U bent hier

– Wegens de coronamaatregelen werden deze vragen om uitleg via videoconferentie behandeld.

Op 10 november stelde het Agentschap Innoveren en Ondernemen (VLAIO) zijn studie voor die door een consortium van Deloitte, VUB-IES, AMS en Climact werd opgemaakt. Het tracht een roadmap op te stellen hoe de Vlaamse energie-intensieve industrie de transitie naar een CO2-arme en koolstofcirculaire industrie kan maken. Het plan voorziet in het stapsgewijs opschroeven van de klimaatinspanningen.

Tot 2030 worden vooral pilootprojecten uitgewerkt om CO2 en afval te reduceren of om te zetten in andere grondstoffen, en moeten netwerken voor het transport van COen waterstof aangelegd worden. Industriële installaties met een zeer geconcentreerde CO2-uitstoot zullen voor 2030 al starten met carbon capture and storage (CCS) en carbon capture and utilization (CCU). Tussen 2030 en 2040 komen installaties met een minder geconcentreerde CO2-uitstoot aan de beurt om carbon capture in de praktijk te brengen. In dit decennium zal dus vooral een opschaling van de proefprojecten uit het vorige decennium aan de orde zijn. Voor de periode 2040-2050 moet massaal op nieuwe groene productieprocessen overgeschakeld worden. Fossiele brandstoffen worden dan op grote schaal vervangen door klimaatneutrale energiebronnen, en waar in de industrie nog geen carbon capture wordt toegepast, zal die nu ook moeten plaatsvinden.

Zowel vanuit de milieubeweging als bij experten wordt vrij positief gereageerd op de studie, die blijk geeft van een industrie die zich mee wil inschakelen in de klimaatambities van de Vlaamse Regering. Toch worden er enkele valkuilen geïdentificeerd, zoals de afhankelijkheid van carbon capture in een redelijk vroeg stadium van de roadmap terwijl het onzeker is dat de technologie dan al op die schaal kan worden toegepast, de mogelijke afhankelijkheid van eerder controversiële biomassa en het gebrek aan uitspraken wat het kostenplaatje betreft.

Minister, u gaf al aan dat deze roadmap niet te nemen of te laten is voor de Vlaamse Regering, maar dat het beleid wel verder zal werken op deze paden. Ik heb daarover volgende vragen. Hoe zult u bedrijven aanzetten de vereiste stappen te nemen? Zult u inzetten op subsidies, dan wel verplichtingen, of een combinatie van beide? Kunt u dat al concretiseren? Op welke manier zult u de middelen uit Europese innovatie- en andere fondsen maximaliseren om de transitie te financieren? Hoe wilt u lock-ins in fossiele technologieën en infrastructuur vermijden? Hoe zult u de uitbouw van infrastructuur – onder andere transportnetten – voor een koolstofarme industrie ondersteunen? Een vraag over het traject dat u hierover zult uitstippelen: op welke manier zult u de betrokkenheid en het engagement van het bedrijfsleven verder verzekeren? Welke verdere stappen zult u nemen in opvolging van deze studie?

Mevrouw Schauvliege heeft het woord.

De studie van het consortium in opdracht van VLAIO is inderdaad belangrijk. Ze tekent een beleid uit om de Vlaamse industrie koolstofarmer te maken. De studie stelt evenwel geen klimaatneutraliteit in het vooruitzicht tegen 2050. Duitsland bijvoorbeeld doet dat wel.

Collega Bothuyne heeft al aangegeven wat de inhoud is van de studie. Ik wil daar het volgende aan toevoegen. Het plan zet in op vier transitiepaden: het gebruik van biomassa als energie en grondstof; circulariteit met voornamelijk hergebruik van kunststof; elektrificatie en verhoogd gebruik van waterstof; en het afvangen, opslaan en hergebruiken van CO2. De studie combineert die verschillende transitiepaden op weg naar koolstofneutraliteit. Het is goed dat er een studie is. In Nederland en Duitsland is die er al lang en staan ze wat verder. Zo'n beleidskader is belangrijk om de juiste keuzes te kunnen maken.

De milieubeweging geeft wel aan dat het rapport in heel nauw overleg is geschreven met de industrie. Op zich is het logisch dat voor een rapport over de toekomst van de industrie overleg wordt gepleegd met de industriële partners. Maar andere stakeholders zoals milieubeweging of vakbonden hebben geen betekenisvolle inbreng gehad. Het middenveld zat niet aan tafel, zegt de Bond Beter Leefmilieu. Zij geven aan  en daar volg ik de analyse van de heer Bothuyne  dat ze tevreden zijn dat er een studie is, maar dat de voornaamste verdienste van die studie is dat ze er is. Er is nog heel veel werk om verder na te denken over de transitie.

Ze geven ook aan dat in het rapport een aantal aannames worden gedaan waarover discussie bestaat. Er wordt gesteld dat de vraag naar biomassa zal verzesvoudigen, maar waarop is dat gebaseerd? Verder wordt ingezet op recyclage van kunststof maar als we dan kijken naar de beslissing die de Vlaamse Regering wil nemen met betrekking tot project ONE van Ineos, dan zien we dat dat net een bedrijf is dat van schaliegas 'virgin' plastics maakt en daardoor een rechtstreekse concurrent is voor bedrijven die recyclaat produceren als grondstof voor kunststof.

Het rapport biedt enkel een doorkijk van technologische opties, maar houdt geen rekening met een breder economisch beleid. Zo leiden allerlei materialen rond circulaire economie tot het verkleinen van het materialengebruik.

Minister, waarom heeft men besloten om bij de aannamescope, doelstellingen en context enkel de industrie toe te laten? Wat zult u doen om meer evenwicht te brengen in de representativiteit van het transitiekader?

In deze studie wordt uitgegaan van een productiegroei van 3 procent. Er zijn gegronde redenen om te verwachten dat het gebruik van heel wat basismaterialen zal dalen, onder meer door efficiënter en circulair gebruik van materiaal. Waarom bevat de studie geen scenario’s met een sensitiviteitsanalyse naar toegenomen of gedaalde vraag? Waarom worden niet alle mogelijke scenario's onderzocht, zoals we dat ook zien in studies in het buitenland?

Hoe past de komst van project ONE van Ineos in dat plaatje? Project ONE maakt gebruik van schaliegas als grondstof die wordt omgezet naar virgin plastics, om daar dan kunststof mee te produceren. Dat lijkt toch wel in te gaan tegen de transitiepaden die hier worden uitgetekend, waarbij we willen inzetten op recyclaat. Een van de scenario’s is inzetten op een recyclagesector en daarmee mogelijkheden aanbieden.

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Waar moet ik beginnen? Ik ben blij dat de vragen gesteld worden, maar mijn dosis empathie of gevoeligheid is wellicht te groot. Ik ben het niet eens met het parfum van kritiek dat rond de studie hangt. Ik ben bijzonder trots op wat die mensen hebben gemaakt. Op de website van VLAIO vindt u trouwens alle deelrapporten van het onderzoek. Het gaat om meer dan 550 bladzijden waarbij absoluut niet lichtzinnig te werk is gegaan. Men heeft een enorme inspanning gedaan om iets af te leveren dat robuust en geloofwaardig is. Ik wil van de gelegenheid gebruik maken om iedereen die aan de studie heeft meegewerkt zeer nadrukkelijk te bedanken, omdat er bijzonder veel werk en tijd in gestopt is.

Deze studie is een basis. Ik denk dat we in de toekomst nog veel discussies zullen hebben. De studie is er eindelijk, en dat hebt u ook wel gezegd, mevrouw Schauvliege, maar iets te negatief, namelijk dat het de enige verdienste is van de studie. Ik zie dat anders. Die studie is echt nodig, we kunnen daar veel inspiratie uit halen.

Voor het eerst stel ik zelf ook persoonlijk vast dat bij de grote bedrijven, onze basisindustrie, de neuzen in goede richting staan. Zij willen echt die omslag maken en beseffen dat dit de toekomst is.

Ik ben samen met de minister-president twee dagen geleden bij ArcelorMittal Luxemburg geweest. Ik heb daar gezien hoe bijvoorbeeld de staalindustrie in Azië aan het boomen is. Daar moet aan veel minder voorwaarden worden voldaan dan bij ons. Het is voor mij echt cruciaal dat we die bij ons houden, op een veel groenere wijze dan vandaag het geval is.

Mevrouw Schauvliege, over de productiegroei wil ik nog een feitelijkheid meegeven, zodat we daarover geen discussie hebben. Die productiegroei van 3 procent gaat over de groei in ton product tussen 2015 en 2050. Het is dus geen jaarlijkse groeivoet. Ik vind het belangrijk dat daarover geen spraakverwarring ontstaat. Dat is 3 procent op 35 jaar. Dat is dus zo goed als geen verdere groei. De aangekondigde investeringen van INEOS – waarover ik straks nog iets zal zeggen – en Borealis zitten mee in die projectie. Die gaan dus voor een deel de bestaande Vlaamse productie vervangen.

Voor de staalproductie voorzien we een productiestijging van 10 procent, maar die heeft al plaatsgevonden tussen 2015 en 2018. En voor de petrochemie zit er een daling in, maar gaat men ervan uit dat de twee grote Antwerpse raffinaderijen ook nog in 2050 zullen produceren omdat ze behoren tot de meest flexibele en meest performante, en daarom in 2050 bij de laatste van Europa zullen overblijven. Maar het zal dan met een andere grondstofmix en met andere eindproducten zijn omdat het wegverkeer dan bijvoorbeeld geen fossiele brandstof meer zal gebruiken. 

Er zijn acht scenario’s grondig doorgerekend en die variëren in de parameters die de keuze tussen de vier transitiepaden beïnvloeden. Een lager productieniveau is volgens mij in deze oefening een veel minder relevante sensitiviteitsanalyse. Eens je een roadmap hebt, kun je vrij eenvoudig inschatten hoeveel minder uitstoot en verbruik er zou zijn als je een raffinaderij of een ethyleenplant zou schrappen. Voor mij zijn die transitiefasen superbelangrijk.

En zo kom ik tot jullie concrete vragen.

Collega’s, wat de betrokkenheid betreft, vind ik het heel belangrijk dat deze studie, die een enorme transitie van onze Vlaamse basisindustrie voorstelt, effectief gedragen wordt. In de eerste plaats ligt dat bij diegenen die het gaan moeten doen, namelijk, zoals ik daarnet al zei, de ondernemingen zelf. Daarom zat essenscia mee in de stuurgroep met een mandaat van de industriële sectorfederaties. Er zijn heel veel uren besteed aan technische discussies en verfijningen. Voor de rest was de stuurgroep onder leiding van VLAIO technisch samengesteld, met mensen van het Departement Omgeving, het Vlaams Departement Economie, Wetenschap en Innovatie (EWI), het Vlaams Energieagentschap (VEA), mijn kabinet en het Moonshotsecretariaat.

Naast de stuurgroep was er een breed samengestelde stakeholdersgroep. Daarin zaten een aantal sectororganisaties, onze speerpuntclusters, vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers en van de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen (SERV), en de Bond Beter Leefmilieu. Iedereen was daar welkom. De stakeholdersgroep is twee keer samengekomen om de strategie van de studie en de tussentijdse resultaten te bespreken. Omdat de modellen op de oorspronkelijk geplande datum van de derde en laatste vergadering nog niet klaar waren en om optimale input te kunnen krijgen, werd beslist om de vergadering te vervangen door nog een ronde individuele gesprekken. Er is in augustus een gesprek geweest met de BBL, waarop de resultaten van de studie werden besproken. Het consortium heeft voor het finale eindverslag rekening gehouden met alle gesprekken die het gevoerd heeft, en het eindoordeel gevormd voor de stuurgroep.

Voor het vervolgtraject stuurt het rapport aan op een industrieel transitieprogramma. Ik wil echt zo’n industrieel transitieprogramma opstellen en het daarna, collega’s Bothuyne en Schauvliege, via een breed maatschappelijk overleg aftoetsen. Ik vind het bijzonder belangrijk dat dit zal gebeuren. Volgens mij bevat zo’n programma een stappenplan met richtpunten om de vijf jaar. Uiteraard gaat de roadmapanalyse daarvoor een belangrijke leidraad zijn. Ik zou die roadmapanalyse ook om de vijf jaar actualiseren, zodat je eventuele wijzigingen in de maatschappelijke vraag kunt meerekenen. We hebben ook nog wat studiewerk nodig om in kaart te brengen met welk energieaanbod we hier in Vlaanderen die industriële transitie zullen kunnen waarmaken.

Er is dus een vervolgtraject, en zeker ook een grote betrokkenheid en tijdelijke evaluatie- en wijzigingsmogelijkheden.

Ik heb daarjuist reeds gezegd dat de geplande bijkomende productie van INEOS mee in het model zit. Gebruik van recyclaatkunststoffen is eveneens ingeschat in de modellen, met haalbare hoeveelheden en met aanbevelingen hoe die kringloop op gang kan worden gebracht.

Voor de rest denk ik dat we de discussie over het INEOS-project al eens eerder hebben gevoerd. Ten eerste is de formele borgstelling nog niet verleend. Ten tweede zal dit project op termijn de bestaande, minder performante capaciteit vervangen.

Het gaat er in eerste instantie om te kunnen concurreren met de import die er nu is van buiten Europa, vanuit installaties die nog veel vervuilender zijn. Maar ik herinner mij dat we al hebben gediscussieerd over INEOS. Ik ga de discussie niet opnieuw helemaal hervatten.

Mijnheer Bothuyne, uw vragen zijn veelal zeer pertinent. Ik zou niets anders durven te zeggen, want u bent de voorzitter van onze commissie. Maar we zijn nu drie weken na de studie. Ik heb met de regering ondertussen al een plan van aanpak besproken, maar voor een aantal antwoorden is het nog iets te vroeg. 

Ik wil werk maken van een industrieel transitieprogramma in navolging van de aanbevelingen van het rapport. We zullen een combinatie van beleidsmaatregelen en ondersteuningsmechanismen nodig hebben om die transitie te bewerkstelligen.

U vraagt naar verplichtingen. Er is er één die vaststaat, namelijk de verplichting om emissierechten te kopen, waarbij het aantal rechten jaarlijks afneemt. In het kader van de Green Deal zal de Commissie dat nog verfijnen en wellicht verstrengen. Dat dwingt de bedrijven ook tot het nemen van maatregelen die COvermijden. Wat ook vaststaat, is dat het instrument van de energiebeleidsovereenkomst tegen de volgende ronde een grondige revisie zal krijgen. Daarover zijn we al zeker, de rest moeten we nog uitwerken.

De Europese fondsen zijn een van de interessante mogelijkheden om bijvoorbeeld de resultaten van het Moonshotbasisonderzoek naar valorisatie te brengen. De resultaten moeten we uiteindelijk naar een hogere niveau van ‘readiness’ brengen en we moeten de piloot- en demofase overbruggen. Dat is essentieel om onze klimaatdoelstellingen te kunnen behalen. De Europese fondsen spelen een ontzettend belangrijke rol in de aanvulling van het Vlaamse instrumentarium. Er wordt daarvan werk gemaakt.

Ik bundel ook de krachten over de beleidsdomeinen heen. Zo worden in het initiatief ‘Vlaamse economische speerpuntprojecten’ van VLAIO en het Departement Omgeving via één aanspreekpunt de Europese aanvraagdossiers opgesteld, specifiek voor ambitieuze investeringsprojecten met een onzekere uitkomst, maar potentieel hoge toegevoegde waarde voor Vlaanderen. We zetten alles op alles om die middelen bij ons te kunnen krijgen.

Op de vraag over lock-ins en infrastructuur, de netten, kan ik zeggen dat er niet één wonderoplossing is, maar dat we veel transitiepaden nodig zullen hebben: biomassa als grondstof in plaats van elektriciteit; circulair gebruik van kunststoffen; verdere elektrificatie en meer gebruik van waterstof; opvang en hergebruik of opslag van CO2; fundamenteel nieuwe procesvoeringen. Er zal dus heel veel transitie nodig zijn.

Wat het zal halen, is vandaag nog niet duidelijk. Het zal van technische en economische factoren afhangen. Maar wat zeker is, is dat er naast de continue inzet op innovatie een snelle opschaling nodig zal zijn om de kosten sterk te doen dalen en zo de competitiviteit te vrijwaren.

Verder is het essentieel dat de eerste stappen worden gezet voor de noodzakelijke basisinfrastructuur voor CO2-transport en het transport van waterstof. Dat zal veel investeringen vragen. Onze havens, zowel die van Antwerpen als die van Gent, Zeebrugge en Oostende, werken aan de financiering van de eerste flagshipprojecten. Een deel van mijn relancebudget is daarvoor voorzien. En ik heb, collega’s, vandaag in de krant gelezen dat ook minister Tinne Van der Straeten daarvoor wel wat centjes veil heeft. We zullen wat dat betreft dus de handen in elkaar kunnen slaan om hiervoor ook Europese budgetten binnen te krijgen. 

Collega’s, waar Fluxys nog aardgasleidingen legt, houdt ze er ook al rekening mee om die in de toekomst voor waterstof te kunnen gebruiken. Zo kun je een lock-in vermijden. 

Dat moet nu allemaal in een stappenplan worden verwerkt om een heel concreet industrieel transitieprogramma uit te stippelen. Er is dus heel veel werk aan de winkel. Ik was absoluut niet geschoold in onze basisindustrie, maar ondertussen heb ik gezien hoeveel honderdduizenden mensen er daarin werken en wat voor een schitterende opportuniteiten er zijn om in de toekomst te vergroenen, en denk ik dat de tijd rijp is en dat de neuzen in de juiste richting staan. Collega’s, die studie heeft daartoe een fundamentele bijdrage geleverd.

Wat de timing betreft, kan ik zeggen: asap. Ik ben al naar de regering gestapt om het vervolgtraject vast te leggen. Ik zal nu ook die werkgroep opstellen en terugkoppelen met de SERV en het industrieforum, om zo geen dag meer te verliezen.

Dank u wel, minister. Er is inderdaad geen tijd te verliezen. Dit is een bijzonder belangrijk onderwerp. Onze industrie is cruciaal voor onze welvaart en ook cruciaal voor de energie- en klimaattransitie waar we voor staan, niet alleen omdat ze zelf een transitie moet doormaken, maar natuurlijk ook omdat ze belangrijke onderdelen en ingrediënten levert om andere sectoren in staat te stellen die transitie tot een succes te maken. Onze industrie heeft bovendien een beperkt aandeel in onze toegevoegde waarde. De uitdaging voor de industrie ligt op het vlak van productiviteit. Dat werd onlangs nog heel duidelijk aangetoond door een studie van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB). In vergelijking met een aantal andere landen in Europa hebben we toch wel wat achterstand op dat vlak. Maar we hebben wel industrie en we hebben ook een aantal sterke bedrijven in die industrie en ook een aantal sterke en innovatieve onderzoekseenheden rond industrie en de transitie waar we voor staan. De roadmap die hier voorligt, is alleszins een goede aanzet om hier op lange termijn iets moois van te maken.

Ik ben ook blij dat u aangeeft dat er wel degelijk is overlegd met de BBL en andere stakeholders over deze industrieroadmap. Dat die uitkomst van de roadmap niet voor elke expert en niet voor elke vereniging perfect bevredigend is, is niet onlogisch. We staan aan het begin van een traject. Ik denk dat het heel belangrijk is dat u zich hebt geëngageerd om hen hier ook in de toekomst bij te betrekken.

Ik was ook blij te horen dat u een actualisatie en een evaluatie van die roadmap voorziet. Misschien is om de vijf jaar zelfs wat traag en moet de evaluatie en actualisatie van de roadmap iets geregelder gebeuren.

Over INEOS en dergelijke zal ik kort zijn. Ik stel wel een zeer grote hypocrisie vast in dat debat. Als het gaat over grootschalige energieproductie, gebruiken sommigen het emissions trading scheme (ETS) als argument. Blijkbaar kan dat niet als het gaat over grootschalige industrie. Sommigen gebruiken ETS als argument om gascentrales een plaats te geven in onze energiemix, maar vergeten datzelfde argument als het gaat over industriële bedrijvigheid in Vlaanderen. Ik hoop dat dergelijke vormen van hypocrisie niet in deze commissie binnensluipen.

Een laatste belangrijk element is de hervorming van de energiebeleidsovereenkomst, die in het regeerakkoord staat, minister. We zouden die gaan verruimen, zowel qua doelgroep als qua scope. De lat zou ook wat hoger gelegd mogen worden op het vlak van vereiste investeringen die in zo’n overeenkomst vervat zijn. Op welke manier bent u betrokken bij dat werk, dat volgens mij grotendeels onder de bevoegdheid valt van minister Demir?

Mevrouw Schauvliege heeft het woord.

Dank u wel, minister, voor uw uitvoerig antwoord. Ik wil er nog wel eens heel duidelijk aan toevoegen dat we, net omdat we die studie heel belangrijk vinden, hier vragen over stellen. Voor ons is het net heel belangrijk dat de industrie hier actief aan meegewerkt heeft, omdat dat net aantoont hoe sterk zij ook bezig zijn met die transitie. Op zich hebben we er dus geen probleem mee dat de industrie daar heel nauw bij betrokken is. We merken wel op dat andere stakeholders vinden dat ze daar te weinig bij betrokken zijn. Ik denk dat daar toch nog een werf ligt.

Ik wil een bijkomende vraag stellen. Ik maak me ernstige zorgen over de ambitie die Vlaanderen heeft op het vlak van recyclage. Er wordt gezegd dat Vlaanderen een recyclagehub wil zijn. Maar ik blijf toch wel een beetje op mijn honger zitten. Ik heb de indruk dat dat meer woorden zijn dan daden. Als we bekijken wat volgens deze studie de impact van de recyclagesector is, dan zien we dat de studie mikt op 1 tot 2 miljoen ton plastic recyclage. In Europa wordt 68 miljoen ton plastic geproduceerd. Bij slechts 4 miljoen ton daarvan wordt recyclaat gebruikt als grondstof. Wel, dan denk ik dat we er toch voor moeten zorgen dat we onze ambitie verhogen, zodat we wel degelijk die recyclagehubdoelstelling kunnen waarmaken. We moeten, als we bedrijven aantrekken naar bijvoorbeeld de Antwerpse haven, vooral ook zoeken naar bedrijven die daar werk van maken. Ik had vorige week een gesprek met Coca-Cola. Zij kopen hun recyclaat in Nederland omdat ze daar in Vlaanderen niet voor terechtkunnen.

Dat zijn toch wel zeer belangrijke signalen. Ik denk dat we daar rekening mee moeten houden. En als we zo’n studie maken richting een CO2-neutrale transitie van de economie, dan denk ik dat we echt moeten kijken naar de recyclagesector. En dat is meteen mijn vraag. Kan die ambitie opgeschroefd worden, zodat we wel degelijk niet alleen spreken over een recyclagehub in Vlaanderen maar dat we het ook echt worden?

De heer Gryffroy heeft het woord.

Ik wil mij 100 procent aansluiten bij de eerste woorden van de minister, dat het toch wel een huzarenstukje is om een dergelijke studie te hebben. En het is juist dat de studie geen kant-en-klare oplossingen biedt. Maar het is wel een start, en het toont ook dat onze industrie uiteindelijk wel een bondgenoot is in de klimaatneutraliteit. Ik vind het dan een beetje zielig dat daar commentaar op komt vanwege het feit dat de Bond Beter Leefmilieu niet meteen aan tafel zat om die studie op te maken. Dat vind ik echt een beetje zielig.

Dat brengt ons bij het middenveld. De eerste stakeholders zijn eigenlijk de industrie. De industrie en wat ze produceren, dat gaan we allebei nodig hebben om onze economie en onze maatschappij koolstofarm te maken. Zonder hen hebben we dat niet. We kunnen zeer goed naar klimaatneutraliteit gaan binnen Vlaanderen, dat is perfect mogelijk: we sluiten gewoonweg de chemiecluster in Antwerpen. Dat is hetgeen ze in Wallonië hebben gedaan; in Wallonië zit men al op min 40 procent in vergelijking met 1990. Maar kijk naar hun grafieken, ze hebben gewoon bedrijven gesloten. Dat doen wij niet.

Wat wij doen is inderdaad kijken welke industrie hier mag blijven. Die moet top zijn, en die is ook meestal wereldtop als het gaat over energie-efficiëntie enzovoort. Zo vermijd je dat de staalindustrie in China aan het boomen is, maar met een CO2-uitstoot per ton staal die wel twee of drie keer hoger ligt dan wat hier in Gent gebeurt. Sorry, maar dan heb ik nog liever een tweede fabriek van ArcelorMittal erbij in Gent, dan dat we bijkomend COuitstoten in China. Dat heet klimaatrealisme.

Inderdaad, wij zijn een hooggeïndustrialiseerde regio. Dat betekent dat we inderdaad per inwoner misschien meer CO2-uitstoot hebben, maar we hebben dan ook die topindustrie bij ons. Dat brengt ons welvaart, dat brengt ons jobs. Zo duidelijk is dat voor mij.

Maar we zijn hier ook beperkt in spreektijd, dus ik ga het hierbij laten, omdat ik vind dat we hier beter eens een uitgebreide gedachtewisseling over doen. Want er wordt hier altijd maar wat gespeeld met woorden en slogans, enzovoort. Uiteindelijk gaat CO2-reductie over efficiëntie, over de gebruikte brandstof, over CCS, over transport, over applicaties, over CCU. Dat gaat over zoveel.

Collega Bothuyne wordt al zenuwachtig, hij wil dat ik afsluit. Wel, dan stel ik voor dat we straks in de regeling der werkzaamheden afspreken dat we daar een gedachtewisseling of hoorzitting rond doen, en dat we stoppen met telkens om de maand een paar vragen te stellen en ballonnetjes op te laten.

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Het was aangenaam om de discussie te volgen. Ik zal mij niet mengen met de regeling der werkzaamheden. Ik vind wel dat je over dit thema van mening kunt verschillen,  maar we weten allemaal in welke richting we moeten gaan. Daar is eigenlijk geen enkele discussie over. De vraag is alleen een beetje wat de cadans is.

Collega Schauvliege, ik vind uw opmerkingen rond recyclage terecht. Toen we bij ArcelorMittal waren ging het over de restproducten als je staal produceert. Dat was een van de grote thema’s. Men moet daar eigenlijk nog een heel spectrum bestrijken. Ik ben het ermee eens dat we daar grote sprongen voorwaarts kunnen maken.

Ik heb u de vorige keer ook gezegd dat Ineos voor mij niet het een of het ander is. Het zijn de twee die we nodig hebben. Ik heb zelf trouwens nog niet zo lang geleden ook samengezeten met collega Demir. We hebben deze week – het zal gisteren geweest zijn, want het stond vandaag in de krant – de start genomen van Vlaanderen Circulair, omdat we een sprong voorwaarts willen zetten als het gaat over circulariteit. We werken daar op enkele thema’s, met een werkagenda waarbij recyclage en plastic net een van de pijlers is. Daarvoor zitten we ook samen met de industrie en met de BBL. Die zitten dus mee aan tafel. Ook daar gaat het dus om innovatie en om budgetten die voorzien zijn in onze relanceplannen.

Ik deel dus uw ambitie dat we onze kunststofrecyclage moeten opschroeven. Het kunststoffenplan, dat in maart is goedgekeurd, draagt daartoe bij. Maar waar we van mening verschillen, is dat u het in het debat brengt alsof dat afbreuk zou moeten doen aan de doelstellingen die we willen bereiken met de basisindustrie. Dat is voor mij niet het geval. Ik kan perfect de nota die we nu gemaakt hebben, fantastisch vinden, maar daarnaast ook vinden, net als u, dat we rond recyclage nog een sprong voorwaarts kunnen maken. En we willen dat ook absoluut doen.

Gedachtewisselingen zullen zeker aan de orde zijn. Ik denk dat collega Gryffroy ingenieur is, als ik hem bezig hoor. Ik ben totaal niet technisch geschoold. Ik heb rechten gestudeerd. In elk geval hebben de nota, de studie en de gedachtewisseling die we al op het kabinet gehad hebben, mijn interesse gewekt voor de mogelijkheden die er zijn. Vroeger sprak men over de ‘zware industrie’. Dat woord gebruik ik al niet meer. We moeten die industrie sexy maken. En je doet dat net door die klimaatsprong samen met die industrie te maken.

Wordt vervolgd. We zullen inderdaad in een van de volgende regelingen der werkzaamheden eens bekijken op welke manier we daar verder mee omgaan.

Mevrouw Schauvliege heeft het woord.

Mijnheer Gryffroy, in Duitsland en Nederland is de klimaatambitie wel om te evolueren naar een nulverhaal. Ik denk dat daar ook wel zware industrie is. Ik denk dus dat onze ambitie wel groot genoeg mag zijn.

Ik wil nog eens herhalen dat wij deze studie fantastisch vinden. Het is goed dat we daaraan begonnen zijn. Het is inderdaad een heel mooi werkstuk. Maar het is een startpunt. Dat is wat we willen benadrukken. Ik heb begrepen dat u dat volgt, minister.

Ik begrijp dat u voor twee sporen kiest als het over recyclage gaat. Ik kan dat voor een stuk ook wel volgen, maar mijn grote zorg is dat we nu niet kiezen voor twee sporen, maar voor één, omdat we de capaciteit en de mogelijkheden voor die virgin plastic zo groot maken, dat de rest uit de markt geconcurreerd wordt. Ik denk dat dat de grote uitdaging is, om daar een evenwicht in te vinden.

Maar goed, we zijn begonnen aan een heel interessant traject. Het is zeer belangrijk dat daar verder grondig over wordt nagedacht, maar dat we dat ook samen doen, en dat het niet alleen gebeurt met de industriële sector, maar ook met het middenveld, ook met de milieubeweging, ook met de vakbonden, zodanig dat al die neuzen in dezelfde richting staan en dat we samen kunnen werken aan een klimaatneutrale wereld, waar we toch allemaal naar hunkeren en naartoe willen werken. Dat is mijn oproep.

Ik denk dat dat een oproep is die door iedereen gedeeld wordt.

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is gesloten.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.