee methoden: snuffelmetingen en een theoretische modellering. Bij snuffelmetingen wordt op het terrein nagegaan wat de geurimpact is voor de omwonenden. Bij de theoretische modellering wordt per dier een geuremissiefactor bepaald aan de hand van geurmonsters. MER- en geurstudies worden berekend aan de hand van een vastgestelde geuremissiefactor per diersoort.

De geuremissiefactor die thans is vastgesteld voor vleeskippen bedraagt 0,33 odeur units.

De studie die is uitgevoerd in opdracht van de provincie West-Vlaanderen heeft de emissies van vleeskippen in kaart gebracht met behulp van snuffelmetingen. Hieruit blijkt dat een vleeskip een geuremissiefactor zou hebben van 0,77 odeur units.

De aanwijzing dat de thans gehanteerde geuremissiefactor in de MER- en geurstudies te laag zou zijn, wordt uiteraard ernstig genomen. De administratie werkt dan ook aan een evaluatie van de bestaande geuremissiefactor voor vleeskippen die nu 0,33 odeur units is.

In het afgelopen anderhalf jaar zijn door het Instituut voor Landbouw- en Visserij- en Voedingsonderzoek (ILVO) in het kader van de referentietaken voor het beleidsdomein Omgeving geuremissiemetingen uitgevoerd bij vleeskippenbedrijven. De resultaten van deze metingen zijn uitgevoerd met het oog op een herziening van de geuremissiefactor voor de vleeskippen. De metingen zijn recentelijk gefinaliseerd. De meetgegevens worden op dit moment verwerkt en afgetoetst aan de resultaten van de West-Vlaamse geurstudie.

Deze geuremissiefactor zal begin 2021 worden afgeklopt en zal de huidige geuremissiefactor voor vleeskippen, zoals opgenomen in het Richtlijnenboek Landbouwdieren, vervangen.

De heer Steenwegen heeft het woord.

Minister, ik ben blij met uw antwoord. Het is natuurlijk een goede zaak dat u op Vlaams niveau dit onderzoek verderzet, daar ook de nodige conclusies aan verbindt en omzet in regelgeving, zodat de werkelijkheid beter in rekening wordt gebracht.

Het is toevallig, maar vandaag stond er alweer een zeer interessant artikel van Ine Renson in De Standaard, die een vernietigende analyse maakt van de manier waarop de dossiers worden voorbereid bij het verlenen van vergunningen voor stallen. Er zou een complete verweving zijn tussen de bureaus die de MER’s maken en de veevoederproducenten die de volledige keten beheersen. De opmaak van de MER’s gebeurt niet meer onafhankelijk en men neemt er vaak foute gegevens in op. Men gebruikt gemiddeldes daar waar men een totaal andere manier moet gebruiken om de emissies te berekenen en aan te geven. Gemeenten zijn niet in staat om die MER’s te beoordelen, omdat men er de capaciteit niet voor heeft. Men zegt dat men steunt op de MER-deskundigen die geacht worden onafhankelijk te zijn om deftige rapporten te maken. Er zijn maar een drietal bureaus die die MER’s maken en die de hele vergunningsverlening in handen nemen, samen met de rest van de keten. Die keten is trouwens ook nog sterk verbonden met de grootste landbouwersorganisatie, om maar iets te zeggen. De enorme verwevenheid in deze sector is ongezond. Als je het artikel leest, is het echt ongelooflijk.

Minister, deze vraag gaat specifiek over de geuremissie, maar op basis van dit artikel moet ik toch tot de conclusie komen dat het probleem nog veel groter is dan dit. Er is echt een fundamenteel probleem in de manier waarop vandaag MER-studies en andere ondersteunende studies gebeuren, met de tussenkomsten van die bedrijven in de vergunningsverlening, met het deelnemen aan hoorzittingen. We moeten ons daar vragen bij stellen.

Minister, zijn er andere initiatieven die u neemt vooral in verband met de MER, een zeer essentieel voorwerp van een vergunningsverlening waarop heel veel wordt gebaseerd? Maar vandaag moeten we vragen stellen over de waarde van de MER’s en de oprechtheid waarmee ze zijn opgesteld en ook over de mogelijkheden die de overheid heeft, zowel de Vlaamse MER-dienst als de gemeenten die de vergunningen moeten adviseren, maar die blijkbaar niet de capaciteit hebben om die MER’s te beoordelen. In een vorig artikel hebben we kunnen lezen dat het aan de burgers is om hun tijd te steken in het werk dat eigenlijk door die onafhankelijke MER-deskundigen en door de overheid zou moeten gebeuren.

Mijn bijkomende vraag is hoe het zit met de MER’s. Hebt u daar een zicht op? Wenst u een initiatief te nemen om de werking van de MER’s te verbeteren?

De heer Vandenhove heeft het woord.

Ik kan me weeral aansluiten bij de heer Steenwegen. Dat is het voordeel als je dezelfde vragen stelt, gebaseerd op dezelfde gegevens. Minister, het is heuglijk nieuws dat op basis van de studies, zelf gedaan, en nu ook de studie in West-Vlaanderen, die u naast elkaar gaat leggen, de geuremissie zal worden geëvalueerd en dat we in 2021 allicht een aanpassing zullen krijgen. Dat is een heel goede zaak.

Zoals collega Steenwegen zegt, denk ik inderdaad dat deze problematiek een breder debat vereist. Ik begrijp uit de berichtgeving in de media dat het debat op het niveau van de Vlaamse Regering al bezig is. Daar kunnen we alleen maar blij om zijn. Het zou natuurlijk niet slecht zijn dat we dat debat ook in de commissie zouden voeren, dan kan men stoppen met het gepingpong over bashen of niet bashen. De realiteit is de realiteit en dat heeft met bashen niets te maken.

Minister, een grote concentratie aan veeteeltbedrijven in een gemeente zorgt voor enorm veel overlast. Dit gezegd zijnde, bijkomend aan wat collega Steenwegen zei over die MER’s: zou het niet goed zijn om te overwegen om de veestapeldichtheid in kaart te brengen en een maximale veedensiteit per geografisch gebied op te leggen? Dat is vaak het probleem. Men beoordeelt per bedrijf, per aard van het dier waarover het gaat, maar eigenlijk zou de overlast in zijn geheel moeten worden gemeten. Daarom de vraag om een globaal cijfer.

Mevrouw Rombouts heeft het woord.

Minister, dank u wel voor het antwoord. Ik heb de indruk dat in beide replieken de scope van het debat wel heel ruim wordt opengetrokken. Ik ga me vooral richten op het element van de geur, waar de vraag over ging.

Minister, ik ben blij dat u verwijst naar de lopende studies van onder andere ILVO. Het was de bedoeling om daarvan in november de resultaten te kunnen hebben, maar die zijn er door coronatijden wat later. Het is belangrijk dat we alle gegevens kunnen samenleggen. Er zou ook nog een studie zijn vanuit het Departement Omgeving, waarin heel duidelijk de vraag wordt gesteld naar geur op basis van ... (onverstaanbaar)… maar ook de ... (onverstaanbaar) … enerzijds geur en geuroverlast, want dat zijn twee elementen die in heel het verhaal over geur moeten worden samengebracht om effectief een oordeel te kunnen vellen. Daarbij beseffen we dat geur een heel moeilijk element is. Als ik daarover praat met experten en onderzoekers, geven zij aan dat het een heel complex gegeven is, dat onderhevig is aan heel veel factoren, zelfs aan subjectiviteit. Het is dus belangrijk dat we dat op een goede manier in kaart kunnen brengen en dat we alle studies die er zijn, samenbrengen. Minister, wanneer zal het onderzoek van het departement er zijn? Hoe gaan we daarmee om?

Op de andere elementen ga ik nu niet in, maar ik doe dat graag op een later moment.

Minister Demir heeft het woord.

Minister Zuhal Demir

Dank u, collega's. Ik denk dat het aspect geurhinder terecht een grote bezorgdheid is bij ieder van jullie. In heel veel dossiers komt dat, zeker in beroep, naar boven. Het is altijd een moeilijk evenwicht vinden tussen de mensen die er wonen en het bedrijf dat de aanvraag doet.

Het is goed dat er heel wat studies zijn. Er is ook verwezen naar de studie van Omgeving, we hebben de studie van ILVO over de geurhinder in Wuustwezel en de studie in West-Vlaanderen. Het is goed dat we dat volgend jaar allemaal bijeenbrengen en dan gaan kijken wat we effectief gaan vervangen.

Het is voor iedereen belangrijk, of dat nu de aanvrager is of de mensen die er wonen, dat daar duidelijkheid over is.

Wat betreft de MER had ik even geleden al aangekondigd dat ik dat zou herbekijken, nog voor de stukken in De Standaard verschenen. We zijn er dus mee bezig om de MER te bekijken en aanpassingen door te voeren, want het staat buiten kijf dat deskundigen onafhankelijk moeten zijn. We zullen dat evalueren en de gepaste maatregelen nemen, zodat ook daar duidelijkheid over is.

Lokale besturen zeggen steeds meer dat ze niet de knowhow hebben die Vlaanderen of het kabinet heeft. We voelen bij heel veel lokale besturen de vraag naar ondersteuning. Ook dit staat op de agenda om na te gaan hoe we dit op een goede manier kunnen aanpakken.

De heer Steenwegen heeft het woord.

Minister, ik dank u voor uw antwoord. Ik ben natuurlijk blij dat daarop verder wordt gewerkt, want dat is belangrijk bij het opmaken van MER’s. Er zijn heel veel MER-deskundigen die hun werk op een heel goede manier doen. Daar gaat het dus niet om. We zien hier – en dat is in andere sectoren ook zo – dat er een soort specialisatie komt, waardoor men telkens bij dezelfde bedrijven terechtkomt. Wanneer die adviesbureaus ook nog eens voor 100 procent verbonden zijn met de sector zelf, dan is er toch wel een probleem.

Het is op al die fronten nodig om een grondige analyse te maken en ervoor te zorgen dat er voldoende studiemateriaal is, dat er voldoende basisgegevens zijn en dat op basis daarvan heel objectieve en correcte richtlijnen opgemaakt kunnen worden, waar iedereen zich aan kan houden.

De heer Vandenhove heeft het woord.

Dit wordt ongetwijfeld vervolgd. Ik kan niet genoeg benadrukken dat ik hoop dat u de minister bent die de link die in deze sector heel duidelijk bestaat, doorknipt, of het nu MER-bureaus zijn, studiebureaus of mensen die in de sector zelf actief zijn. Dit is iets dat de landbouwsector al jaren kenmerkt en ervoor zorgt dat we op het vlak van klimaat niet de cijfers halen die we zouden moeten halen.

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is gesloten.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.