U bent hier

– Wegens de coronamaatregelen werd deze vraag om uitleg via videoconferentie behandeld.

De heer Parys heeft het woord.

In een schriftelijk vraag stelde ik vragen inzake de gemandateerde voorzieningen en het aantal aanmeldingen. Bij de cijfers inzake de ondersteuningscentra jeugdzorg (OCJ’s) zag ik verrassende resultaten. Een aanmelding bij een OCJ leidt steeds tot een onderzoek maatschappelijke noodzaak (MaNo). Voor elke uniek aangemelde jongere wordt een dossier opgestart. Dat kan leiden tot drie soorten van resultaten. Ten eerste, een uitspraak maatschappelijke noodzaak en verdere opvolging door de dienst OCJ omdat de cliënt bereid is tot verdere samenwerking. Er wordt gesproken van een ‘cliëntsysteem’. Ik neem aan dat daarmee de familie en de context worden bedoeld, maar ik vind dat een rare term. Ten tweede, een uitspraak maatschappelijke noodzaak en doorverwijzing naar het parket gezien de onbereidheid van het cliëntsysteem tot verdere samenwerking. Ten derde, een uitspraak geen maatschappelijke noodzaak en begeleid doorverwijzen indien nodig.

In de tabel kunnen we zien dat bij de OCJ’s de voorbije vijf jaar in heel wat aanmeldingen uiteindelijk toch wordt geconcludeerd dat er geen maatschappelijke noodzaak is. In 2015 was er van de 4307 aanmeldingen in 1168 gevallen geen sprake van maatschappelijke noodzaak. In 2016 was dat bij 1106 van de 5337 aanmeldingen zo. In 2017 ging het over 1029 zaken, in 2018 over 877 en in 2019 over 942 van de 5031 aanmeldingen.

Ik vond dat een opmerkelijk groot aantal.

Wat zijn de achterliggende redenen die deze cijfers kunnen verklaren? Is het mogelijk dat het bestaan van de wachtlijsten meespelen in de uiteindelijke beoordeling van het OCJ dat er geen sprake is van maatschappelijke noodzaak? Hoe verklaart u het grote verschil in de cijfers? Hoe wordt er in geval van uitspraak tot niet-maatschappelijke noodzaak gewerkt aan het herstel van de vertrouwensrelatie tussen de cliënt en de hulpverlener, indien nodig?

In het antwoord op mijn schriftelijke vraag lees ik dat er geen zicht is op het aantal dossiers dat wordt heraangemeld na een beslissing tot niet-maatschappelijke noodzaak. Dat wil dus zeggen dat wanneer de hulpverlener naar het OCJ gaat omdat hij zich zorgen maakt over de integriteit van het kind, het OCJ zegt dat dit onterecht is. Wanneer zo'n kind dan toch heraangemeld wordt, betekent dit waarschijnlijk dat het OCJ een vergissing heeft gemaakt in de inschatting. Om dat te weten, moet je natuurlijk aan registratie doen van kinderen die worden heraangemeld, maar dat gebeurt niet. We kunnen dus ook niet leren uit de gemaakte inschattingsfouten. U geeft in uw antwoord aan dat er nochtans belangrijke indicatoren zijn om verder te kunnen werken. Wanneer zullen we cijfers hebben over heraanmeldingen?

Minister Beke heeft het woord.

Minister Wouter Beke

Sta mij toe om eerst op uw tweede vraag te antwoorden, namelijk de vraag naar het relatief beperkte aantal dossiers dat als maatschappelijke noodzaak wordt aangemeld. De cijfers die we u bezorgden naar aanleiding van uw schriftelijke vraag tonen aan dat, voor wat de OCJ’s betreft, 76 procent van de dossiers die worden onderzocht de kwalificatie ‘maatschappelijke noodzaak’ krijgen. Voor de vertrouwenscentra kindermishandeling (VK’s) is dat zelfs 89 procent.

In 2019 beslisten de OCJ’s in 3928 dossiers 2986 keer tot MaNo. Bij de VK’s was dat in 1044 van de 1168 dossiers. Voor de OCJ’s waren er in totaal 5031 lopende aanmeldingen. Voor 3928 dossiers werd er in hetzelfde jaar een beslissing genomen: 2986 daarvan werden beoordeeld als MaNo en 942 dossiers als niet-MaNo. Van de MaNo-dossiers werden er 2181 door het OCJ verdere opgevolgd en werden 805 dossiers doorverwezen naar het parket. Voor 1103 dossiers was op het moment van het nemen van de foto voor het jaarverslag nog geen beslissing genomen.

Ik kom terug op uw eerste vraag met betrekking tot het mogelijke effect van de wachtlijsten op het oordeel tot MaNo of niet-MaNo. Er is geen correlatie tussen de uitspraak tot MaNo of niet en de wachtlijsten. Voor elke jongere en zijn gezin onderzoekt het OCJ steeds wat de impact is van de aanwezige zorgen op het kind. Veiligheid en ontwikkelingskansen van de minderjarige staan hierbij centraal van bij aanvang. Het bestaan van wachtlijsten is geen reden om niet actief op te treden en naar oplossingen te zoeken vanuit een gemandateerde voorziening.

Niet elke melding bij een gemandateerde voorziening, ook al is de uitspraak ‘niet-MaNo’, hoeft te leiden tot een breuk in de vertrouwensrelatie tussen de cliënt en de hulpverleners. Veel hulpverleners slagen erin om zelf in een open dialoog hun zorgen met de cliënten te bespreken.

Een onderzoek maatschappelijke noodzaak kan soms ook leiden tot het uitsluiten van jarenlange misverstanden omtrent bijvoorbeeld de vraag of er al dan niet sprake was van geweld naar de kinderen. Een neutrale instantie met een sterke autoriteit die aan het einde van een grondig onderzoek concludeert dat er vanuit de zorgen die werden geformuleerd geen maatschappelijke noodzaak is, kan een gezin, mits goed begeleid, ook opnieuw de kracht geven om de andere problemen, die er vaak nog liggen, vanuit een minder conflictueus perspectief aan te pakken. Het maatschappelijk onderzoek dat leidt tot deze uitspraak bestaat uit het scherp krijgen van aanwezige zorgen en krachten, samen met het betrokken cliëntsysteem en de professionele aanmelder. De aanmelder wordt van bij aanvang in dit proces betrokken en is mee actieve partner aan tafel.

In andere situaties heeft de tussenkomst vanuit de gemandateerde voorziening ook al een dusdanig effect dat de aanmelder en het betrokken cliëntsysteem weer samen verder kunnen zonder tussenkomst van een overheidsadministratie.

Een aantal aanmeldingen wordt door de gemandateerde voorzieningen anoniem behandeld, bijvoorbeeld in een adviesgesprek of bij consult door de vertrouwenscentra. De aanmelder kan in die gevallen vaak verder en dan is verdere opvolging niet nodig. Registratie is door de anonimiteit niet mogelijk.

In een aantal andere gevallen waarin er effectief een onderzoek gebeurt, kan het inderdaad interessant zijn om voor deze niet-anonieme dossiers, die bijvoorbeeld aanvankelijk als niet-MaNo werden beoordeeld, te zien of er bij een volgende aanmelding gelijk of anders geoordeeld wordt. Dat kan uiteraard liggen aan de gewijzigde context van waaruit de melding gebeurt, maar het kan ook een indicator zijn bij het monitoren van de effectiviteit van de hulpverlening en een manier om te leren over de beoordelingsprocessen die men gebruikt. In mijn antwoord op uw schriftelijke vraag heb ik aangegeven dat we – als we de krachten van de gemandateerde voorzieningen bundelen zoals opgenomen in het regeerakkoord en de beleidsnota – ook zullen zoeken naar een uniforme manier om deze gegevens te verzamelen om eruit te kunnen leren.

De heer Parys heeft het woord.

Minister, ik dank u voor uw antwoord. Ik vind het vooral belangrijk dat u nog eens hebt gezegd dat we effectief gaan naar één dienst die op dezelfde manier de casus van elk kind dat in gevaar is, beoordeelt. Ik denk dat dat heel belangrijk is.

Minister, ik heb nog een aantal andere vragen. Waar komt de sterke stijging vandaan van het aantal meldingen bij het OCJ in 2016 ten opzichte van 2015? We gaan van bijna 4000 jongeren naar 6100 jongeren. Er komen er dus 2000 bij. Hoe kan dat?

Bij de VK’s volgt de stijging van de meldingen het totale aantal meldingen. Welke evoluties zien we bij de VK’s buiten de MaNo-meldingen? Is er zicht op die cijfers?

Hoe komt het eigenlijk dat er zoveel dossiers lopende zijn bij de OCJ's? Welke impact is er wanneer je deze dossiers zonder beslissing toch in de tabel zou kunnen verwerken op een later moment? Moeten we daaruit afleiden dat de doorlooptijd van de dossiers structureel veel te lang is? Hebt u daar een antwoord op?

Waarom is er zo'n sterke stijging van OCJ’s die doorverwijzen naar het parket van 2015 naar 2016? We zien eenzelfde sterke stijging tussen 2017 en 2018. Tegelijkertijd daalt het aantal casussen waarin geoordeeld wordt ‘geen MaNo’. Als we in dezelfde periode naar de VK’s kijken die een gelijkaardige beoordeling moeten doen, dan zien we daar de omgekeerde beweging. We zien geen stijging in de verwijzing naar de parketten. Het aantal MaNo’s is er wel gestegen en het aantal casussen met als resultaat ‘geen maatschappelijke verontrusting’ daalt zelfs. Ik heb grote moeite om de cijfers te accorderen en daar enige systematiek in te zien. Zijn er verschillen per aanmelder? Kun je bijvoorbeeld zien of het het parket is dat aanmeldt of niet?

Minister, het is belangrijk om het belang van het kind heel duidelijk in beeld te brengen. Door de verschillende doorlooptijden in OCJ’s en VK’s – zo lijkt het alleszins – dreigt men een ander soort van traject te krijgen, alhoewel het misschien eenzelfde casus is. Op welke inhoudelijke criteria wordt er een objectieve inschatting gemaakt over het feit of de ontwikkeling van een kind in gevaar is of dreigt te komen? Welke inhoudelijke kaders hanteren VK’s en OCJ’s om die inschatting te maken, aangezien we op zijn minst op een heel onrechtstreekse manier uit de cijfers zouden kunnen afleiden dat men in een ander soort traject dreigt terecht te komen?

Mevrouw Wouters heeft het woord.

Voorzitter, minister, collega’s, als het voor de individuele jeugdhulpaanbieders niet langer mogelijk is om gepast om te gaan met verontrustende situaties, bestaat voor hen de mogelijk om zich te wenden tot een gemandateerde voorziening. Hun taak bestaat erin om in te schatten hoe verontrustend de situatie nu net is. Maar dat begrip ‘verontrustende opvoedingssituatie’ is een vaag en abstract begrip, dat in een concrete situatie moet worden toegepast. Dat houdt een risico in. Degene die het begrip moet hanteren, heeft een grote macht, namelijk de interpretatiemacht van dat begrip. Als na onderzoek een verontrustende situatie als maatschappelijke noodzaak wordt geclassificeerd, gaat dat om iets wat we niet kunnen aanvaarden en waarbij we als maatschappij ter bescherming van het kind ingrijpen. Het gaat hier om een gedeelde verantwoordelijkheid van alle hulpverleners samen, waarbij samenwerking cruciaal is.

Minister, zijn er gevallen bekend waarbij de individuele hulpverleners te laat consult vragen aan de gemandateerde voorziening? En ondervinden de gemandateerde voorzieningen problemen met het inzamelen van de nodige informatie voor het onderzoek, zoals personen die gebonden zijn aan beroepsgeheim die noodzakelijke info niet aan de gemandateerde voorzieningen willen verschaffen?

Minister Beke heeft het woord.

Minister Wouter Beke

Dat zijn twee detailopvolgvragen, waarin heel wat cijfergegevens worden gevraagd. U zult begrijpen dat ik die hier niet uit mijn mouw kan schudden. Ik zal dat doorgeven aan de administratie, met de vraag om daar een antwoord op te geven.

De heer Parys heeft het woord.

Minister, ik vraag niet zozeer bijkomend cijfermateriaal. Mijn vraag ging over de analyse van de cijfers. Wat leren we daaruit? Ik leer eruit – maar ik weet niet of ik juist ben, en dat was mijn vraag aan u – dat je een heel verschillend antwoord krijgt op dezelfde vraag als je naar een OCJ of naar een VK gaat. Of dat zou je er toch uit kunnen afleiden. En dat zou natuurlijk niet mogen. Je ziet daar heel rare dingen. De ene verwijst veel meer naar het parket. De andere boomt qua aanmeldingen. De ene geeft dezelfde jaren veel meer zaken aan als geen maatschappelijke noodzaak. Wat leren we daaruit? Waarom zijn die cijfers zo verschillend? Ik heb geen extra gegevens nodig, ik had graag uw analyse gehad. Ik denk dat een deel van de oplossing absoluut het samenvoegen van die twee organisaties is. Maar we kunnen al beginnen met dezelfde inhoudelijke kaders aan te reiken om de fysieke en emotionele integriteit van een kind te beoordelen.

Minister Beke heeft het woord.

Minister Wouter Beke

Daar zijn in het regeerakkoord een aantal lijnen rond afgesproken, om daaraan tegemoet te komen.

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is geopend met een beperkt aantal plaatsen. Bezoekers die een plenaire vergadering willen bijwonen, sturen een mailtje naar 
onthaal@vlaamsparlement.be met daarin naam en geboortedatum.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.