U bent hier

– Wegens de coronamaatregelen werd deze vraag om uitleg via videoconferentie behandeld.

Mevrouw Vandromme heeft het woord.

Minister, in het regeerakkoord lezen we over de gevalideerde, gestandaardiseerde en genormeerde proeven het volgende: “Gevalideerde, gestandaardiseerde en genormeerde proeven moeten de vinger aan de pols houden van het onderwijsbeleid als kwaliteitsmonitoring. Op die manier brengen we de leerwinst van jongeren in kaart en willen we zicht krijgen op de scores van elk kind op Europese schaal. Deze instrumenten meten: het bereiken van de eindtermen, de leerwinst van de leerlingen, de leerwinst op schoolniveau. Ze zorgen ook voor een internationale benchmarking.”

Ook in de beleidsnota Onderwijs heeft u het over de plannen voor het invoeren van dergelijke proeven. Daarin meldde u dat een onafhankelijke instantie een kwaliteitsinstrument zou ontwikkelen, mét betrokkenheid van de onderwijsverstrekkers. Deze proeven zijn dan per definitie net- en koepeloverschrijdend.

Verder zullen de proeven in eerste instantie focussen op Nederlands – begrijpend lezen, schrijven, grammatica – en wiskunde.

De proeven worden door alle scholen afgenomen bij alle leerlingen, op twee momenten in het lager onderwijs, net zoals aan het einde van de eerste graad van het secundair onderwijs en aan het einde van het secundair onderwijs. Op termijn vervangen deze meetinstrumenten de bestaande proeven.

En ten slotte zullen de resultaten worden teruggekoppeld op leerling- en schoolniveau aan de scholen en, geanonimiseerd op individueel niveau, aan de overheid – inclusief inspectie en onderwijsverstrekkers – en onderzoekers ter beschikking worden gesteld.

In de commissie Onderwijs van 20 februari 2020 kregen we een toelichting over de gevalideerde toetsen van de Onderwijsvereniging van Steden en Gemeenten (OVSG) en het Katholiek Onderwijs Vlaanderen (KOV) die vandaag een groot succes kennen in hun scholen.

Minister, hoe worden de onderwijsverstrekkers betrokken bij het tot stand komen van de nieuwe kwaliteitsinstrumenten?

In welke mate worden de ervaringen van de OVSG met de OVSG-toetsen, en van het KOV met de interdiocesane proeven, meegenomen als relevante bron?

Ten slotte, we vernemen dat er in voorbereiding van de uitrol van deze toetsen een haalbaarheidsstudie is uitbesteed. Wanneer verwacht u de resultaten van deze studie? En wanneer wilt u van start gaan met de uitrol van de toetsen?

Minister Weyts heeft het woord.

Minister Ben Weyts

Dit is een goede vraag, zeker in deze coronatijden. Ook deze periode heeft pijnlijk duidelijk gemaakt dat wij in Vlaanderen niet beschikken over gecentraliseerde toetsen, die dus ook niet de leerachterstand – of leervoorsprong, je mag niets uitsluiten –  op een objectieve manier in kaart brengen. In alle ons omringende landen heeft men wél zulke centrale toetsen. Wij zijn vreemd genoeg aangewezen op toetsen vanuit het buitenland die op ons onderwijs worden toegepast. Ik verwijs bijvoorbeeld naar Progress in International Reading Literacy Study (PIRLS) en Programme for International Student Assessment (PISA). Daarvan zijn wij afhankelijk. Het voorstel is dus om onszelf een spiegel voor te houden, omdat we daar veel meer uit kunnen leren dan uit die misschien iets meer fragmentaire toetsen zoals PISA en PIRLS.

Daarnaast legt de Onderwijsinspectie zelf jaarlijks bloot dat de evaluatiepraktijk in de scholen – laat ons zeggen – ‘voor verbetering vatbaar’ is. 

Dus wil ik het regeerakkoord uitvoeren, waarin wordt gesproken over een onafhankelijke instantie die de gevalideerde, gestandaardiseerde en genormeerde proeven moet ontwikkelen. Ik heb ter zake een concreet voorstel liggen voor agendering op de ministerraad, het ligt nu bij de Inspectie van Financiën, waar bij ik zou voorstellen om te werken met een universitair steunpunt rond de ontwikkeling van die gecentraliseerde toets in Vlaanderen voor de duur van vijf jaar. Wij hebben daarvoor ook extra middelen voorzien, extra middelen voor wetenschappelijk onderzoek vanaf volgend jaar.

Er moet ook betrokkenheid zijn van de onderwijsverstrekkers. Wij hebben in dit regeerakkoord afgesproken dat we dat zouden doen bij de ontwikkeling daarvan. We hebben ook geleerd uit internationale voorbeelden – Denemarken – dat een top-downontwikkeling en implementatie van gecentraliseerde toetsen ook problemen met zich meebrengt wat draagvlak betreft en visie in het onderwijsveld, waardoor je onder een slecht gesternte start. De samenwerking met dat brede onderwijsveld is cruciaal voor de ontwikkeling van de toetsen, de gedragenheid daarvan, en gelet op het belang dat ik daaraan hecht, heb ik de onderwijsverstrekkers ook al samengebracht om mijn plannen rond de oprichting van een steunpunt toe te lichten. Ik ga zo’n overleg in de komende maanden ook regelmatig blijven opzetten. Ik besef dat dat ook allemaal gevoelig is. Zodra dat steunpunt van start gaat, zal ik het onderwijsveld en de wetenschappelijke peers betrekken bij de werking ervan.

U vraagt wat de verschilpunten zijn ten opzichte van de bestaande koepelgebonden toetsen. Daar is een traditie: de OVSG-toetsen, de interdiocesane proeven. Er is dus wel al een zekere ervaring opgebouwd, we kunnen daar absoluut uit leren. Ik kan een van die toetsen niet gebruiken als uitgangspunt. Mocht ik dat doen, wordt bij voorbaat heel de discussie rond de ontwikkeling van toetsen gehypothekeerd. Dat zou ik dus niet doen, maar niets belet dat we lering trekken uit wat vandaag in Vlaanderen al bestaat.

Er zijn ook wel verschillen. De gecentraliseerde toetsen zullen per definitie net- en koepeloverschrijdend zijn en laten dus ook toe om op systeemniveau de vinger aan de pols te houden over het bereiken van de eindtermen, over het nagaan of er door de tijd heen een vooruitgang of achteruitgang is in het beheersen van die eindtermen, ook voor een specifiek vak. Die toetsen moeten het ook mogelijk maken om na te gaan in welke mate leerlingen en scholen leerwinst boeken. Ik denk niet dat dat echt mogelijk is met de koepelgebonden toetsen. Met de gecentraliseerde toetsen gaan we ook verder na hoe leerlingen zich verdelen over verschillende beheersingsniveaus en welke groepen van leerlingen het moeilijker hebben om die eindtermen te behalen.

Op basis van de gecentraliseerde toetsen gaan we ook onderzoeken in welke mate er verschillen bestaan tussen scholen in het Vlaamse onderwijs in de mate dat ze leerwinst realiseren en in de mate van het beheersen van de eindtermen door hun leerlingen. Verder onderzoeken we in welke mate eventuele verschillen tussen leerlingen, groepen van leerlingen en scholen overeind blijven nadat er rekening gehouden werd met achtergrondkenmerken van de leerlingen en de context van de scholen

We zullen ook aan het steunpunt vragen om het onderwijsaanbod in de klas met betrekking tot een bepaald vak of leergebied in kaart te brengen en te onderzoeken hoe we de eventuele verschillen tussen leerlingen, groepen van leerlingen en scholen kunnen verklaren.

Op nog kortere termijn voorzien we ook een haalbaarheidsstudie naar het ‘hoe’. Deze haalbaarheidsstudie focust op het praktische en organisatorische. Want de Vlaanderenbrede invoering van die toetsen is natuurlijk complex en uitdagend. In principe zal er ook gewerkt worden met digitale toetsen. Dat is al een stap vooruit. Daarom zal er – parallel aan de procedure voor de oprichting van een nieuw steunpunt – een haalbaarheidsstudie worden uitgevoerd naar de pedagogisch-psychometrische, de organisatorische en de technisch-juridische aspecten van de invoering van de gecentraliseerde toetsen. Concreet gaat het hier dus om het ‘hoe’, terwijl het steunpunt eerder bezig moet zijn met het ‘wat’.

De resultaten van die haalbaarheidsstudie worden verwacht begin volgend jaar. Op basis van de resultaten van dit onderzoek kunnen we dan ook de nodige beslissingen nemen met betrekking tot het concreet implementatietraject. Ook bij de aansturing en opvolging van de haalbaarheidsstudie zal ik de onderwijsverstrekkers betrekken.

Mevrouw Vandromme heeft het woord.

Dank u wel, minister, voor het uitgebreide antwoord. Ik ben blij te horen dat u ook op zoek gaat naar gedragenheid en betrokkenheid en dat u ermee akkoord gaat dat een top-downbenadering van zo’n belangrijke ontwikkeling geen goed idee is. U hebt trouwens samen met de onderwijsverstrekkers een engagementsverklaring ondertekend waarin heel uitdrukkelijk vermeld staat dat er gewerkt zal worden aan gevalideerde, gestandaardiseerde en genormeerde proeven. Er staat letterlijk ook “het ontwikkelen en implementeren ervan”. Ik denk dat het goed is dat u dat hand in hand doet met de onderwijsverstrekkers en niet van een wit blad start, maar samen aan die toetsen zult schrijven.

Ik denk dat de haalbaarheidsstudie een goed idee is om na te denken over hoe we dat precies allemaal tot stand zullen brengen. De toetsen die we nu al hebben, zijn gevalideerde toetsen. Ik denk dat het belangrijk is om daar toch ook van te blijven vertrekken.

Vanmorgen hadden we een zeer interessante uiteenzetting over de Onderwijsspiegel. De inspectie had, zoals ik al aangaf, een zeer duidelijke visie op gevalideerde, genormeerde en gestandaardiseerde proeven, die ook in het regeerakkoord staan. Ik denk dat het geen slecht idee is, minister, om hier naast de onderwijsverstrekkers ook de onderwijsinspectie bij te betrekken omdat die volgens mij ook wel een zeer goede visie heeft op hoe we dit moeten uitwerken.

Een punt dat daar ook aan bod kwam is dat de scholen heel wat gebruik maken van OVSG-toetsen en interdiocesane toetsen, maar dat ze soms een gebrek hebben aan datageletterdheid. Mijn vraag in dezen is dan ook: hoe kunnen we de scholen nog meer ondersteunen in het gebruikmaken van de data die voorhanden zijn?

De heer Daniëls heeft het woord.

Dank u wel, minister, voor uw uitgebreid antwoord. De vraag komt inderdaad op een goed moment. Ik kan u trouwens zeggen, minister, dat u zeer consistent bent in uw antwoord, want uw antwoord was hetzelfde als datgene dat we al eens hoorden. Het is dus in elk geval valide en betrouwbaar, wat u vertelt.

Collega’s, ik wil nog enkele extra zaken toevoegen. Ik ben blij dat de geesten op alle vlakken gerijpt zijn dat evalueren doet leren.

Er was ook een vrije tribune over van Wouter Duyck in De Standaard, maar evalueren doet leren. In ‘controleren’ zit het woordje ‘leren’. Waar we tot voor kort nog de strijd moesten voeren voor gestandaardiseerde testen en waar we al het slechte van de wereld over ons heen hebben gekregen, ben ik nu blij dat de geesten gerijpt zijn. Dat is belangrijk voor ons onderwijs.

Dat is ook belangrijk in het licht van wat we deze ochtend hebben gehoord van de onderwijsinspectie. Ongeveer 60 procent van de basis- en secundaire scholen evalueert op betrouwbare wijze hun kwaliteit, 40 procent doet dit dus niet, kan het niet, heeft de tools niet en weet niet hoe eraan te beginnen. Dat is wel veel.

Onderwijskwaliteit is punt één in het regeerakkoord als het gaat over Onderwijs. De gevalideerde, gestandaardiseerde en genormeerde proeven zitten in punt één van punt één. Veel belangrijker dan dit kunnen we het dus niet maken, vooral omdat we nog iets anders willen doen – daar wil ik toch even de aandacht op vestigen, minister – namelijk  datagebaseerde kwaliteitszorg. Als je datagebaseerd kijkt naar leerlingen, dan zijn dat objectieve meetinstrumenten en kan je ook een objectief oordeel vormen over die student. Dat is voor mijn fractie een goede basis voor gelijke kansen. Het is geweldig om dit nu uit te voeren.

Ik hoor mevrouw Vandromme verwijzen naar OVSG-toetsen en interdiocesane proeven. Het zou eigenlijk zeer goed zijn mochten al die data ontsloten worden, want dan kunnen we op basis van alle data de nodige analyses uitvoeren, net om de gestandaardiseerde toetsen uit te werken. Minister, behelst de samenwerkingsovereenkomst met de betrokkenheid van de verschillende koepels ook dat ze hun data ter beschikking stellen?

Ik doe het voorstel om ook de inspectie te betrekken. Ik denk dat er bij de inspectie ook een aantal mensen zijn die absoluut hun verdienste hebben op het vlak van onderwijskwaliteit. We zagen deze ochtend mevrouw De Fraine, die we vroeger in een andere hoedanigheid zagen.

U sprak daarnet over de peilingsproeven en dat hetzelfde budget anders georiënteerd zou worden. Ik vraag u om ook daar alle ervaring mee te nemen.

U zei ook dat we ons nu moeten beroepen op internationaal onderzoek. Ik neem aan dat we zullen blijven deelnemen aan internationaal vergelijkend onderzoek om ons te kunnen positioneren.

Minister Weyts heeft het woord.

Minister Ben Weyts

Wat dat laatste betreft: dat is net een sterke aanvulling waarbij we in eerste instantie onszelf een spiegel voorhouden, kijken naar de evolutie, kijken naar de geboekte leerwinst en ons vervolgens in internationaal perspectief blijvend kunnen vergelijken via PISA, PIRLS en eventueel andere onderzoeken.

Ik onderschrijf de datageletterdheid volledig. We moeten onze schoolbesturen en directies meer meenemen in het interpreteren en begrijpen van de data en hoe ze daarmee aan de slag kunnen. Dit is een bezorgdheid die vandaag ook relevant is. Ik denk dat men niet altijd het maximaal mogelijke haalt uit de proeven die al bestaan.

Ik had de timing nog niet volledig geduid. Het is mijn idee om het steunpunt van start te laten gaan op 1 januari 2021, maar wel gefaseerd te werken. In eerste instantie zou gekeken worden naar de eerste graad van het secundair onderwijs met een eerste afname in het schooljaar 2022-2023. De focus zou liggen op Nederlands en wiskunde. In een tweede fase zou het vierde leerjaar van het lager onderwijs aan bod komen met afname in het schooljaar 2023-2024. De focus daar zou liggen op basisgeletterdheid Nederlands en wiskunde.

Derde fase: het zesde leerjaar van het lager onderwijs, met het oog op een eerste afname en leerwinstmeting in het schooljaar 2025-2026. En in het schooljaar daarop volgt de vierde fase met de derde graad van het secundair onderwijs. Dat zou de voorgestelde fasering zijn.

Mevrouw Vandromme heeft het woord.

Minister, u haalt de timing aan. Het is belangrijk dat u tussendoor ook nog de tijd neemt om te evalueren. U start met de eerste graad van het secundair onderwijs. Eens dat ontwikkeld is, lijkt het mij goed om de nodige tijd te nemen om te evalueren en de bevindingen mee te nemen bij de verdere ontwikkeling van de volgende toetsen.

Ik heb nog een tweede opmerking over datageletterdheid. Vanmorgen hadden we het er bij de bespreking van de Onderwijsspiegel ook over dat scholen heel vaak wel weten waar ze naartoe willen, dat het onderwijskundig beleid voor een stuk wel in hun hoofd zit, maar dat men er heel vaak niet toe komt om dat ook effectief uit te voeren. De inspectie pleitte dan ook voor ruimte en tijd voor de directie en schoolleiding om daar werk van te kunnen maken en hun tijd daaraan te kunnen besteden. Ze zijn manager van alles. Datageletterdheid en focussen op kwaliteitszorg is een belangrijk item, en ik geloof, net zoals de inspectie, dat de toetsen een belangrijke stap kunnen zijn.

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is geopend met een beperkt aantal plaatsen. Bezoekers die een plenaire vergadering willen bijwonen, sturen een mailtje naar 
onthaal@vlaamsparlement.be met daarin naam en geboortedatum.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.