U bent hier

– Wegens de coronamaatregelen werden deze vragen om uitleg via videoconferentie behandeld.

Minister, we stellen allemaal vast dat de besmettingscurve ook in Vlaanderen stijgt en dat de druk op de huisartsen, ziekenhuizen en laboratoria toeneemt. Nadat ik deze vraag om uitleg had ingediend, heeft een ziekenhuis bij mij in de streek ook tijdelijk de deuren moeten sluiten en konden er geen bijkomende opnames gedaan worden omdat de druk te groot werd.

Minister, contactopsporing is zeer belangrijk. U hebt vorige week, samen met minister Beke, aangekondigd dat u inzake de contactopsporing georganiseerd door Vlaanderen, de Vlaamse steden en gemeenten zou oproepen om die lokale contactopsporing op te zetten en dat u daar extra geld voor zou uittrekken. Naar ik toen vernam, focuste u zich inzonderheid op de dertien centrumsteden, waarbij er zelfs een bedrag van 100 euro per contactopsporing gegarandeerd werd als vergoeding.

Minister, ik schrok enigszins, omdat ik vaststel dat er in heel Vlaanderen ook in heel wat kleinere gemeenten aan contactopsporing wordt gedaan. In mijn zorgregio – waar regiowerking en regiovorming al niet goed voor is – doet men al sinds 28 juli aan lokale contacttracing. Dat gebeurt parallel met de Vlaamse overheid, maar vanuit een andere invalshoek. Lokaal gaat het vooral om de verenigingen waarin men actief is, welke sociale verbanden er zijn enzovoort. Dat is dus een andere invalshoek, waarbij men concreter kan inspelen op de noden van de mensen. Ik kan bijvoorbeeld getuigen dat in mijn eigen gemeente – een kleine gemeente – twee personen ingeschakeld zijn voor contacttracing, de ene meer vanuit het OCMW, de andere meer richting de dienst vrije tijd. In ieder geval gebeurt dat.

In die optiek, minister, heb ik dan ook een pertinente vraag voor u. Waarom focust u, zeker wat de financiële ondersteuning betreft, op de dertien centrumsteden en niet op de rest van Vlaanderen, waar men volgens mij in dezen een even pertinente en belangrijke rol te vervullen heeft?

Ik denk dat ik hiermee ruim onder de vijf minuten gebleven ben.

De heer Ongena heeft het woord.

Voorzitter, dankzij uw schitterende inleiding zal ik ook de mij toegewezen vijf minuten niet volledig nodig hebben, want u hebt de problematiek al goed geschetst.

Ik denk dat we ervan overtuigd zijn dat lokale contactopsporing zeer nuttig kan zijn, een nuttige hulp bij de andere vormen van contactopsporing. Dat is ondertussen wel gebleken.

In de zomer is men daarmee gestart, ik denk tot grote tevredenheid van iedereen. Het is volgens mij een goede zaak dat men op dat spoor wil verdergaan, nu corona weer serieus aan het toeslaan is ons land.

Mijn vragen bouwen verder op die van de heer Van Dijck. Hij focust zich op de vraag hoe het zit met de andere steden en gemeenten. Ik wil wat ruimer gaan.

Minister, wat is uw evaluatie van de huidige lokale contactopsporingsinitiatieven? Hebt u daar cijfers over? Hoeveel lokale initiatieven zijn er? Hoeveel mensen werden op die manier al gecontacteerd? Hoeveel huisbezoeken werden afgelegd? Ik denk dat een van de grote voordelen van zo’n lokale contactopsporing net is dat men veel dichter bij de mensen staat en eigenlijk ruimer kan gaan dan pure contactopsporing, maar dat men ook kan nagaan of men die mensen misschien op een andere manier kan bijstaan. Hoe evalueert u de bestaande initiatieven?

Ik heb ook vragen over wat er nu gepland is, de uitrol naar de dertien centrumsteden. Hebt u daarvoor een timing voor ogen? Tegen wanneer zou dit er moeten zijn?

Hoe zit het met de uitrol naar andere steden en gemeenten? Wat zijn daarvoor de ambities?

Welk budget zal worden uitgetrokken voor de verdere uitrol van de lokale contactopsporing?

Hoe zal de afstemming gebeuren tussen de lokale en de Vlaamse contactopsporing? Loopt dat goed? Hoe zal men ervoor zorgen dat dit efficiënt blijft verlopen?

Minister Somers heeft het woord.

Minister Bart Somers

Mijnheer Van Dijck en mijnheer Ongena, ik ben blij dat jullie deze vragen stellen. Zo kan ik wat verduidelijking creëren en potentiële misverstanden wegwerken.

De regering is hier heel intens mee bezig. Vanavond is er een ministerraad. We weten allemaal dat de evolutie van de pandemie meer dan zorgwekkend is. Dit is zeer bedreigend. Ik denk dat iedereen die verantwoordelijkheid draagt, zich daar ook enorm van bewust is, ook bij onze lokale besturen.

Een van de elementen die helpen om het virus te bestrijden, zolang er geen vaccin is, is contactopsporing, brononderzoek. Daarvoor hebben we de voorbije maanden een heel nieuw systeem moeten uitrollen. Vooral minister Beke heeft dat moeten doen.

We hebben ervoor gekozen om een centrale contactopsporing uit te rollen. Die centrale contactopsporing is stap voor stap geoptimaliseerd. Dat is work in progress en zal work in progress blijven, maar op dit moment verloopt dat al in een heel andere context dan pakweg enkele maanden geleden. Naast die centrale contacttracing zijn er in juli lokale besturen met eigen initiatieven gekomen. De heer Van Dijck en de heer Ongena verwezen er al naar, andere collega’s zullen ongetwijfeld ook op de hoogte zijn van lokale initiatieven in hun buurt.

De Vlaamse Regering is niet bij de pakken blijven zitten. We hebben deze zomer al verschillende initiatieven genomen om lokaal contactonderzoek te ondersteunen, in complementariteit. We hebben toen drie pilootprojecten opgestart, in samenwerking met Zorg en Gezondheid. Het door de heer Van Dijck genoemde initiatief hoorde daar niet bij.

Daarnaast zijn er verschillende andere lokale initiatieven met betrekking tot bronopsporing, coronacoaching, zorg voor kwetsbare personen en groepen. Daarbij wordt op verschillende manieren geprobeerd om nuttig en zinvol werk te verrichten.

Op vrijdag 16 oktober heeft de Vlaamse Regering, gelet op de stijgende cijfers en het feit dat we die centrale contacttracting altijd maar aan het opschalen waren, afgesproken dat we nog meer een beroep moeten doen op de lokale besturen en voor een stuk hun hulp moeten inroepen. We hebben daarvoor een aantal principes afgesproken.

Eerst en vooral zijn we vertrokken van de vaststelling dat die pilootprojecten een wezenlijke ondersteuning kunnen bieden in de contactopsporing. Die hebben hun deugdelijkheid bewezen.

Ten tweede hebben we afgesproken dat gemeenten, als ze dit doen, hiervoor financieel ondersteund worden volgens het Belfortprincipe. Er komt 100 euro per indexpatiënt. Ik kreeg hierop van sommige mensen de reactie: ‘100 euro per telefoon?’, maar uiteraard gaat dat niet over één telefoontje. Het gaat om het volledig afwerken van alle contacten, het uitbouwen van de infrastructuur, de vaste kosten, soms ook ter plaatse gaan, brononderzoek.

Dat is een prijs. Ik kan u zeggen dat, toen de centrale contacttracing startte, dat werd berekend op ongeveer 130 euro in de beginfase. We hebben leergeld betaald, en nu zit dat op ongeveer 70 euro qua kostprijs. We denken dat die 100 euro een heel billijke, correcte vergoeding is voor de inspanningen die lokale besturen zouden doen.

Het agentschap Zorg en Gezondheid werkt nu kwaliteitscriteria uit, en we streven naar een slimme combinatie van centrale en lokale initiatieven. Het is evident dat minister Beke hier de leiding heeft. Mijn taak bestaat erin het lokale luik te ondersteunen. Ik doe twee zaken: als minister van Ambtenarenzaken probeer ik ambtenaren vrij te maken om die centrale contracttracing te ondersteunen, en als minister van Binnenlands Bestuur probeer ik lokale initiatieven uit te rollen en op te schalen.

Het is juist dat we op 20 oktober begonnen zijn met een gesprek, een webinar met de dertien centrumsteden. Waarom hebben we dat gedaan met die burgemeesters? Je moet ergens beginnen; dat is misschien het gemakkelijkste antwoord. Bovendien worden die steden natuurlijk het hardst getroffen door het virus, zeker in kwantiteit. Dat is ook logisch: ze hebben meer inwoners, dus bij eenzelfde percentage is het virus daar het hardst aanwezig. Vaak hebben ze ook al initiatieven genomen rond bronopsporing en coronacoaching. De steden hebben in verhouding ook vaak genoeg capaciteit om dat te doen, al heb ik heel veel bewondering voor de kleinere gemeenten die ook zeer zinvol werk doen.

We hebben de drie pilootprojecten uitgenodigd om hun ervaringen te delen met de burgemeesters van de dertien centrumsteden. Dat is gebeurd op dinsdag 20 oktober, en daarna is er een workshop geweest op 23 oktober. Al die burgemeesters hebben zich geëngageerd om mee te werken, en ik ben hen daar ook enorm dankbaar voor. Vaak zijn die steden ook niet alleen een eiland maar werken die in brede verbanden, met eerstelijnszones. Ik denk aan het project in West-Vlaanderen, waar de hele regio wordt in meegenomen. Ze zijn dan een beetje de locomotief of het startpunt van veel meer gemeenten die daarrond geclusterd meewerken.

We hebben dan op basis van hun ervaringen gekeken wat er nog kan worden verbeterd. Minister Beke en het agentschap Zorg en Gezondheid zijn nu aan de slag om die contactopsporing verder te optimaliseren en de beslissingen die de Vlaamse Regering nog moet nemen, voor te bereiden, bijvoorbeeld op het vlak van financiering of de werking van het informatieplatform. Mijn administratie bundelt voor de gemeenten die met contactopsporing willen starten, alle informatie op de website https://www.vlaanderenhelpt.be/

Het is evident dat het de bedoeling is dat dit systeem openstaat voor alle gemeenten. Laat dat ook duidelijk zijn, dat daar geen misverstand over is: een gemeente die vandaag zegt dat ze wil meedoen aan die lokale contactopsporing, moet dat kunnen, die kan zich daarvoor engageren. En die zal even veel ondersteund worden. Een aantal gemeenten hebben trouwens al contact opgezocht met mijn kabinet en gezegd dat zij willen meehelpen, en dat we op hen kunnen rekenen. Ik dank hen daarvoor.

Op 23 oktober 2020 was er een overleg met de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG) om te kijken hoe we lokaal contactonderzoek naar alle gemeenten kunnen uitbreiden. Ik ga daar ook samen met collega Beke voorstellen voor indienen bij de Vlaamse Regering.

Er was ook de vraag naar een stappenplan. Ik ga niet met concrete data werken omdat ik vind: hoe sneller, hoe liever. Het hangt ook voor een stuk af van de lokale besturen. Ten tweede is collega-minister Beke bezig met de verdere concrete optimalisatie van de centrale lokale contactopsporing. Denk bijvoorbeeld aan het openzetten van het ICT-platform voor contactopsporing, het delen van scripts en het hanteren van gezamenlijke lijsten. Lokale besturen kunnen zich ook engageren in verschillende scenario’s met betrekking tot brononderzoek en contactonderzoek. We gaan een soort van palet van mogelijkheden maken. Die lokale besturen ook kunnen rekenen op dezelfde steun.

Collega Ongena vroeg heel concreet of er een evaluatie van die drie pilootprojecten is. Zij hebben zelf een evaluatie gemaakt, een kritische zelfevaluatie die we ook hanteren. Die kunnen we zeker aan iedereen bezorgen. Aan een grondige evaluatie wordt op dit moment nog gewerkt. Zodra die klaar is, is die ook beschikbaar.

Samengevat: je hebt die dertien burgemeesters en die noodkreet van de steden. Kijk wat je in je eigen regio kunt doen. We hebben hen eerst aangesproken maar we hebben met de VVSG ook al afgesproken dat elke gemeente die wil meedoen aan lokale contactopsporing, dat ook moet kunnen, aan dezelfde voorwaarden als de steden. Dat kan eventueel ook geclusterd, met eerstelijnszones of een regionale werking. Dat is zeker mogelijk.

Ik ben natuurlijk tevreden met het antwoord dat u geeft. Ik denk dat de contacttracing, gelinkt aan de eerstelijnszones, ook een stimulans is geweest om die eerstelijnszones echt operationeel te maken. Dit is een opportuniteit die ook heeft gemaakt dat men het aanvoelen had dat dit een forum is, een groep van gemeenten ondersteund door huisartsen en dergelijke, waarmee we aan de slag kunnen. Die goede voorbeelden zijn inderdaad heel pertinent. Het is goed om die te tonen, om die kenbaar te maken. Mijn oproep was en is nog steeds dat, wanneer gemeenten zich engageren, er op een gelijke manier wordt gewerkt en er gelijke ondersteuning is. Maar ik denk dat uw antwoord dat ook behelsde. Dat is een van mijn bekommernissen: dat de inspanningen die ook op andere plaatsen dan de centrumsteden worden geleverd, ook worden gehonoreerd. Ik denk dat het inderdaad heel belangrijk is, om deze pandemie aan te pakken, dat we tot in de kleinste dorpen de strijd aangaan.

De heer Ongena heeft het woord.

Ik denk dat we er ondertussen allemaal van overtuigd zijn dat de lokale besturen een cruciale rol spelen in het beheersen van de pandemie die nu bezig is, en dat ook die lokale contactopsporing heel erg belangrijk is. Hoe meer mensen er blussen bij een brand, hoe beter.

Het is ook goed dat u heel duidelijk maakt dat alle steden en gemeenten in aanmerking komen, en dat iedereen vanuit zijn lokaal bestuur gerust een initiatief kan nemen. Ik denk dat het aan ons allemaal is, als lokale mandatarissen, om aan de mouwen te trekken bij wie dat nodig is, en mensen misschien te overtuigen om zeker in het systeem in te stappen.

Ik heb wel nog een bijkomende vraag. Wat je natuurlijk wel ziet op het terrein is dat men meer en meer kampt met uitvallend personeel. Dat is iets wat natuurlijk niet enkel bij contactopsporing een probleem kan worden. Het gaat ook ruimer. Als ik kijk naar lokale besturen, dan hebben zij meerdere taken en belangrijke taken tijdens corona, zoals kinderopvang. Dat is een andere discussie, maar we weten dat u daar ook extra geld voor hebt vrijgemaakt.

Het probleem is natuurlijk dat je geld kunt vrijmaken, maar als je niet de mensen vindt of hebt, krijg je het ook niet georganiseerd. Daarom is mijn bijkomende vraag of u daar nog mogelijkheden ziet vanuit Vlaanderen, om lokale besturen te helpen bij het opvangen van het uitvallend personeelsprobleem. Denk aan mensen die zelf corona hebben of in quarantaine moeten vanwege bepaalde contacten. Je ziet dat overal, ook bij kinderopvanginitiatieven.

U hebt al verwezen naar de website vlaanderenhelpt.be. Misschien was dat destijds in de eerste golf een eerste aanzet. Dat was vooral een zoektocht naar vrijwilligers. Ik zie dat er vandaag heel veel mensen noodgedwongen zonder werk zitten, in de horeca en dergelijke meer. Hopelijk is dat tijdelijk, daar gaan we toch allemaal van uit. Misschien is daar ook wel iets mogelijk vanuit Vlaanderen om terug wat initiatieven te nemen, en te proberen die mensen te overtuigen om zich in te schakelen in contactopsporing. Of het kan misschien ook iets breder; ik denk aan andere lokale taken die belangrijk gaan zijn in het beheersen van corona.

De heer Warnez heeft het woord.

Ik denk dat het een wijze beslissing was van minister Somers en minister Beke om lokale besturen te vergoeden voor die contact- en bronopsporing, enerzijds omdat we zien dat het echt wel werkt, anderzijds omdat we er op die manier natuurlijk ook voor zorgen dat ze dat blijven volhouden.

Ik kan zelf vanuit de West-Vlaamse proefregio getuigen dat dat eigenlijk echt goed werkt, en dat dat op regionaal vlak werkt. Het is goed dat we zien dat daar al regiovorming ontstaat, en dat we daar samen met de stad Roeselare hele goede dingen kunnen doen.

Wat ik persoonlijk heel belangrijk vind als lokaal mandataris, is niet alleen de contactopsporing maar ook de bronopsporing. Want je ziet dan hoe dat virus zich wat gaat verspreiden in je gemeente. De ervaringen van die lokale besturen samenbrengen lijkt mij ook een hele belangrijke factor. Ik wil eens peilen, minister, hoe u die ervaringen meeneemt.

Hoe neemt u mee waar lokale besturen zien waar de bronnen ontstaan en hoe dat virus wordt doorgegeven? Deelt u dat met anderen, de gemeenten of het agentschap Zorg en Gezondheid?

De heer Vaneeckhout heeft het woord.

Minister, het is een terechte vraag en ook een goede beslissing van de Vlaamse Regering om dit te doen.

Ik heb een paar kleine opmerkingen, niet met de bedoeling om ze op de spits te drijven. Ik denk dat iedereen ondertussen weet hoe belangrijk tracing is, en ook brononderzoek. Ik word wel altijd een beetje lastig dat we daar nú over bezig zijn. We moeten ook durven te benoemen dat op dit moment de situatie van het virus in ons land en in Vlaanderen van die orde is dat tracing en bronopsporing niet meer het antwoord zijn, en dat we daar eigenlijk tijd hebben verloren om dit sneller ‘up and running’ te krijgen. Ik wou daar toch even uw mening over horen. Zijn er kansen gemist? En vooral, hoe kunnen we ervoor zorgen dat we nu wel aan de capaciteit geraken waar we aan moeten geraken?

Ik ben wel zeer benieuwd naar die kritische zelfevaluatie. Ik kijk ernaar uit dat dat aan ons bezorgd kan worden.

Richting de lokale contactopsporing kan ik mij wel voorstellen dat er een moment komt dat het echt relevanter is om die ‘up and running’ te hebben, en dat is op het moment dat we de hoogste piek voorbij zouden zijn. Hoelang zijn die middelen dus voorzien? Is dat een onbeperkte pot of hebt u aan die steden en gemeenten aangegeven hoe lang zij daarvan gebruik kunnen maken? Op welke termijn kunnen zij het uitbouwen en zeker zijn van die middelen? Is dat voorzien tot aan volgende zomer bijvoorbeeld?

Tot slot, om aan te sluiten op de opmerking van collega Van Dijck: ik denk dat die lokale contactopsporing ook een goede proeftuin is voor regionale samenwerking, dat daar ook een aantal succeservaringen uit ontstaan. In die zin heb ik een kleine suggestie. De samenwerking in Zuid-West-Vlaanderen wordt bijvoorbeeld vaak herleid tot ‘er is een project in Kortrijk bezig’, in de beeldvorming komt dat op die manier naar voren. De centrumsteden krijgen dan extra middelen, terwijl dat van in het begin een samenwerking was van W13, een welzijnsintercommunale van dertien steden en gemeenten. Ik weet dat men soms op gevoelige tenen trapt als dat dan wordt herleid tot een project van de voorzitter van die W13, Philippe De Coene en Kortrijk, want dat is het niet; iedere gemeente draagt daaraan bij. Als we regionale samenwerking tot de norm willen maken, moeten we ook de bijdragen van die lokale besturen in die regionale samenwerking naar waarde schatten.

Mevrouw Vandecasteele heeft het woord.

Ik wil mij aansluiten bij het belang van de eerstelijnszone, dat we die hiermee echt kunnen versterken en uitbouwen. Dat is echt nodig. Als we naar Nederland of Duitsland kijken, zien we dat er gezondheidscentra zijn die een groot deel van de crisis mee kunnen helpen opvangen. Vandaag zien we als huisarts dat heel veel op onze nek terechtkomt, dat we heel veel dingen moeten oplossen. Bij de collega’s in Nederland en Duitsland zien we dat zij zich eigenlijk voor een groot deel kunnen focussen op het reguliere werk, waarbij die preventieve gezondheidsdiensten bijvoorbeeld veel van de contactopsporing, bronopsporing en quarantaineregeling kunnen opvangen. Het kan dus een stap zijn om die eerstelijnszones echt uit te bouwen tot preventieve gezondheidscentra. In die zin ben ik heel tevreden dat er extra middelen voor voorzien worden en dat die zeker nodig zijn in deze crisis. Ik ben het eens met collega Vaneeckhout dat het een half jaar geleden al welkom geweest was, maar het is goed dat er nu vooruit gegaan wordt.

Ik was eigenlijk ook benieuwd naar de stand van zaken vandaag. Midden september is er aangekondigd dat de eerstelijnszones ook versterkt werden met field agents, die lokaal mee zouden gaan versterken per eerstelijnszone. Is dat ondertussen gebeurd? Heeft elke eerstelijnszone nu een field agent die effectief aan de slag kan gaan met contact-, bron- en clusteronderzoek? Als dat nog niet zo is, voor wanneer is het precies gepland dat die ter plaatse ingezet worden?

Rond het contactonderzoek zelf: hoeveel gemeenten zijn er vandaag in Vlaanderen met lokaal contactonderzoek bezig? Elke gemeente had een optie tussen drie verschillende mogelijkheden om in meer of mindere mate mee te doen aan contactonderzoek.

Wat is de huidige stand van zaken? Zijn er nog veel gemeenten die aansluiten of niet? Daar had ik graag een zicht op gehad.

Ik ben ook zeer geïnteresseerd in de kritische zelfevaluatie, ik ben daar dus ook benieuwd naar.

Minister Somers heeft het woord.

Minister Bart Somers

Dank u voor de vele geïnteresseerde vragen en voor de positieve evaluatie van dit initiatief.

Elk lokaal bestuur kan deelnemen, maar we vragen wel een duurzaam engagement. Dus niet: vandaag doen we mee, maar volgende week hebben we geen zin meer. Het systeem moet op dat lokale bestuur kunnen rekenen. Dat is ook logisch. Het is niet van zomaar eens te proberen. Als men zich engageert, is het een doorleefd engagement en dan is dat ook een tijdje vol te houden.

Om ineens naar collega Vaneeckhout te springen: de bedoeling is dat we dat doen zo lang het nodig is. Als we het op zeker moment gaan afbouwen omdat we een ander systeem hebben of omdat de situatie veranderd is of omdat het financieel te moeilijk wordt, gaan we altijd tijdig die gemeenten verwittigen, zodat ze lang op voorhand weten dat we het bijvoorbeeld tegen het einde van die periode gaan afronden.

Als lokale besturen dat doen, vragen we natuurlijk ook wel kwaliteit, dat begrijpt u. Er zullen door Zorg en Gezondheid een aantal kwaliteitsrandvoorwaarden bepaald worden om dat contact- en brononderzoek goed te doen. Dat zijn toch een aantal zaken waar lokale besturen zich moeten inschrijven. Vanzelfsprekend gaan lokale besturen een zekere ruimte krijgen om te zoeken wie ze daarin kunnen inschakelen. Dat kunnen eigen ambtenaren zijn, dat kunnen, zoals in W13, mensen zijn die op pensioengerechtigde leeftijd zijn – een aantal gepensioneerde huisartsen, als ik het goed begrepen heb –, dat kunnen vrijwilligers zijn, dat kunnen mensen uit de private sector zijn of die uit andere diensten komen om te helpen. Eigenlijk willen we dat tamelijk breed laten.

Bronopsporing is een van de dingen die belangrijk zijn, collega Warnez, en waar lokale besturen vaak efficiënter in kunnen zijn dan nationaal georganiseerde contacttracing, omdat men dichter bij de mensen staat: men kent de wijken, de buurten, de verenigingen, men spreekt vaak ook dezelfde taal – ik bedoel daarmee dezelfde tongval, die kan soms deuren openen bij mensen – en men kan sneller en efficiënter dat brononderzoek doen. We gaan ook proberen die ervaringen en kennis uit te wisselen, dat is een van de dingen die we met de VVSG doen. Ik ben het met u eens dat dat een belangrijk onderdeel kan zijn van een lokale poot binnen de contacttracing.

Mijnheer Vaneeckhout, als lid van de oppositie moet u kritische vragen stellen, het gaat wat tegen uw natuur in, maar we kunnen daarmee leven. Zijn er kansen gemist? Je kunt altijd beter doen, dat hoor je mij niet zeggen. Waar we nu voor staan, dat hebben we nog nooit meegemaakt, dat is voor ons ook een ‘trial and error’ en een zoeken naar het beste instrument. Wij hebben in de zomer een oproep gedaan naar de lokale besturen. Wij hebben toen gevraagd wie er wil meewerken. Op dat moment was dat niet massaal, wie er geantwoord heeft. We zijn proefprojecten gestart. We hebben gevraagd wie mee wil doen met een proefproject. Op dat moment waren er drie zones die dat wilden doen. We hebben dat eigenlijk breed bevraagd. Nadien zijn er andere bij gekomen; sommigen waren misschien al bezig en waren niet geïnteresseerd in dat proefproject. Het is niet zo dat we het nu uitvinden. Het is wel waar dat het water nu aan de lippen staat, in heel deze pandemie. We voelen dat alles begint te wankelen, we moesten hier dus dringend stutten, en dus hebben we daar een extra inspanning gedaan. Het is inderdaad zo dat Philippe De Coene een uitstekend OCMW-voorzitter is – dat is geen partijgenoot van mij, maar ik heb veel bewondering voor zijn gedrevenheid en inzet – maar vanzelfsprekend kun je W13 niet herleiden tot Kortrijk. Ik ben bereid om de volgende twee keer over het project Anzegem te spreken als dat kan troosten.

Mevrouw Vandecasteele, ook bedankt voor de positieve evaluatie van die lokale contacttracing. Mensen die deze commissie volgen, weten dat ik enorm geloof in de kracht van lokale besturen.

Ik kan misschien overdrijven als ik zeg dat die alles beter kunnen, maar zeker dit hier kunnen zij ook, en dat is soms ook – ik ga daar heel eerlijk in zijn – de twijfel van sommigen overwinnen of die dat wel kunnen. Dat is iets dat mij vaak echt ergert: een soort van tweedeklassementaliteit, de amateurs. Dat moeten we echt doorbreken; dat is een missie die ik de volgende jaren heb. Ik weet dat ik in de commissie veel bondgenoten heb om duidelijk te maken dat lokale besturen echt heel veel kunnen. Opgelet: op dit moment lopen zij ook totaal op hun tippen. Als wij nu vragen om volgende week maandag en dinsdag de buitenschoolse opvang te doen – als je rondkijkt in de samenleving, wie anders kan het –, dan komt men bij de lokale besturen, maar ze zijn ook moe, ze zijn ook op. Er zijn ook veel mensen die uitgevallen zijn. Het mag ook niet onze vluchtheuvel zijn om al onze problemen daar te parkeren. Maar het blijven partners die we soms echt nodig hebben.

Wat uw concrete vraag over de field agents betreft, mevrouw Vandecasteele, is het zo dat in het overgrote deel van de eerstelijnszones de field agents op dit moment aan de slag zijn. Er zijn er maar een beperkt aantal waar men er nog een zoekt. Wat wij als voorlopige feedback horen is tevredenheid van burgemeesters en dergelijke meer om daarmee te kunnen werken.

Wat de zelfevaluatie betreft: die gaan we zeker bezorgen, via de voorzitter zullen we u dat bezorgen.

Ik denk dat ik daarmee een reactie gegeven heb op de meeste opmerkingen die geformuleerd zijn.

Ik heb daar als repliek weinig aan toe te voegen, alleen maar wat daarstraks al gezegd is: handen in elkaar en er allemaal samen tegenaan.

De heer Ongena heeft het woord.

We mogen ook niet vergeten dat men, toen de eerste golf volop bezig was en men gestart is met contactopsporing, natuurlijk in eerste orde gekeken heeft om dat centraal en Vlaams te doen, en dat men daar alle moeite in heeft gestoken. Het is pas in een tweede fase, ergens in het midden van de zomer, dat men heeft ingezien dat zo’n lokale contactopsporing ook nuttig kan zijn. Gelet op het feit dat het nu weer sterk aan het stijgen is, is het goed dat we zo vroeg waren, collega Vaneeckhout, en dat we in de zomer al gestart om dat systeem op poten te zetten, waardoor we dat nu verder kunnen uitbreiden en op die manier een goede aanvulling kunnen vormen op de centrale contactopsporing.

Ik ben blij dat men op die lijn voortgaat, dat men nu meer geld voorziet en ook meer gemeenten probeert te overtuigen om daarin mee te gaan.

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is gesloten.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.