U bent hier

– Wegens de coronamaatregelen werden deze vragen om uitleg via videoconferentie behandeld.

Mevrouw Lambrecht heeft het woord.

Minister, gisteren nam de Vlaamse Regering nieuwe maatregelen in de strijd tegen corona. We kunnen stellen dat we vanaf vrijdag naar kleurcode rood gaan voor sport. Mijn vraag over de overschakeling van kleurcode geel naar kleurcode oranje is daardoor wat ingehaald. Ik neem aan dat de collega’s die gelijkaardige vragen hadden ingediend, tot dezelfde vaststelling zijn gekomen. In plaats van vragen over code oranje te stellen, minister, zou ik willen vragen om een korte toelichting te geven over de nieuwe maatregelen binnen de sport, zodat de commissie eerder daarover gerichte vragen kan stellen. Een ander deel van mijn vraag is nog niet vervallen.

Minister, wilt u eerst kort de nieuwe maatregelen toelichten, of hebt u liever dat ik mijn vraag verder stel?

Minister Weyts heeft het woord.

Minister Ben Weyts

Ik kan heel kort de nieuwe maatregelen toelichten als u dat wenst.

We hebben opnieuw geschakeld, waarbij het sportveld een grote inspanning doet en waarbij we toch een duidelijke lijn trekken, een rode draad: oog hebben voor de meest kwetsbaren.

De kinderen tot en met 12 jaar kunnen blijven sporten indoor en outdoor. Ook één ouder-begeleider van min 12-jarigen mag zijn of haar kind naar de sportclub brengen en blijven kijken, maar moet afstand bewaren en een mondmasker dragen, conform de geldende afspraken. In de kering wil dit zeggen dat alles boven de 12 jaar, behalve de professionele sportbeoefening zonder publiek, verboden wordt. Individueel, en met de regel van vier, kun je natuurlijk ook wel outdoor sporten. Dat is in een notendop de beslissing die we hebben genomen. We hebben gepoogd om heel duidelijke lijnen te trekken, met zo weinig mogelijk uitzonderingen. Dat wil dan wel zeggen dat … (onverstaanbaar) … in hun sportactiviteiten. Dat is in dezen absoluut het geval.

We gaan dus naar een soort crackdown, en we hopen dat die zo duidelijk mogelijk is. We houden de vinger aan de pols. Ik hoop dat we zo snel mogelijk kunnen terugschakelen vanaf het moment dat we zien dat die crackdown effect heeft, dat we een knik in die curves kunnen veroorzaken. Op dat moment gaan we kunnen schakelen. Op grond van het inzicht van de virologen denken wij dat dat op een termijn van drie weken kan. Het kan vroeger zijn. Het is niet altijd een exacte wetenschap. We moeten bekijken hoe een en ander evolueert. Bij dit maatregelenpakket engageren we ons sterk om ook onze duit in het zakje te doen voor wat betreft die crackdown.

Mevrouw Lambrecht heeft het woord.

Dank u wel. Ik heb begrip – en ik denk velen met mij – voor de verstrenging van de maatregelen. Ik denk dat iedereen nu wel de ernst van de situatie inziet. U hebt ze toegelicht. Ze zijn inderdaad eenvoudig te volgen. Ik dacht dat er een ingewikkeldere uitleg ging komen. Als leden van de commissie kunnen wij die regels eenvoudig uitleggen.

Die maatregelen zorgen er natuurlijk wel voor dat de sportclubs opnieuw tijdelijk de deuren moeten sluiten, terwijl hun financiële zorgen al zeer groot waren. U verwijst voor de vragen over financiële steun graag naar dat noodfonds van 87 miljoen euro dat via de lokale besturen moet wordt verdeeld onder sport. Maar daar knelt momenteel toch wel het schoentje. Er bereiken mij heel veel vragen. Ook Koen Umans, de voorzitter van de Vlaamse Sportfederatie, getuigde in het televisiejournaal dat 70 procent van de Vlaamse sportclubs nog niets van die middelen heeft gezien.

Minister, stelt u er zich geen vragen bij dat de lokale besturen vanuit Vlaanderen 87 miljoen euro hebben gekregen, met als prioriteit sport, terwijl de meeste sportclubs nog niets van dat geld hebben gezien? Is dat voor u geen signaal om de lokale besturen wat meer op te volgen voor wat betreft de uitgave van de middelen – en niet alleen opvolgen, maar ze ook aanporren om die uitbetalingen te doen?

U hebt er zelf voor gekozen om de lokale besturen vrij te laten bij de besteding van de middelen, zonder enige verantwoording, zonder enige rapportering. We hebben daarover in het verleden al gepraat. Ik zou strenger zijn en meer opvolgen. U was nogal voor vrijlaten.

Vindt u dat dit een goede methode is geweest, nu u weet dat 70 procent van de clubs nog geen geld heeft gezien?

Plant u om extra steun vrij te maken voor de sportsector nu er opnieuw een soort lockdown aan komt? De min 12-jarigen mogen nog wel sporten, maar voor de kantines en dergelijke komt er een nieuwe periode van harde maatregelen aan.

Ik zal dit aanvullen met mijn vraag om uitleg. Die is uiteraard ook gedateerd en ingehaald door de actualiteit. Minister, u hebt al kort en bondig de duidelijke richtlijnen geschetst, maar die waren vroeger niet altijd even duidelijk. Ook daarom heb ik mijn vraag om uitleg ingediend.

Toen we overschakelden naar code oranje, werd er een verbod ingesteld voor alle sporten die indoor gespeeld werden en waar geen anderhalve meter afstand kon worden bewaard. Wat toen gebeurde, vond ik zelf wat ongelukkig. U stelde dat de sportclubs zelf konden bepalen of afstand houden mogelijk was, maar dat u hierbij hun handje niet zou vasthouden. Ik ben allesbehalve een voorstander van betutteling, maar ik ben wel een voorstander van duidelijkheid. Ik begrijp wel wat u bedoelde met dat u het handje niet zou vasthouden, maar men moet toch een duidelijk kader creëren zodat sportclubs weten waar ze aan toe zijn.

Ik heb alle begrip voor de verstrenging van de maatregelen. Dat is ook nodig. Ik wil echter ook graag weten hoe u stond en staat tegenover de commentaar in de open brief van Basketbal Vlaanderen waarin men het volgende stelde:  “De dokters en virologen uit de expertengroep voor sport oordeelden dat het contact tussen jongeren op een basketbalterrein als een laag risico-contact mag gezien worden.”

Je krijgt natuurlijk altijd discussies, daarom zorg je beter ook voor duidelijkheid.

Ten slotte heb ik ook een vraag over het noodfonds. In heel wat steden, in de ene al wat meer dan in de andere, zie je dat de middelen van dat noodfonds niet altijd de sportclubs bereiken. Dat is toch wel een groot probleem. Je ziet dat in de steden en gemeenten cultuur en jeugd wel steun krijgen, maar ik hoor toch verhalen over sportclubs die zich echt achteruitgesteld voelen omdat ze maar over een klein percentage steun kunnen beschikken. Het gaat dan over 2 of 3 of 5 procent van het volledige bedrag dat aan hun stad of gemeente werd toegekend. In sommige steden of gemeenten krijgen ze misschien wat meer, maar in bepaalde steden en gemeenten is dit toch een probleem. Ik vroeg me af of ook u op de hoogte bent van zulke gevallen? Hoe staat u daartegenover? Kunt u daar iets aan doen? Je hebt natuurlijk de autonomie van de steden en gemeenten, waar ik volledig achter sta, maar van de minister van Sport zou je toch verwachten dat hij de steden en gemeenten zou stimuleren om de nodige aandacht te geven aan de lokale sportclubs, ook wat het noodfonds betreft

De heer Coenegrachts heeft het woord.

Minister, dank u wel voor het antwoord. Ook mijn oorspronkelijke vragen zijn natuurlijk ingehaald door de feiten. Ik denk dat de maatregelen waarover u gisteren duidelijkheid hebt gegeven, het voordeel van de duidelijkheid hebben. Het zijn natuurlijk harde maatregelen voor onze sportclubs, maar ze hebben het voordeel van de duidelijkheid, en die duidelijkheid hebben we zeker in deze tijden nodig.

Er is hier al veel gezegd over het noodfonds, en ook over de lokale autonomie. Iedereen schijnt daarvoor te zijn, behalve als de lokale besturen die autonomie daadwerkelijk gebruiken. Dan heeft men liever dat Vlaanderen zou zeggen wat ermee moet gebeuren. We hebben die beslissing om die lokale besturen die financiële middelen ter beschikking te stellen, heel oprecht en heel bewust genomen, maar hun ook het vertrouwen gegeven om dat in te zetten zoals ze dat lokaal nodig denken te hebben. Dat hoeft inderdaad niet met rechtstreekse injecties in de kassen van de sportclubs. Dat mag ook door nieuwe sport- en cultuurinitiatieven die de sector vooruithelpen. We laten dat aan de lokale inschatting over. Ik zou zeggen: controle is goed, vertrouwen is beter. Laat die lokale besturen dus daadwerkelijk in die driver’s seat zitten en lokaal hun inschatting maken, zelfs al hebben ze dat geld vandaag nog niet verdeeld. Men mag toch wel verwachten dat er ook lokaal een beetje naar de consequenties wordt gekeken, dat de gevolgen beter worden ingeschat alvorens men al dat geld begint te verdelen.

Ik sluit me echter wel aan bij de vraag of er ondertussen extra financiële steun nodig is. Hebt u daar een zicht op? Is er al overleg geweest met bepaalde sectoren? Is dat een vraag vanuit die sectoren, en hoe zou Vlaanderen daar eventueel mee omgaan?

Minister Weyts heeft het woord.

Minister Ben Weyts

Ik zou een aantal interessante elementen in de vraagstelling toch even willen duiden, beantwoorden of rechtzetten.

Ik ben natuurlijk ook bezorgd over het financiële aspect, met 87 miljoen euro die via de lokale besturen kon worden overgemaakt aan drie lokale sectoren, namelijk sport, cultuur en jeugd, maar wel met de duidelijke afspraak dat de prioriteit voor sport zou zijn. We hebben die autonomie inderdaad aan de steden en gemeenten gegeven. Dan moet je ook niet schrikken als men gebruikmaakt van die autonomie. Men moet er echter wel van gebruikmaken, en ik zal toch ook eens bekijken met collega Somers of we daar niet nog een push kunnen geven. Misschien zijn sommige gemeenten wat terughoudend, kijken ze een beetje de kat uit de boom om te weten wat uiteindelijk de financiële repercussie zal zijn. Ik dring er toch op aan dat men nu echt schakelt, want voor sommige clubs wordt het natuurlijk wel precair, gelet op het gegeven dat ze hun vaste inkomsten niet hebben, dat ze bepaalde inkomsten van de kantine en het aanwezigheidsgeld niet hebben. Daartegenover staat dat ze nu ongetwijfeld ook veel variabele kosten niet meer zullen hebben. De vraag is welke vaste kosten ze dan nog hebben. Die zullen er ongetwijfeld zijn.

Mijnheer Coenegrachts, u had in uw vraagstelling aanvankelijk ook verwezen naar het stilleggen van het amateurvoetbal vanaf U19. Ik wil dat toch ook even duiden. Voor alle duidelijkheid, dat is niet voortgekomen uit een beslissing die wij hebben genomen. Op dat moment waren we overgeschakeld naar code oranje, maar dat vloeit daar niet uit voort. Dat was een autonome beslissing van Voetbal Vlaanderen, voor alle duidelijkheid. We hadden nog de mogelijkheid gelaten ter zake, maar Voetbal Vlaanderen heeft dan geoordeeld dat dat niet werkbaar was, gelet op het feit dat er geen of maar een beperkte aanwezigheid mocht zijn, maar vooral gelet op het feit dat de kantines en de kleedkamers gesloten moesten blijven, en die keuze gemaakt.

Nog enkele andere elementjes. Mijnheer Deckmyn, u verwees in uw vraagstelling naar de basketbalfederatie. Op 12 oktober hebben wij, in mijn aanwezigheid en in consensus met de sportclubs, binnen de klankbordgroep beslist om te schakelen naar code oranje vanaf 14 oktober. U zei dat de basketbalfederatie zich daarvan het slachtoffer zou voelen. Dit zou mij verwonderen, aangezien de CEO van Basketbal Vlaanderen, in zijn hoedanigheid als voorzitter van de Vlaamse Sportfederatie (VSF), de koepel van de Vlaamse sportfederaties, daar mee aan tafel zat. Wij werken met hem prima samen.

De virologen nemen bovendien algemeen aan dat het verspreidingsrisico in een indoorcontext veel groter is dan in een outdoorcontext. Veel hangt natuurlijk ook af van de grootte, de bezettingsgraad en de ventilatie van de accommodatie. Het is evident dat het risico kleiner is in een grote, goed geventileerde sporthal, dan in een kleine sportruimte met beperkte ventilatie.

Maar het grootste risico zit trouwens niet zozeer in de activiteiten zelf, maar in het randgebeuren naast de sportactiviteit. Dat is altijd onze ratio geweest. We hebben altijd gezegd dat we, als we veiligheidsmaatregelen moeten nemen en beperkingen opleggen, in eerste instantie de activiteiten rond het veld zouden beperken, om de activiteit op het veld mogelijk te maken. Maar dat is vanuit de ratio dat, vanuit het virologisch oogpunt, het risico op besmetting op het veld in openlucht beperkter is.

We kennen verschillende cases van infecties binnen sportclubs. Deze werden nader bekeken door Gezond Sporten Vlaanderen en de Vereniging voor Sport- en Keuringsartsen, die ook deel uitmaken van onze klankbordgroep. Uit deze cases kon de algemene conclusie getrokken worden dat de sportactiviteit zelf niet de aanjager was van de besmettingen, maar wel het randgebeuren rond de sportactiviteit: de kleedkamers en de kantine. Daarom hebben we die met een vorige beslissing gesloten.

Om het heel bevattelijk te maken: ze hadden een klassieke case van een clusteruitbraak na een amateurvoetbalwedstrijd. In een dergelijke context is het contact tussen tegenstanders veel groter dan tussen ploeggenoten, maar nadien bleek dat de besmetting zich enkel binnen één team had doorgezet en niet bij de tegenstander. De enige logische conclusie daarbij is dat de verspreiding zich in de kleedkamer of in de kantine heeft voorgedaan toen de spelers indoor dicht bij elkaar zaten gedurende ongetwijfeld een iets langere periode. Deze interessante case heeft de basis gevormd, de ratio, van ons denken en handelen bij het inperken van activiteiten.

Dezelfde ratio geldt voor de bekommernis om de meest kwetsbaren: de kinderen. Virologisch weet je dat tot en met 12 jaar de risico’s beperkter zijn. Daar is wetenschappelijke consensus over.

Er woedt momenteel nog een andere discussie – en ik zet ‘les pieds dans le plat’: wij hebben sinds het begin van de lockdown een duidelijk onderscheid gemaakt tussen topsporters enerzijds, professionele topsporters met een elitestatuut bij Sport Vlaanderen, en andere sporters anderzijds. In elk scenario is er altijd een preambule voorzien waarin staat dat voor profsport en topsport steeds uitzonderingen kunnen worden gemaakt op de geldende richtlijnen. Voor profsporters in de profliga’s van de ploegsporten is het doorgaan van de competities essentieel omdat zij anders hun beroep niet kunnen uitoefenen. Dat is anders met amateurs.

En dan is er ook nog het voortbestaan van de clubs. Dat is het grote bijkomende verschil met de cultuursector. Profsport kan rendabel blijven doorgaan zonder fysiek publiek, omdat je daar de uitzendrechten hebt. Zij hebben het publiek op afstand. Dat is het grote verschil met cultuur, waar je per definitie afhankelijk bent van het publiek in de zaal. Het is voor hen niet rendabel om voor lege zalen te spelen. Voor bijvoorbeeld profvoetbal is het wel nog rendabel om voor een lege tribune te spelen. Dat is het grote verschil. Dat heeft niets te maken met onze appreciatie ten aanzien van cultuur.

Het is wel zo dat we altijd voorzien hebben dat de sportclubs ook in code oranje nog konden verder trainen en wedstrijden spelen, maar dat ze daarvoor altijd een uitgebreid aanvraagdossier moesten indienen waarbij ze tal van extra veiligheidsvoorschriften en een goed onderbouwde, door een viroloog goedgekeurde testprocedure werden opgelegd. Er zijn dus strenge veiligheidsmaatregelen. Dat geldt ook voor topsporters die zich voorbereiden op de Olympische Spelen. Dat is een beperkt aantal, maar ook zij moeten blijvend kunnen gebruikmaken van de faciliteiten om hun kans op een deelname en een goede presentatie te vrijwaren. Zij moeten natuurlijk op niveau blijven. Dat zijn motoren die moeten blijven draaien. Als je die stillegt, is dat nefast voor hun prestaties in de toekomst.

Dat waren toch enkele elementen die ik interessant vond om mee te geven in dit debat. Zo weet je ook welke overwegingen er spelen.

Mevrouw Lambrecht heeft het woord.

Bedankt voor het antwoord. Ik hoor van u toch enige goede wil. We geven wel die 87 miljoen euro, maar controle is ook wel nodig. Ik hoop dat u daarvoor stappen onderneemt. Als je aan je kinderen geld geeft om kleren te kopen, dan heb je graag dat ze ook met kleren thuiskomen. Anders vraag je je toch af wat ze met dat geld hebben gedaan. 70 procent heeft geen geld gekregen. Dat is echt geen klein cijfer.

Ik volg u zeker in de mening dat men het grootste risico rond het veld loopt. Door de maatregelen zijn het nu nog alleen de min 12-jarigen die op het veld mogen sporten, maar de ouders hebben natuurlijk een heel grote verantwoordelijkheid in het brengen en halen van de kinderen. Aan de schoolpoorten is er het probleem van de hangouders, maar dat geldt toch ook een beetje voor de sportclubs. Ik denk dat er hierover naar de clubs toch enige sensibilisering nodig is om dat te allen tijde te voorkomen, want ik geloof niet dat die besmettingen van het sporten zelf komen.

Op een belangrijke vraag heb ik echter geen antwoord gekregen, tenzij het mij is ontgaan, minister. Is er ook nog extra geld voorzien omdat de periode waarin men niet kan sporten werd verlengd, want daardoor hebben de sportclubs geen inkomsten?

Minister, bedankt voor uw antwoord en de extra elementen die u in uw antwoord gaf. Die kaderen onze initiële vragen een stuk beter.

U stelt dat het randgebeuren bij indoorsportactiviteiten grotere risico’s met zich meebrengt dan de activiteit zelf. U hebt daarin een punt en u hebt daar een concreet voorbeeld van gegeven. We moeten daar inderdaad de nodige aandacht voor hebben. De bedoeling moet hoe dan ook zijn dat we de lokale sportbeoefening zo lang als het kan moeten laten plaatsvinden. Dat is een belangrijk element, maar ik denk dat u op dezelfde golflengte zit.

Toen ik mijn vraag over de lokale autonomie stelde, sprak ik zeker met twee woorden. Ik sta natuurlijk achter de lokale autonomie. We moeten inderdaad vertrouwen geven aan de lokale besturen om de middelen die ze hebben, op een goede manier te spenderen. Mijn punt was echter dat ze dat vertrouwen een beetje beschaamden. U hebt zelf aangegeven dat voor het noodfonds de afspraak werd gemaakt dat sport een prioriteit zou zijn. Op sommige vlakken of in sommige steden en gemeenten zie je dat dat niet altijd het geval is. Daarom vroeg ik hoe we die lokale besturen kunnen stimuleren om daar meer aandacht voor te hebben of dat zo snel mogelijk te doen, want sommige hebben nog geen fondsen gespendeerd.

Ik vind het alvast positief dat u in uw antwoord hebt aangegeven dat u samen met minister Somers zult bekijken hoe u dat eventueel kunt bijsturen.

Ten slotte is er de vraag die ook mevrouw Lambrecht naar voren heeft gebracht. Er was een noodfonds naar aanleiding van die eerste golf, nu komen we in een tweede golf. 

We zitten nu al diep in het rood. Ik weet dat iedereen nieuwe middelen vraagt, maar ik denk dat het ook op het vlak van sportbeoefening zeer belangrijk is om ervoor te zorgen dat veel clubs niet kopje-onder gaan.

De heer Coenegrachts heeft het woord.

Minister, dank u wel voor die duiding, die inderdaad zeer nuttig is om te zien in welke context de beslissingen in het verleden zijn genomen, vandaag worden genomen en waarschijnlijk in de toekomst zullen worden genomen. Dan kunnen wij dat beter inschatten. Ik ben het met u eens dat de tijd dat lokale besturen de kat uit de boom konden kijken, nu wel voorbij is. Ik vind het een zeer waardevol initiatief dat u samen met minister Somers zult bekijken hoe u hen daarop kunt wijzen en u hen kunt stimuleren om dat geld te doen rollen, zodat dat de sportbeleving in de gemeente ten goede komt, zodat dat het voortbestaan van clubs garandeert.

Collega Deckmyn, als sommige lokale besturen dat vertrouwen beschamen, dan zijn er natuurlijk ook de lokale kiezers, die dat dan maar moeten beoordelen. Het is niet aan de Vlaamse overheid om dan rapporten te geven ter zake. Het zullen de lokale meerderheid en de lokale oppositie zijn die hun rol daarin moeten spelen en over een paar jaar aan de bevolking een oordeel moeten vragen. Dat is net wat vertrouwen geven aan lokale besturen betekent: dat is ook vertrouwen geven aan de kiezers op lokaal niveau. Het kan echter zeer nuttig zijn dat men besturen erop wijst, dat men hen wat stimuleert, zodat die sportclubs misschien wat sneller dat geld zullen zien verschijnen.

De heer Muyters heeft het woord.

Collega’s, eigenlijk zit ik wel wat meer op de lijn van diegenen die die autonomie van de gemeenten belangrijk vinden. Ingaand op het voorbeeld van mevrouw Lambrecht, als ik mijn kinderen geld geef om kleren te kopen, en ze kopen er iets anders mee, tant pis, dat is dan hun verantwoordelijkheid, maar ze moeten daarna niet afkomen om geld voor kleren te vragen, want ze kunnen dat maar één keer krijgen. Daarmee geef je de verantwoordelijkheid aan je kinderen. Voor mij is dat een beetje hetzelfde wat de gemeenten betreft. Het is prima dat de minister en minister Somers een initiatief nemen, maar laten we dan allemaal zelf, aangezien velen van ons ook een lokaal mandaat hebben, onze lokale mandatarissen erop wijzen dat dit geld er is.

Dat daar wat tijd over is gegaan, is ook niet zo onlogisch. Elke gemeente heeft daaromtrent een manier van werken uitgewerkt, die nogal verschillend kan zijn. Heel vaak wordt ook aan de clubs gevraagd om ledenaantallen te tonen, maar evengoed, bijvoorbeeld, om hun schade aan te tonen. Het is niet de bedoeling om bijkomende subsidies te geven, maar om een stuk van de schade of het inkomstenverlies te compenseren. Bij sommige clubs heeft dat ook wat op zich laten wachten, waardoor er op sommige plaatsen nog geen uitkeringen zijn gedaan. Ik ben er echter van overtuigd dat dat de volgende weken heel duidelijk op kruissnelheid zal komen en dat de meeste clubs de volgende weken dat geld daadwerkelijk zullen krijgen. Een kleine push vanuit Vlaanderen om daar nog eens aan te herinneren kan zeker geen kwaad, maar laat ons de verantwoordelijkheid gemeentelijk laten.

Mevrouw De Rudder heeft het woord.

Minister, dank u wel voor het geven van een toch wel uitgebreide toelichting. Dat was zeer nuttige informatie. Sprekend als burgemeester wil ik toch ook eens benadrukken dat ik heel blij was dat we zelf die autonomie hebben gekregen. Dat heeft ons heel veel mogelijkheden gegeven om op een creatieve, originele manier om te gaan met het verdelen van die middelen onder onze verenigingen.

We hebben ondertussen allemaal die uitbetalingen gedaan. De verenigingen waren dankbaar. Minister, ik vind dat de goede manier om de verantwoordelijkheid bij de lokale besturen te leggen. Dat is zeer goed.

De nieuwe maatregelen werden gisterenavond gecommuniceerd. Ze waren heel duidelijk, zonder veel uitzonderingen. Dat is een heel goede methode om een draagvlak in de sector te krijgen. Hoe meer uitzonderingen, hoe moeilijker het wordt.

Ik ben blij dat de uitzonderingen voor de categorie onder de 12 jaar er zijn. We beseffen dat we in de eerste periode voor de kinderen onder de 12 jaar misschien wel iets te veel op de rem hebben gestaan. Nu geven we die kinderen mogelijkheden om toch nog te kunnen blijven sporten. Daar zijn wij heel dankbaar voor.

Minister, ik ben het volledig met u eens dat de activiteit op zich geen probleem is, maar wel alles daarrond. Wij hadden vorige week op onze gemeente een aanvraag voor een marathon met vijfhonderd personen. Op zich is het lopen geen probleem. Maar die mensen laten aankomen en samenbrengen, dat geeft wel een probleem. We moeten dat goed kunnen monitoren, zeker ook voor de sporten die kunnen blijven doorgaan voor de kinderen onder de 12 jaar.

Tot slot, minister, zal het nu ook belangrijk zijn om opnieuw heel wat verenigingen financieel te ondersteunen. Op welke manier zal er vanuit Vlaanderen opnieuw extra steun komen voor al die sportverenigingen?

Minister Weyts heeft het woord.

Minister Ben Weyts

We zijn het er allemaal over eens dat Vlaanderen nog een initiatief moet nemen richting de gemeenten om een beetje een push te geven: de sportclubs wachten op de middelen die ter beschikking werden gesteld. Ga dus over tot de uitkering ervan. We zien dat sommige gemeenten dat doen, andere blijven wat achterwege. We moeten daar een push geven.

We hebben ook, via de federaties, in 10 miljoen euro voorzien. Als we nu een nieuwe schuif zouden opentrekken, geven we de gemeenten en steden het signaal dat het oké is, dat we in hun plaats treden. Neen, we moeten er in eerste instantie voor zorgen dat de gemeenten en steden hun verantwoordelijkheid nemen. Er zijn er veel die dat goed doen. Iedereen moet zijn verantwoordelijkheid nemen wanneer de gemeenteraad vaststelt dat er niet wordt gehandeld. Dan moet men de gepaste vragen stellen en het schepencollege ter verantwoording roepen.

Ik wil niet vooruitlopen op andere initiatieven. Er is nog wel in een coronaprovisie voorzien door de minister van Begroting, maar in dezen is het nogal evident dat we er eerst voor moeten zorgen dat die middelen die bestemd zijn – die pot van 87 miljoen euro, prioritair voor sport maar ook voor jeugd en cultuur – in eerste instantie worden uitgekeerd en toekomen bij diegenen waarvoor ze bestemd zijn.

Mevrouw Lambrecht heeft het woord.

Minister, ik kan u volgen in wat u zegt. We zitten hier met velen op dezelfde lijn. Wij steunen u. Het is belangrijk dat u steun krijgt voor wat u doet. Het is niet het gemakkelijkste. Wij willen allemaal zoveel mogelijk sporten. Maar ik ben ook niet tegen lokale economie. Het is zo jammer dat je dan direct geframed wordt als iemand die tegen de lokale economie is. Dat is helemaal niet zo. Maar als 70 procent niet uitbetaalt, moeten wij, wanneer we lokaal actief zijn, vragen stellen. Een extra push van u is zeker meegenomen.

Laat ons hopen dat we over drie weken een commissievergadering kunnen hebben waar we een beetje versoepeling van de maatregelen kunnen aankondigen, op dezelfde manier als u nu bezig bent: ik vind het zeer duidelijk en rechtlijnig. Yoga is misschien niet te vergelijken met basket, maar als je begint met uitzonderingen, gaat dat tot een kakofonie leiden. Dat kunnen we echt missen.

Minister, ik wil u ook bedanken voor de duidelijkheid die wordt gecreëerd. Het is zeker niet mijn bedoeling om rapporten te maken over de lokale besturen en om op hun vingers te kijken.

Ik vroeg u wel om de steden en gemeenten te stimuleren om ten eerste die middelen uit te keren en ten tweede ook voldoende prioriteit aan de lokale sportclubs te geven. Dat mag zeker gestimuleerd worden. Ik ben het eens met mijn collega’s dat er nog altijd zoiets is als lokale oppositie en dat er zelfs vanuit de meerderheid kritiek kan zijn op de besteding van de middelen. Ten slotte zijn er ook de kiezers die het lokale beleid kunnen beoordelen. Mijn vraag vond ik echter wel voor een groot stuk terecht. Ik wil u daarom ook bedanken omdat u samen met minister Somers zult kijken hoe de lokale besturen toch een beetje meer kunnen worden aangezet om de lokale sportclubs voldoende en correct te ondersteunen. 

De heer Coenegrachts heeft het woord.

Dank u wel, voorzitter. Aan zoveel eensgezindheid over dit onderwerp wil ik niets meer toevoegen.

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is gesloten.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.