U bent hier

De voorzitter

– Wegens de coronamaatregelen werd deze vraag om uitleg via videoconferentie behandeld.

De heer Danen heeft het woord.

Minister, dit dossier is in de commissie nog niet zo vaak aan bod gekomen, maar het zorgt toch wel voor heel wat overlast. Het heeft wellicht te maken met het feit dat men op relatief korte termijn een nieuw procedé gebruikt om asfalt te produceren.

Minister, ik veronderstel dat u ook aangesproken bent door de mensen die in Limburg in de buurt van een asfaltcentrale wonen, maar ook in Grimbergen en op andere plekken, waar men heel wat last heeft. Vandaar mijn vraag om het probleem onder de aandacht te brengen, maar vooral om te zorgen voor het dichterbij brengen van een oplossing.

De productie van asfalt, zeker als er gebruik wordt gemaakt van asfaltgranulaten, blijft in Vlaanderen zorgen voor geurhinder bij de omwonenden. Het gebruik van een hetegasgenerator in combinatie met een paralleltrommel vermindert de geurhinder, maar dat is onvoldoende. Door gebruik te maken van een nabehandeling of naverbranding van de afgassen zou de geurhinder verder kunnen afnemen. Dat procedé wordt in de omringende landen toegepast. Het mooie weer van de laatste tijd, waardoor mensen meer buiten zitten, deed het aantal hinderwaarnemingen door geur nog toenemen.

De geurhinder wordt gedeeltelijk verspreid naar de omgeving via de geleide emissies van de afgassen. In een artikel van in titel II van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (VLAREM) wordt verplicht dat de exploitant de nodige maatregelen neemt om de hinder naar de buurt te beperken. Zo zou een bijkomende nabehandeling of verbranding een bijdrage kunnen leveren aan het inperken van die hinder. Toch blijkt dat deze technieken niet of nauwelijks worden toegepast in de Vlaamse asfaltcentrales. Waarom worden deze technieken niet opgelegd bij het verlenen van een vergunning? Zult u nakijken of deze maatregelen opgenomen kunnen worden in de milieuwetgeving?

Artikel 4.1.2.1 van titel II van het VLAREM stelt dat de exploitant als zorgvuldig persoon moet handelen en de beste beschikbare technieken moet toepassen terwijl artikel 4.1.3.2 de exploitant verplicht de nodige maatregelen te nemen om de hinder, waaronder ook geurhinder, naar de buurt te beperken. Uit de praktijk blijkt evenwel dat de exploitanten deze artikelen elk op hun manier interpreteren en er invulling aan geven. Bovendien legt elke vergunningverlenende overheid andere bijzondere voorwaarden op om de hinder te beperken. Het instrument van de bijzondere voorwaarden laat maatwerk toe op het vlak van de milieuvoorwaarden, maar zorgt er in deze kleine sector voor dat gelijkaardige installaties andere voorwaarden opgelegd krijgen. Bent u bereid om de sectorale voorwaarden voor asfaltcentrales te evalueren en waar nodig te actualiseren zodat de vergunningsprocedure voor alle installaties transparant kan verlopen?

Het is ondertussen duidelijk dat de combinatie van asfaltcentrale met woonwijk op korte afstand niet de beste combinatie is. Een oplossing zou dus zijn dat er geen nieuwe centrales in de buurt van woonwijken worden gebouwd of – omgekeerd – dat er geen nieuwe verkavelingen komen in de buurt van een bestaande asfaltcentrale. Zult u onderzoeken binnen welke perimeter een asfaltcentrale hinder veroorzaakt, zodat dit aspect kan worden meegenomen bij nieuwe omgevingsvergunningsaanvragen?

Bent u bereid om een uitdoofscenario te onderzoeken voor hinder veroorzakende asfaltcentrales in de buurt van woonwijken – met andere woorden, dat de bestaande centrales in deze situatie niet langer worden hervergund?

De afgassen van asfaltcentrales kunnen benzeen bevatten waarvoor de emissiegrenswaarde 5 milligram per normaal kubieke meter bedraagt. Naast benzeen kunnen ook afgeleiden van benzeen – benzeenderivaten – worden uitgestoten die mogelijk nog schadelijker zijn voor de gezondheid. Houdt de emissiegrenswaarde rekening met deze afgeleide producten van benzeen?

Hoe verhouden de Vlaamse emissienormen inzake geleide emissies zich tegenover de normen die worden gehanteerd in Nederland, Duitsland en Frankrijk? Zijn de normen in onze buurlanden strenger of minder streng, en geldt dat voor alle parameters?

De meetprotocollen laten vaak hiaten zien, wat maakt dat metingen nogal eens worden betwist, in mijn ogen terecht. Wilt u werken aan meer eenduidige en transparante meetprotocollen, zodat het probleem op een objectieve manier in kaart wordt gebracht?

De productie van asfalt waarbij wordt gebruikgemaakt van asfaltgranulaten zorgt duidelijk voor meer klachten over geurhinder. De geurhinder wordt als nog hinderlijker ervaren als die zich manifesteert wanneer veel mensen thuis zijn en buitenkomen. Het laten stilleggen van de asfaltproductie door bijvoorbeeld een ‘rode knop’ kan al een deel van de klachten doen verminderen. Die knop wordt dan allicht gebruikt op momenten dat veel mensen thuis zijn. Zult u die mogelijkheid onderzoeken bij die centrales waar er geurhinderklachten blijven, ondanks alle inspanningen? Daarbij wil ik uitdrukkelijk aangeven dat dat geen definitieve oplossing kan zijn, maar in het beste geval een voorlopige.

De voorzitter

Minister Demir heeft het woord.

Minister Zuhal Demir

Collega Danen, dank u wel voor de uitgebreide vragen. Uiteraard heb ik ook een uitgebreid antwoord.

In het begin hebt u even verwezen naar een aantal burgemeesters. Ik ben ook, zelfs tot op vandaag, gecontacteerd door een aantal burgemeesters die wijzen op geurhinder bij omwonenden. Asfaltcentrales zorgen onvermijdelijk voor geuremissies. Er zijn er een achttiental in Vlaanderen. Net omdat ze dikwijls in de nabijheid van woonzones zijn ingeplant, zorgen ze voor geurhinder. Reeds in 2001 is er een studie opgemaakt in verband met de geurproblematiek. Bij de herziening van de BBT-studie (beste beschikbare techniek) vanaf 2011 werd geurhinder zelfs een pertinent aandachtspunt. De herziene versie is gepubliceerd in oktober 2013. Die studies zijn allemaal uitgevoerd door de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek (VITO), zoals u weet. Aangezien de jongste studie dus dateert van 2013, denk ik wel dat het tijd is om dat te evalueren en te actualiseren. Ik heb het Departement Omgeving dan ook de opdracht gegeven om daar het nodige voor te doen.

Het klopt dat in vergunningen zelden specifieke technieken worden opgelegd. Dat is een bijzondere voorwaarde. In Vlaanderen wordt dat ondervangen door het opleggen van emissiegrenswaarden, zowel voor emissies naar de lucht als voor emissies naar het water. We kiezen dus voor doelvoorschriften in plaats van middelvoorschriften. Specifiek inzake geur wil ik er wel op wijzen dat er toch de nodige nuance moet zijn wat dit probleem betreft. Het is wel een probleem, maar er zijn toch ook wel nuances. Een dergelijke problematiek moet altijd zeer concreet worden onderzocht, en hierbij is elke installatie anders. We moeten de milieuproblemen met een integrale bril bekijken. In het voorbeeld van de installatie van een naverbrander ontstaat er een bijkomend energieverbruik en een bijkomende uitstoot van koolstofdioxide en stikstofoxiden. Tot slot moet ook vaststaan dat het rendement van een bepaalde techniek voldoende bewezen is.

Omtrent het nemen van maatregelen in de milieuvergunning kan ik onder andere wel verwijzen naar de sectorale voorwaarden voor asfaltbetoncentrales. Dat zijn voorwaarden die iedere asfaltcentrale in Vlaanderen moet naleven. Die voorwaarden worden ook opgelegd in de omgevingsvergunningen van dergelijke bedrijven. U vroeg of ik de sectorale voorwaarden ook wil herbekijken. Ik wil dat wel doen, samen met die BBT-studie van 2013. Ik wil dat integraal bekijken, ook net gezien het feit dat wij daar enorm door worden gevat.

In 2019 werden er negentig controles uitgevoerd bij de achttien centrales. Ik denk dat het interessant is om dat te weten. Het merendeel van deze controles waren controles in functie van geurklachten waarbij in verschillende gevallen effectief geur werd vastgesteld. Hierbij wordt ook gekeken naar de intensiteit en hinderlijkheid van deze geur om de afweging te kunnen maken of deze geur aanvaardbaar is of niet. Er werden bij vier centrales in opdracht van de afdeling Handhaving emissiemetingen uitgevoerd. Hiervan waren de resultaten allemaal binnen de normen. Aangezien dit onaangekondigde controles waren, was dit niet steeds bij productie met recuperatieasfalt. Van bijna alle centrales werden ook de zelfcontrolemetingen opgevraagd en bekeken. In totaal werden er zes pv’s opgesteld, waarvan drie voor aanhoudende geurhinder, een voor het niet naleven van de emissiegrenswaarden en twee voor onvoldoende uitvoeren van zelfcontrolemetingen.

Ik wil de sectorale voorwaarden evalueren en actualiseren, maar wil wel opmerken dat een vergunningverlenende overheid bijzondere voorwaarden kan opleggen. Dat moet uitdrukkelijk worden gemotiveerd in de beslissing. Dat deze bijzondere voorwaarden niet overal dezelfde zijn, kan worden verklaard door het feit dat niet elke asfaltcentrale technisch gezien hetzelfde is, en ook de omgeving van deze installaties kan verschillen.

Door het aanbieden van een goed gemotiveerd advies aan de vergunningverlenende instantie tracht de Vlaamse overheid om doorheen heel Vlaanderen een gelijke behandeling van vergunningsaanvragen te krijgen.

In de sectorale voorwaarden is vandaag inderdaad een perimeter opgenomen. Voor een volledig nieuwe installatie betekent dit dat deze op meer dan 100 meter van onder andere een woongebied moet worden opgesteld. Verder moet de exploitant van een dergelijke installatie in zijn aanvraag voor een omgevingsvergunning aantonen dat de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau kan worden beperkt. Dit gebeurt meestal door het toevoegen van een geurstudie aan de aanvraag.

U kent ook de sectorale code van goede geurpraktijk van november 2015 voor het voorkomen, beoordelen en beheersen van geurhinder veroorzaakt door een asfaltcentrale. In deze code staat opgenomen hoe moet worden omgegaan met aanvragen voor nieuwe asfaltcentrales. Dit is een leidraad voor de verschillende vergunningverlenende overheden en bevat een beslissingsboom voor bestaande centrales met geurproblemen. Indien deze laatste situatie zich voordoet, zal dit vooral een zaak van handhaving zijn.

Binnen de sectorale voorwaarden van VLAREM is er voor deze asfaltcentrales een emissiegrenswaarde van 100 milligram per kubieke meter van toepassing op de geloosde afgassen. Specifiek in de sectorale voorwaarden is er geen emissiegrenswaarde voor benzeen van toepassing. Via de algemene emissiegrenswaarden van VLAREM geldt er inderdaad een emissiegrenswaarde van 5 milligram benzeen per kubieke meter vanaf een massastroom van 25 gram per uur.

Wat betreft eventuele andere benzeenderivaten kan ook verwezen worden naar de algemene emissiegrenswaarden opgenomen in VLAREM.

Ik kan aangeven dat in Nederland de Nederlandse Emissierichtlijn algemene eisen aan emissieconcentraties geeft en ook uitzonderingsbepalingen voor specifieke activiteiten of bedrijfstakken bevat.

Voor Duitsland kan ik verwijzen naar de richtlijn voor asfaltcentrales beschreven in VDI 2283. Voor meer concrete info kan ik u verwijzen naar de Vlaamse BBT-studie.

Maar een echte vergelijking, mijnheer Danen, is vaak niet zo eenduidig en is een ingewikkelde oefening waarbij alle randvoorwaarden moeten worden vergeleken: meetfrequentie, zuurstofgehalte, meetperiode, al dan niet gebruik van grensmassastromen. De evaluatie en actualisatie van de BBT-studie lijkt me het moment om een rondvraag te doen bij de buurlanden.

Wat het meten van geurhinder betreft, kunt u ook een overzicht vinden in de eerder vermelde sectorale code van goede geurpraktijk. Als men zogenaamde snuffelmetingen uitvoert, moet men dit doen volgens de methode beschreven in de code van goede praktijk. Ook wanneer men ter hoogte van een bron een staal neemt en dit in een labo laat analyseren door een geurpanel moet men werken volgens bepaalde normen.

Wanneer er effectief hiaten in metingen worden vastgesteld, dan kan het erkend laboratorium of eventueel de erkende deskundige hierop worden aangesproken. Als blijkt dat er zware inbreuken zijn, kan de erkenning van de betreffende instantie geschorst of opgeheven worden. Deze regeling kunt u terugvinden in het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu.

Bij de asfaltproductie voor de wegenbouw zal men om primaire grondstoffen te besparen er ook geregeld recyclageasfalt mee in verwerken, dit voornamelijk voor de toepassing van onderlagen. Dat is een principe waar we wellicht allemaal achter kunnen staan in het kader van de omslag naar een circulaire economie. Ondanks het feit dat er niet altijd een eenduidige link is tussen productie met recyclageasfalt en geurklachten, blijkt inderdaad uit de veldervaring van de toezichthouders dat omwonenden de geuremissies die daarbij ontstaan als meer storend ervaren en de geurklachten die de Afdeling Handhaving ontvangt, zijn daar vaak aan gelinkt.

Omdat het recyclageasfalt, afkomstig van het affrezen van oude wegdeklagen, naar geurpotentieel sterk kan verschillen, kunnen hierbij grote verschillen voorkomen in de geuremissies die vrijkomen bij de asfaltproductie. Hiervoor zijn bij sommige installaties procedures opgesteld om de partijen van het recyclageasfalt voor verwerking op hun geurkwantiteit te testen, dit om het gebruik van partijen te voorkomen die sterk zouden bijdragen aan geuremissies. Op deze manier kan de productie met het oog op het beperken van hinder, aangepast worden in functie van de meteorologische omstandigheden.

Een rode knop, waarnaar verwezen, is een systeem dat al bij een specifieke asfaltcentrale wordt toegepast. Om sneller te kunnen reageren op gebeurlijke geurklachten heeft het bedrijf een rodeknopprocedure gelanceerd waarbij de gemeente of de Afdeling Handhaving de ontvangen klachten systematisch meldt aan een centraal aanspreekpunt bij de asfaltcentrale.

De medewerkers van de asfaltcentrale gaan dan zelf geurwaarnemingen doen bij de omwonenden en wijzigen bij hinder de productie naar een minder geurende productie of staken de productie. Dit is in 2019 en 2020 een aantal maal effectief gebeurd. Op deze manier probeert het bedrijf om eventuele hinder snel te remediëren.

Deze procedure biedt echter geen garantie dat de productie ook altijd effectief wordt stilgelegd. Het is wel een voorbeeld van invulling van een goede communicatie tussen buurt, bedrijf en overheden. Maar ik ben het wel met u eens dat dergelijke systemen hoogstens een tussenoplossing zijn.

De voorzitter

De heer Danen heeft het woord.

Minister, ik dank u voor het antwoord. Ik ben eerst en vooral blij te horen dat u een nieuwe BBT-studie zult bestellen omdat de andere al een aantal jaren oud is. Intussen zijn de technologie en vooral het materiaal dat in een dergelijke asfaltcentrale wordt gebruikt, veranderd sinds de vorige studie, en dat is wel cruciaal. Ik hoop dan ook dat die studie snel wordt opgeleverd. Wanneer verwachten u de resultaten van die studie, en wanneer verwacht u dat die asfaltcentrales daarnaar zullen handelen?

Ten tweede zegt u ook dat het misschien interessant is om te kijken naar wat er in het buitenland rond normen gebeurt of naar de manier waarom er wordt gewerkt met asfaltcentrales. Dat is heel interessant en misschien is het ook wel goed om zo’n BBT af te stemmen op wat er in het buitenland gebeurt. Ik heb me laten vertellen dat men in Nederland bij de nabehandeling van de gassen toch heel andere procedés gebruikt dan bij ons en dat de overlast en wat er uit de schouw komt, van een heel andere en betere kwaliteit is. Nogmaals: ik heb me dat laten vertellen en kan dat dus niet bewijzen, maar het is wel goed om te kijken naar wat er in de ons omringende landen gebeurt.

Ten derde geeft u zelf aan dat zo’n rode knop alleen bij de hoogste nood wordt gebruikt, en dat dat geen structurele oplossing is. Dat is inderdaad zo. Er zijn echter nog een aantal elementen bij de asfaltcentrales die je ook geen echt structurele oplossingen kunt noemen. Ik heb u daarover al een aantal schriftelijke vragen gesteld, en daaruit bleek dat men bijvoorbeeld met geurmaskerende stoffen werkt, of met andere woorden: men omhult de schadelijke emissies met een soort parfum. De schadelijkheid is dan niet verdwenen, maar hoogstens gemaskeerd. Dat zijn dingen die niet echt kunnen. Ze werken heel eventjes, maar zijn zeker geen structurele oplossingen. Ik hoor u zeggen dat u niet voor die ad-hocoplossingen bent en ik hoop echt dat het beleid dat u hierrond ontwikkelt, daarop afgestemd is.

Tot slot zegt u dat elke installatie anders is en dat we daar genuanceerd naar moeten kijken, maar ik heb toch wel begrepen dat als men met een hogere graad van recuperatieasfalt in een bepaald lot werkt, dat bijna overal veel meer overlast geeft. Volgens mij zijn er wel generieke elementen die kunnen worden meegenomen om het beleid af te stemmen op onze omgang met asfaltcentrales. Natuurlijk kunnen we dat per centrale finetunen, maar ik denk dat het goed is dat we die regels op die manier bekijken.

Ik heb van u begrepen dat de burgemeesters van de gemeenten die veel last hebben van die centrales, u regelmatig contacteren. Ik hoop dat ze dat blijven doen, en ik zal dat ook blijven doen. Ik hoop dat u ook op mijn bijkomende vragen een antwoord kunt geven.

De voorzitter

Minister Demir heeft het woord.

Minister Zuhal Demir

De tijdslijn moet een grondige oefening zijn. We willen ook de rondvraag doen in de buurlanden. Ik kan op dit moment nog niet exact zeggen wanneer alles rond zal zijn, maar het spreekt voor zich dat we dat niet op de lange baan willen schuiven. Vanaf het ogenblik dat de tijdslijn is uitgeschreven, zal ik u die zeker meegeven.

Ik ben het wel eens met uw opmerking dat wij ook generieke voorschriften kunnen geven en dat we dan bijkomend per asfaltcentrale kijken wat er nog moet gebeuren. Ook dat ben ik genegen. Sta me echter toe om eerst heel die oefening te maken. De allerlaatste BBT-studie dateert van 2013. Intussen zijn er heel wat nieuwe technieken ontwikkeld en ook de innovatie staat niet stil. Ik vind het niet meer dan normaal dat we dit in zijn geheel bekijken en naar de buurlanden kijken. Ik zal daarop terugkomen als de tijdslijn is afgestemd.

De voorzitter

De heer Danen heeft het woord.

Ik blijf het dossier opvolgen en zal u regelmatig herinneren aan de beloftes die u vandaag hebt gemaakt, minister. Ik hoop alleszins dat we in de toekomst minder last zullen hebben van de asfaltcentrales.

De voorzitter

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is geopend met een beperkt aantal plaatsen. Bezoekers die een plenaire vergadering willen bijwonen, sturen een mailtje naar 
onthaal@vlaamsparlement.be met daarin naam en geboortedatum.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.