U bent hier

– Wegens de coronamaatregelen werden deze vragen om uitleg via videoconferentie behandeld.

Goedemiddag collega’s, ik ben jullie nieuwe voorzitter, wat een hele eer is. We zullen het engagement dat we altijd hebben gehad, aanhouden en ik ga ervan uit dat jullie er nog altijd volle bak tegenaan zullen gaan.

Ik zou jullie er vooral op willen wijzen dat er toch wel een kleine wijziging is wat betreft de vraagstelling. Jullie hebben dat ook via mail vernomen. Vroeger kon de eerste vraagsteller bij een gekoppelde vraag tien minuten het woord nemen en de volgende vraagstellers zes minuten. Die limieten werden door het Uitgebreid Bureau gehalveerd, en dat voorlopig tot halfweg december, tot 18 december om precies te zijn. Nadien zal bekeken worden of dit al dan niet wordt aangehouden, dus ik zou willen vragen aan alle vraagstellers om die nieuwe timing te respecteren. Zo niet, dan zullen we jullie daar zeker op wijzen. Ik denk dat we er met zijn allen groot belang bij hebben om gestructureerd, kortbondig, kordaat en goed te vergaderen.

Ik zou jullie er ook op willen wijzen dat ik als nieuwe voorzitter van deze commissie aan het Uitgebreid Bureau de vraag zal stellen om zeker met deze commissie de voorbeeldfunctie aan te nemen om hybride te vergaderen, dus digitaal of fysiek naargelang de agenda. Wij gaan die vraag zeker aan het Uitgebreid Bureau stellen.

Mevrouw Ryheul heeft het woord. 

Voorzitter, proficiat. Collega’s, minister, goedemiddag. Mevrouw Schauvliege, bedankt ook om de gekoppelde vraag tot vandaag te willen uitstellen.

Het Departement Omgeving van de Vlaamse overheid heeft voor het eerst een indicator van het bodemerosierisico in Vlaanderen opgemaakt. Daaruit blijkt dat een kleine 5000 hectare Vlaamse landbouwgrond een acuut risico op erosie loopt. In totaal loopt zelfs 38.117 hectare landbouwgrond een reëel risico op verlies van vruchtbare grond. Neerslagwater kan in de 5000 hectare meest bedreigde grond jaarlijks een goede 20 ton vruchtbare bodem wegspoelen. Voor de overige bedreigde grond gaat het om 10 ton per jaar. Er zijn meerdere factoren die aan erosie bijdragen. De ligging, de hellingsgraad en de textuur van de bodem zijn slechts enkele van de vele factoren die meespelen. Vaak zijn de gewassen die op dergelijke percelen geteeld worden, ook niet de beste gewassen om erosie tegen te gaan. Daarenboven worden er weinig efficiënte maatregelen genomen om bodemerosie af te remmen.

Volgens het rapport is het acute risico op erosie in vergelijking met het startjaar 2008 wel afgenomen. Dat zou het gevolg zijn van de maatregelen die sinds 2005 werden genomen. Sinds dat jaar gelden er namelijk op de meest kritieke velden verplichte maatregelen. Deze maatregelen houden onder meer in dat er aan niet-kerende bodembewerking gedaan moet worden en er bodembedekkers ingezaaid moeten worden na de hoofdteelt. Deze ingrepen kunnen de erosie tot 85 procent verminderen.

De auteurs komen ook tot de conclusie dat er maïs wordt geteeld op meer dan de helft van de gronden met het hoogste risico. Op ongeveer 500 hectare daarvan had de boer geen of nauwelijks erosiemilderende maatregelen genomen. Vaak worden er gewassen geteeld die de bodem te weinig bedekken, wat de erosiekwetsbaarheid verhoogt. Voorbeelden van dergelijke gewassen zijn aardappelen, bieten en groenten. Grasland vormt voor deze percelen een betere oplossing.

Amaury Frankl, geograaf aan de UGent, stelt dat er meer informatie over de bodemkwaliteit van de percelen verzameld moet worden en ijvert voor het opstellen van een soort ‘bodempaspoort’ voor elk perceel.

Ook het Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek is voor dit idee gewonnen. Een landbouwer die een bodempaspoort voorlegt waaruit blijkt dat hij de bodem goed beheert, zou beloond kunnen worden en omgekeerd, stelt Frankl.

Minister, wat is uw reactie op de indicator van het bodemerosierisico die opgemaakt werd door het Departement Omgeving? Had u deze resultaten verwacht?

Plant u deze legislatuur nog verdere maatregelen te nemen om die bodemerosie op Vlaamse landbouwgrond tegen te gaan? Indien niet, waarom niet? Indien wel, om welke maatregelen gaat het dan juist?

Hoe staat u ten opzichte van een bodempaspoort voor landbouwpercelen zoals dat wordt voorgesteld door de geografen? Hebt u plannen een dergelijk paspoort in te voeren? Indien ja, hoe zal dit paspoort er heel concreet uitzien en zal dit eventueel ook verplicht worden? Indien niet, waarom niet?

Mevrouw Schauvliege heeft het woord.

Ik ga aansluiten bij de vraag van mevrouw Ryheul.

In Vlaanderen is ongeveer 350.000 hectare aangeduid als plangebied voor erosiebestrijding. Dat is 25 procent van heel Vlaanderen dat in meer of mindere mate erosiegevoelig is. Het erosiebeleid zelf focust vooral op de meest erosiegevoelige percelen. Op die percelen worden landbouwers verplicht om erosiebestrijdende maatregelen uit te voeren. Op de zogenaamd minder erosiegevoelige percelen is erosiebestrijding niet verplicht. Daar wordt enkel een stimulerend beleid gevoerd waarbij landbouwers een vergoeding krijgen om maatregelen te nemen. De percelen waarop de maatregelen van toepassing zijn, zijn samen goed voor 26 tot 43 procent van het totale bodemverlies.

Daarover gaat mijn vraag dan ook. Waar er een verplichting geldt, kunnen we relatief goede resultaten voorleggen. Maar waar geen verplichting geldt en men steunt op vrijwilligheid, boeken we eigenlijk nauwelijks of geen vooruitgang. Dat maakt dan ook dat het totale resultaat niet zo positief is, dat we met slechte punten zitten op het vlak van erosie, omdat we op de minder erosiegevoelige percelen geen beleid voeren.

Ik heb ook vragen over het rapport op zich. Het rapport is samengesteld op basis van een bevraging bij de landbouwers, op basis van een soort vrijwillige enquête. We kunnen ons hierbij toch de vraag stellen in welke mate die gegevens correct zijn. Er werden geen bezoeken georganiseerd op de percelen om te kijken of wat er ingevuld is in die enquête, wel klopt, en of die antwoorden overeenstemden met de realiteit. Bovendien bestaan de verplichte maatregelen uit een soort keuzemenusysteem, waarbij de landbouwer de gekozen maatregelen niet moet registreren. Dat is eigenlijk ook niet zo eenvoudig. Zelfcontrole over de uitvoering van de maatregel is moeilijk te organiseren, want een landbouwer heeft een waaier aan maatregelen waaruit hij kan kiezen en die in elk seizoen op een andere manier of elders uitgevoerd kunnen worden. Dus ook de effectiviteit van die maatregelen is niet zo goed te meten.  

Mijn vragen situeren zich vooral op de percelen waar geen erosiebeleid toegepast wordt, op de manier waarop de controle op dat beleid wordt uitgevoerd, en op de manier hoe aangiftes moeten gebeuren.

Hoe kan het dat de data-input voor een beleidsindicator voor een milieuproblematiek die gebiedsgericht aangepakt moet worden, steunt op een vrijwillige enquête, waarvan de data niet ruimtelijk gealloceerd kunnen worden?

Uw administratie geeft ook de aanbeveling om op sommige percelen met de hoogste erosiegevoeligheid beperkingen in teeltkeuze op te leggen. Hoe staat u hiertegenover? 

Uw voorgangster beloofde een evaluatie van het erosiebeleid, en ook u verwees hiernaar in uw beleidsnota. Hebt u al opdracht gegeven aan uw diensten om een evaluatie voor te bereiden? Tegen wanneer mogen we de resultaten daarvan verwachten?

In uw beleidsnota Omgeving spreekt u van een bijsturing van het erosiebeleid. Bent u van plan om de scope van de verplichte erosiemaatregelen uit te breiden naar alle erosiegevoelige percelen? Zult u de verplichte erosiemaatregelen verstrengen tot enkel brongerichte maatregelen? Kortom, op welke manier zult u het erosiebeleid bijsturen? Tegen wanneer kunnen we de eerste bijsturingen verwachten?

Minister Demir heeft het woord.

Minister Zuhal Demir

Dank u, collega’s, voor de vragen, met elk een andere invalshoek. Ik zal beginnen met de vraag van collega Ryheul.

Indicatoren zijn belangrijk om u en ons een goed beeld te geven van de beleidsimpact van de maatregelen die we nemen. Ik steun dan ook ten volle de ontwikkeling van een indicator voor het erosierisico door het Departement Omgeving. De indicator werd dit jaar voor het eerst berekend en geeft de evolutie weer van het erosierisico op landbouwpercelen van 2008 tot 2019. Ik ben niet verbaasd over de evolutie van de indicator. Dankzij de verplichte maatregelen voor de meest erosiegevoelige percelen, beheersovereenkomsten, meer aangepaste teeltkeuzes en het inzaaien van groenbedekkers is het totale areaal aan landbouwpercelen in de hoogste risicoklassen sinds 2008 gedaald.

In deze evolutie is de verstrenging van de verplichte maatregelen in 2016 zeer duidelijk zichtbaar als een plotse en sterke daling van het areaal met een erosierisico hoger dan 20 ton per hectare per jaar. In 2016 werden zowel het aantal verplichte maatregelen als het areaal waarop ze toegepast moeten worden, uitgebreid. Dat dit een grote impact heeft op de indicator voor het erosierisico lijkt me dan ook evident. Evenzeer spreekt het voor zich dat die impact vooral zichtbaar is in de hoogste erosierisicoklassen. Op percelen met een relatief lager potentieel erosierisico worden in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) maatregelen aanbevolen maar niet verplicht.

Sinds 2016 zijn er geen bijkomende beleidsmaatregelen meer ingevoerd om erosie tegen te gaan. Dat verklaart waarom de indicator sinds 2016 stabiel is gebleven en er geen verdere noemenswaardige daling is van het areaal landbouwpercelen met een erosierisico hoger dan 10 ton.

Wat uw tweede vraag betreft: erosie maximaal voorkomen is een van de  beleidsdoelstellingen. Hierbij vind ik het ook wel belangrijk dat erosie zo brongericht mogelijk wordt aangepakt. Dit betekent dat we de bodems meer moeten beschermen tegen erosie en ze zo ook meer weerbaar moeten maken. Daar heeft niet alleen de landbouwer zelf baat bij maar ook omwonenden die lager gelegen wonen, en het komt ook het leefmilieu ten goede. Erosiebestrijding is in mijn ogen een reguliere taak en de  verantwoordelijkheid van de landbouwsector. Op dit moment wordt door collega Crevits en mezelf het nieuwe gemeenschappelijk landbouwbeleid 2020 voorbereid. Het lijkt me dan ook ten zeerste aangewezen dat binnen dat beleid erosiebestrijding als conditionele voorwaarde wordt meegenomen in de inkomenssteun die landbouwers ontvangen uit de eerste pijler van het GLB.

Daarnaast werkt een expertengroep Erosie onder leiding van het Departement Omgeving aan de evaluatie van de verplichte erosiemaatregelen die opgelegd worden in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Van deze expertengroep verwacht ik een beleidsadvies voor de bijsturing van de huidige randvoorwaarden erosie. Over de concrete vertaling hiervan naar aangepaste maatregelen kan ik dus geen uitspraak doen. Deze vallen onder de bevoegdheid van mijn collega Hilde Crevits. Vervolgvragen kunnen dan ook het best aan haar gesteld worden.

Dan kom ik tot de derde vraag, in verband met het idee van een bodempaspoort. Dat werd al in 2018 door het Instituut voor Landbouw-, Visserij- en Voedingsonderzoek (ILVO) naar voren gebracht. Mijn collega Crevits onderzoekt momenteel verder de mogelijkheden van een bodempaspoort. Het valt onder haar verantwoordelijkheid hoe het eruit zal zien, of het verplicht zal zijn, enzovoort.

Ik ben er in ieder geval wel persoonlijk van overtuigd dat een bodempaspoort een interessante tool kan zijn om de kennis van landbouwers over hun bodems te vergroten en die kennis door te geven wanneer een perceel van gebruiker verandert.

Collega Schauvliege, wat uw eerste vraag betreft: de indicator erosierisico wordt berekend op basis van perceelskenmerken, teelten en de toepassing van teelttechnische erosiebestrijdingsmaatregelen. Voor de meeste landbouwpercelen in Vlaanderen kennen we de perceelgrenzen en de voor- en nateelten uit de jaarlijkse perceelsregistratie. Landbouwers bezorgen die informatie digitaal aan het departement Landbouw. De toepassing van teelttechnische erosiebestrijdingsmaatregelen maakt echter geen deel uit van deze perceelsregistratie. Hiervoor dient mijn administratie zich dus te baseren op de resultaten van controles en op de vrijwillige enquêtes die uitgevoerd worden door het Departement Landbouw en Visserij.

Bij gebrek aan ruimtelijk gealloceerde gegevens wordt deze inventarisatie via een randomisatieprocedure vertaald naar een geraamde toepassing voor heel Vlaanderen. Deze werkwijze geeft op dit moment de beste inschatting die op basis van de beschikbare gegevens kan worden gemaakt.

Ten tweede vroeg u ook wat ik vind van de aanbevelingen. Ik ben ervan overtuigd dat het opnemen van erosiebestrijdingsmaatregelen in de jaarlijkse perceelsaangifte meerdere voordelen biedt. Niet alleen zal een verplichte registratie van deze maatregelen toelaten de kwaliteit van de berekende indicator te verbeteren. En daar is het – denk ik – om te doen. Ook landbouwers hebben er natuurlijk baat bij wanneer een automatische aftoetsing aan de randvoorwaarden erosie wordt ingebouwd. De huidige invulling van de randvoorwaarden erosie biedt de landbouwer een grote mate van flexibiliteit in de keuze van maatregelen, maar heeft als nadeel dat de regelgeving complex is. Het registreren van de erosiebestrijdingsmaatregelen bij de verzamelaanvraag kan de landbouwers ook ondersteunen bij het kiezen van een combinatie van maatregelen om te voldoen aan de opgelegde verplichtingen.

Ik ben er voorstander van dat deze registratie voor alle landbouwpercelen gebeurt en niet enkel voor de meest erosiegevoelige percelen, waar maatregelen verplicht zijn. Op deze manier kunnen ook de vrijwillige inspanningen van landbouwers mee gevaloriseerd worden in de indicator. Zo kunnen we de impact van een vermoedelijk groeiend bewustzijn bij landbouwers van de nood aan erosiebestrijding en een mogelijk verhoogde vrijwillige toepassing van erosiebestrijdingsmaatregelen ook zichtbaar maken. Op deze vrijwillige inspanningen hebben we momenteel geen zicht.

De keuze voor het opnemen van erosiebestrijdingsmaatregelen bij de perceelsregistratie is een bevoegdheid van mijn collega Hilde Crevits. Als u daarover meer wilt weten, zult u aan mijn collega bijkomende vragen moeten stellen.

Wat uw derde vraag betreft: bepaalde teelten zoals groenten, aardappelen, maïs en bieten horen minder thuis op erosiegevoelige percelen. Zij zorgen inderdaad voor een verhoogd risico op bodemerosie. Zeker wanneer jaar na jaar voor deze teelten wordt gekozen, loopt het bodemverlies snel op en kan de bodemkwaliteit op korte termijn sterk afnemen.

Tegelijkertijd begrijp ik dat een aanpassing van teelten niet binnen elke bedrijfsvoering mogelijk is. Toch wil ik ervoor pleiten dat landbouwers bij het opstellen van een teeltplan meer rekening houden met de erosiegevoeligheid van de percelen. Dit kan door erosiegevoelige teelten zoveel mogelijk te vermijden of minstens voor een goede teeltafwisseling te zorgen met minder erosiegevoelige teelten. Ook een goede afwisseling van teelten op ruimtelijk vlak kan erosie verminderen. Zo kan bijvoorbeeld een perceel grasland de erosie op stroomafwaarts gelegen percelen helpen verminderen.

De uitwerking van het nieuwe gemeenschappelijk landbouwbeleid biedt ook kansen om de inkomenssteun die landbouwers krijgen uit de eerste pijler van dat GLB conditioneel te koppelen aan basismaatregelen ter bestrijding van erosie. Dat zijn maatregelen waar de landbouwer zelf alle baat bij heeft, maar ook de omwonenden. Het is ook goed voor de waterkwaliteit. Het nieuwe concept van ecoregelingen biedt in het kader van het toekomstig gemeenschappelijk landbouwbeleid volgens mij ook heel mooie kansen om de inspanningen te belonen van landbouwers die nog meer willen doen dan de beleidsmaatregelen.

Dan is er uw vierde vraag over de evaluatie van het erosiebeleid. Die evaluatie is lopende. Ik verwacht dit najaar de resultaten.

De verplichte erosiebestrijdingsmaatregelen maken deel uit van de randvoorwaarden erosie die worden opgelegd in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid.  Zoals u weet, valt dat onder de bevoegdheid van mijn collega, minister Crevits. Op dit moment werkt een expertengroep erosie aan de evaluatie van de verplichte erosiemaatregelen. Die expertengroep zal een voorstel van bijsturing uitwerken.

Mevrouw Ryheul heeft het woord.

Bedankt, minister, voor uw heel omstandig antwoord.

Ik leer eruit dat we het eens zijn dat we de bodem moeten beschermen en dat het noodzakelijk is dat er heel doeltreffende maatregelen worden genomen om de bodemerosie tegen te gaan. We mogen onze waakzaamheid daarover zeker niet laten afnemen.

Ik ben het ook met u eens dat het bodempaspoort een heel interessante tool kan zijn. Ik zal uw collega, minister Crevits, hierover verder bevragen.

Ik wil u er overigens ook op wijzen dat er een link bestaat tussen bodemerosie en de verhardingsproblematiek. Het afstromen van de bodem wordt ook vaak veroorzaakt omdat het water niet wordt vastgehouden. Het kan worden tegengegaan doordat de grond zo veel mogelijk bedekt wordt met begroeiing. Ook groene akkerranden kunnen hierin een zeer belangrijke rol spelen. Vandaar ook mijn vraag, minister: in welke mate denkt u dat de Blue Deal kan tegemoetkomen aan deze problematiek? Zitten er maatregelen in vervat die aan de beide problemen tegemoet kunnen komen?

Mevrouw Schauvliege heeft het woord.

Hartelijk dank, minister, voor uw omstandig antwoord.

Ik wil graag nog even benadrukken dat we echt naar een zero land degradation moeten gaan. Dat structurele bodemverlies is een van de meest miskende milieuproblemen. Wat we nu toch wel al kunnen besluiten, is dat we aan structureel bodemverlies aan het doen zijn. We hebben een beleid dat zich vooral focust op de meest erosiegevoelige percelen, maar ook op de minder erosiegevoelige percelen is er bodemverlies aan de gang. In totaal zelfs meer dan op de meest erosiegevoelige percelen omdat op die plekken net op basis van vrijwilligheid wordt gewerkt.

U verwijst vooral naar minister Crevits om hiervoor maatregelen te nemen. Ik vind dat toch een heel bizarre wending in dit verhaal. Het is alsof u het mestbeleid zou overlaten aan minister Crevits. Het erosiebeleid is echt een milieuprobleem, dat ook onder uw bevoegdheid valt. Ik zou toch wel willen vragen om ook met voldoende zorg die problematiek op te volgen en met de minister die met landbouw bezig is, daar heel hard aan te werken.

Mijn vraag is dan ook heel concreet. U verwees net naar het bodempaspoort. In welke mate zijn u en uw administratie betrokken bij de ontwikkeling van dat bodempaspoort, want dat lijkt mij een heel essentieel onderdeel in dit verhaal? Niet alleen om het verlies aan bodem tegen te gaan, maar ook om een goede bodemstructuur op te bouwen, en dus ook aan koolstofopbouw te doen, iets wat in het klimaatbeleid en het waterbeleid, waar mevrouw Ryheul net naar verwees, een heel belangrijk element is.

Mijn vraag is heel concreet: in welke mate bent u en uw administratie betrokken bij de ontwikkeling van het bodempaspoort, waar u daarnet naar verwees? Dat lijkt me een zeer essentieel onderdeel in dit verhaal te zijn, niet alleen om het verlies aan bodem tegen te gaan, maar ook om een goede bodemstructuur op te bouwen en ook aan koolstofopbouw te doen, wat in het klimaatbeleid een zeer belangrijk element is, en ook in het waterbeleid, waar mijn collega daarnet naar verwees.

Mijn concrete vraag is dus: in welke mate bent u betrokken bij de opbouw van dat bodempaspoort en de link naar het GLB? Als u dat niet bent, verzoek ik u met aandrang om daar toch wel heel veel aandacht aan te besteden, want bodemerosie is echt een van de problemen waar we in de komende jaren mee te kampen zullen hebben en dat wel een beetje onderschat wordt.

De heer Vandaele heeft het woord.

Ik mag natuurlijk ook niet achterblijven en moet u gelukwensen met de belangrijke functie die u nu op zich neemt. We gaan u natuurlijk met argusogen in de gaten houden., om te zien of u dat goed doet, maar we twijfelen daar niet aan. U hebt al uw eerste goede daad gesteld, namelijk mij het woord gegeven, waarvoor dank.

Minister, de indicator, het rapport waarover we het hier hebben, is natuurlijk maar een puzzelstuk in een heel ruimer verhaal. We kijken dan ook uit naar de bredere evaluatie waar ook de expertengroep Erosie een rol in speelt. We hopen dat dit nog dit najaar kan worden opgeleverd, waarna we zeker hier in de commissie opnieuw van gedachten kunnen wisselen over dit thema. Het bodempaspoort is zeer belangrijk. Opnemen van erosiebestrijdende maatregelen in de jaarlijkse perceelsaangifte is inderdaad ook zeer belangrijk. Dat hebt u daarnet ook gezegd. Ik hoop dat als we op die manier op korte termijn betrouwbare informatie kunnen verzamelen over wat er al gebeurt en wat er nog niet gebeurt, dit de effectieve maatregelen en het effectieve beleid alleen maar kan versterken.

Collega Schauvliege vindt het een beetje raar dat u naar uw goede collega Crevits verwijst. Ik vind dit eigenlijk niet raar. Het is ook geen kwestie dat u de verantwoordelijkheid ontvlucht, maar u hebt natuurlijk gelijk als u zegt dat erosie een belangrijke plek moet krijgen in het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Daar staan wij ook volledig achter. Dat geldt ook voor andere milieuproblemen. Als je dat kunt verankeren in het gemeenschappelijk landbouwbeleid en als je mensen die het goed doen, kunt belonen voor wat zij doen, dan zitten wij op de goede weg. Dat is niet alleen voor erosie zo, dat is eigenlijk voor alle milieuthema’s waar de landbouw mee te maken heeft het geval.

Mevrouw Rombouts heeft het woord.

In verband met de expertengroep waarnaar u verwijst, minister, zal het boeiend zijn om te horen welke voorstellen daaruit voortkomen.

Specifiek wat betreft het bodempaspoort, wil ik er even bij stilstaan dat we eigenlijk dankbaar zijn voor het onderzoek en het geleverde werk op dat vlak, om te zien op welke manier we inderdaad meer zaken van de bodem in het geheel in beeld kunnen brengen en daar de aandacht op kunnen vestigen. Zeker ook vanuit de sector zelf, en de aandacht die daaraan besteed is om daarmee aan de slag te gaan, is dat zeker al een positieve stap. We kijken dus ook uit naar voorstellen over de manier waarop een bodempaspoort eventueel het meest efficiënt kan worden ingezet.

De heer Coenegrachts heeft het woord.

Voor alle duidelijkheid: de felicitaties heb ik op een ander moment al overgemaakt. Het is dus niet noodzakelijk dat hier nog eens te doen. Ik zeg het opdat de collega’s daar niet raar van opkijken.

Dat klopt inderdaad.

Ik wou gewoon even aansluiten bij collega Vandaele en mijn verwondering erover uitdrukken dat als het over erosie gaat, de landbouw nogal wantrouwig wordt bekeken.

Dat is jammer omdat landbouwers – of men dat wil of niet – zelf het eerste slachtoffer zijn van erosie. Het is hun kostbare vruchtbare grond die wegspoelt. Ze hebben alle voordeel bij maatregelen die ervoor zorgen dat die grond wordt vastgehouden en de erosie wordt tegengegaan. Ik vind het dan ook heel logisch dat de minister wijst op een samenwerking met minister Crevits. Zij heeft ook haar verantwoordelijkheid tegenover de landbouwers. Het GLB is daar het meest uitgelezen instrument voor.

Hebt u al zicht op een timing of tijdslijn waarop we het GLB mogen verwachten? Vooral richting Vlaanderen? We krijgen toch heel wat marge om zelf maatregelen te nemen? Kunt u wat meer duidelijkheid geven omtrent de timing?

Minister Demir heeft het woord.

Minister Zuhal Demir

Iedereen die mij kent, weet dat ik mijn verantwoordelijkheid niet ontloop. Ik vind het niet leuk dat daar insinuaties in de een of andere richting over worden gemaakt. Ik hou daar gewoon niet van. Ik probeer gewoon mijn werk te doen. Ik zou willen dat dat stopt. Ik ben geen minister van Landbouw. De bevoegdheden zijn verdeeld zoals ze verdeeld zijn. Ik wil dat punt wel eerst maken. Als ik zeg dat dat onder de bevoegdheid van minister Crevits valt, is dat omdat ik niet in de plaats wil treden van de bevoegde minister die de maatregelen kan of moet nemen. Dat betekent helemaal niet dat ik verantwoordelijkheden wil ontlopen.

Inzake de Blue Deal heb ik de lead genomen. Er zijn verschillende ministers bij betrokken. Ook voor Landbouw zijn er middelen voorzien onder de bevoegdheid van minister Crevits. Die zullen gebruikt worden voor de landbouw.

De lead voor de opmaak van het paspoort valt natuurlijk onder het departement Landbouw. Iedereen weet dat. Uiteraard leveren wij ook input vanuit ons departement. Dat spreekt voor zich.

De meest structurele aanpak van de erosie is te vinden in de eerste pijler van het GLB, mevrouw Schauvliege, waar de reguliere landbouwpraktijken onderworpen worden aan voorwaarden. Daar zit ook het grootste deel van de budgetten in. De eerste pijler valt – zoals u weet – onder de bevoegdheid van minister Crevits. Door daar erosie als volwaardige beleidslijn mee te nemen, kan echt worden gewerkt aan erosiebestrijding. Wat de timing betreft voor het GLB: zowel de eerste als de tweede pijler moeten gezamenlijk worden ingediend bij de Europese Commissie. Wij bereiden de tweede pijler voor. De timing en de leads van de eerste pijler liggen bij de bevoegde minister van Landbouw. Ik kan helaas niet in haar agenda kijken. Ik zal voor u uw vragen aan de bevoegde minister stellen.

Mevrouw Ryheul heeft het woord.

Minister, bodemerosie is niet meteen het meest besproken milieuprobleem, maar het blijft een belangrijk onderwerp. Wij zijn van mening dat het hier verder moet worden besproken. Het moet met voldoende zorg worden opgevolgd.

Ik ben alleszins heel tevreden dat er een expertengroep Erosie bezig is met de evaluatie van de erosiebestrijdingsmaatregelen die de landbouwers zullen moeten naleven. Ik kijk samen met de collega’s uit deze commissie uit naar het eindresultaat.

Mevrouw Schauvliege heeft het woord.

Ik wil nog eens herhalen dat erosie een zeer belangrijk probleem is, alsook redelijk onzichtbaar en enigszins onderschat. Ik heb u dus eigenlijk opgeroepen om daar ernstig naar te kijken, niet om in de plaats te treden van een andere minister. Ik heb u vooral ook gevraagd om niet alleen naar de meest erosiegevoelige plekken te kijken, maar ook naar die plekken waar er van erosie minder sprake is en waar er enkel vrijblijvende maatregelen gelden. Het is op die locaties dat we slechte punten halen, en ik denk dat we bij de evaluatie grondig moeten nadenken over een uitbreiding van de maatregelen, zodat we geen bodemverlies hebben, wat op dit moment wel zo is. We moeten naar een verhaal gaan met ‘zero waste’ en ‘zero degradation’. Dat is dus mijn oproep, en ik hoop dat de evaluatie ons een stap verder brengt. We zullen het niet nalaten om hier ook in latere commissies op terug te komen, want het lijkt een zeer belangrijk verhaal te zijn.

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is gesloten.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.