U bent hier

– Wegens de coronamaatregelen werd deze vraag om uitleg via videoconferentie behandeld.

De heer Brouns heeft het woord.

Minister, in uw beleidsnota wees u er terecht op dat in de strijd tegen georganiseerde misdaad, naast de strafrechtelijke aanpak, ook een bestuurlijke aanpak nodig is.

Het zijn vooral de lokale besturen die rechtstreeks in contact komen met de activiteiten van criminele ondernemers en organisaties. Een aantal van die lokale besturen, zeker in de grensstreek met Nederland, hebben reeds een aantal projecten ontwikkeld en ervaring opgedaan vanop het terrein.

We kunnen gerust stellen dat in Vlaanderen de bestuurlijke aanpak van de georganiseerde misdaad zich bottom-up ontwikkeld heeft. Voor die lokale initiatieven bestaat zelfs belangstelling op Europees niveau.

Zoals eveneens met betrekking tot het vorige thema rond de lokale integrale veiligheidscellen (LIVC’s) aan bod is gekomen, ontbreekt ook in de strijd tegen de georganiseerde misdaad nog steeds een sterk decretaal kader om die strijd effectief te kunnen aangaan. Minister, daarom hebt u terecht een decretaal kader in het vooruitzicht gesteld om op basis van een integriteitsonderzoek – daarvoor bestaat in Nederland al een kader en federaal is er al een weg afgelegd maar de laatste puzzelstukjes moeten nog worden gelegd – vergunningen, toelatingen, subsidies, concessies, overheidsopdrachten en vastgoedtransacties, allemaal handelingen op het lokale niveau, te kunnen weigeren, schorsen of intrekken ingeval we te maken hebben met georganiseerde misdaad of minstens een ernstige of concrete dreiging daartoe.

Zeker in de regio waar ik zelf woonachtig ben, de grensstreek met Nederland, het gebied dat ik zeer goed ken, is dit zeer belangrijk. Recent nog verscheen in de pers een artikel over de Mexicaanse drugskartels die steeds beter hun weg vinden in Zuid-Nederland en die zich gespecialiseerd hebben in bijvoorbeeld crystal meth, een synthetische drug die uitermate verslavend is. De Nederlandse politie maakt zich daarover terecht zeer grote zorgen en volgens criminoloog Cyrille Fijnaut, specialist in georganiseerde misdaad, is er een duidelijke evolutie in Nederland waarbij dat niet enkel meer een import- en doorvoerland is maar ook meer een productieplaats wordt. Hij wijst erop dat het produceren van drugs een veel grotere impact heeft op de samenleving en dat ook in Vlaanderen al verscheidene dergelijke labo's ontdekt zijn in de grensstreek. U hebt ongetwijfeld de voorbije jaren in de media kunnen volgen dat het afval werd gedumpt in onze provincie. Interessant is ook dat wat de aanpak ervan betreft, hij wijst op de noodzaak van een goede betrokkenheid van de gemeentebesturen en dat ook daar weer het lokale niveau, dat dicht bij de mensen staat, helaas de minder goede gedragingen van mensen het eerste ziet en ervaart.

De lokale besturen spelen een zeer belangrijke rol in het veiligheidsbeleid, zoals al is benadrukt. Samenwerking en informatie-uitwisseling klinkt heel eenvoudig maar zijn zeer belangrijk, inzonderheid tussen de lokale besturen de lokale politie en alle veiligheidsdiensten.

De VVSG heeft er terecht op gewezen dat in het kader van de bestrijding van georganiseerde en ondermijnende criminaliteit heel wat instrumenten federaal geregeld zijn en een goede afstemming tussen de drie betrokken bestuursniveaus, het federale, het Vlaamse en het lokale, zeer belangrijk is.

Er is ook een kader nodig inzake de gegevensuitwisseling in de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit en ondermijning tussen de overheden, zodat alle overheden hun handhavingsbevoegdheden ten volle kunnen benutten. Het is volgens de VVSG onduidelijk hoe de afstemming zal verlopen met het federale justitiële niveau en de politionele gegevensbanken en moraliteitsonderzoeken uit de federale wetgeving.

Minister, wat is de stand van zaken in verband met het decretaal kader inzake de aanpak van de georganiseerde en ondermijnende misdaad?

Op welke wijze wordt bij het uitwerken van dit decretaal kader rekening gehouden met de ervaring van de bestaande good practices bij een aantal lokale besturen?

Op welke wijze is de VVSG  betrokken bij de uitwerking van dat decretaal kader? Zal er voor de toepassing van het decretaal kader voorzien worden in ondersteuning van de lokale besturen?

Is er ook overleg en afstemming met het federale beleidsniveau zoals door de VVSG naar voren werd gebracht?

Minister Demir heeft het woord.

Minister Zuhal Demir

Op 5 juni 2020 kwam de werkgroep bestuurlijke handhaving van ondermijnende criminaliteit samen, nadat enkele eerdere data onmogelijk waren geworden door de coronamaatregelen. Omdat de opmaak van dit decretaal kader verschillende partners aanbelangt, is deze werkgroep in eerste instantie samengesteld uit vertegenwoordigers van mijn kabinet, de Vlaamse administratie, de politie, de VVSG, de Arrondissementele Informatie- en Expertisecentra (ARIEC’s) en de academische wereld. Samen met hen zal ik de krijtlijnen van dit decretaal kader uittekenen. In een tweede fase zullen deze krijtlijnen teruggekoppeld worden naar een stuurgroep, waar ook het openbare ministerie, vertegenwoordigers van de federale overheid, de verschillende inspectiediensten en vertegenwoordigers van een aantal steden en provincies in zullen zetelen.

Een tweede bijeenkomst van deze werkgroep is gepland eind augustus, en in september zal de voltallige werkgroep een werkbezoek brengen aan de bevoegde dienst van de Wet Bibob (Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur) in Nederland. Daarnaast zal deze werkgroep de komende maanden het volgende doen: ze zal een inventaris maken van de vergunningen, machtigingen, toestemmingen, toelatingen, accreditaties, erkenningen, concessies, individuele ontheffingen en vrijstellingen die hun grondslag vinden in Vlaamse regelgeving. Daarnaast zal ze een eerste werktekst voor een decretale regeling maken, waarin die elementen die op decretaal niveau kunnen worden uitgewerkt, worden opgenomen. Ze zal contacten leggen met de andere bevoegde bestuursniveaus om de mogelijkheden van samenwerkingsakkoorden te onderzoeken en zal ook nagaan welke infodeling we nodig hebben met bijvoorbeeld politiedatabanken.

Niet alleen wordt er rekening gehouden met de gedocumenteerde ervaringen en good practices van lokale besturen, maar de lokale besturen worden ook in een eerste fase opgenomen in de werkgroep via de VVSG en in een tweede fase ook betrokken bij de bijkomende stuurgroep, onder andere door de opname van vertegenwoordigers van politie en gemeentebesturen.

De VVSG maakt deel uit van de werkgroep. Het Nederlandse voorbeeld geeft aan dat de ondersteuning van de lokale besturen, in het bijzonder de kleinere gemeenten, cruciaal is voor een goede werking van dit soort regelgeving. Daar zullen we dan ook de nodige aandacht aan schenken, want als we dat niet doen, dan verschuift die criminaliteit zich naar de kleinere gemeenten. We zullen dat echt meenemen in het hele vraagstuk. Uiteraard zijn ook de grensgemeenten belangrijk, mijnheer Brouns. U zult daar ook kunnen over meespreken, want we zien daar een aantal fenomenen waarvoor we de nodige aandacht moeten hebben.

Het regeerakkoord en mijn beleidsnota voorzagen al dat er samenwerkingsakkoorden zullen worden gesloten om de informatie-uitwisseling tussen de verschillende overheidsniveaus, zoals de federale overheidsdiensten als de Bijzondere Belastinginspectie (BBI) en de sociale inspectie (SI), de politie en het parket mogelijk te maken. Dit zal uiteraard het nodige overleg vergen.

De heer Brouns heeft het woord.

Minister, ik ben blij dat u aandacht hebt voor de kleine gemeenten. Die hebben het op dat vlak extra moeilijk. Zowel inzake capaciteit als inzake competenties is het niet vanzelfsprekend om als bestuur de strijd aan te gaan met de georganiseerde misdaad.

U verwijst terecht naar de Bibob-wetgeving. Dat is het Nederlandse model dat we in België aan het kopiëren zijn. Ik heb begrepen dat dat op het federale niveau nog niet finaal is goedgekeurd, maar het is cruciaal om het Vlaamse kader te kunnen bouwen want de integriteitsbeoordeling moeten we natuurlijk wel kunnen vragen als deel van de beoordeling van vergunningen op het lokale niveau. Vanaf het ogenblik dat er signalen zijn dat het nodig is, dan moet het federale kader er zijn. De integriteitsbeoordeling moet er zijn om het Vlaamse kader te kunnen realiseren.

Een aspect dat we daarbij zeker moeten meenemen, is het uitwisselen van data. Er zijn heel wat databanken vandaag, maar het koppelen of uitwisselen van informatie daartussen, zeker met dit soort fenomenen, is nog ondermaats. Ik denk bijvoorbeeld aan zogenaamde flexacties, die zowel Vlaamse als federale inspectiediensten samen met politionele diensten, justitie en lokale besturen rond de tafel brengen. Als ze elk hun informatie bij hebben, zie je vaak dat het koppelen daarvan heel moeilijk is. Als je de databank waarin alle vergunningen zitten, kunt koppelen aan de burgerlijke stand, zie je dat het ene niet verenigbaar is met het andere. Ik wil dus pleiten voor het koppelen van databanken in functie van de strijd daartegen.

Minister, in welke mate zult u bij het uitwerken van een decretaal kader apart aandacht hebben voor een geïntegreerde databank voor het uitwisselen van informatie?

Mevrouw Blancquaert heeft het woord.

Minister, ik sluit me aan bij het standpunt van de heer Brouns, dat de strijd tegen de georganiseerde en ondermijnende misdaad niet alleen op strafrechtelijk, maar ook op bestuurlijk vlak moet worden gevoerd. We horen dat u hiervoor een decretaal kader zult uitwerken. De cruciale vraag hierbij is echter wel welke bestuurlijke wapens u via dat decreet zult aanreiken aan de lokale besturen om die strijd te voeren, want in uw beleidsnota komt u eigenlijk niet verder dan een integriteitsonderzoek dat verplicht zou worden opgelegd bijvoorbeeld bij de aflevering van vergunningen.

Als we naar onze noorderburen kijken – het is hier al even aangehaald, met de Wet Bibob –, dan denk ik verder ook nog aan de Wet Damocles, de Wet Victor, de Wet Victoria, de Nederlandse Onteigeningswet, de wet OM-afdoening en de Algemene wet bestuursrecht. Ik denk dat onze noorderburen op dat vlak echt wel enkele lichtjaren voorsprong hebben.

Minister, welk geloofwaardig zwaar bestuurlijk wapenarsenaal wilt u naast het reeds aangekondigde integriteitsonderzoek tijdens de huidige legislatuur decretaal aanreiken aan de lokale besturen om een efficiënte bestuurlijke bestrijding van georganiseerde en ondermijnende misdaad door die besturen mogelijk te maken?

Minister Demir heeft het woord.

Minister Zuhal Demir

Informatiedeling, weten welke databanken er zijn, dat is al heel belangrijk in dit land. Die oefening loopt: welke databanken bestaan er? Welke informatiedeling hebben we nodig? Dat zijn we allemaal in kaart aan het brengen om vervolgens samenwerkingsakkoorden te sluiten om dat allemaal te stroomlijnen en efficiënt te laten verlopen voor lokale besturen.

Mevrouw Blancquaert, Nederland staat inderdaad voor op ons, dat kan ik niet ontkennen. We gaan daar een werkbezoek brengen om te zien hoe ze dat in de praktijk doen.

Wat hefbomen betreft, zijn er verschillende mogelijkheden, bijvoorbeeld op het vlak van milieuhandhaving: burgemeesters kunnen een zaak sluiten, op basis van data die men heeft, voordat men een vergunning moet verlenen. Wij kijken dus naar een arsenaal aan maatregelen die voorhanden moeten zijn om lokale overheden te bemannen.

Ik denk dat het heel frustrerend is – en ik hoor dat ook van veel burgemeesters – dat bepaalde zaken om een vergunning vragen, terwijl men weet, maar niet kan hardmaken, dat die zaken zich met witwasserij bezighouden. De bedoeling is om op basis van wat we nu aan het doen zijn, zoiets mogelijk te maken. De oefening loopt en we zullen een arsenaal aan maatregelen in handen van lokale besturen kunnen geven, die daar trouwens ook vragende partij voor zijn. Ik denk dat dat zeer frustrerend is voor onze burgemeesters, die daar enorm hard op inzetten, maar toch tegen een muur botsen. Ik hoop dat zij hiermee voldoende in handen hebben om aan het werk te gaan.

De heer Brouns heeft het woord.

Dank u wel, minister, voor uw antwoorden.

Zowel bij deze vraag als bij mijn vorige is de essentie steeds om tot een zo sterk mogelijk lokaal veiligheidsbeleid te komen en daarvoor moeten we effectief zoveel mogelijk instrumenten in handen van die lokale besturen geven, zodat zij dat op het terrein kunnen waarmaken. Als er iets is wat we de voorbije decennia geleerd hebben uit de verschillende veiligheidscrisissen die ons land gekend heeft – van de Bende van Nijvel over het Heizeldrama tot de de zaak-Dutroux –, is het dat er een gebrekkige informatie-uitwisseling en gebrekkige samenwerking is tussen alle partners binnen de veiligheidsketen. De initiatieven waarover we het vandaag gehad hebben, zijn natuurlijk altijd met het oog op het versterken van het lokale veiligheidsbeleid, met name de informatie-uitwisseling, zodat dat op een veilige manier kan, met respect voor het beroepsgeheim. Ik denk dat we daar de juiste weg ingeslagen zijn. U hebt in ons een bondgenoot om die weg te blijven volgen, zodat we die lokale veiligheid kunnen versterken.

Het is ook aangehaald dat er ook kleine gemeentes zijn die zowel op het vlak van capaciteit als op het vlak van competenties onvoldoende uitgerust zijn. Er zijn vandaag organisaties, zoals het Arrondissementeel Informatie- en Expertise Centrum (ARIEC), maar ook de politiediensten. Ik denk dat we moeten nadenken over de schaal waarop die opereren. Er zijn heel wat voorbeelden van intergemeentelijke samenwerkingsverbanden in Vlaanderen. Misschien is dat een piste. Maar in ieder geval denk ik dat het de juiste weg is om de lokale besturen voldoende slagkracht te geven. Een decretaal kader is natuurlijk maar één ding, we zullen ook federaal moeten blijven aandringen op dat model, zoals het in Nederland bestaat, om uiteindelijk heel effectief te kunnen strijden tegen georganiseerde misdaad.   

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. De publiekstribune is gesloten.

zullen de commissiewerkzaamheden voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. De publiekstribune is gesloten.

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.