U bent hier

– Wegens de coronamaatregelen werden deze vragen om uitleg via videoconferentie behandeld.

De heer Ronse heeft het woord.

Minister, eigenlijk is dit een vraag die ik aan de hele Vlaamse Regering wil stellen, omdat dit een onderwerp is dat over verschillende bevoegdheden verspreid is. Het is een thema dat ons echt wakker moet maken. Iedereen wist wel al dat het een probleem was, maar dat een op de acht mensen met een andere origine geen werk vindt wegens het Nederlands onmachtig, is iets wat ons allen zeer alert en wakker moet houden.

Het basiscriterium om in een samenleving te kunnen functioneren, is de taal kennen. Wat mij heel erg frappeert, is dat het niet alleen gaat om mensen die nieuwkomer zijn en hier nog maar net zijn, maar ook om mensen die hier al een redelijk lange periode wonen en leven. Ik heb mij daar ook het hoofd over gebroken. Is het de taak van VDAB om zo’n complexe materie op te lossen? Kan VDAB dat? Voor een stuk kan dat wel, met wat men vandaag doet: taalopleidingen, maar ook taal- en werkopleidingen samen combineren, zoals u zelf aangaf in uw reactie op de studie, met individuele beroepsopleidingen (IBO’s). Is het een taak van Inburgering? Die focussen vooral op mensen die hier net toegekomen zijn. Is het de taak van Onderwijs? Ja, absoluut.

Wiens taak het ook is, het is iets dat ons tot nadenken moet stemmen, minister. Hoe kijkt u naar die zaak? Welke acties zou u op tafel leggen, niet alleen vanuit uw eigen bevoegdheden, maar ook globaal, om op deze bijzonder prangende problematiek een antwoord te geven?

Voor mij is dit helemaal niet verrassend want deze toestand is al vele jaren vrij gelijk. Ik klop al een aantal jaren op deze nagel. Het taalbeleid vanuit VDAB is onvoldoende. Als er één reden is waarom we mensen moeilijk ingeschakeld krijgen in de arbeidsmarkt, is het gebrek aan taalkennis Nederlands. Dat is essentieel. Dat blijkt nog eens uit de analyse die de aanleiding vormt van onze vragen vandaag.

In circa 90 procent van de vacatures is de kennis van het Nederlands essentieel. Als je dan vaststelt dat al vele jaren 1 op de 8 werkzoekenden het Nederlands niet of nauwelijks machtig is, dan besef je dat er een heel grote groep werkzoekenden eigenlijk bij voorbaat uitgesloten is van de arbeidsmarkt of het minstens moeilijk heeft om een volwaardige, duurzame job te vinden. Als je dan ziet wat VDAB doet: jaarlijks zijn er ongeveer 6500 taaltrajecten vanuit VDAB waar een beperkt aantal mensen ook nog eens niet slaagt.

Er zijn een aantal positieve evoluties, zoals opleiding op de werkvloer, taalopleidingen gecombineerd met andere werkervaringsinstrumenten zoals individuele beroepsopleiding met taalcoaching (IBO-T), ‘Nederlands op de Werkvloer’ en dergelijke meer. Het gaat over een beperkt aantal, zoals blijkt uit het antwoord op een eerdere vraag. Dan zwijg ik nog over de bijzonder manke samenwerking die er de voorbije tien jaar bestond tussen VDAB en het Agentschap Integratie en Inburgering. Deze regering heeft de ambitie om daar werk van te maken en meer dan een tandje bij te steken. Na tien jaar stilstand inzake arbeidsmarktbeleid en integratiebeleid, is het tijd voor een stap vooruit.

Minister, hoe evalueert u de taalopleiding en -ondersteuning van werkzoekenden vandaag? Waar zitten volgens u de hiaten?

Hoeveel van de ongeveer 35.000 werkzoekenden zitten op dit moment in een traject met een aangepaste taalopleiding?

Bijna tienduizend van deze werkzoekenden met taalachterstand zijn al langer dan twee jaar werkzoekend, vijfduizend al langer dan vier jaar. Hoe verklaart u dat deze mensen zo lang bij VDAB zijn ingeschreven en hun taalniveau niet of te weinig is geëvolueerd? Wordt specifiek voor deze doelgroep, die al heel lang klant is bij VDAB, actie ondernomen?

Hoe kunnen we verzekeren dat elke werkzoekende met taalachterstand een kwalitatief taaltraject volgt? De laatste 5 jaar schommelde het aantal ervan tussen 30.000 en 35.000 niet-werkende werkzoekenden, of 14 tot 17 procent van het hele bestand. Welke nieuwe initiatieven plant u om het aanbod taalopleidingen te verhogen?

Wordt het al dan niet participeren aan een taalopleiding gebruikt bij de beoordeling van de inzet van de werkzoekende? We moeten een wortel maar ook een stok durven gebruiken.

De heer Ongena heeft het woord.

Voorzitter, ik ben op zoek naar de grassprietjes die de collega's nog niet hebben afgereden voor mijn neus. Ik ga niet te veel herhalen. Er is al heel veel gezegd. Ik wil enkel de nuance maken ten aanzien van de heer Ronse dat het niet enkel mensen zijn van allochtone afkomst. Ik denk dat het probleem iets ruimer zit. Het is voor alle duidelijkheid een grote groep, maar het probleem zit ook elders, in de Rand rond Brussel.

Daarom wil ik in mijn vraag focussen op het profiel: over welke mensen gaat het? Is daar een onderscheid in? Hoe zit het ten aanzien van nieuwkomers en oudkomers? Hoe is het probleem van de Franstaligen in de Rand rond Brussel en de interregionale mobiliteit die ons allemaal dierbaar is? Kunt u daar wat meer inzicht in geven?

Is er een evolutie in die taalachterstand de voorbije jaren? Wat gaat u met deze cijfers doen? Hoe gaat VDAB eventueel een tandje bij steken? Is er een link tussen kennis Nederlands en digitale vaardigheden? Ik kan me inbeelden dat mensen die een taalachterstand hebben, misschien ook wel een digitale achterstand hebben, terwijl we het er allemaal over eens zijn dat digitale vaardigheden belangrijker aan het worden zijn.

En ten slotte, hoe loopt de samenwerking met het Agentschap Integratie en Inburgering? Moet daar iets aan worden verbeterd? Wat met de ambitie van het Vlaams regeerakkoord om nieuwkomers binnen de twee maanden door te sturen naar VDAB? Zit er al evolutie in dat voornemen?

Mevrouw Malfroot heeft het woord.

Ik merk dat er hier een beetje rond de pot wordt gedraaid. Ik zal mijn vraag stellen zoals ik ze heb ingediend en het probleem schetsen zoals het is.

We lezen in een publicatie van VDAB ‘Taal centraal?!’ dat een op de acht werkzoekenden in Vlaanderen over een beperkte kennis van het Nederlands beschikt. Nochtans is een degelijke beheersing van het Nederlands cruciaal voor de tewerkstellingskansen op onze arbeidsmarkt. Cijfers leren dat in 89 procent van de vacatures kennis van het Nederlands wordt gevraagd door de werkgever. Bovendien wordt in 60 procent van alle vacatures in Vlaanderen enkel kennis van het Nederlands verwacht.

Om verder het belang van Nederlandse taalbeheersing op de arbeidsmarktkansen te onderstrepen: in 96 procent van de vacatures waarin kennis van het Nederlands wordt gevraagd, verwacht de werkgever een goede tot zeer goede beheersing van de taal. De kans dat een werkzoekende met een Nederlandse taalachterstand na zes maanden solliciteren nog geen job heeft gevonden, ligt 21 procent hoger dan gemiddeld.

Om de kennis van het Nederlands te verhogen, zal de job- en taalcoaching worden herbekeken. Cijfers over de lopende projecten individuele beroepsopleiding met taalcoaching en Nederlands op de Werkvloer + tonen een hoge kostprijs en een lage efficiëntie van de taalopleidingen. Het budget in 2008 voor Nederlandse taalopleidingen bedroeg 25 miljoen euro, met ongeveer 6000 cursisten. Daarvan slaagt slechts twee derde.

VDAB is niet de enige opleidingsverstrekker van Nederlandse taalopleidingen. Het is mogelijk om taallessen te volgen bij een centrum voor basiseducatie, een centrum voor volwassenenonderwijs, het OCMW of andere opleidingspartners. Het Agentschap Integratie en Inburgering is daar de regisseur. Gegevensuitwisseling is van cruciaal belang om een compleet beeld te krijgen van het aantal cursisten en de impact van verschillende taalopleidingen op de arbeidsmarktkansen.

Minister, welke conclusies trekt u uit het rapport ‘Taal centraal?!’ van VDAB? Hoe evalueert u de huidige Nederlandse taalopleidingen van VDAB? Wat is de impact van deze taalopleidingen op arbeidsmarktkansen? Is er sprake van permanente monitoring en bijsturing van deze opleidingen? Gaat het budget voor opleidingen met betrekking tot Nederlandse taalverwerving bij VDAB verder stijgen? Gaat u daar nog meer in investeren?

Minister, hoe verloopt de gegevensuitwisseling van VDAB met andere opleidingspartners die Nederlandse taalcursussen verstrekken? Zijn de taalcursussen van VDAB die vaak te specifiek op een job zijn gericht, ondertussen breder, om de inzetbaarheid van de cursisten op de arbeidsmarkt te vergroten? Hoe zorgt u ervoor dat het belastinggeld uitgegeven aan Nederlandse taalcursussen efficiënt wordt ingezet, zodat tewerkstellingskansen na het volgen ervan worden gemaximaliseerd? Welke aanpassingen gaat u doorvoeren in de taalopleidingen individuele beroepsopleiding met taalcoaching en Nederlands op de Werkvloer +? Waar schieten deze opleidingen tekort? Ik kijk uit naar uw antwoord.

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Collega's, ik vind dat niemand rond de pot heeft gedraaid en ik apprecieer het als sommige collega's hun vraag wat inkorten als ze gelijkaardig is aan de andere vragen. Dit als voorafgaande opmerking.

Om niet rond de pot te draaien, wil ik graag ‘in de plat duiken’. Dit dossier, dat mij ook intrigeert, verdient het om naar de concrete cijfers en oorzaken te kijken. Over hoeveel mensen gaat het? Welk profiel hebben ze? Ik neem jullie even mee in die cijfers en mijn beschouwingen daarrond.

In 2019 waren er 184.851 niet-werkende werkzoekenden. 32.120 of 17 procent van hen hadden weinig tot geen kennis van het Nederlands. In mijn antwoord op schriftelijke vraag 496 van collega Bothuyne gaf ik aan dat 7300 mensen geen kennis van het Nederlands hadden en 24.000 mensen een beperkte kennis. VDAB heeft zicht op de werkzoekenden die in een VDAB-traject of in een door VDAB erkend traject zitten. Dat waren er in mei 2020 6946. Daarnaast lopen er ook taaltrajecten bij onderwijs, aan de centra voor volwassenenonderwijs en de centra basiseducatie. Er zijn ook OCMW’s die taalopleidingen geven en nog andere partners. We hebben eigenlijk geen zicht op het aantal mensen dat elders zit. Dat is een hiaat. Dat is probleem nummer een. Er moet een betere gegevensuitwisseling komen. VDAB heeft ze wel al, maar van de andere partners is dat nog niet zo. Ik zal daar straks nog iets over zeggen.

Voor het antwoord op de vraag naar het aantal langdurig werkzoekenden met een taalachterstand verwijs ik naar mijn antwoord op schriftelijke vragen 30 en 496 van collega Bothuyne. We zien dat het aantal langdurig werkzoekenden dat tussen 2014 en 2019 geen of een beperkte kennis van het Nederlands heeft, stabiel blijft rond 1200 met geen kennis van het Nederlands en 7400 met een beperkte kennis. Het aantal langdurig werkzoekenden met een goede tot zeer goede kennis van het Nederlands is wel wat gedaald, van 55.000 naar 49.000. Maar dat zijn geen communicerende vaten, collega’s. Het bewijst alleen dat de kennis van het Nederlands belangrijk is, aangezien het aantal werklozen in de categorie van mensen die heel goed Nederlands kennen, sterk gedaald is, in een periode waarin de arbeidsmarkt een heel hoge aantrekkingskracht heeft. Dat is dus een beetje logisch, wat we daar zien.

Ook het profiel is bijzonder interessant. Het gaat namelijk om een zeer gevarieerde groep. De indicatie van de kennis van het Nederlands is een momentopname, en die kan evolueren door het volgen van een taalopleiding, een technische opleiding of tussentijdse werkervaring. Het niveau van taalkennis is één aspect van een profiel. Zowel een kort- als een langgeschoolde anderstalige werkzoekende kan een beperkte kennis van het Nederlands hebben. Het is dus belangrijk dat we op basis van het uitgestippelde individuele profiel een traject op maat naar werk gaan maken, dus niet alleen op basis van je niveau Nederlands, maar ook in functie van je jobdoelwit, je verworven kwalificaties en je competenties. De begeleiding en de nodige competentieversterking moeten altijd op maat zijn van het doelwit dat je voor ogen hebt en de vacatures die er zijn.

10 procent van de mensen die geen kennis hebben van het Nederlands en 7 procent van de mensen met een beperkte kennis, zijn van Belgische origine. Dat wil ik maar meegeven om er ook op te wijzen dat het een heterogene groep is. Het gaat van nieuwkomers over oudkomers tot mensen die laaggeletterd zijn. Voor de profielschets in detail verwijs ik opnieuw naar mijn antwoord op schriftelijke vraag 496 van collega Bothuyne.

Zo komen we naadloos bij de mogelijke verklaringen waarom die groep mensen zo lang ingeschreven is. Ik ga daar ook een aantal acties aan koppelen. Ten eerste is het dus een heterogene groep. Daar horen ook laagtaalvaardigen bij, die wellicht nooit een hoger taalniveau zullen bereiken. VDAB voorziet daarom heel specifieke trajecten voor die klanten, namelijk alfatrajecten en trajecten voor laagtaalvaardigen, en dat in het kader van de activering. Er zijn dus mensen, ook Vlamingen, die heel laagtaalvaardig zijn en voor wie het altijd moeilijk zal zijn om een taal te leren. In die trajecten wordt voorzien in een basistaalopleiding, specifiek met het oog op het uitoefenen van een bepaalde job. De woordenschat die je daar dan aanleert, is dus ook gekoppeld aan een bepaalde job.

Daarnaast kunnen er ook andere zaken spelen die mogelijk een belemmering kunnen zijn voor snelle activering.

De hoofdverklaring is natuurlijk een steeds diverser wordende samenleving. Aan de ene kant hebben we de nieuwkomers, voor wie het van belang is om zo snel mogelijk de taal te leren, en als je het mij vraagt liefst op de werkplek. Ik ben ervan overtuigd dat wanneer je snel aan de slag kunt, je de taal sneller zult leren op de werk- of stageplek dan op de schoolbanken. De visie ‘integratie door werk’ van VDAB vind ik dan ook ontzettend belangrijk. Er zal binnen enkele weken nog een zeer interessante discussie over de IBO’s volgen, die wat mij betreft veel meer in de spots moet worden gezet. We mogen aan de andere kant ook niet blind zijn voor de oudkomers. Bij hen is in het verleden te weinig ingezet op Nederlands leren. Dit heeft nefaste gevolgen bij de kansen op de arbeidsmarkt wanneer je weet dat in negen op de tien vacatures de kennis van het Nederlands een vereiste is. Daarnaast is Nederlands het cement van onze samenleving, ook in het dagelijkse leven.

De acties die we ondernemen, moeten daarom tweeërlei zijn: snel en grondig verwerven van het Nederlands voor nieuwkomers en het blijven onderhouden van het Nederlands.

Vooral dat laatste punt baart mij zorgen. In tegenstelling tot vroeger worden nieuwkomers vaak bij aankomst onmiddellijk toegeleid naar een taalopleiding. Dat is positief. Maar wanneer de opleiding bij een centrum voor volwassenenonderwijs (CVO), een centrum voor basiseducatie (CBE) of bij VDAB via een IBO met taalondersteuning afgerond is, zien we dat sommige mensen de kennis van het Nederlands opnieuw verliezen. Wanneer ze om de een of andere reden hun job verliezen en ze opnieuw bij VDAB komen, moet VDAB van voor af aan beginnen. Collega Bothuyne noemt dit de draaideurwerkloosheid. Dat betekent dat het traject niet stopt als de opleiding afgerond is, maar dat we oefenmomenten moeten voorzien, zeker voor mensen die in jobs terechtkomen waar er weinig sociaal contact is. Ik verwijs naar de poetshulp. Als je Nederlands leert maar je gaat altijd huishoudhulp bieden in een woning waar niemand aanwezig is, dan oefen je je Nederlands totaal niet en kun je de gevoeligheid met de taal compleet verliezen.

Collega Bothuyne, u vroeg ook nog naar sanctionering van mensen die niet deelnemen aan een taalopleiding. Er kan effectief tot sanctionering worden overgegaan wanneer het volgen van een taalopleiding opgenomen is in het afsprakenblad met de werkzoekende en de werkzoekende deze afspraak niet nakomt. Daar zal voldoende aandacht voor moeten zijn, want dit is geen vrijblijvende vraag omdat het iets elementairs is, ook voor de integratie.

Ik kom bij de tweede groep vragen rond mijn evaluatie en het regeerakkoord.

Werkzoekenden zonder of met een beperkte kennis van het Nederlands worden op verschillende manieren begeleid. De doelstelling is dat zij zo snel mogelijk op een duurzame manier hun weg vinden op de arbeidsmarkt. Afhankelijk van het profiel van de werkzoekende gaan we eerst intensief aan de slag met het aanleren van het Nederlands. Dit kan via de CBE’s en de CVO’s. Daar rekenen we op de samenwerking met het Agentschap Integratie en Inburgering. Daarna kan een beroepsopleiding met taalondersteuning gevolgd worden als dat haalbaar is.

Onderzoek van de Leerstoel Migratie, Integratie en Arbeidsmarkt dat tot 2019 liep, leert ons dat wanneer nieuwkomers een zogenaamde ‘activeringsmaatregel met een directe link naar de arbeidsmarkt’ volgen, het rendement veel hoger is. Simpel gezegd: nieuwkomers die een individuele beroepsopleiding, eventueel met taalondersteuning, volgen, zullen sneller naar werk doorstromen en zullen ook een duurzamere job hebben. Dus zoals ik al zei: IBO, IBO, IBO moet de mantra zijn de komende jaren.

Een aantal mensen hebben natuurlijk een voortraject nodig voor ze kunnen starten met een opleiding. Door in te zetten op een betere screening van de competenties van de werkzoekende en een betere inschatting van zijn taalniveau, zou het mogelijk moeten zijn om meer mensen sneller naar een IBO toe te leiden.

Daarnaast ondersteunen we ook de werkgevers die personen met een taalachterstand aanwerven. Zo is er het project ‘Nederlands op de Werkvloer’ waarbij een coach zowel de werkgever als de werknemer begeleidt op de werkplek.

Er komen ook almaar meer aanbieders met een kwaliteitsvol aanbod naast VDAB, en VDAB verwijst ook door naar die andere externe opleidingsaanbieders.

Tot slot heb ik ook initiatieven genomen zoals mentoring naar werk, waarvoor ik eind vorig jaar 3,1 miljoen euro vrijmaakte. Jullie herinneren je dat hopelijk nog. Maar ik kan de evaluatie van die initiatieven nog niet geven omdat dat project pas gestart is.

Wel heb ik al schriftelijke vraag 497, opnieuw van collega Bothuyne, beantwoord. Daar zien we dat het aantal IBO’s met taalondersteuning sinds 2015 jaar na jaar stijgt tot 289 in 2019. Op zich is dat een positieve evolutie, maar als ik zie dat er meer dan 30.000 niet-werkende werkzoekenden zijn die het Nederlands niet machtig zijn, dan ligt dit cijfer van 289 veel te laag, zeker wanneer we in het achterhoofd houden dat een IBO er net toe leidt dat de intrede op de arbeidsmarkt duurzamer is. Daar zit voor mij een groot stuk van de oplossing, waar we veel intenser op gaan moeten inzetten.

Daarnaast zien we in diezelfde schriftelijke vraag dat het aantal Nederlands op de Werkvloer +-trajecten daalt. Dat is niet zo’n goede zaak.

Wat de deelvraag van collega Malfroot over de impact en de monitoring van taalopleidingen betreft: die kunnen we moeilijk opnieuw inschatten omdat VDAB werkt vanuit een geïntegreerde aanpak omdat die taalopleiding samen met een beroepsopleiding wordt aangeboden. Toch heeft de geïntegreerde aanpak doorheen de laatste drie jaar zijn vruchten afgeworpen. De uitstroom van werkzoekenden met een taalachterstand, dus maximale kennis Nederlands niveau A2 naar werk drie maanden na het beëindigen van het opleidingstraject, is gestegen naar 48,26 procent. Meer details vindt u in mijn antwoord op schriftelijke vraag 396, waarin de cijfers van de stijging mooi worden uitgelegd.

Wat de gegevensuitwisseling betreft: opleidingspartners die door de VDAB zijn erkend voor het geven van Nederlandse taalcursussen, kunnen rechtstreeks registreren in het dossier van de klant via een VDAB-platform. Accurate gegevensuitwisseling blijft een belangrijk aandachtspunt omdat ik natuurlijk moeilijk beleid kan voeren zonder gegevens.

Momenteel finaliseer ik samen met ministers Weyts en Somers de nieuwe visie op inburgering. Het verwerven van taal en een snelle doorstroom naar de arbeidsmarkt is daar een van de belangrijkste speerpunten. Dit probleem gaat breder dan inburgeraars. Daarom is het de bedoeling in het najaar een talennota te finaliseren waarin de verschillende versterkende en bijkomende acties zullen worden opgenomen.

Er waren enorm veel vragen over de eigen dienstverlening van VDAB. Dat is een heel interessante discussie, en eigenlijk zou een fysieke zitting daarvoor beter zijn dan een Teamsvergadering, als ik zo vrij mag zijn.

Inschatting en screening vormen het startpunt van een traject op maat. We kijken hoe goed de werkzoekende het Nederlands beheerst, welke technische competenties aanwezig zijn. Zo kan er met een duidelijk doel voor ogen aan de slag worden gegaan met de werkzoekende.

Voor VDAB is taal een hefboom naar werk. Er wordt ook heel fors in geïnvesteerd. Er bestaat geen correlationeel verband tussen een beperkte kennis van het Nederlands en de digitale vaardigheden van de anderstalige werkzoekenden. Ik heb al aangegeven dat een beperkte kennis van het Nederlands niet is verbonden met één bepaald profiel. Een anderstalige werkzoekende kan heel vlot werken met digitale tools, maar een beperkte kennis van het Nederlands hebben.

VDAB integreert in zijn begeleiding en dienstverlening aandacht voor meerdere competenties zoals taal, techniek, solliciteren en een aantal 21e-eeuwse vaardigheden, waartoe de digitale behoren.

Er is een structurele samenwerking tussen het Agentschap Integratie en Inburgering en VDAB. De NT2-klant die zich aanmeldt voor het NT2-aanbod bij VDAB wordt naar het Agentschap Integratie en Inburgering doorverwezen. Daar legt hij een test af om het taalniveau in te schatten. Daarna wordt de klant doorverwezen naar een onderwijsverstrekker op maat. Dit kan een CBE, CVO of universitair talencentrum zijn. Dit wordt bepaald op basis van het niveau van de NT2-klant. 

VDAB biedt dus zelf geen basisopleiding Nederlands aan en focust zich op het verwerven van de Nederlandse taal in functie van een jobdoelwit.

De kostprijs voor 2019 bedroeg bijna 17,9 miljoen euro. Voor 2020 gaat VDAB uit van een benodigd budget van 19,1 miljoen euro. Dat is 1 miljoen euro meer. Voor 2021 is er nog geen budget bepaald. Dat zal in september gebeuren.

Sorry voor het lange antwoord.

Minister, dit is een bijzonder interessante en relevante thematiek, dus is een lang antwoord op de vele vragen niet onlogisch.

De heer Ronse heeft het woord.

Als ik de minister zo hoor in haar antwoord, heb ik maar één conclusie, namelijk dat er in Vlaanderen geen enkel, maar dan ook geen enkel excuus gerechtvaardigd is als je geen job hebt omdat je de taal niet machtig bent: zoveel taalopleidingen, zoveel kansen om taal te combineren met leren op de werkvloer. Er zijn hier ook onvoorstelbaar veel jobs, zelfs in coronatijden. We hebben gisteren nog maar net het goede nieuws gehad – een lichtpunt – dat het aantal vacatures toeneemt. We zitten hier met het allerbeste onderwijs dat er in de wereld is. We zitten hier met een goede traditie rond inburgering. Als je dat vergelijkt met het zuiden van het land: zij zijn er pas een aantal jaren geleden mee gestart, wij hebben daar al een doorgedreven werking in.

Een op de acht mensen die geen job vindt omdat men de taal niet machtig is: daar mag echt geen excuus voor zijn. Eerlijk gezegd heb ik ook heel weinig inspiratie om iets toe te voegen dat de minister nog extra kan doen. Ten eerste, vanuit VDAB er zeer nauwgezet op toezien dat taal en taalopleiding, en het engagement om dat te volgen, opgenomen worden in die afsprakenbladen. En als er geen engagement is, moet er kordaat worden opgetreden. Dat vind ik ongelooflijk belangrijk. Ten tweede, dat er soms onvoldoende taalopleidingen zijn, omdat ze soms de weg niet vinden, zoals minister Muyters ons in de vorige legislatuur vaak zei, dat moet verder geoptimaliseerd worden. En ten derde is mijn pleidooi – en dat is waarom ik daarnet zei dat deze vraag aan de hele regering moet worden gesteld – dat de Vlaamse Regering over die problematiek over alle bevoegdheden heen moet samenzitten en een actieplan uitwerken – onderwijs, inburgering, werk, noem maar op – om die problematiek het hoofd te bieden. Want we kunnen het ons anno 2020 niet permitteren dat een op de acht mensen ondanks al die kansen en al dat aanbod geen werk vindt omdat men de taal niet machtig is. Dat is voor mij echt geen excuus.

Minister, bedankt voor het uitgebreide antwoord. Ik ben het gedeeltelijk eens met collega Ronse. Er zijn inderdaad heel veel mogelijkheden. Er zijn heel veel goed uitgewerkte methodieken, zowel met werkervaring als klassikale taalopleiding en dergelijke meer. Maar we hebben eigenlijk geen idee of die 35.000 mensen die nu bij VDAB zijn ingeschreven en de taal niet of nauwelijks machtig zijn, effectief kansen hebben gekregen, en zo ja, welke.

VDAB heeft, zoals u zelf zei, op dit moment zicht op 6946 werkzoekenden die op een of andere manier een taaltraject volgen. We hebben VDAB nu als regisseur van de arbeidsmarkt en als dataregisseur aangesteld, maar de regisseur heeft dus voor het grootste deel van de acteurs waar het nu over gaat, geen idee of ze bezig zijn met Shakespeare in te oefenen of een nieuwe aflevering van FC De Kampioenen, of dat ze überhaupt iets aan het inoefenen zijn. Ik denk dus dat de regisseur hier eerst al een tandje bij moet steken. En het gaat niet alleen over VDAB, maar ook over het Agentschap Inburgering en Integratie. Het databeheer daar is ook bijzonder abominabel te noemen, laat staan dat er een deftige link is met de databanken van VDAB en dat de samenwerking tussen het Agentschap Inburgering en Integratie en VDAB als een volwassen samenwerking kan worden beschouwd.

Ik kan alleen maar vaststellen dat er de voorbije tien jaar door het beleid ongelooflijke kansen zijn gemist om inzake integratie, inburgering en arbeidsmarktbeleid resultaten te boeken. Dat heeft geleid tot een mismatch op de arbeidsmarkt, frustraties bij de betrokken werkzoekenden en bij heel veel werkgevers. Ik ben heel blij dat u aankondigt dat er nu effectief verandering komt. De talennota die u aankondigt in het najaar – wat mij betreft, mag dat in het vroege najaar zijn – komt zeker op tijd.

Ook de samenwerking met minister Somers en met het Agentschap Integratie en Inburgering die u aankondigt, is bijzonder belangrijk. Het signaal dat u geeft dat we Nederlands als essentieel beschouwen, komt overeen met het regeerakkoord. Nederlands is een doel op zich; dat is niet zomaar een competentie die ergens verworven wordt. Neen, het is een doel op zich bij een traject dat vanuit VDAB wordt aangevat, en daar is ook een stok achter de deur bij nodig. Als mensen niet bereid zijn om effectief mee te werken in een taaltraject, kan daar ook een sanctionering tegenover staan.

Ik ben blij met uw antwoord, maar het is ‘work in progress’. Het is grotendeels werk dat moet beginnen bijna vanuit het niets. Ik ben blij dat deze regering effectief werk wil maken van integratie- en inburgeringsbeleid op de arbeidsmarkt.

De heer Ongena heeft het woord.

Minister, ik besef dat wij u een beetje onterecht behandelen door onze vragen alleen aan u af te vuren, omdat we allemaal weten dat de problematiek van Nederlands in de eerste plaats een opdracht is van Integratie en Inburgering, toch zeker voor de nieuwkomers. Het is hier al geopperd: als we hierop willen doorgaan, moeten we misschien beter eens een grondige gedachtewisseling houden met u, minister, maar ook met de ministers Somers en Weyts, want het is een opdracht van de drie ministers samen. Het gaat in de eerste plaats over inburgering. Ik verwijs ook naar het regeerakkoord. We kennen de problemen van het agentschap Inburgering de voorbije jaren. Er is nu een nieuw management en er is ook een nieuw regeerakkoord dat de lat voor nieuwkomers hoger legt, onder andere inzake Nederlands, waarbij we naar een resultaatsverbintenis willen gaan met centraal georganiseerde testen. Dat zijn allemaal zaken waar men ook naar moet kijken als men deze cijfers ziet. We weten dat vooral daar het kalf gebonden ligt: we moeten werken aan een beter kennis van het Nederlands bij nieuwkomers.

In het regeerakkoord staat meteen al, en heel terecht, de koppeling naar VDAB en naar werk. Ik sluit me helemaal aan bij uw pleidooi dat we het Nederlands vooral moeten proberen te laten leren op de werkvloer. In het verleden is vaak de fout gemaakt om die mensen eerst Nederlands te laten leren in een klaslokaal, en daarna te gaan kijken of er voor hen een job te vinden was. Ondertussen weten we dat het veel beter is om hen meteen bij de hand te nemen en alles in gecombineerde trajecten te stoppen. Daarom geloof ik ook echt wel in de aanpak op maat, zoals u benadrukt, waarbij we rekening moeten houden met de heterogeniteit van die hele groep.

Ik sluit me dus aan bij uw pleidooi. In de IBO’s zitten nog echt wel kansen. Ik ben een beetje bezorgd wanneer u zegt dat de inspanningen van de werkgevers dalende zijn. Dan kom ik wel tot uw bevoegdheid, namelijk Werk. We moeten toch eens kijken of we hen niet kunnen aansporen om daar meer op in te zetten en samen met de IBO’s inzake werk hopelijk wat stappen vooruit te kunnen zetten.

Ik heb nog een klein aandachtspuntje, waar u kort naar hebt verwezen. We hebben ook een groep van mensen die analfabeet zijn of laaggeletterd zijn. Daar zitten ook Vlamingen tussen. Misschien kunt u daar nog wat meer op ingaan, want in het regeerakkoord staat ook de bekommernis om voor die mensen extra inspanningen te doen.

Mevrouw Malfroot heeft het woord.

Minister, dank u wel voor het uitgebreid antwoord, en ook de collega's die het allemaal hebben bijgetreden. Maar ik ben het niet eens. Het zal u waarschijnlijk niet verbazen dat ik het niet eens ben met alles wat hier wordt gezegd. U kent de problemen. De cijfers spreken voor zich. Het probleem van de taal is gekend. Taal is cruciaal, taal is alles. Hier in Vlaanderen is taal natuurlijk de sleutel om werk te vinden.

De oplossing die ik gehoord heb en alles wat jullie hier als oplossing opnoemen, is smijten met geld. 80 miljoen euro gaat naar inburgeringscursussen Nederlands, 20 miljoen euro gaat naar taalbegeleiding bij VDAB, 3,1 miljoen euro gaat naar mentoring naar werk. Geld, geld, geld: dat is alles wat ik heb begrepen uit de discussies hier.

Maar waar het hier eigenlijk over gaat, is de reden waarom taalkennis te beperkt is. Dat zullen jullie waarschijnlijk wijten aan het feit dat de opleiding niet goed is, of het zal de werkgever zijn die geen kansen geeft, die discrimineert, het zal de Vlaming zijn die racistisch is. Maar eigenlijk wordt de verantwoordelijkheid te weinig gelegd bij de inburgeraar, bij de vreemdeling. Het mag ook een Belg zijn die de taal niet machtig is, we gaan daar geen allochtoon van maken, we gaan het hier houden bij de taal. De verantwoordelijkheid wordt veel te weinig gelegd bij degene die de taal moet leren.

U zult zeggen: zij slagen niet, want de cursus is niet voldoende, maar eigenlijk gaat het hier fundamenteel over het feit dat de persoon die de taal moet leren, zelf te weinig initiatief neemt. Hij kan zelf op zoek gaan naar taalcursussen, maar blijkbaar gebeurt dat te weinig. Waarom gebeurt dat te weinig? Omdat u kansen geeft, maar u zet er geen prestaties tegenover. U smijt met geld, maar u verwacht geen resultaat.

Beter zou zijn dat u zegt: we laten u een cursus volgen, maar bewijs dan dat je slaagt. Slaag je niet, dan trekken we de uitkering in. Dat is een manier om mensen te stimuleren om taal te leren, om te zorgen dat ze zich kunnen integreren in de maatschappij, dat ze een job kunnen vinden. Dat is hoe we dat hier beter zouden doen. U kent de problemen, maar u doet er niets aan. U kent het instrument, maar u gebruikt het niet.

Minister, dat is zo jammer want dat zou heel veel problemen uit de weg helpen. De mensen zouden wel een job kunnen vinden. De arbeidskrapte zou deels opgelost kunnen worden omdat wie de taal kent, wel degelijk wordt toegeleid naar werk. U hebt een instrument, dus gebruik het alstublieft. Doe er iets aan, maar stop met zinloos geld te smijten naar begeleidingen bij VDAB, want het is niet altijd op de werkvloer dat ze de taal nog moeten leren. De bedoeling is dat ze de taal kennen op het ogenblik dat ze aan het werk gaan, dat ze zelf de verantwoordelijkheid nemen om de taal te leren.

U verwacht dat de bedrijfsleider iedereen alles gaat aanleren, maar zo kun je een bedrijf natuurlijk niet runnen. Als je die investering moet doen, en er staat geen output tegenover als de persoon niet direct inzetbaar is, dan gaat die onderneming failliet. Je kunt toch geen bedrijf leiden zoals u het land bestuurt. Dan zijn wij overmorgen failliet. Het wordt echt tijd dat we dat gaan inzien.

Maak dus gebruik van dat instrument en zorg dat de mensen direct inzetbaar zijn en dat ze zelf op zoek gaan naar de taalcursussen, en dat ze zelf zorgen dat ze de taal kennen. Er zijn tal van voorbeelden van mensen die op eigen initiatief de taal hebben geleerd, gaande van de Roemeense poetsvrouw tot de Russische ingenieur, en op die manier zijn toegeleid naar werk. Dat moeten we stimuleren, dat ze het op eenzelfde manier gaan doen en dat ze zelf de stap zetten, zonder daarvoor altijd gesponsord te moeten worden door de Vlaamse belastingbetaler.

Minister, u staat voor een uitdaging. Ik hoop dat u nu werk maakt van het koppelen van een slaagkans aan een prestatie, dat er eindelijk iets tegenover staat.

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Ik had nog wat extra reacties verwacht, maar er staan nog veel vragen op de planning. Met opgeklopte zinnen los je het probleem niet op. Ik ben het eens met alle tussenkomsten die hameren op het belang van taal. Ik vind ook dat er geen excuses zijn om, als je in een regio gaat wonen, de taal niet te leren.

We moeten mensen natuurlijk wat tijd geven om de taal te leren. We moeten mensen de kans geven om een job te vinden. Wat zien we nu? Als je eerst een lang taaltraject volgt en dan werk gaat zoeken, is dat minder efficiënt dan als je een aantal uren per dag werk en taal kunt combineren. We zien veel werkgevers die bereid zijn om het principe van taal aanleren op de werkvloer te hanteren. Dat is goed voor de integratie en in veel bedrijven zijn collega-werknemers vaak bereid om mee te helpen.

Alleen ben ik zoekende naar hoe het komt dat er niet meer IBO’s zijn. Dat heeft, denk ik, minder te maken met bereidheid dan wel met een aantal obstakels die we uit de weg moeten ruimen. We zien trouwens ook in onderwijs, met duaal leren, dat sommige jongeren niet graag alleen een theoretische scholing hebben en dat die combinatie werken en leren zeer goed kan zijn. Dus waarom zou je dat ook niet in een werksituatie kunnen toepassen?

Er werd op gewezen dat de problematiek over veel bevoegdheden loopt. Ik vind het niet onaangenaam dat ik zelf aangesproken word. Ik heb ook mijn ervaring uit het onderwijs. Ik vind ook dat we hier veel forser op moeten inzetten en dat we ook iets mogen verwachten van mensen. Maar zoals ik zei, volgen inburgeraars, nieuwe mensen, in de meeste gevallen een cursus, maar is er ook een hele groep die hier al lang is en die de taal nog niet kent.

We moeten ook inzetten, collega Bothuyne, op monitoren, monitoren, monitoren. De arbeidsmarktexperten zullen dat volgende week ook komen zeggen dat je een fatsoenlijk databeleid moet hebben. Het feit dat wij de tijdelijk werklozen niet kenden, het feit dat ik vandaag in de mist kijk als ik wil weten waar al die mensen zijn en waar die een taalopleiding hebben gevolgd: ik vind het heel jammer dat het databeleid in Vlaanderen nog niet voldragen is. Wij moeten daar de handen in elkaar slaan. Dat is ook een van de grote opdrachten waar ik voor sta. In dat verband is de uitwisseling van gegevens met het Agentschap Integratie en Inburgering natuurlijk een speerpunt, collega’s. Dat moeten we samen met collega’s Weyts en Somers doen.

Collega Ongena, u zei dat de inspanningen van de werkgevers dalende zijn. Dat is niet noodzakelijk juist. Ik heb het misschien zo een beetje verwoord. Het aantal trajecten is dalende. Het is ook mogelijk dat sommigen na een traject Nederlands op de Werkvloer voldoende tools hebben om aan de slag te gaan. Ik kan daar niet onmiddellijk inspanningsvermindering uit afleiden.

Ik ben even ingegaan op de laaggeletterden, omdat dat ook deel uitmaakt van die groep. Je hebt mensen die in alfatrajecten kunnen werken en die dan misschien naar de reguliere arbeidsmarkt kunnen doorstromen. Er zijn ook initiatieven binnen de sociale economie, artikel 60-trajecten. Maar dat is ook een niet-kleine groep. We moeten er ook wel aandacht voor hebben. Niet iedereen is in staat om een cursus te volgen en daarna te slagen voor een examen. Er zijn mensen die daar meer moeite mee hebben. We mogen niet iedereen over één kam scheren. Maar als mensen werkloos of inactief thuis zitten, kost ons dat natuurlijk veel meer dan om gezamenlijk te investeren in taalopleiding.

Sanctionering gebeurt. Als je bij VDAB aanmeldt, krijg je een afsprakenblad. Daar staat, als je de taal niet kent, het aanleren van de taal in. Als je dat dan niet doet, krijg je een sanctie. We weten wel hoeveel mensen we sanctioneren als ze hun afsprakenblad niet nakomen, maar niet over hoeveel mensen het gaat die de taalvereisten in dat afsprakenblad niet nakwamen. Dat is voor mij een aandachtspunt in de monitoring. Dat zou ik zeker ook willen afspreken met VDAB, zodat we weten wie er op het vlak van taal de afspraken niet nakomt, en niet alleen in het algemeen. Er is een verschil tussen eens niet op de afspraak komen en je taalcursus niet volgen. Daar wordt dus ook aan gewerkt.

De heer Ronse heeft het woord.

Het gaat over een op de acht werkzoekenden die de Nederlandse taal niet machtig is. Wij Vlamingen, overal waar we in de wereld komen, passen ons aan en vinden het een evidentie om de taal meteen aan te leren. Nergens anders dan in Vlaanderen zijn er zoveel kansen die we voorzien om taal aan te leren. De minister heeft ze allemaal opgesomd.

Ik denk dat dit verhaal ook een stukje over zelfrespect gaat. Ik vind dat we altijd empathisch moeten zijn, en ook hier moeten we dat blijven, maar op een bepaald moment moet je lijnen trekken. Als je ziet dat er zoveel kansen zijn en dat die toch door een pak mensen onvoldoende gegrepen worden, dan moeten we ook duidelijk zijn en de forcing voeren op het vlak van afspraken die VDAB heeft met werkzoekenden, en zodra we zien dat iemand echt onvoldoende inspanningen doet, die ook schorsen of minstens een verwittiging geven. Ik denk dat dat de enige manier is waarop we mensen beter zullen stimuleren om de taal aan te leren.

Vlaanderen is zo’n mooi land, we hebben zo'n mooie taal, we hebben zo'n mooie bedrijven, zo'n mooie kansen. Ik kan maar één ding zeggen aan die mensen: grijp ze alstublieft.

(Slechte geluidskwaliteit)

Ik ben blij met het bijkomende engagement van de minister.

Ik wil nog kort reageren op wat mevrouw Malfroot daarnet zei. Het gaat niet om geld uitstrooien, dat heeft ook niemand gezegd. Niemand heeft ook over racisme of over discriminatie gesproken. Ik begrijp niet waarom u dit hier nu bij sleurt. Het gaat over een taal- en integratiebeleid dat we moeten voeren. We moeten ervoor zorgen dat we iedereen een kwaliteitsvol taaltraject geven. Dan verwachten wij inderdaad ook van iedereen om zich 100 procent in te zetten om die taal machtig te worden binnen de competenties en vaardigheden die men daartoe heeft. Niet iedereen is een taalvirtuoos. Als de inzet er niet is, dan kan de stok gebruikt worden zoals ik eerder al zei. Een sanctioneringsbeleid is het sluitstuk van een goed arbeidsmarktbeleid. Maar het begint met het weten wie welke noden heeft en het formuleren van een aangepast aanbod. Ik kan alleen maar vaststellen dat VDAB op dit ogenblik een reus op lemen voeten is in dezen, een regisseur die zijn eigen acteurs niet kent, en dat we op dat vlak nog heel wat vooruitgang te boeken hebben, maar we komen daar ongetwijfeld op terug.

De heer Ongena heeft het woord.

Voorzitter, ik stel voor dat we een rubriek factcheck invoeren in het parlement. Mevrouw Malfroot, met alle sympathie, maar het beeld dat u schetst, is echt niet meer de realiteit. Het verhaal dat het allemaal vrijblijvend is en dat wanneer die mensen geen moeite doen, we die allemaal gerust laten en verder geld blijven geven, klopt niet meer. Gisteren nog maar is een partijgenoot van u in de plenaire vergadering komen klagen dat de slaagcijfers dalen, wat juist het bewijs is dat het allemaal veel minder vrijblijvend is, de inburgeringscursussen, de taalprojecten, de examens die daar gebeuren, samen met de boetes, voor alle duidelijkheid. Die vrijblijvendheid was er misschien twintig jaar geleden, maar ondertussen is er toch een weg afgelegd. We gaan die verder moet bewandelen, evident, maar hier een beeld scheppen alsof dat allemaal niet bestaat, is helemaal onjuist.

Bovendien moet u eens kiezen: daarnet was u nog een communistisch discours aan het voeren over overheidstewerkstelling en nu probeert u de woordvoerder van de bedrijfsleiders te zijn die klagen dat ze geen mensen vinden die Nederlands praten. Als u eens met hen praat, hoort u dat ze vooral goede arbeidskrachten willen die hun openstaande vacatures invullen zodat ze hun activiteiten kunnen blijven doen, kunnen blijven groeien en op die manier niet failliet gaan. Nederlands, heel graag natuurlijk, maar als er onvoldoende Nederlands is, willen ze wel degelijk inspanningen doen om die mensen daarbij te helpen. Zoals gezegd willen ze vooral goede arbeidskrachten die ervoor zorgen dat hun bedrijfsactiviteiten kunnen blijven draaien. Daarom is het heel goed dat we naar een traject op maat gaan en dat we vooral kijken hoe we die mensen het Nederlands kunnen leren als ze aan het werk zijn en hoe we dat kunnen combineren. We gaan ze niet op voorhand opsluiten in klaslokalen om onze werkgevers in die tijd in de steek te laten.

Ik denk dat de richting juist is. Dat er nog werk aan de winkel is, is ook juist. Maar we moeten de inspanningen volhouden.

Mevrouw Malfroot heeft het woord.

Het is weer het moment om een aantal zaken recht te zetten. Mijnheer Ongena, u zegt dat ik het opnieuw voor de bedrijfsleiders opneem. Wel ja, ik doe dat, ik neem het op voor de bedrijfsleiders. Want er zijn er heel veel die kampen met die taalproblematiek. Probeer maar eens een goede dienstverlening te geven als je de taal niet kent. Probeer maar eens iets uit te leggen aan de mensen als ze u niet begrijpen. In dit geval, mijnheer Ongena, kost dat alleen maar geld.

Moeten ze kansen krijgen? Ja, ze moeten kansen krijgen, zeker en vast, maar ze moeten ook in staat zijn om hun job uit te voeren en op zijn minst te verstaan wat er van hen wordt verwacht. Daar start het. Ze moeten doen waarvoor ze betaald worden, mijnheer Ongena. U zou beter eens met de bedrijfsleiders gaan praten en zien welke problemen ze allemaal ervaren met het gebrek aan taalkennis. Mijnheer Ongena, ik nodig u uit: het wordt tijd dat u uit uw bubbel stapt en eens gaat praten met de bedrijfsleiders.

Mijnheer Bothuyne, als het gaat over het feit dat ze geen werk vinden, zegt u dat ik er allerlei dingen bij sleur. Ik sleur er niets bij, jullie sleuren er allerlei dingen bij. De reden waarom ze geen werk vinden, is waarschijnlijk omdat het weer de werkgever is die discrimineert of omdat de Vlaming racistisch is. Ze gaan nooit het probleem zoeken bij zichzelf.

Nooit wordt de vraag gesteld: waarom kennen wij de taal niet? Daarover gaat het. U gaat altijd een andere reden zoeken, maar eigenlijk is het probleem van het feit dat ze geen werk zoeken, te wijten aan de taalkennis. Dat is de realiteit, mijnheer Bothuyne. Ik weet niet op welke planeet u leeft, ik weet niet waar u allemaal rondloopt, maar duidelijk niet op straat. U bent duidelijk niet op de hoogte van de problemen die zich momenteel in ons land stellen. Het wordt tijd dat u ook eens buiten gaat en dat u eens praat met de mensen rond u. Overal aan de scholen is in sommige gevallen bij meer dan 50 procent van de kinderen de thuistaal niet het Nederlands. Dat zijn drama's, dat zijn problemen, want het is daar dat de taalproblemen starten. Het is daar dat ook het probleem start dat ze uiteraard geen werk vinden omdat er taalachterstand is.

Jullie proberen dat allemaal te verdoezelen en te negeren, maar dat zijn de dagelijkse problemen waar de Vlaming de dag van vandaag mee te kampen heeft. Dus, minister, één oplossing: verplicht de taalcursus en koppel daar resultaten aan. Slagen ze niet, dan sanctioneer je. In het ultieme geval trek je de uitkering in.

Minister, er zijn heel veel mensen die wel integreren en die wel proberen in te burgeren en die echt proberen om de taal te kennen. Die moeten we prijzen, die moeten we behouden. Maar diegenen bij wie de wil er niet is, die moeten we sanctioneren. Als de wil er niet is om de taal te leren, dan hoeven ze hier geen gebruik te maken van de faciliteiten die Vlaanderen hun biedt. Geen resultaat, uitkering intrekken. Dat is de oplossing.

Minister, probeer dat nu nog maar eens tegen te spreken. U zult dat wel proberen, maar u staat niet stil bij de feiten. De realiteit is wat ze is, en het wordt tijd dat dit doordringt en dat u daar nu oplossingen voor zoekt, want u bent duidelijk blind voor al die problemen.

Dank u wel, collega Malfroot. Ik ga een nieuwigheid invoeren in deze commissie. Het is tijd voor een kleine commercial. Ik heb het opgezocht op mijn gsm – ik weet niet of u het kunt zien. Dit is een reclame van Lapperre. Collega Malfroot, er is goed nieuws, u kunt voor één maand gratis een nieuw hoorapparaat krijgen. Dan zult u misschien beter verstaan wat zowel de minister als de collega's in deze commissie hebben gezegd.

U kunt bij Hans Anders om een bril gaan, zodat u ook ziet wat de problemen zijn.

Dat kan zeker helpen om het debat te voeren op een correctere basis.

Het wordt tijd dat u uw bril opzet – of ga misschien eens om lenzen.

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is gesloten.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.