U bent hier

– Wegens de coronamaatregelen werden deze vragen om uitleg via videoconferentie behandeld.

De heer Vandenhove heeft het woord.

Mijn vraag betreft het onderzoek van een aantal Belgische wetenschappers, onderzoekers, dierenartsen en andere organisaties, die in een open brief hebben gewezen op het gevaar voor de volksgezondheid van eventuele virusoverdracht van mens op dier. De coronacrisis heeft aangetoond dat we daarvoor aandacht moeten hebben. Ook in Vlaanderen is er heel wat contact tussen mens en dier, onder andere in de landbouw en in de veeteelt. Specifiek zijn er voor de veehouderij, naast mogelijke virusoverdracht, bijkomende gezondheidsrisico’s, zoals fijn stof, endotoxinen, geurhinder en resistentie tegen antibiotica. Die risico’s zijn al in andere vragen aan bod gekomen en ze zijn niet typisch Vlaams maar ook bevestigd in internationale context, onder andere in studies van de Verenigde Naties.

Wat is de reactie van de minister op deze open brief? Deelt u de gemaakte analyse? Ik neem aan van wel. Bent u van plan als minister van Landbouw bijkomende onderzoeken te laten uitvoeren, wat gesuggereerd wordt door de ondertekenaars uit de verschillende branches en wetenschappelijke invalshoeken? Welke onderzoeken? Welke budgetten wilt u daarvoor uit trekken?

Wat vindt u van de suggestie om eventueel bepaalde gezondheidsvoorwaarden op te nemen als criterium voor het verlenen van vergunningen? Dan denk ik vooral aan bepaalde industriële landbouwtoestanden. Welke gevolgen hebben deze vaststellingen voor het toekomstig Vlaams landbouwbeleid?

Mevrouw De Vroe heeft het woord.

Een aantal academici en vertegenwoordigers van natuurorganisaties hebben in een open brief meer aandacht gevraagd voor onderzoek naar de effecten van dieren in onze omgeving op de volksgezondheid. Het is misschien verrassend dat de covidcrisis wordt aangegrepen om de algemene problematiek van volksgezondheid te relateren aan de aanwezigheid van dieren. Toch hoeven we niet blind te zijn voor de gestelde problematiek. Beleidsondersteunend onderzoek is altijd welkom om te komen tot evenwichtige en onderbouwde beleidsbeslissingen.

De briefschrijvers vragen om de werkgroep herop te richten die kan bepalen welke onderzoeken noodzakelijk zijn. Hierbij lijkt het me noodzakelijk dat alle stakeholders die belangrijke partners zijn, daarin vertegenwoordigd zijn. Onderzoeksopdrachten die worden geformuleerd, moeten bovendien oog hebben voor zowel positieve als negatieve dimensies alsook voor de verfijning van bepaalde begrippen. Goed onderzoek vereist dus gerichte onderzoeksvragen, nuance en onafhankelijkheid.

Minister, hoe reageert u op de brief van 24 augustus die naar u maar ook naar drie andere ministers werd geschreven, met een oproep tot het onderzoeken van de effecten van dieren in onze omgeving op de volksgezondheid?

Ik had ook graag geweten of u een rechtstreeks verband ziet tussen de coronapandemie en de noodzaak aan onderzoeken in Vlaanderen op de relatie van dieren en volksgezondheid.

Bent u voorstander van de oprichting van een werkgroep die onderzoekt en bepaalt welke concrete onderzoeksopdrachten wenselijk zijn om te laten uitvoeren?

Die werkgroep dient uiteraard evenwichtig te worden samengesteld door alle betrokken stakeholders, waardoor er naast natuurorganisaties ook plaats is voor bijvoorbeeld het Instituut voor Landbouw-, Visserij- en Voedingsonderzoek (ILVO). Ik had daar graag uw standpunt over gekend.

Minister, wat is uw mening over de onderzoeksopdrachten? Die moeten ook voldoende divers zijn en moeten een onderscheid maken naar de verschillende diergroepen, zoals stal-, gezelschaps- en wilde dieren enzovoort. Ook de mate waarin mensen in aanraking komen met dieren of door hun medische achtergrond al dan niet risico’s lopen, moet daarbij aan bod komen.

Zullen er binnen de bestaande kredieten middelen worden vrijgemaakt om eventuele nieuwe onderzoeksopdrachten op te zetten?

Minister, ik had ook graag geweten wat eventueel uw inhoudelijke accenten zullen zijn.

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

De analyse dat de verhoogde contacten met wilde dieren, gezelschapsdieren en nutsdieren het risico op virusoverdracht van dier naar mens en van mens naar dier verhogen, was al langer gekend. Nog een interessant weetje: de virusoverdracht van dier naar mens heet zoönose, de overdracht van mens naar dier is omgekeerde zoönose. (Opmerkingen van de voorzitter)

Ik heb daar geen afbeelding van, neen. Ik denk ook niet dat je dat ziet, want dat is natuurlijk een sprong, en die is moeilijk in beeld te brengen.

COVID-19 heeft in elk geval aangetoond dat zoönose zeer gevaarlijk kan zijn. Daar is men zich bij de federale overheid zeker van bewust. Het federale beleid streeft trouwens ook naar een vermindering van sanitaire risico’s zoals zoönosen en antibioticaresistentie, vanuit een benadering die de gezondheid van dieren, mensen en de omgeving samen benadert. Dat impliceert een samenwerking tussen de humane en de veterinaire geneeskunde, maar ook met activiteiten die zich situeren in de landbouwomgeving. Zo wordt dan heel vaak een beroep gedaan op de kennis die bij Vlaamse en Waalse kennisinstellingen aanwezig is, onder andere ILVO.

De regionale landbouwministers respecteren de intra-Belgische bevoegdheidsverdeling, maar uiteraard kunnen wij zelf ook heel fel inzetten op sensibilisering. Zo hebben we bijvoorbeeld een aantal sensibiliseringsacties rond antimicrobiële resistentie voor veehouders en veeartsen georganiseerd in samenwerking met de federale overheid. Het ILVO is ook betrokken bij het Belgische One Health Action Plan voor antimicrobiële resistentie.

De noodzaak voor meer onderzoek rond de risicofactoren, en het effect van deze risicofactoren op de humane en dierlijke gezondheid is er zeker. Ik reken ook op de Federale Regering om daar werk van te maken. ILVO is zeker bereid om haar eigen expertise op het vlak van landbouwkundig onderzoek ter beschikking te stellen of te participeren aan onderzoeksprojecten. Ik ga ervan uit dat men daar ook effectief werk van zal maken.

Volgend jaar treedt de nieuwe Europese Animal Health Law in werking en daaruit vloeien verplichtingen voort voor de lidstaten om de insleep en de verspreiding van besmettelijke dierziekten verder te beperken.

Wat gezondheid en vergunningen betreft: dat moet uiteraard worden doorverwezen naar collega Demir. Maar er worden uiteraard al veel aspecten onderzocht eer er vergunningen voor eender wat worden verleend.

Het onderzoek naar risico’s die inherent zijn aan economische bedrijvigheid, evolueert snel, en de onderzoeksresultaten hebben een belangrijke impact op de mate waarin ondernemers hun bedrijf kunnen starten, uitbaten of uitbreiden. Dat is ook voor landbouwondernemers het geval. Het Vlaamse landbouwbeleid ondersteunt boeren die hun bedrijfsvoering hieraan aanpassen, via begeleiding, investeringssteun en opleidingen. Ook digitalisering speelt hier een grote rol in. Door gebruik te maken van data wordt een veehouder zich bewust van de inputs, bijvoorbeeld hoeveel voedermiddelen er moeten zijn, en van de outputs, bijvoorbeeld hoeveel melkproductie en hoeveel groei er is, op bedrijfsniveau. Dat betekent dat men de bedrijfsvoering kan bijsturen en de economische parameters kan verbeteren, maar ook de impact op de omgeving kan verminderen. Het is dus een beetje een en-enverhaal, niet het ene of het andere. Een landbouwer die daarvan kan worden overtuigd, zal er automatisch ook meer aandachtig voor zijn. Uit het ene vloeit eigenlijk het andere voort.

Dan was er de werkgroepvraag. Er is binnen de federale overheid een netwerk opgericht dat streeft naar een samenwerking tussen de actoren inzake de menselijke en dierengezondheid en de leefomgeving. Ik weet niet of ik een parallelle werkgroep moet opstarten, maar ik zou het een heel grote gemiste kans vinden indien onze diensten, die alle expertise hebben, zoals ILVO, niet zouden worden betrokken bij de werkzaamheden. Ik zal dus nog eens naspeuren of daar verbeteringen mogelijk zijn.

Collega De Vroe, de aard van respectievelijk landbouwdieren, gezelschapsdieren en wilde dieren is heel verschillend. Ook de manier van contact met de mens is anders. Wat katten of honden betreft, is dat contact nauw, bij sommige mensen zelfs supernauw. In elk geval is het veel nauwer dan dat met dieren die in het wild leven. De meesten lopen zelf weg als ze een dier in het wild zien, terwijl we honden en katten knuffelen en ernaartoe zullen gaan. Dat betekent dat de maatregelen om de risico’s te beperken ook totaal verschillend zullen zijn, en dat betekent dat we een gedifferentieerde benadering moeten nastreven, wat ook gebeurt.

Zullen we kredieten vrijmaken? Wat onderzoek betreft, stelt ILVO zich doorgaans kandidaat voor Europese of federale oproepen omtrent dit thema. Ook aan projectoproepen vanuit het Agentschap Innoveren en Ondernemen (VLAIO) op het vlak van innovatie of verduurzaming neemt ILVO heel vaak deel. Aangezien ik een voedseleconomie wil uitbouwen, lijkt het me evident dat er ook in deze materie projectoproepen kunnen zijn. Wel wil ik niet dubbelop werken met de federale overheid. Het is voor mij dus echt wel van belang om de lijnen zuiver te houden en goed te bekijken of, als er ook daarvoor budgetten worden uitgetrokken, dat complementaire budgetten zijn, waarbij het ene dus het andere aanvult. Ik zal echter zeker mijn volle medewerking verlenen en dit stimuleren. Dat ik dit zal eisen, gaat wat te ver, maar ik zal alleszins benadrukken dat onze gespecialiseerde instellingen daarbij moeten worden betrokken. Zoals ik al zei, het zou heel gek zijn, mocht men geen beroep doen op de expertise die daar is.

De heer Vandenhove heeft het woord.

Minister, dank u wel voor uw antwoord. Uiteraard heeft deze vraag vooral betrekking op landbouwdieren. We zitten immers in de commissie Landbouw. Als we dus naar werkgroepen gaan – en ik ben het met u eens dat er geen parallelle werkgroepen mogen zijn – moet dat volgens mij de focus zijn.

Heeft bij uw weten uw kabinet, of de administratie, of ILVO, getracht contact op te nemen met een aantal mensen die deze brief hebben ondertekend?

Ik ben het met u eens dat vergunningen een zaak van minister Demir zijn, maar ik zou toch ook graag uw reactie hebben op het feit dat op plaatsen waar vooral industriële landbouwbedrijven aanvragen indienen voor heel grote uitbatingen, mensen daar zich steeds meer bekommeren over de invloed op hun gezondheid, meer dan over leefmilieuaspecten. Ik heb dat nog al eens aangehaald: bijvoorbeeld in Nederland is dat een van de vergunningsvoorwaarden, of wordt er meer rekening gehouden met dat criterium. Ik had dus toch ook graag uw reactie daarop gehad, en ik zal collega Demir daar uiteraard opnieuw over ondervragen.

Mevrouw De Vroe heeft het woord.

Minister, dank u wel voor uw antwoord. Als Open Vld hebben we uiteraard altijd het standpunt ingenomen dat we niet meewerken aan polarisatie in een debat, maar dat we integendeel altijd streven naar een objectief en evenwichtig debat. Het lijkt me dan ook logisch dat we meewerken aan onderzoeken. Het is ook wel belangrijk dat dat op een constructieve manier gebeurt, dat dat een positief verhaal is, en uiteraard ook dat alle stakeholders daarbij worden betrokken.

Minister, wat dat betreft was uw antwoord zeker bevredigend. Het is een zeer goede zaak dat u dat standpunt inneemt en dat u er met de schrijvers op zult aandringen.

We zien natuurlijk dat de briefschrijvers de coronapandemie aanhalen om deze problematiek in de kijker te zetten. We weten uiteraard dat de coronapandemie niet is ontstaan in Vlaanderen, maar uit Zuidoost-Azië komt.

Minister, er zijn inderdaad initiatieven op het federale niveau. Het is heel positief dat de lijnen met de federale overheid heel zuiver worden gehouden, maar het is belangrijk dat er geen dubbel werk gebeurt. Het vrijmaken van kredieten voor zulke onderzoeken is een dure aangelegenheid. We moeten er dus voor zorgen dat dat op een constructieve manier gebeurt, zodat het effectief een meerwaarde betekent.

Minister, onderzoekskredieten moeten goed worden besteed. Gaat u erop toezien dat dit goed wordt gecoördineerd zodat die kredieten op de juiste manier worden ingezet?

Mevrouw Joosen heeft het woord.

Minister, het is duidelijk dat deze bekommernis in Vlaanderen wordt opgenomen, en dat is een goede zaak. In de Kamer werden er al heel wat vragen gesteld aan toenmalig minister Ducarme, onder andere over de oprichting van de Risk Assessment Group en het budget voor het Federaal Agentschap voor de veiligheid van de voedselketen (FAVV) voor monitoring. Dierenartsen zijn verplicht om een aantal gevallen door te geven bij besmetting.

Minister, u stelt de aparte Vlaamse werkgroep in vraag met de dubbelopfinanciering, maar we hebben wel heel veel expertise, zoals u terecht zegt. Het zou jammer zijn dat die verloren gaat of niet wordt opgenomen. Een belangrijke voorwaarde daarvoor is dan toch de samenwerking met het federale niveau. De vraag is of de nieuwe federale minister het beleid van ex-minister Ducarme zal continueren. Er moet met spoed worden bekeken of er draagvlakken kunnen worden gevonden tussen het Vlaamse en het federale niveau rond dit thema.

Mevrouw Schauvliege heeft het woord.

Voorzitter, ik heb niets gehoord van de vragen en de antwoorden door een computerprobleem, maar ik wil toch tussenkomen om het belang van deze vraag om uitleg vanuit onze fractie te benadrukken.

We willen erop aandringen om deze benadering heel zwaar te ondersteunen vanuit Vlaanderen en om de beleidsaanbevelingen die uit die open brief komen, ter harte te nemen en ermee aan de slag te gaan, want corona heeft wel degelijk aangetoond hoe belangrijk het is om de link tussen onze bevolkingsdichtheid en de dierendichtheid te onderzoeken, en de ziektes die daaruit kunnen voortkomen, heel hard op te volgen. We willen aandringen op een echte stem in dit debat en een echte participatie. Dit was een probleem, maar we hebben veel problemen. Als we het niet ter harte nemen, gaan we van de ene in de andere miserie rollen.

Onze vraag is wel degelijk om de aanbevelingen van de open brief ter harte te nemen en ermee aan de slag te gaan, ook vanuit Vlaanderen, en niet alleen naar Europa en België te kijken, maar echt te participeren.

Ik sluit me aan bij deze vragen vanuit de bezorgdheid dat er zeer veel nood is aan objectieve informatie. Wetenschappers hebben natuurlijk belang bij het binnenhalen van onderzoeksopdrachten maar het is aan de politiek om daar een evenwicht in te vinden. Ik heb vertrouwen in het oordeel van de wetenschappelijke comités die dergelijke onderzoeksopdrachten definiëren en uitschrijven, en in het feit dat er een efficiënte besteding van de middelen is, maar ik herhaal nog eens dat er nood is aan objectieve informatie.

Ik wil ook van de gelegenheid gebruikmaken – hoewel het niet direct over dit thema gaat – dat mevrouw De Vroe en de heer Vandenhove hier aanwezig zijn omdat zij dezelfde bezorgdheid delen over de problematiek van de nertsenhouderij, waar afspraken zijn gemaakt over de stopzetting van die sector. In Nederland zijn er ook ervaringen in het kader van de relatie met COVID-19. Ik hoop dat minister Weyts in dezen – en ik ga ervan uit dat u daar bij uw collega-minister op zult aandringen – een vlotte regeling voor hen kan uitwerken. Vandaag lijken we immers te verzanden in een administratieve rompslomp en procedures waardoor de uitvoering van de afspraken wordt vertraagd.

Minister Crevits heeft het woord

Minister Hilde Crevits

Dit is een belangrijk thema. Mevrouw Schauvliege, het is niet zo dat we nu pas met dit thema bezig zijn. Er zijn ook al contacten geweest met ILVO, ook op kabinetsniveau, toen uw naamgenoot Joke Schauvliege minister was. Het is een thema dat mij en vele anderen ook na aan het hart ligt, maar voor mij is het wel van belang dat we samenwerken. Zoals de voorzitter zei, moet er objectieve informatie zijn, maar daarnaast is het ook belangrijk niet te investeren in groepen die niet met elkaar betrokken zijn, maar met één mond te spreken en samen dat onderzoek te voeren. Dat is waar ik ook mijn schouders onder zet.

Collega Vandenhove, in elke vergunning worden de effecten van mens en milieu onderzocht. Ik ga ervan uit dat de vergunningsvoorwaarden worden gebaseerd op de meest recente wetenschappelijke onderzoeken. Er zijn trouwens ook onderzoeken die aantonen dat leven in de omgeving van een landbouwbedrijf een positief effect kan hebben op het vlak van de weerbaarheid, dus ook hier is het een en-enverhaal. We moeten daar dan ook genuanceerd en bedachtzaam mee omgaan.

De lead in dit dossier is dus federaal, maar voor landbouwtechnische aspecten is het uiteraard heel belangrijk om ILVO daarbij te betrekken. Nu ik jullie bezorgdheden hoor, ben ik ook wel bezorgd dat dit vandaag onvoldoende gebeurt. Ik ga daar nu mee aan de slag en zal bekijken of dit voldoende gebeurt of dat daar meer impact moet zijn. Ik zal jullie daarvan op de hoogte houden.

Collega Joosen, uiteraard zal ik kennismaken met mijn nieuwe federale collega die bevoegd is voor de landbouw, minister Clarinval, en een aantal concrete dossiers met hem bespreken waaronder dit dossier. Tegelijkertijd vraag ik aan ILVO hoe de samenwerking en de complementariteit tussen Vlaanderen en het federale niveau kan worden verhoogd.

Wat de onderzoeksnoden betreft, onderschrijf ik de nood om risico's beter in kaart te brengen. Bij Sciensano is men zich daar ook wel van bewust. Het probleem is vaak om causale verbanden te leggen tussen risico en gevolg omdat de omstandigheid van een afgesloten labo toch nog anders is dan een praktijkomstandigheid, die onderhevig is aan veel meer externe invloeden. Daar zit het probleem bij het aantonen van verbanden.

Mijnheer Dochy, wat uw opmerking betreft over de vergoedingsregeling voor nertsenkwekerijen, is het evident dat deze regeling vlot moet worden uitgerold. Ik kan dat opnieuw aan collega Weyts melden, maar u kunt uw bezorgdheden ook perfect via de parlementaire weg met hem delen.

De heer Vandenhove heeft het woord.

Voorzitter, ik deel uw bekommernis en ik heb daar trouwens een vraag over lopende. Ik neem dus aan dat ook uw fractie er een zal indienen, wat een sterker signaal zal zijn dan mijn vraag. Minister, ik ben het met u eens dat alle impact van bedrijfsvestigingen, ook in de landbouw, moet worden onderzocht. Opmerkingen van de bevolking op industriële vestigingen, meer dan op landbouwbedrijven, gaan vooral in de richting van volksgezondheid, en daar moet meer rekening mee gehouden worden. Maar de positieve aspecten van het platteland en wonen in de buurt van een landbouwbedrijf moeten wij zeker ook meenemen.

Mevrouw De Vroe heeft het woord.

Minister, ingaand op de reactie van collega Dochy over de nertsenhouderijen, meld ik dat ook onze fractie u daarover zal ondervragen. Collega Vandenhove, met hoe meer we zijn, hoe beter. We zullen dat in de toekomst zeker opvolgen. Tot slot wil ik toch nog even benadrukken dat de covidpandemie toch wel losstaat van de algemene problematiek van de staldieren.

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is gesloten.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.