U bent hier

– Wegens de coronamaatregelen werden deze vragen om uitleg via videoconferentie behandeld.

De heer Vaneeckhout heeft het woord.

Minister, op Kinderrechtendag herhaalde de organisatie SOS Kinderdorpen haar oproep om broers en zussen meer rechten te geven om samen op te groeien. Bij een scheiding of een plaatsing gebeurt het nu immers al te vaak dat kinderen uit eenzelfde nest uiteen worden gehaald. SOS Kinderdorpen pleit ervoor dat elk kind het recht zou hebben om in nauw contact met broers of zussen op te groeien.

In de Kamer ligt een wetsvoorstel klaar dat dit recht op een gebalanceerde manier moet invoeren. Maar zelfs wanneer de wettelijke verankering er is, staan er tussen droom en werkelijkheid nog enige praktische obstakels.

Noch in de pleegzorg noch in onze jeugdinstellingen is het een evidentie om van de ene dag op de andere in een plek te voorzien voor meerdere, aan elkaar gelinkte kinderen. Er zijn al fikse wachtlijsten voor individuele kinderen, laat staan voor broeder- en zusterparen, of voor alle kinderen uit een nog groter gezin.

Het lijkt me daarom nuttig nu reeds na te denken over een plan van aanpak om broers en zussen maximaal in elkaars nabijheid te laten opgroeien, anticiperend op een toekomstig wettelijk kader, maar vooral in functie van het welzijn van de kinderen – en dat is toch het belangrijkste.

Minister, hoe bent u van plan om het recht voor broers en zussen om samen op te groeien in de praktijk om te zetten? Zult u de capaciteit van de jeugdinstellingen daartoe uitbreiden? Komen er binnen de pleegzorg meer kansen voor de opvang van alle kinderen uit eenzelfde gezin?

Mevrouw Schryvers heeft het woord.

Doordat ze ergens residentieel geplaatst worden, verliezen kinderen in de jeugdhulp de nabijheid van hun ouders. Dat kan voor deze kinderen heel ingrijpend zijn. Als daarbij ook nog eens de zussen en broers uit het zicht verdwijnen, kan dat natuurlijk extra moeilijk zijn. Ik verwijs naar een beperkte bevraging die SOS Kinderdorpen einde 2019 deed bij 97 jongeren. Daaruit bleek dat ongeveer 70 procent stelde gescheiden te zijn of geweest te zijn van broers en zussen. Broers en zussen zijn voor kinderen in de jeugdhulp vaak de enige houvast. Ze delen herinneringen, vreugde en verdriet.

SOS Kinderdorpen heeft daarom een aantal voorstellen gedaan, en riep op om te verankeren dat samenplaatsing altijd de eerste te overwegen optie moet zijn en dat de rechter het uitdrukkelijk zou moeten motiveren als hij niet tot gezamenlijke uithuisplaatsing beslist. Vanzelfsprekend kunnen er ook redenen zijn om dit niet te doen, ik denk aan intrafamiliaal geweld of misbruik, of andere specifieke problematieken.

Vandaag spelen ook de mogelijkheden van de voorzieningen vaak een rol, bijvoorbeeld wanneer er een groot leeftijdsverschil bestaat tussen broers en zussen. Ook binnen de pleegzorg is het samen plaatsen van broers en zussen niet altijd even evident. Voor broers en zussen die wachten op een pleeggezin kan dit de afweging vragen om ofwel langer te wachten op een pleeggezin dat wél meerdere kinderen tegelijk wil opvangen, dan wel de broers en zussen afzonderlijk onder te brengen bij een pleeggezin.

Collega Vaneeckhout verwees al naar het wetsvoorstel in de Kamer. Daar ga ik niet verder op in. Ik wil het wel nog even hebben over wat we in Vlaanderen zouden kunnen doen.

Het Kinderrechtencommissariaat adviseerde om in het decreet Rechtspositie van de minderjarige het recht op contact met broers en zussen op te nemen, naar analogie met het contactrecht van de ouders. In het decreet Integrale jeugdhulp zou kunnen worden opgenomen dat de eerste overweging bij uithuisplaatsing steeds moet zijn om broers en zussen samen te plaatsen, met een bijkomende motiveringsplicht wanneer dit niet kan. We gaan binnenkort het decreet Integrale jeugdhulp evalueren. We hebben daar hoorzittingen over. Dit thema zal daar aan bod komen.

Ook campagnes en bewustmaking kunnen helpen. Ik denk bijvoorbeeld aan gerichte informatie- en wervingscampagnes die zich richten tot pleeggezinnen. Minister, daarover zei u in antwoord op een schriftelijke vraag van mij eerder dit jaar dat die er nog niet geweest zijn. Ik denk ook aan de interne organisatie van jeugdinstellingen waarbij de leefgroepen verticaal worden georganiseerd en waarbinnen kinderen uit eenzelfde gezin kunnen samenblijven. Vanzelfsprekend is er ook de bijkomende mogelijkheid van opvang binnen de gezinshuizen. Die richten zich momenteel op heel jonge kinderen, maar er wordt onderzocht of ze ook zouden georganiseerd kunnen worden voor oudere doelgroepen. Ook wordt in dit kader gezamenlijke uithuisplaatsing onderzocht, namelijk van ouders en kinderen samen.

Wat ook van groot belang is, collega’s, is te luisteren naar wat het standpunt van de kinderen en jongeren zelf is wanneer er een uithuisplaatsing nodig is, wat zij zelf vinden over het samenblijven met broers en zussen.

De bestaande registratiesystemen laten momenteel niet toe cijfers te geven over het aantal kinderen met een broer of een zus dat wordt geholpen in de residentiële jeugdhulp of hoeveel broers en zussen worden geholpen of wachten op een plaats binnen pleegzorg. De afgelopen jaren werd wel geïnvesteerd in de uitbouw van e-Youth, een elektronisch platform waarop verschillende registratiesystemen kunnen aansluiten.

Ik wil daarover graag de volgende vragen stellen, minister.

Wat is de stand van zaken met betrekking tot de uitbouw en uitrol van e-Youth? In hoeverre werden er al richtlijnen en randvoorwaarden uitgewerkt aangaande het delen van bepaalde soorten van informatie in verschillende omstandigheden?

Op welke manier kan er binnen de jeugdhulp sterker worden ingezet op het behouden van het contact tussen broers en zussen? Hoe kan het contact tussen broers en zussen die worden opgevangen binnen de jeugdhulp behouden blijven, ook al verblijven ze niet in hetzelfde pleeggezin of in dezelfde voorziening?

Hoe kunnen er meer pleeggezinnen worden aangetrokken die bereid zijn om twee of meer kinderen uit eenzelfde gezin op te vangen?

Hebt u zicht op het aantal kinderen dat samen met een of meerdere broers of zussen wacht op een pleeggezin?

Is er al meer zicht op hoe het concept van de gezinshuizen ook kan worden georganiseerd voor oudere doelgroepen? Wat zijn de grote verschillen met de huidige gezinshuizen? Wat zijn eventueel de bestaande obstakels?

Wat is de stand van zaken met betrekking tot het onderzoeken van de mogelijkheden tot gezamenlijke uithuisplaatsing? Op welke manier worden kinderen en jongeren zelf bevraagd over hun standpunt hierover? Hoe kan dit nog worden versterkt?

Minister Beke heeft het woord. 

Minister Wouter Beke

Collega’s, in haar advies bij de opmaak van onze beleids- en begrotingstoelichting (BBT) heeft de kinderrechtencommissaris onder meer aandacht gevraagd voor broers en zussen in de jeugdhulp. We hebben daarover het volgende opgenomen in onze BBT. “Binnen de opvang van kinderen en jongeren in residentiële voorzieningen hebben we de komende periode ook bijzondere aandacht voor de situatie waar kinderen uit een zelfde gezin (zussen/broers) tijdelijk niet meer thuis kunnen verblijven.”

We beweren daarmee niet dat jeugdhulpvoorzieningen vandaag geen aandacht zouden hebben voor dit thema of er zo mogelijk niet alles aan doen om broers en zussen samen te houden. Verschillende directies hebben ons ook al laten weten dat ze hier wel een punt van maken, en dat ze het jammer vinden dat de berichtgeving daaromtrent wat eenzijdig lijkt. Maar het feit dat het thema regelmatig terugkeert en onder andere ook door de kinderrechtencommissaris als belangrijk aandachtspunt wordt gesignaleerd, betekent toch wel dat er ruimte is voor verbetering.

We zien die ruimte op verschillende domeinen. Ten eerste geven we het onderwerp een prominente plek in de aankomende denkoefening van Opgroeien over de organisatie van de jeugdhulp.

Ten tweede willen we bekijken of we omtrent dit thema een passage moeten opnemen in het decreet betreffende de rechtspositie van de minderjarige. Mogelijk zijn er aanpassingen nodig aan dit decreet naar aanleiding van het onderzoek van het steunpunt over de rechtspositieregeling en de opstart van de modules ‘beveiligend verblijf’.

Ten derde zullen we blijvend inzetten op het bewust omgaan met het thema en op het capteren van de stem van de kinderen zelf op het vlak van de eigen dienstverlening van Opgroeien, maar ook ten aanzien van andere actoren, bijvoorbeeld de netwerken crisisjeugdhulp. Het samenhouden van broers en zussen wordt in deze instanties al nagestreefd, maar is wegens de gekende praktische redenen niet altijd uitvoerbaar. Om aan een aantal van die praktische belemmeringen tegemoet te komen, willen we bij het toekomstig residentieel beleid, ongeacht of het gaat om reconversie of uitbreiding, de gezamenlijke opvang van broers en zussen steeds als inhoudelijk thema en criterium een plek geven. Heel concreet kan dit gaan over hoe we leeftijdsgrenzen in leefgroepen en voorzieningen op een flexibeler wijze kunnen hanteren, zodat ze op casusniveau niet langer een beletsel vormen voor opnames van broers of zussen.

Ten vierde willen we in deze context ook al het traject vermelden dat we momenteel aan het voorbereiden zijn, waar we in overleg met de voorzieningen een reconversie van het residentiële aanbod beogen te realiseren. Heel wat voorzieningen hebben, ook naar aanleiding van de coronaperiode, aangegeven hun aanbod te willen hertekenen in functie van een betere dienstverlening aan gezinnen. We bereiden dit traject voor in het kader van de relance en bedoelen hiermee onder meer een beleid waarbij we bestaande ‘klassieke’ institutionele, residentiële jeugdhulpcapaciteit ombouwen naar gezinsbenaderende, kleinschalige initiatieven. We hebben 2021 nog nodig om proefprojecten als gezinshuizen 2.0 van SOS Kinderdorpen en andere initiatieven waarbij gelijkende opvangvormen vanuit de samenwerking tussen een centrum voor kinderzorg en gezinsondersteuning (CKG) en pleegzorg gestalte krijgen, te laten uitmonden in duurzame reconversiemogelijkheden. De bereidheid in de sector om hieraan te werken – zo hebben we kunnen vaststellen, ook naar aanleiding van het symposium over de jeugdhulp op 20 november – en de ‘goesting’ om een aantal lessen rond gedeelde verantwoordelijkheid en samenwerkingsmogelijkheden in de praktijk om te zetten, is groot.

Moet de capaciteit van de jeugdinstellingen daarvoor uitgebreid worden? 

We voeren een budgettair uitbreidingsbeleid dat zich in drie grote clusters laat vatten. Een eerste cluster is op het niveau van de universele preventie: de uitbouw van de Huizen van het Kind en de uitrol van OverKop-huizen in functie van een sterkere preventie, vroegdetectie en het sneller toeleiden naar jeugdhulp.

Een tweede cluster is op het niveau van de vraaggestuurde jeugdhulp: het gebiedsdekkend maken van ‘Een gezin, een plan’ zodat de aansluiting op het preventieve deel, bijvoorbeeld in Huizen van het Kind en de OverKop-huizen, maar ook bij de centra voor leerlingenbegeleiding (CLB’s), sneller en transparanter kan gebeuren in heel Vlaanderen.

Een derde cluster is op het niveau van de jeugdhulp, met een indicatie verontrusting of maatschappelijke noodzaak: het versterken en uitbreiden van het residentiële aanbod door de uitrol van het aanbod beveiligend verblijf; de mogelijkheid om de bestaande werkingen verder te versterken vanuit het budget ‘kwaliteit’ voorzien in het Vlaams intersectoraal akkoord (VIA) 6, waarover op niveau van het paritair comité 319.01 afspraken worden gemaakt, en de verdere uitbreiding van het residentiële aanbod en de reconversiemogelijkheden, met aanzienlijke stappen in de richting van kleinschaligheid, van gezinsopvang, zoals ik in mijn antwoord op de eerste vraag al heb aangegeven.

Komen er binnen de pleegzorg meer kansen? De kansen om in een pleeggezin meerdere kinderen uit eenzelfde gezin op te vangen gaan uiteraard hand in hand met de draagkracht en de mogelijkheden van de kandidaat-pleeggezinnen. We gaan in overleg met de pleegzorgdiensten om na te gaan via welke strategieën ze meer gericht op zoek kunnen gaan naar pleeggezinnen waar broers en zussen samen kunnen worden opgevangen. Daarbij kan gedacht worden aan specifieke wervingscampagnes en/of gerichte zoekacties op maat van individuele dossiers waarbij er nood is aan de plaatsing van broers en zussen samen.

Wat is de stand van zaken over de uitbouw en de uitrol van e-Youth? In 2020 werd e-Youth verder ontwikkeld en werden er concrete stappen gezet. De identificatiegegevens van de minderjarigen worden via e-Youth gedeeld tussen Domino, Crisis en COBE. Dat betekent dat contactgegevens van de jongere die consulenten ondersteuningscentrum jeugdzorg (OCJ) of sociale dienst voor gerechtelijke jeugdhulp (SDJ) registreren, automatisch doorstromen naar e-Youth. Zo hebben bijvoorbeeld de crisismeldpunten in hun digitaal systeem toegang tot deze juiste contactgegevens. Ook wanneer iemand een A-document wil aanmaken en er al identificatiegegevens beschikbaar zijn in e-Youth, moet de hulpverlener dat niet meer invullen en kan hij sneller overgaan tot de kern van de zaak.

Voor contactgegevens van betrokken hulpverleners en sociale contextfiguren werd in 2020 toegewerkt naar een deontologisch kader. Niet alle gegevens over die professionele of sociale context zijn immers zomaar relevant of deelbaar. De afweging moet nog steeds gemaakt worden of het wel noodzakelijk is voor de hulpverlening om te beschikken over die gegevens. Dat is steeds afhankelijk van het type hulpvraag die een toepassing ondersteunt. Voor een crisisvraag is onmiddellijk kunnen beschikken over de al gekende contactinformatie noodzakelijk, voor de aanvraag voor een bemiddeling niet. Een gezin geeft zelf wel aan met wie ze in conflict zijn en hoe die te bereiken.

Het deontologisch kader dat op die manier ontstaat, zal een antwoord bieden op de vraag ‘wie mag wat zien’. Daarbij wordt afgewogen welke gegevens automatisch gedeeld worden in een bepaalde toepassing omdat dat voor de kwaliteit en continuïteit van hulpverlening onontbeerlijk is. Wanneer het tonen van al gekende gegevens zinvol zou zijn, maar niet noodzakelijk, zal de keuze aan de cliënt zelf gelaten worden.

Een reflectiegroep van vertegenwoordigers van voorzieningen en cliëntorganisaties wordt twee tot drie keer per jaar meegenomen in die oefening. Samen met die groep wordt ook gewerkt aan de randvoorwaarden voor gegevensdeling, zoals bijvoorbeeld het verhogen van transparantie en versterken van vertrouwen.

Hebben we zicht op het aantal kinderen dat samen wacht op een pleeggezin? We hebben momenteel geen zicht op het aantal kinderen dat samen met een of meerdere broers of zussen wacht op een pleeggezin.

Is er zicht op het concept van de gezinshuizen? Op 22 september gaf ik in deze commissie al aan dat we voor de gezinshuizen op basis van de eerste proefperiode nu een vervolgtraject plannen waarin we een verdere, meer diepgaande analyse willen maken. Die moet uitmonden in een leidraad met goede praktijken en aandachtspunten bij de opstart van een gezinshuis.

Voor wat de werkvorm ‘gezinshuis 2.0’ betreft zullen we in een eerste fase inzetten op de reconversie van bestaande leefgroepen naar gezinshuizen met de mogelijkheid van instroom voor de jongste kinderen. 

Ook broers en zussen zullen samengehouden kunnen worden. Vanuit die optiek zullen in die eerste fase dus ook oudere kinderen terechtkunnen in een gezinshuis.

Een dergelijke beleidslijn wordt als een heel waardevolle en succesvolle vorm van hulpverlening al ingericht in Nederland en zet, verschillend van een klassieke residentie, sterk in op kleinschaligheid, huiselijkheid, een positief leefklimaat, continuïteit in opvoedingsfiguren en hulpverleners en veel dichtere en toegankelijke samenwerking met belangrijke contextfiguren. Ook in Vlaanderen is het de ambitie om het concept uit te rollen, met een sterke koppeling naar de evoluties rond zorgzame buurten. We zijn ervan overtuigd dat deze opvangvormen zich beter lenen tot opnames van meerdere kinderen uit één gezin.

Bij het onderzoeken van de mogelijkheden tot gezamenlijke uithuisplaatsing worden kinderen ouder dan 12 jaar altijd bevraagd over hun standpunt. Ook bij jongere kinderen wordt, rekening houdend met de maturiteit van die kinderen, zoveel mogelijk gepeild naar hun perspectief. Ontwikkelingen die daar zeker toe bijdragen zijn de verdere uitrol van Signs of Safety bij de consulenten van de jeugdrechtbanken en van de Ondersteuningscentra jeugdzorg. Binnen dat kader wordt erover gewaakt dat altijd het perspectief van kinderen meegenomen wordt in de besluitvorming rond uithuisplaatsing.

De heer Vaneeckhout heeft het woord.

Minister, ik dank u voor uw antwoord.

In het eerste gedeelte van uw antwoord zegt u dat de sector bezorgd is over de eenzijdige berichtgeving. Los van het werk dat er nog ligt, wil ik beklemtonen dat er in de sector zeer waardevol werk gebeurt. Uiteraard mogen deze terechte vraagstelling en de terechte ambitie om hier iets aan te doen, niet het beeld scheppen dat er niets waardevols gebeurt, ook rond dit specifieke thema. Ik weet van de sector dat zij popelen om in dit opzicht nog meer stappen te zetten en mogelijkheden te creëren. Het is goed dat u zegt dat er aan het kader gewerkt zal worden in de komende tijd.

Ik roep op om de investeringen ernaast te leggen. U verwijst terecht naar de ambities van deze regering om investeringen te doen in de komende jaren. U legt de link met de kleinschalige vormen. Dat is zeer belangrijk. Er zit een item van flexibiliteit aan vast. Er zijn flexibeler vormen nodig om in plaats van één kind twee kinderen of meer te kunnen plaatsen.

Ik heb een aanvullende vraag. U uit een aantal plannen om in de praktijk om te zetten. Wilt u ook rekening houden met andere hechte banden die in dit opzicht relevant zijn? Ik denk aan stiefbroers en -zussen en aan grootouders. Er zijn veel hechtingsuitdagingen in deze context. Het zou jammer zijn dat we nu één antwoord geven op één specifieke problematiek. Stiefbroers en -zussen zijn een relevante factor in dit type situaties.

De stem van jongeren in dit debat is essentieel en moet volwaardig gelden. Het lijkt mij en mijn fractie vanzelfsprekend dat ze volwaardig gelden en dat dit in de tijd blijft duren. Als jongeren evolueren doorheen de tijd, hebben zij recht op de nodige opvolging.

Mevrouw Schryvers heeft het woord.

Broers en zussen zijn vaak het enige houvast voor kinderen die uit huis geplaatst worden. Soms zijn er nog grootouders en dan is het contact daarmee vanzelfsprekend ook van belang. Ik heb hier eerder al eens gepleit om het breder te zien dan alleen maar broers en zussen. Er is trouwens nog werk voor onze federale collega op dat vlak. In zijn algemeenheid is dit een federale bevoegdheid om in het recht op contact te voorzien. Dat is er nu alleen maar tussen grootouders en kleinkinderen volgens het Burgerlijk Wetboek. Ik zou het goed vinden als er toch nog in uitbreidingen voorzien worden.

Goed, we focussen hier nu op de jeugdhulp. Daar zijn ook al heel veel mooie initiatieven genomen waarbij heel veel moeite wordt gedaan om broers en zussen ofwel samen te houden, of, wanneer dat niet kan, het contact toch gaande te houden. Dat is natuurlijk nog iets anders. Als samen plaatsen niet kan, betekent dat niet dat er helemaal geen contacten meer zijn.

Het belang van kinderen en jongeren en wat ze er zelf van vinden, moet mee centraal staan. Minister, ik ben heel tevreden dat u expliciet aangeeft dat u veel aandacht hebt voor dit thema, dat is opgenomen in de BBT en dat de concrete stappen aanduidt over de manier waarop we daartoe zullen komen. Ik neem aan dat we het in de hoorzittingen die we zullen hebben over het decreet Integrale Jeugdhulp, ook over dit thema zullen hebben. Daar kunnen we verder onderzoeken welke verankering in het decreet betreffende de rechtspositie van de minderjarige in de jeugdhulp en het decreet Integrale Jeugdhulp ons hier verder bij kan helpen.

De heer Parys heeft het woord.

Minister, het is al een tijdje dat hiervoor aandacht wordt gevraagd, en terecht. Het is niet alleen de bloedband tussen broers en zussen die belangrijk is, maar bijvoorbeeld ook tussen stiefbroers en zussen. Het is de affectieve band die belangrijk is voor kinderen. Wat we niet hebben, is een systematische registratie. Dat is wat het Kinderrechtencommissariaat vorig jaar al heeft gevraagd. We hebben alleen de beperkte bevraging die SOS Kinderdorpen nu heeft gedaan.

Minister, geeft u gehoor aan die vraag? Op welke termijn mogen we verwachten dat we dat ook effectief gaan bijhouden, dat we weten hoe groot het probleem is van kinderen die samen opgroeien en bij een uithuisplaatsing willens nillens van elkaar worden gescheiden?

Minister, in uw antwoord hebt u gerefereerd aan de gezinshuizen. Wij zijn daar een groot pleitbezorger van. In de vorige legislatuur zijn we begonnen met een conceptnota. Simbahuizen van SOS Kinderdorpen is het eerste project. U hebt aangegeven dat er nu een tweede fase van dit project bezig is, maar een van de grote knelpunten was dat er geen cao bestaat op het federale niveau tussen mensen die zich willen inschakelen als gezinshuisouder en hun werkgever om dat effectief te kunnen doen zonder in overtreding te zijn met de regelgeving. Vandaag heeft SOS Kinderdorpen dat opgelost door te werken met zelfstandigen. Misschien is dat niet voor iedereen de oplossing. Minister, hebt u al overlegd met de nieuwe federale minister van Werk om de knelpunten zo snel mogelijk op te lossen, want dat zijn de belangrijkste die er vandaag zijn om daarmee verder te gaan?

Minister, hoe ziet u de rol van de gemandateerde voorzieningen en van de consulenten van de sociale dienst van de jeugdrechtbank om erover te waken dat kinderen binnen eenzelfde gezin die niet samen geplaatst kunnen worden, wel contact kunnen houden? Daar ligt een heel belangrijke rol voor hen. Op welke manier wordt dat opgevolgd, hoe worden ze geïnstrueerd?

Wat de betrokkenheid van kinderen en jongeren zelf betreft, vinden wij het bijzonder belangrijk – in de komende twee weken hebben we hoorzittingen over de evaluatie van het decreet Integrale Jeugdhulp – om dat onderwerp daar aan bod te laten komen, en om aan de kinderen en jongeren zelf te vragen naar hun bevindingen daarover.

Mevrouw Wouters heeft het woord.

De band tussen broers en zussen mag zeker niet worden onderschat. De plaatsing van een jongere in een residentiële jeugdhulpvoorziening heeft al een zware impact op het leven van de jongere. Psychologisch is het voor jongeren al heel zwaar om gescheiden te worden van hun ouders, laat staan dan nog eens gescheiden te worden van hun broertjes en/of zusjes. Ze verliezen hun houvast bij deze plaatsing. Daarom is het aangewezen om steeds te proberen broers en zussen binnen de jeugdhulp samen te houden indien dat het beste is voor de kinderen.

Minister, als de wil er is om die kinderen samen te houden, moet het uiteraard nog steeds praktisch mogelijk zijn. Dat biedt dan ook de nodige uitdagingen. Toch wil ik ook graag vragen om hiervoor de nodige initiatieven te nemen. Als het niet mogelijk is broers en zussen samen te houden, zorg er dan toch voor dat het contact tussen hen gewaarborgd blijft.

Minister, worden er momenteel genoeg initiatieven genomen om ervoor te zorgen dat broers en zussen die in een andere voorziening verblijven, contact kunnen houden in deze coronaperiode? Welke initiatieven werden hiervoor genomen en welke andere initiatieven kunnen hiervoor worden genomen?

Minister Beke heeft het woord.

Minister Wouter Beke

Collega Vaneeckhout, het is voor mij nogal evident dat we in de huidige context, van bijvoorbeeld ook nieuw samengestelde gezinnen, een bredere kijk moeten hebben dan alleen maar stricto sensu broer en zus. Dat is belangrijk. De stem van de kinderen is ook belangrijk. De norm is niet meer de natuurlijke broers en zussen die op eenzelfde adres wonen. Dat maakt het natuurlijk soms ook wel wat moeilijker, bijvoorbeeld als we kijken vanuit de registratie. Hoe moeten we dat dan precies capteren? We moeten dat inderdaad in een breder plaatje bekijken. Daar ben ik het wel mee eens.

Wat de statuten betreft, kijken we vooral naar het zelfstandigenstatuut. Daar kunnen we voortgang in maken. De werknemersstatuten zijn wat complexer, maar ik vind dat het ook wel de moeite loont om daar op termijn naar te kijken.

De gemandateerde voorzieningen zitten mee in de uitrol van Signs of Safety als filosofie. In die benadering staat het perspectief van de kinderen absoluut vooraan.

Wat betreft de contacten tussen broers en zussen die elders verblijven, zijn er onder andere mogelijkheden in het kader van de bezoekmogelijkheden, het weekend samen thuis. Maar ook digitaal wordt daar sterk op ingezet.

De heer Vaneeckhout heeft het woord.

Ik denk dat we boeiende weken voor de boeg hebben, met de nodige gedachtewisselingen en hoorzittingen daarover. We gaan dit alleszins mee in ons achterhoofd nemen. Ik ben blij dat u de ambitie deelt.

Mevrouw Schryvers heeft het woord.

Samenzijn en contact met familieleden of andere mensen die je tot steun kunnen zijn, is heel belangrijk voor kinderen en jongeren die in de jeugdhulp verblijven. En dat is trouwens niet alleen in de jeugdhulp zo. Ik denk ook aan situaties waarbij ouders gescheiden zijn en broers en zussen daardoor soms van elkaar gescheiden worden.

Wat de jeugdhulp betreft, denk ik dat we op een goed moment zitten om daar verdere stappen in te zetten. We krijgen nu de hoorzittingen over het decreet Integrale jeugdhulp. Er zijn ook de evoluties met betrekking tot de rechtspositie van de minderjarige. Ik hoop dan ook dat we na de hoorzittingen een aantal conclusies kunnen trekken, om die ook decretaal te verankeren.

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is gesloten.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.