U bent hier

– Wegens de coronamaatregelen werden deze vragen om uitleg via videoconferentie behandeld.

De heer Ongena heeft het woord.

Als u dan toch moet bellen naar uw collega’s in de regering, moet u misschien ook eens bellen naar uw collega van Omgeving. Ik heb deze vraag ingediend bij het ontstaan van de commotie enkele weken geleden, maar die commotie is nog altijd bezig, na uitspraken van uw collega van Omgeving. Zij sprak haar liefde uit voor kleinschalige, familiale boerderijen en voor landbouw in korte keten. Maar irritant voor een bepaald deel van de landbouwsector is dat haar vergunningsbeleid het moeilijker maakt om vergunningen te krijgen voor grotere inrichtingen. Het resultaat van een stringenter vergunningsbeleid en de uitspraken van uw collega heeft ervoor gezorgd dat men in de landbouwsector kwaad is.

Concreet is er een open brief geweest van Sonja De Becker, voorzitter van de Boerenbond. Zij maakt er haar beklag over dat de Vlaamse Regering de mond vol heeft van een relancestrategie en van het ondersteunen van ondernemers maar daarbij de landbouwers, die ook ondernemers zijn, vergeet. Zij vraagt ruimte voor de landbouwers om te kunnen ondernemen. Bij landbouwers is ruimte om te ondernemen zeer letterlijk te nemen: zij hebben grond nodig. Bovendien is er behalve het vergunningsbeleid en de uitspraken van de minister van Omgeving ook het bosuitbreidingsbeleid dat de landbouwers zenuwachtig maakt. Vaak ziet men natuur en bos als vijand van de landbouw, hoewel ze hand in hand zouden kunnen gaan. Ik heb het daar al vaker over gehad in deze commissie. Alles samen had tot gevolg dat die open brief er kwam en dat er commotie is in de landbouwsector. Vandaar mijn vraag om uitleg aan u, minister van Landbouw.

Hoe reageert u op de open brief van de voorzitter van de Boerenbond om boeren meer ruimte te geven? Zult u een gesprek aangaan met uw collega van Omgeving om na te gaan op welke manier de toekenning van vergunningen voor landbouw kan worden bijgestuurd, in de lijn van de doelstellingen van de relancestrategie die wij samen hebben afgesproken? Welke maatregelen zult u zelf nemen om landbouwers meer zekerheid te bieden om te ondernemen? Hoe wilt u het verlies van landbouwarsenaal, dat er toch ook wel is, tegengaan?

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Ik zal proberen op uw vraag te antwoorden. Maar er komt nog een vraag over de veehouderij en die overlapt met uw vraag. Die vragen hadden volgens mij wel gebundeld mogen zijn. Nu moet ik mij in bochten wringen om apart te antwoorden op vragen die eigenlijk samenhangen.

Als iedereen akkoord gaat, stel ik voor dat de vragen van collega Steenwegen en collega Vandenhove gekoppeld worden aan deze vraag. Dan behandelen wij die drie vragen samen. (Instemming)

De heer Steenwegen heeft het woord.

Minister, mijn vraag sluit inderdaad aan bij die van collega Ongena. De afgelopen weken konden we in de media lezen dat er de laatste jaren steeds meer vergunningen voor veestallen zijn aangevraagd en dat er een schaalvergroting is bij de aanvragen. Die evolutie dreigt de milieuruimte in te nemen en ook die van andere landbouwbedrijven.

Uw collega, minister Demir, reageerde in de media dat ze strenger ging zijn op het goedkeuren van aanvragen. Als reactie hierop hebben de landbouwbelangenverenigingen hun bezorgdheden geuit. Mijn vraag om uitleg stel ik omdat ik vrees dat de polarisatie tussen milieu en landbouw weer zal vergroten, terwijl ik denk dat het in ieders belang is dat wij proberen die tegenstelling te overstijgen. Samen met uw collega Demir kunt u daarin een rol spelen. Ik denk dat wij nood hebben aan een toekomstvisie.

Zowel de Vlaamse veetelers als de mensen uit de sector zelf zitten met veel vragen over hun toekomst. Wat is nog de toekomst van de veeteelt in Vlaanderen? Maar ook andere partijen stellen zich die vraag. Wat is nog inpasbaar in ons landschap? Welke ruimte kunnen we daar nog voor maken? Welke vormen van landbouw kunnen waar?

Die discussie leidt ook in andere landen tot een aangepaste regelgeving. In Nederland bijvoorbeeld werkt men met het concept staldering. Nederland heeft een rem gezet op de groei van de veestapel en wil de veestapel een beetje inkrimpen door staldering. Dat betekent dat men enkel een nieuwe stal kan bouwen wanneer een oude stal verdwijnt en dat ook het aantal dieren dat kan worden gehouden, vermindert. Op die manier werkt men naar een kleinere veestapel.

Minister, welke stappen zult u richting uw collega, minister Demir, zetten om de belangen tussen landbouw en leefmilieu te verenigingen en constructief samen te werken?

Ziet u het nut in van een gezamenlijk strategisch plan voor de veesector, waarin de mogelijkheden maar ook de limieten van de veestapel die we in Vlaanderen aankunnen, worden vastgelegd?

Bent u het concept van staldering genegen of ziet u andere mogelijkheden om controle te houden over de Vlaamse veestapel en in te zetten op een verduurzaming van de veestallen?

De heer Vandenhove heeft het woord.

Voorzitter, minister, collega’s, mijn vraag gaat inderdaad in dezelfde richting. Ik had mijn vraag ingediend naar aanleiding van de hoorzitting die we hebben gehad over de nieuwe invulling van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) en over de wijze waarop dat nieuwe GLB kan werken voor de landbouwer en voor de natuur.

Een van de aanbevelingen die door een paar experten werden gedaan, was de ontwikkeling van een plan voor de ontwikkeling van de veeteeltsector op lange termijn, zoals ook de heer Steenwegen al zei. Het regeerakkoord bepaalt dat de gekoppelde steun voor de rundsvleessector afgebouwd wordt tegen 2027. Deze gekoppelde steun zorgt voor welvaartverlies en een grotere veestapel. Het is dus niet meteen een slechte zaak dat die afgebouwd wordt, maar het is wel nodig dat er een plan komt over de toekomst van de rundsvleessector in Vlaanderen.

Daarnaast formuleerde de EU in haar Green Deal ook de doelstelling om 10 procent van het landbouwgebied te vrijwaren voor biodiversiteit. Een manier om dat te bereiken is door ecoregelingen in te zetten om landbouwers te ondersteunen bij het onderhouden van waardevol grasland. Deze regeling kan men eventueel nog verder differentiëren door bepaalde maatregelen die de biodiversiteit en CO2-captatie verhogen, extra te vergoeden. Met dergelijke initiatieven kunnen we voor beide uitdagingen al voor een deel een oplossing vinden.

Minister, wordt er een actieplan opgemaakt over de toekomst van de rundsvleesindustrie?

U liet eerder al vallen dat er een alternatief komt voor de gekoppelde steun en dat dit mogelijk gekoppeld zal zijn aan klimaatinspanningen in het kader van het GLB. Onderzoekt u die pistes, nu de opmaak van het strategisch plan bezig is? Wordt een vergoeding voor het onderhoud van grasland overwogen?

Ik had deze vraag al een aantal keer ingediend in het kader van het GLB, maar zij werd telkens uitgesteld. Zij heeft al dusdanig weinig te maken met de politieke discussie die de laatste weken is ontstaan over het al dan niet toekennen van vergunningen voor bedrijven.

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Collega Ongena, de vraag van de sector is terecht. De landbouwsector is een heel grote ruimtegebruiker en bewaart die ruimte ook zoveel mogelijk als een grote ruimte, waar het aangenaam is om te vertoeven en waarin er naast productieve doelen ook steeds meer aandacht is voor de realisatie van milieu en maatschappelijke doelen. De boer heeft er dus eigenlijk geen belang bij dat goede gronden worden omgezet en het schaadt hem natuurlijk op vele vlakken wanneer dat toch gebeurt. Daarbij aansluitend wil ik een oproep doen om onze boeren iets vaker te zien als een deel van de oplossing voor heel veel uitdagingen.

Ik verwijs ook naar wat collega Steenwegen zei, namelijk dat de belangen van landbouw en leefmilieu niet systematisch tegenover elkaar mogen worden geplaatst. Dat brengt ons geen stap dichterbij. Het is geen wij-zijverhaal, omdat de uiteindelijke doelstellingen en belangen dezelfde zijn. Zowel de landbouw als de maatschappij is gebaat bij een gezonde bodem, een gematigd klimaat, voldoende drinkwater, een goed bodemleven en een duurzaam landbouwsysteem.

De meningen kunnen verschillen wanneer het gaat over de instrumenten om deze doelen te bereiken, maar ik zie al veel acties en maatregelen die de landbouwsector neemt om tegemoet te komen aan een verbetering van de leefmilieukwaliteit. Ik denk bijvoorbeeld aan de aanleg van kleine landschapselementen, de inzaai van teelten die de biodiversiteit bevorderen, maatregelen tegen erosie, teeltrotatie, verminderd pesticidegebruik, verhoogd dierenwelzijn enzovoort.

Ik zou echt willen oproepen om die tegenstelling die zo vaak wordt gezocht, te overstijgen en om meer dan ooit het gesprek aan te gaan om de enorme uitdagingen waar we voor staan aan te kunnen.

Wat de ruimte betreft, heb ik vorige week in de commissie mijn mening hierover al gegeven en ik zal ze nog eens herhalen. Landbouwers hebben recht op rechtszekerheid en op ruimte om te ondernemen. Elke vergunningsaanvraag wordt individueel beoordeeld op haar impact op de omgeving. Wanneer blijkt dat aan alle voorwaarden is voldaan, dan vind ik dat die landbouwer recht heeft op zijn vergunning. Dat is een redenering die wordt toegepast op alle ondernemers en die dus ook moet worden toegepast op onze landbouwers. Ik ben altijd bereid om mee te zoeken naar rechtszekere oplossingen voor de landbouwsector die breed kunnen worden gedragen, maar sowieso is het systematisch weigeren van vergunningen geen duurzaam model. Dat is ook niet de bedoeling. Ik heb begrepen dat collega Demir vanmorgen ook al heeft geantwoord op een aantal vragen ter zake, onder meer van collega Rombouts. Het bieden van een rechtszeker kader is voor mij als minister van Economie maar ook als minister van Landbouw zeer belangrijk.

Wat mij betreft, hebben we nood aan een goed kader voor het beschermen van de open ruimte, met duidelijke regels en met rechtszekerheid voor onze bedrijven maar ook voor particulieren en andere bedrijven. Ik zie vandaag nog altijd een aantal verspreide zonevreemde ontwikkelingen in het agrarisch gebied. Ik vind dat op zich geen gezonde situatie, want daardoor verdwijnt open ruimte in sneltreinvaart, is er extra versnippering en mobiliteitsdruk en ontstaat ook een enorme druk op de prijzen. Het grootste probleem bij jonge boeren vandaag is betaalbare grond. Dat rechtszekere kader is dan ook van groot belang.

Ik weet dat er extra inspanningen nodig zijn. De kern van het probleem voor mij is nog altijd dat onze landbouwers niet of onvoldoende vergoed worden door de markt voor de inspanningen die zij leveren. Om te overleven in een competitieve markt, kiezen onze landbouwers vandaag nog zeer vaak voor kostenleiderschap. En ze staan hierin niet alleen, dat zien we in alle commerciële sectoren van onze economie. Wanneer retailers prijzenoorlogen voeren om de consument te verleiden, hebben we geen hogere wiskunde nodig om te beseffen dat hun leveranciers mee in het bad zitten.

Het is verleidelijk om dit debat enkel toe te spitsen op de aanbodzijde van de markt, de boeren en de agrovoedingsketen, maar het is net dat wat onze landbouwers frustreert, want de vraagzijde wordt in dit verhaal volledig genegeerd. Ik deel die frustratie.

Ik blijf de selectiviteit die aan de dag wordt gelegd tussen productiesectoren, zeg maar onze maaknijverheid, markant vinden. Wanneer een elektronicafabrikant groeit en als gevolg van schaalvoordelen betere voorwaarden kan aanbieden in de markt, staan we daar positief tegenover, want als consument kunnen we hierbij een voordeel doen. Voor landbouw gelden die wetmatigheden ogenschijnlijk niet. Ik zeg ogenschijnlijk, want de paradox is dat de maatschappij geen probleem lijkt te hebben met het streven naar kostenleiderschap in de landbouwsector omdat dat welvaart creëert en leidt tot voedselprijzen die talrijke andere bestedingen mogelijk maken binnen het gezinsbudget. Wij vinden het allemaal aantrekkelijk dat er goede prijsacties zijn, maar de rekening moet altijd door iemand betaald worden. Dat wil ik ook meegeven, vooraleer ten gronde op de vragen in te gaan.

De fundamentele discussie is eigenlijk of we een plaats zien voor onze boeren als ondernemers in onze huidige vrijemarkteconomie. Tot 1992 waren er de Europese productiequota en werd de aanbodzijde gestuurd vanuit de overheid, maar dat werkte niet in een vrijgemaakte markt en was dus onbetaalbaar. Ik kan het niet plaatsen dat men gaat pleiten om minder voedsel te produceren. Minder dieren, dat is minder melk, eieren, vlees, dus minder voedsel, terwijl er zelfs in ons land jaarlijks 40.000 mensen meer gevoed moeten worden door de bevolkingstoename. Op mondiaal niveau is de bevolkingsaangroei nog sterker. De echte uitdaging waar we volgens mij voor staan, is om de productie te verduurzamen, om ons voedsel zo duurzaam mogelijk te produceren. Daar zie ik dat de boeren zeker bereid zijn die uitdaging aan te gaan. Als we willen dat ze werken aan die maatschappelijke doelen, zullen we ook moeten werken aan de billijke verloning, want het blijven ondernemers die hun boterham moeten verdienen.

Collega’s, zo kom ik uiteindelijk bij de vragen. Collega Vandenhove, ik weet dat uw vraag al eerder gesteld was, en ik weet ook dat ze al een paar keer uitgesteld is. Maar het is misschien goed dat de drie vragen, van collega’s Ongena, Steenwegen en Vandenhove, samenkomen, omdat het velen aanbelangt en omdat de drie thema’s ook grote raakvlakken met elkaar hebben.

Op het vlak van biodiversiteit, klimaat en milieu zijn extra inspanningen nodig om de toekomstige dierlijke productie binnen de grenzen van de milieugebruiksruimte te houden. Daar zijn we het allemaal wel over eens. Veel van die milieudoelstellingen zijn internationaal vastgelegd, zoals in de nitraatrichtlijn, de kaderrichtlijn water, de NEC-richtlijn (national emission ceiling), de internationale klimaatafspraken en de Natura 2000-richtlijnen. Naast die Europese doelen worden in Vlaanderen voor elk van de sectoren specifieke doelstellingen opgelegd. Ik schaar mij achter de realisatie van de Europese en de Vlaamse afspraken. We moeten ons ook telkens de vraag stellen met welke instrumenten we bepaalde doelstellingen het beste kunnen bereiken en ook rechtszekerheid kunnen bieden aan onze boeren.

Ik breng ze ook graag nog eens in herinnering, om alle misverstanden te vermijden. De landbouwsector is globaal genomen, ETS (emissions trading scheme) en non-ETS samen, verantwoordelijk voor minder dan 10 procent van de totale CO2-uitstoot in Vlaanderen. Als we enkel naar non-ETS kijken, is de landbouw verantwoordelijk voor 17 procent, transport voor 36 procent en gebouwen voor 28 procent. De reductie die de landbouwsector moet realiseren, is 26 procent in 2030 ten opzichte van 2005, waar dit 40 procent is voor gebouwen en 23 procent voor transport. Dat zijn de cijfers en de doelstellingen. Ik heb vorige week nog aan iemand van de pers moeten uitleggen dat er wel degelijk een doelstelling is voor de landbouw. Men ging er zo van uit dat de landbouw niets moest doen, maar de inspanning die gedaan moet worden, is echt niet te versmaden.

Daarnaast zijn er ook een aantal economische vaststellingen waarmee onze boeren rekening moeten houden, zoals: hoe evolueert de vraagzijde op het vlak van hoeveelheid en consumentenvoorkeuren? Het is dus aan elke boer om bedrijfsrisico’s in te schatten en in functie daarvan keuzes te maken en een bedrijf toekomst te geven.

Wat is mijn plan, collega Vandenhove? Voor mij is de uitdaging om te kijken hoe we de boeren kunnen begeleiden in het overschakelen naar meer duurzame verdienmodellen, met respect voor de boer die finaal zelf een doordacht bedrijfsmodel moet kunnen uitbouwen. Ik ben niet de overheid die gaat opleggen wat hij moet doen. Maar wij moeten wel het aanbod doen en zorgen dat er begeleiding is als men wil overschakelen. We hebben een digitale tool, die heet de Verdienwijzer. Wat mij betreft is dat een laagdrempelig instrument. Daarnaast zetten we ook in op naschoolse vormingen, waar veel meer dan vroeger de nadruk gelegd zal worden op die verdienmodellen, op inzicht in bedrijfseconomische gegevens, op samenwerking, op korte keten. Ook in het nieuwe gemeenschappelijk landbouwbeleid zullen een aantal hefbomen voorzien zijn om boeren die willen omschakelen, te ondersteunen, met bijzondere focus op onze jonge boeren en op landbouwers die meer willen samenwerken met collega’s. Die samenwerking is voor mij cruciaal om je positie op de markt voor een stuk sterker te maken.

Ook het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds (VLIF) zal nog meer dan vandaag inzetten op innovatie en verduurzaming van onze familiale bedrijven. Vandaag focust het VLIF al op die familiale bedrijven, bijvoorbeeld door het merendeel van de VLIF-investeringssteun enkel te verlenen aan bedrijven met een maximaal bruto bedrijfsresultaat van 800.000 euro. Ik zal dit in de toekomst blijven doen.

Collega’s, we hebben nood aan een mix van verdienmodellen, kleinschalige bedrijven die hun volledige productie lokaal kunnen vermarkten, bedrijven die een-op-een samenwerken met een grotere afnemer, grotere bedrijven die inspelen op een specifieke vraag op de markt. Het is net die variatie die ons in de toekomst sterker en weerbaarder zal maken. Het is die mix die we ook zullen stimuleren via het nieuwe GLB en via de overgangsmaatregelen van het aflopende GLB de volgende twee jaar.

Daarnaast moeten we boer en consument dichter bij elkaar brengen, zodat de consumenten bewustere keuzes kunnen maken in de winkel en er een gezonde voorkeur voor Vlaamse producten ontstaat. Dit is het uitgangspunt van het project lokale voeding dat het Vlaams Centrum voor Agro- en Visserijmarketing (VLAM) sinds september coördineert en dat verder zal worden uitgerold in de Vlaamse voedselstrategie.

Specifiek voor de dierlijke sectoren stelt het Instituut voor Landbouw-, Visserij- en Visserijonderzoek (ILVO) bijvoorbeeld de Routeplanner Melkvee ter beschikking die in de toekomst zal worden uitgebreid naar de varkenssector, uiteraard zonder melk dan. De routeplanner is een tool die boeren helpt om beslissingen te nemen. Op basis van bedrijfsspecifieke inzichten worden een aantal opties voorgesteld die op lange en middellange termijn voor een melkveebedrijf of de melkveetak op een bedrijf, leiden tot betere economische bedrijfsprestaties. De tool geeft ook aan welke keuzes economisch gezien interessant zijn en ook waarom die keuzes interessant zijn. De meerwaarde van de routeplanner is enerzijds dat de tool bedrijfsspecifieke doorrekening toelaat en anderzijds dat de link wordt gelegd met prestatie-indicatoren op het vlak van rendabiliteit, milieu- en in de toekomst ook klimaatprestaties. Die routeplanner kan bovendien gecombineerd worden met energiescans of klimaatscans. Vandaag maakt al een honderdtal bedrijven gebruik van deze tool. Dat aantal zal in de toekomst nog stijgen.

Wat het concept staldering betreft, denk ik dat u twee zaken door elkaar haalt. Vergeef me als ook ik me vergis. Het is feitelijk onjuist dat de veestapel explodeert in Vlaanderen. Over ideologische visies kunnen en moeten we debatteren in het parlement, maar over de cijfers valt weinig te discussiëren.

Onder veestapel vallen drie diersoorten: runderen, varkens en kippen. Voor twee soorten is de omvang niet groeiend maar dalend. Er waren de voorbije twintig jaar nooit zo weinig runderen en varkens in Vlaanderen als vandaag. Het aantal kippen stijgt wel, maar dat laat niet toe om van een groeiende totale veestapel te spreken. Bovendien heeft de landbouwsector onder het voorlopige Programma Aanpak Stikstof (PAS) als enige economische sector een emissieplafond opgelegd gekregen, terwijl andere sectoren nog altijd een groei kunnen realiseren.

Een andere misvatting is volgens mij dat schaalverandering recht evenredig is met de impact op milieu of klimaat. Dat klopt niet. Net zoals een nieuwe industriële installatie minder impact zal hebben dan een oude fabriek, zal ook een nieuwe of moderne stal waarin de best beschikbare technieken zijn toegepast, tot minder emissies leiden.

Maar in plaats van het aanbod te sturen vanuit de overheid, geef ik er de voorkeur aan om boeren duidelijke keuzes te laten maken, net zoals we ruimte voor ondernemen creëren voor andere sectoren.

Mijn voorkeur gaat uit naar maatregelen die bottom-up worden genomen. Het convenant ‘enterische emissies’, dat loopt van 2019 tot 2030, is daar een mooi voorbeeld van. De sector neemt daar zelf het voortouw om nieuwe maatregelen voor methaanreductie bij rundvee uit te denken en te implementeren. De innovatie die daar wordt gerealiseerd, heeft geleid tot wereldwijde faam, omdat onze voedselstrategie op die dieren zoveel succes heeft voor de methaanproductie. Ik steek ook niet onder stoelen of banken dat wanneer de resultaten er in 2025 niet zijn, we bijkomende maatregelen zullen nemen.

Collega Vandenhove, wat de zoogkoeien betreft, onderzoekt het Departement Landbouw en Visserij inderdaad ook de mogelijkheid om maatregelen te ontwikkelen gericht op het behoud en beheer van graslanden, met als doelstelling bij te dragen aan de klimaatdoelstellingen. Dat soort maatregelen kan passen binnen zowel de ecoregelingen als de meerjarige agromilieu- en klimaatmaatregelen. Zodra het Europese kader vastligt, kunnen we hier ook mee verder gaan.

Ik wil ook nog even melden dat ik zeer nauw overleg pleeg met collega Demir, dat het absoluut onze bedoeling is om samen te werken. Als bevoegd minister heeft zij enorme uitdagingen, die ze vanochtend in de commissie heeft geschetst. Als minister van Landbouw heb ik ook enorme uitdagingen. We gaan dan ook een gevoelige periode tegemoet, waarin goede evenwichten moeten worden gevonden, maar het is absoluut de bedoeling om het recht op ondernemen, ook in de landbouwsector, te vrijwaren en hand in hand te laten gaan met de klimaat- en milieudoelstellingen die moeten worden gehaald.

De heer Ongena heeft het woord.

Minister, dit is een belangrijke en gevoelige discussie. We kunnen er niet naast kijken: de polarisatie tussen natuur en landbouw is helemaal terug. De geest is uit de fles, we betreuren het allemaal maar het is natuurlijk wel een feit. We merken dat aan alles. Er worden open brieven geschreven en mails verstuurd. In onze mailbox krijgen we de ene dag brieven van een natuurbeweging die zegt dat wat de boeren zeggen niet juist is, de andere dag zijn het mails van de landbouwsector, die beweert dat wat de natuurjongens zeggen niet juist is. De sfeer is niet goed. De serieuze focus op die megastallen en de veeteeltsector heeft de polarisatie opnieuw op de spits gedreven en jaagt de hele landbouwsector in het defensief, en terecht. We mogen niet in die val trappen.

U gaf zelf aan dat een landbouwer ruimte, rechtszekerheid en indien mogelijk ook minder papierlast vraagt. Dat zijn de drie grote vragen die landbouwers hebben en waar we niet doof voor mogen zijn.

Wat die ruimte betreft, maken we geen keuze. We pleiten voor een mix van verschillende modellen, niet exclusief voor de kleinschalige korte keten of omgekeerd enkel voor de megastallen. In het regeerakkoord is de keuze duidelijk: we willen een schaalverandering waarbij op maat van de boer wordt gewerkt en waarbij niet enkel ecologische duurzaamheid wordt nagestreefd, maar ook economische duurzaamheid.

Minister, het is belangrijk dat we de geest opnieuw in de fles krijgen met de keuzes die zijn gemaakt in het regeerakkoord. Daarvoor zou het misschien nuttig kunnen zijn dat u samen met minister Demir een of ander actieplan opstelt. Dat gebeurt ook op andere vlakken, bijvoorbeeld door de ministers Somers en Demir over de lokale klimaatplannen, door de ministers Somers, Demir en Beke over de handhaving van criminaliteit in steden en gemeenten. Daarbij probeert men de gevoeligheden bij de verschillende ministers wat samen te brengen. Ik denk dat een dergelijk gezamenlijk actieplan over de verzoening van een duurzame landbouw met de klimaatdoelstellingen, waarbij ook in de richting van de vergunningen wordt gekeken, misschien wel kan helpen om de geest opnieuw in de fles te krijgen en de polarisatie onder controle te krijgen. Dat zou een sterk signaal zijn.

Het is maar een suggestie, minister, u doet er mee wat u wilt, maar ik denk wel dat we een gemeenschappelijke doelstelling hebben, namelijk de onnodige polarisatie en tegenstellingen opnieuw onder controle krijgen. Hoe denkt u over dit idee, minister?

De heer Steenwegen heeft het woord.

Minister, ik ben toch wel wat ontgoocheld in uw antwoord, en ik zal u uitleggen waarom. We staan voor enorme maatschappelijke uitdagingen. Die worden het duidelijkst wanneer het gaat over het klimaat maar bij landbouw gaat het ook over andere vormen van impact. Ik verontschuldig me voor de collega’s die vanochtend de commissie Leefmilieu hebben gevolgd, want het zal een beetje een herhaling zijn, maar op een aantal systemen moeten wij echt een volledige transitie maken. Het gaat over mobiliteit, energie, ons ruimtegebruik en ons landbouw- en voedingssysteem. Op verschillende vlakken is wel degelijk een transitie bezig. Die is momenteel misschien het duidelijkst op het vlak van energie. We maken een volledige omschakeling naar duurzame en hernieuwbare energie. Ook bij mobiliteit worden grenzen gesteld aan wat nog draagbaar is. Wanneer de impact bijvoorbeeld inzake gezondheid in onze steden te groot is, wordt geprobeerd de impact te verlagen door middel van lage-emissiezones.

Die omslag moet ook gebeuren in ons landbouw- en voedingssysteem. We hebben al heel veel maatregelen genomen en er zijn al veel inspanningen gebeurd, maar we stellen vast dat we op die manier wellicht niet binnen die grenzen geraken. Ik verwijs daarbij onder andere naar het rapport van de Vlaamse Landmaatschappij (VLM), maar nog interessanter is het Natuurrapport dat maandag is voorgesteld. Ik adviseer om dat echt eens goed te bekijken.

Dat rapport zegt eigenlijk twee dingen. Op basis van de feiten en cijfers gaat het helemaal niet goed. Het is zorgwekkend dat op een aantal vlakken geen enkele vooruitgang meer werd geboekt. Maar daarnaast wordt daarin ook de hand gereikt naar de landbouwsector waar er een aantal taboes zijn. De discussie over die omslag is in andere sectoren volop bezig, maar in de landbouwsector blijkt dat bijzonder moeilijk te zijn. Men blijft zich blindstaren op technologische vernieuwingen, terwijl we allemaal weten dat dat onvoldoende zal zijn. Vandaar mijn oproep – en dat was ook de bedoeling van mijn vraag om uitleg – om naar de toekomst te kijken en samen met alle betrokkenen – en dan gaat het niet alleen over de landbouworganisaties en niet alleen over u en minister Demir – en actoren dat brede debat aan te gaan en samen te zoeken naar de toekomst van de veesector in Vlaanderen. Die zal bepaalde limieten niet mogen overschrijden.

We hebben het tijdens een van de vorige vergaderingen nog gehad over het begrip ‘milieugebruiksruimte’ in het kader van de vergunningenverlening. Het is niet zo dat elk bedrijf losstaat van de totale impact, we moeten kijken wat de lokale impact is van bepaalde activiteiten. Dat is zo voor landbouw en dat is zo voor andere sectoren.

Iedereen pleit voor rechtszekerheid, ik ook. We hebben het daar vanmorgen ook al uitgebreid over gehad met minister Demir, omdat het haar bevoegdheid is om die vergunningen te verlenen. Daarbij hebben we vastgesteld dat rechtszekerheid niet alleen geldt voor ondernemers, maar ook voor de andere partijen. Vele andere partijen voelen zich de laatste tijd in een heel rechtsonzeker kader. En het was ook een rechtsonzeker kader, want de Raad van State en het Grondwettelijk Hof hebben een aantal wetgevende initiatieven van de vorige regeringen vernietigd omdat die niet terecht waren. Dat leidt tot rechtsonzekerheid. Volgens mij zitten we nu in een rechtszekerder kader. Het komt er nu op aan dat kader op een goede manier toe te passen, maar dan voor alle partijen.

Ik wil terugkomen op mijn pleidooi voor een debat. Vanmorgen zei minister Demir dat zij nadenkt over waar bepaalde landbouwactiviteiten nog zouden kunnen worden uitgevoerd. Zij dacht aan een soort zonering in de ruimtelijke ordening, waarbij men bepaalde zones voorziet waar bepaalde vormen van landbouw thuishoren. Wat is uw reactie daarop, minister? Wat is uw visie daarop?

De heer Vandenhove heeft het woord.

Minister, ik dank u voor uw antwoord. Ik zal een paar reacties geven. U zult van mij begrijpen dat ik het niet volledig eens ben met u en met de heer Ongena. Ik ben wel blij dat de geest een beetje uit de fles komt. Het is goed dat we in Vlaanderen eindelijk dat debat gaan voeren, uiteraard met argumenten pro en contra.

Ik sluit me aan bij collega Steenwegen dat we dat fundamentele debat blijven uitstellen. Minister, u zegt dat we zullen moeten bijpassen als we de cijfers voor 2025 niet halen. Het zal ook moeilijk anders kunnen, want we zullen die cijfers niet halen.

Ik stel vast dat tegenover heel wat objectief wetenschappelijk materiaal dat ook de laatste weken naar boven is gekomen via de pers en andere kanalen, eigenlijk een vakbond staat. Want laten we eerlijk zijn: objectieve argumenten worden niet weerlegd met andere wetenschappelijke argumenten maar met slogans. Zo haalde vorige week tijdens de heel goede hoorzitting over alternatieve verdienmodellen de vertegenwoordiger van een bepaalde organisatie op het einde toch nog even uit over wat er allemaal gaande is in de landbouwsector. Dat is echt geen goede manier van werken. Er zijn wetenschappelijke en objectieve feiten die niet kunnen worden ontkend. Die kunnen enkel worden ontkend, ontkracht of verbeterd met andere objectieve elementen maar niet met eigenlijke standpunten van een belangenorganisatie. Ik had het over een vakbond waar ik niets tegen heb maar de twee zijn wat dat betreft niet vergelijkbaar.

Ik heb ook nog een aantal punctuele opmerkingen op wat u hebt gezegd. Ik heb de vraag over het onderhoud van grasland al vaker gesteld en ik krijg daar in alle eerlijkheid nooit een antwoord op. Wanneer zou eventueel aan die vergoeding wordt gedacht, is er een concrete timing?

Ik ben het ook niet met u eens en ik begrijp ook niet dat u dat in de context van Vlaanderen zegt, dat de bevolking stijgt en dat we dus almaar meer productie nodig hebben. Laten we eerlijk zijn: het is geen probleem van onvoldoende productie in Vlaanderen en zelfs in de wereld, het is een probleem dat bepaalde groepen niet worden bereikt met de productie. Dat is een heel ander gegeven.

Vorige week hebben we een zeer goede hoorzitting gehad over die alternatieve verdienmodellen. Mijn commentaar daarop, terecht of onterecht, is dat die verdienmodellen veel te veel blijven uitgaan van het traditionele model waarin we blijven geloven en waarmee we de cijfers voor 2025 niet zullen halen. Een van de opmerkingen daarop ging over de monopoliesituatie en de oligopoliesituatie van bepaalde organisaties. Minister, u hebt vandaag gezegd dat u niet van plan bent in te grijpen vanuit de overheid maar dat u dit van onderen uit wilt laten komen. Wel, dan zult u dat fundamentele probleem, ook dat verdienmodelprobleem, niet oplossen. Daar zou de overheid net wel moeten ingrijpen om tot een ander model te komen.

De heer Pieters heeft het woord.

Ik wil een paar bedenkingen maken. Minister Crevits was ooit minister van Onderwijs. Ik vind niet dat alle maatschappelijke problemen door het onderwijs moeten worden opgelost. Ik heb de indruk dat dit ook bij Landbouw het geval is: het lijkt alsof alle problemen die moeten worden opgelost, bij Landbouw moeten worden opgelost.

Wij staan voor een gezinslandbouw, ik heb dat net ook in de commissie Leefmilieu al gezegd. Maar binnen gezinnen zijn er ook generatieverschillen, en dat draait men niet in één keer. Er is een- of maximaal tweemaal per jaar een teelt, men kan daar niet week na week of maand na maand ingrijpen. Het gaat telkens om een vrij lange cyclus. Ook bij vee is dat het geval: men kan niet zomaar iets omschakelen. Er is het gezin, de landbouwers zelf. Zij moeten er in eerste instantie voor openstaan. Langs de andere kant is er het vee dat ook mee moet. Dat vergt natuurlijk wel wat tijd.

Ik ben het ermee eens dat er iets moet gebeuren, maar ik heb bedenkingen bij de snelheid waarmee dat moet gebeuren. Wat de ondersteuning van de landbouw betreft, was er daarnet sprake van de leveranciers. Die moeten een bestaansreden hebben, een bestaansrecht. Die rechtszekerheid waar regelmatig over wordt gesproken, zal ervoor moeten zorgen dat ook de landbouwers een fatsoenlijke prijs krijgen voor hun producten.

Het ging daarnet ook over technisch materiaal. Wat geven wij niet uit aan bijvoorbeeld computers, televisie? Dat gaat vaak over duizenden euro’s. Maar wanneer we het hebben over onze dagelijkse voeding, dan gaat het vaak over een verschil van een halve euro of 20 cent. Die halve euro of 20 cent maakt echter wel een belangrijk verschil voor de landbouwer. Daar moet op een andere manier naar worden gekeken. Daar is tijd voor nodig, maar we moeten de vinger aan de pols houden waar dat nodig is.

Mevrouw Rombouts heeft het woord.

Ik sluit me aan bij deze vraag omdat, zoals de minister daarnet al zei, heel wat elementen met elkaar verbonden zijn. Iedereen geeft aan dat de doelstellingen die we nastreven dezelfde zijn. Als we van daaruit kunnen vertrekken, kunnen we inderdaad ook ver geraken. Ik denk oprecht dat op het terrein iedereen dat wil nastreven.

Ik stel wel vast dat in deze commissie duidelijk wordt vertrokken vanuit een positieve benadering van de sector, waarbij de inspanningen die de sector nu al doet, worden benadrukt. Dat is een groot verschil met het debat dat we vanmorgen hebben gevoerd in de commissie Leefmilieu, waar de focus voortdurend ligt op de doelstellingen die niet worden bereikt en op de slechte resultaten die worden gehaald.

Ik heb vanochtend aangestipt dat het ook belangrijk is dat mensen en sectoren en ook de inspanningen die zij doen, worden erkend en gerespecteerd. Dat moet worden opgenomen in het debat.

Ik denk dat de landbouwsector, meer dan welke andere sector ook, permanent in transitie is. Deze sector heeft al heel wat evoluties doorgemaakt. Ook nu wordt vanuit de sector samen met onderzoeksinstellingen bekeken hoe een toekomstvisie voor de sector kan worden uitgewerkt en hoe de sector nog meer kan worden verduurzaamd. Dat is een permanent gegeven voor de sector, men kan dan ook niet zeggen dat er nog geen initiatief is genomen. We moeten de sector nog meer aanmoedigen en nog meer tools aanreiken.

Dat dat met diverse bedrijven zal zijn, heb ik vanochtend ook gezegd. Ik ben dan ook blij dat u dat duidelijk bevestigt, minister. Dat is ook het engagement dat in het regeerakkoord staat. Ook voor een landbouwbedrijf is het belangrijk om bedrijfskeuzes te maken afhankelijk van de omgeving, van de toestand en de organisatie van het bedrijf, van de ondernemers zelf enzovoort. Er zijn heel wat factoren en actoren die daarop inspelen. Het is dan ook heel belangrijk dat we de ondernemers ruimte bieden om hun keuzes te maken. Het is ook belangrijk dat iedereen dat erkent en daarachter kan staan. De afgelopen weken hebben we op dat vlak toch wat spanningsopbouw gezien.

We hebben daar vanmorgen over gesproken en vastgesteld dat minister Demir een andere houding heeft aangenomen in de commissie. Ze heeft duidelijk aangegeven dat ze rechtszekerheid wil bieden aan agrarische ondernemers en in overleg wil gaan met u, als minister van Landbouw, en met de sector. Dat is cruciaal. We kunnen heel veel spreken over de sector maar het is nog veel belangrijker om met de sector te spreken. Ik hoop dat dit een vervolg kan krijgen en dat u samen met minister Demir en de sector rond de tafel zult zitten waarbij een aantal zaken die de afgelopen weken naar buiten zijn gekomen, kunnen worden uitgeklaard en besproken.

Ik heb daarstraks gezegd dat er al heel wat positieve resultaten zijn van de inspanningen die zijn geleverd, maar er zijn natuurlijk ook nog heel wat uitdagingen, dat moeten we niet ontkennen. Wanneer men vanuit wederzijds respect voor elkaar kan vertrekken, kan een gesprek tot een positiever en beter resultaat leiden. In die zin betreur ik immens de huidige polarisatie. Ik hoop echt dat we dit van hieruit afkeuren. Het is heel jammer dat bepaalde zaken eenzijdig aan bod komen en dat bepaalde zaken worden gelinkt, terwijl ze niet met elkaar verweven zijn. Ik heb al gezegd dat het belangrijk is om het debat zuiver te voeren. Daarbij moeten alle resultaten op tafel worden gelegd en moeten de juiste linken worden gelegd tussen oorzaken en gevolgen.

Wanneer ik de collega dan hoor vertellen dat hij het positief vindt dat er polarisatie is, omdat het de mogelijkheid geeft om het debat eindelijk open te voeren, dan betreur ik dat. Ik heb dan ook echt grote twijfels bij de goede bedoelingen van de collega’s die op die manier het debat willen voeren. Ik hoop dat we het over een andere boeg kunnen gooien en tot positieve resultaten kunnen komen. Dat is in ieders belang.

Ik dank de collega’s voor de nuance in het debat. Zoals ik daarnet in de commissie Leefmilieu heb gezegd, is ons landbouwmodel het resultaat van een decennialange evolutie. Uiteindelijk kunnen wij dat niet van vandaag op morgen omkeren. Het langetermijnperspectief is in dezen dan ook belangrijk.

De heer Coel heeft het woord.

Minister Demir heeft vanochtend in de commissie Leefmilieu een aantal nuances aangebracht. Ik denk dat de meeste collega’s appreciëren dat er wordt gewerkt aan een rechtszeker kader.

Vanuit mijn fractie kunnen een aantal ambities uit het regeerakkoord samen sporen. We moeten die tegenstellingen overstijgen. Er staan belangrijke ambities inzake natuur en klimaat in het regeerakkoord en het is dan ook logisch dat de bevoegde minister daar ten volle werk van maakt. Maar het is even belangrijk dat we in het regeerakkoord ook een aantal ambities inzake landbouw hebben opgenomen. Een van de belangrijkste uitgangspunten is om de landbouwers als ondernemers te benaderen en hen daarin te ondersteunen. Ik denk dat er in Vlaanderen ruimte moet zijn voor landbouw in al zijn verscheidenheid. Landbouw is per definitie een sector die op lange termijn werkt. Er moet dan ook een langetermijn- en stabiel wetgevend kader zijn waarbinnen landbouwers kunnen ondernemen. Uiteraard evolueert dat kader naargelang de maatschappelijke doelstellingen en noden die op ons afkomen, onder meer op het vlak van milieu en klimaat.

Ik denk dat we uit die loopgravenoorlog moeten komen – dat was ook de oproep in het Natuurrapport – en dat we de twee doelstellingen samen moeten leggen. Dat kan, ik geloof daarin. Ik denk dat dit mogelijk is in overleg met de sector en met de twee betrokken ministers. Daarbij moeten we een visie op iets langere termijn hanteren en iets verder kijken dan puur de artikels van de dag. Ik heb hier veel goede wil gehoord van alle collega’s, en ook bij de twee betrokken ministers. Ik denk dat we op die weg moeten voortgaan om onze landbouwers een goede toekomst te geven in onze regio.

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Ik wil beginnen met het laatste wat collega Coel zei over de artikels van de dag. Collega Coel, het is waar wat u zegt, maar alles begint met respect. Wanneer een artikel van de dag getuigt van het omgekeerde, dan wekt dat ergernis en leidt dat tot uitspraken die de polarisatie voeden.

Wanneer men aan de lange termijn wil werken, moet men dat in alle rust en sereniteit kunnen doen. Dat serene klimaat was de laatste weken volledig afwezig en dan komt men in een hele moeilijke situatie terecht. Ik wil niet met stenen gooien of zeggen wie daarvoor gezorgd heeft, maar ik doe al heel lang aan politiek en heb gezien dat de beste oplossingen nooit uit een zware polarisatie komen, wel uit een discussie, collega Steenwegen. Ik vind dat we het echt ten gronde moeten hebben over de manier waarop dat moet gebeuren.

Ik zie ook af wanneer ik boeren zie die aan schaalvergroting moeten doen omdat ze anders niet uit de kosten geraken. Ik vind dat verschrikkelijk. Vandaar mijn focus op die rendabele verdienmodellen, waarbij we ervoor zorgen dat mensen niet genoodzaakt zijn de keuzes te maken die hun ouders hebben gemaakt maar voor nieuwe modellen kunnen kiezen. Vandaar ook onze inzet op nieuwe producten zoals eiwithoudende gewassen, waarbij we moeten nagaan of we die niet hier op een goede manier kunnen produceren. Ik hou niet van de polarisatie omwille van de polarisatie. Dat is niet nodig.

Collega Ongena, u hebt in uw tussenkomst bevestigd wat ik net zei, namelijk dat we een mix nodig hebben van verdienmodellen. U hebt net als een aantal andere collega's verwezen naar het regeerakkoord en ik ben het daar uiteraard mee eens. Ik beschouw uw vraag als een ondersteuning van de nood aan ruimte voor onze boeren.

Wat duurzame ontwikkeling betreft, zijn er drie componenten: economie, ecologie en de sociale component. Het is niet onlogisch dat bepaalde groepen zich op één thema focussen en minder op de andere. Dat is logisch, ik heb daar eigenlijk geen probleem mee. Maar de polarisatie helpt het debat niet vooruit. We moeten naar een beleid dat een evenwicht zoekt tussen die drie facetten van duurzame ontwikkeling. Dat is voor mij elementair.

Collega Steenwegen, de technologie heeft onze samenleving ingrijpend gewijzigd, heel vaak ten goede. Ik begrijp niet goed, ofwel begrijp ik u verkeerd, waarom dat in de landbouw niet zou mogen. Men kan toch niet in een gewijzigde samenleving verlangen dat een categorie stilstaat en dat alle andere categorieën technologische vooruitgang boeken. Ik heb trouwens op veel landbouwbedrijven schitterende innovaties gezien – ik heb er al een aantal genoemd – die ervoor zorgen dat de boer tijd heeft om creatief te zijn en na te denken, en dat een grote sprong voorwaarts wordt gemaakt inzake duurzame productie.

Minister Demir en ikzelf hebben ook een aantal bedrijfsbezoeken gebracht aan onze boeren, en we werken op veel punten goed samen, met alle collega’s trouwens. Collega Ongena, uiteraard zal ik rekening houden met uw suggestie. Er wordt goed samengewerkt in het kader van bijvoorbeeld de Blue Deal. We hebben heel wat gezamenlijke projecten in de steigers gezet. Vlaanderen Circulair is een ander gezamenlijk project waarin we nog zoveel vooruitgang kunnen boeken. We zullen die opportuniteiten ook grijpen.

Landbouw moet net als alle andere sectoren inspanningen leveren voor het klimaat, ik ben het daar absoluut mee eens. Maar daar moet wat mij betreft worden ingezet op innovatie. Door de ontwikkeling van nieuwe technieken zijn al grote winsten geboekt, bijvoorbeeld de luchtwassers om ammoniak te reduceren.

Collega Vandenhove, de timing graslanden spoort samen met het nieuwe GLB en start in 2022. ILVO werkt ook actief aan het vraagstuk waar ruimte en landbouw goed kunnen worden gecombineerd. We hebben samen met de bouwmeester een studie gemaakt rond productieve landschappen. Die inzichten zijn bijzonder nuttig en de expertise kan onder meer via ILVO bijdragen aan deze oefening.

Collega Vandenhove, ik ben zeker bereid om verder te spreken over de mix aan verdienmodellen waar we vandaag naar op zoek zijn, evenals over de combinatie met de draagkracht van onze leefomgeving. Ik heb het wel niet voor discussies over aantallen. Ik vind dat lastig en daar verschillen we misschien van mening. Het gaat voor mij niet over de aantallen maar wel over welk type landbouw men op welke locatie kansen moet geven. Ik ben het daarover met collega Demir eens en we zetten onze gesprekken daarover verder.

Voldoende voedsel produceren voor een toenemende bevolking is voor mij elementair. We moeten erover waken dat de logistieke ketens erin slagen om het voedsel bij iedereen te krijgen. De bevolking neemt toe, maar de productiemiddelen zijn begrensd. Het kan dan niet anders dan dat er meer moet worden geproduceerd op dezelfde ruimte om iedereen te kunnen voeden.

Collega Pieters, u haalt terecht aan dat niet alle doelstellingen bij de landbouwsector mogen worden gelegd. Vandaar dat ik ook bewust cijfers over de klimaatdoelstellingen en het aandeel CO2-uitstoot van de andere sectoren heb gegeven. Iedere sector heeft zijn aandeel. Het is mijn taak als minister van Landbouw om de boeren te helpen en te begeleiden, en innovatieonderzoek vormt daarbij een belangrijk aandachtspunt. Op de prijs van de producten heb ik als minister minder impact, maar wij allemaal hebben daar als consument wel een impact op.

Collega Vandenhove, het gegeven dat bepaalde spelers op de markt een stevige positie hebben ingenomen, is niet uniek in de landbouwsector. In het verleden is al bewezen dat een heel sterk sturende overheidsingrijpende werking van de vrije markt eigenlijk ook niet goed is. We moeten echt inzetten op de duurzame verdienmodellen, met respect voor de individuele keuzes die een boer toch nog op het einde van de rit zelf kan maken.

Collega Rombouts, de evolutie die de sector heeft doorgemaakt sinds midden vorige eeuw, is enorm. Die trend zal zich voortzetten, niet van vandaag op morgen, want de landbouw is een sector waar afschrijvingen ook op langere termijn verlopen. Nog even opmerken dat we soms de indruk geven dat alles van vandaag op morgen moet veranderen, maar daarmee kwetsen we ook de mensen die investeren, die een toelating hebben gekregen en die ook hun investering willen afbetalen, investeringen waarvoor ze op een bepaald moment toelating hebben gekregen. Haalbaarheid en betaalbaarheid zijn sleutelwoorden.

Collega Coel, ik dank u voor uw genuanceerde tussenkomst. Ze sluit eigenlijk aan bij de wederzijdse communicatie tussen collega Demir en mezelf. Duurzame ontwikkeling is en-en, het is niet het ene of het andere. Niemand heeft er baat bij dat we het onze boeren onmogelijk zouden maken om hier te produceren.

Collega's, er is dus nog heel veel werk aan de winkel, maar laat ons het debat, zoals het hier is gebeurd, op een genuanceerde wijze voeren. Ik sta zeker open om de komende weken en maanden stappen te zetten.

De heer Ongena heeft het woord.

Voorzitter, ik zal het kort houden, want er is al heel veel gezegd.

Het is goed dat minister Demir, zoals collega Coel ook zegt, een beetje nuance heeft aangebracht. Het is een zeer gevoelige materie, dat weten we en dat hebben we nog maar eens gemerkt. Het is daarom goed dat men er voldoende genuanceerd over blijft.

Collega Vandenhove, soms is het een goede zaak dat de geest eens uit de fles komt, vanuit het idee ‘du choc des idées jaillit la lumière’. Het kan soms bijdragen, maar op het einde van de rit moet de lamp wel branden. Ik heb het gevoel dat er nu vooral met lampen naar elkaar wordt gegooid, en dat is ook geen goede zaak. Daarom blijf ik bij mijn oproep: klimaat-en natuurdoelstellingen zijn heel belangrijk en we moeten ze halen, maar we moeten ze verzoenen – en we weten dat we ze kunnen verzoenen – met de vraag van de landbouwer naar rechtszekerheid, naar grond, naar ruimte om te ondernemen en naar minder administratieve overlast. Ze zijn te combineren, maar er moet natuurlijk goede wil zijn langs twee kanten. We kunnen alleen maar oproepen dat men die goede wil snel terugvindt.

Minister, ik blijf bij mijn suggestie dat het goed zou zijn als er een gezamenlijk initiatief zou komen van u en minister Demir om te proberen de geest opnieuw in de fles te krijgen of om de lamp toch te doen branden. Alvast bedankt.

De heer Steenwegen heeft het woord.

Minister, ik zou eerst willen zeggen dat ik op geen enkele manier heb gezegd dat ik tegen technologische vooruitgang in de landbouw ben. U hebt me dan volledig verkeerd begrepen. Ik zie ook wel dat er heel veel gebeurt, maar ik stel vast, met vele anderen, dat het onvoldoende is en niet volstaat. Het grote taboe, de olifant in de kamer, van het verminderen van de veestapel, blijft nog altijd overeind. U blijft rond de hete brij draaien. Ik ben echt ontgoocheld, echt waar.

We moeten het debat durven aan te gaan, in de eerste plaats in het belang van onze boeren. In die zin volg ik collega Vandenhove wel. Elke investering die we vandaag doen en die een ‘lock-in’ verzekert voor veel boeren, elke investering die we vandaag doen die niet in overeenstemming is met wat we uiteindelijk zullen moeten bereiken, is een foute investering. We hebben er alle belang bij om zo snel mogelijk het grondige debat aan te gaan en duidelijk te maken binnen welke contouren we met de landbouw verder kunnen. Het is in de eerste plaats – en ik herhaal het – in het belang van de boeren, niet per se in het belang van de veevoederproducenten, niet in het belang van de adviesbureaus die veel geld verdienen, niet in het belang van de pesticidenhandelaars, maar zeker wel in het belang van onze boeren.

Ik vind het spijtig: we proberen polarisatie te vermijden, maar als je iedere keer als je iets in vraag stelt, het verwijt krijgt dat je alles ontkent of dat je niets nog wilt of nog mag, dan kun je natuurlijk geen debat voeren. Ik betreur die polarisatie enorm en ik vraag dat iedereen eens goed nagaat vanwaar die polarisatie in het debat komt. Ik zie veel handen uitgereikt worden, maar ik zie ook handen die helemaal niet ingaan op die uitnodiging. Ik vind het spijtig. Ik hoop dat we toch in de loop der tijden de bereidheid vinden en misschien ook de moed vinden om het debat aan te gaan, natuurlijk vanuit wederzijds respect, maar ook vanuit de bezorgdheid voor de toekomst. We moeten naar andere inzichten gaan voor een aantal problemen die er zijn en die we met alle technologische vernieuwingen vandaag niet kunnen oplossen. We moeten een grondig debat kunnen voeren over de toekomst van zo'n sector.

Ik nodig u uit het Natuurrapport eens goed te lezen en misschien ook eens te luisteren naar de directeur van het Europees Milieuagentschap, Hans Bruyninckx, die een verklaring heeft afgelegd en heel duidelijk heeft aangegeven waar het pijnpunt ligt. Hij nodigt uit om het debat aan te gaan.

De heer Vandenhove heeft het woord.

Ik wil me aansluiten bij wat collega Steenwegen zegt. Ik zou het niet beter kunnen zeggen. Ik denk dat we, in alle eerlijkheid, in het Vlaams Parlement nogal snel spreken over polarisatie. We moeten een goed debat hebben, een goede discussie hebben. Hoe meer u tegen mij spreekt over polariseren, hoe meer ik geneigd zal zijn, niet om te polariseren, maar om te doen alsof ik polariseer.

Als ik het wekelijkse voorwoord lees van bepaalde publicaties van de grote baas van een van de belangrijkste landbouworganisaties, dan vraag ik me echt af wie polariseert. Het is misschien goed om die voorwoorden eens naast elkaar te leggen en ik denk dan dat we dan heel dicht bij het woord ‘polariseren’ komen.

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is gesloten.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.