U bent hier

– Wegens de coronamaatregelen werd deze vraag om uitleg via videoconferentie behandeld.

Mevrouw Schryvers heeft het woord.

Minister, naar aanleiding van de leegstand in assistentiewoningen die wordt vastgesteld, werden al verschillende vragen gesteld. Uit het antwoord daarop bleek dat er wel een globaal overzicht kan worden gemaakt van alle erkende en geplande groepen van assistentiewoningen in Vlaanderen, maar dat vraag en aanbod in dit kader nog niet verder werden onderzocht.

In antwoord op mijn schriftelijke vraag van 2 december vorig jaar, hebt u gezegd, minister, dat er geen cijfergegevens beschikbaar zijn in verband met de bezettingsgraad in erkende groepen van assistentiewoningen. Ik had de vragen gesteld naar aanleiding van de vaststelling dat in heel wat groepen van assistentiewoningen een aantal woningen leeg blijkt te staan. U hebt toen meegedeeld dat, wanneer Zorginspectie een inspectie doet, bijvoorbeeld naar aanleiding van een erkenningsaanvraag, een vervangingsnieuwbouw, een uitbreiding van de capaciteit of een opvolging van tekorten of risico’s, het kan zijn dat er bezettingscijfers worden opgevraagd.

Ik heb daarover verschillende schriftelijke vragen gesteld, waarop u cijfers hebt gegeven. Daaruit blijkt dat er heel wat groepen van assistentiewoningen zijn waarvan de bezettingsgraad zeer laag is.

Nu, ik wil dat enigszins relativeren, omdat het vaak over controles in het eerste jaar na de erkenning gaat. Het staat wel vast dat die groepen van assistentiewoningen geen lijst hebben met mogelijke bewoners of kandidaten voor de oplevering van de bouwwerken, of dat die vraag alleszins niet heel groot is. 

Voor assistentiewoningen is er geen programmatie voorzien en dat wil zeggen dat wie assistentiewoningen wil bouwen, dit vrij kan doen. Wel moet, om een erkenning te kunnen bekomen, aan een aantal voorwaarden worden voldaan. Zo moet er een noodoproepsysteem aanwezig zijn, een gemeenschappelijke ruimte en aangepaste en toegankelijke woningen, en moeten de bewoners kunnen beschikken over crisiszorg, overbruggingszorg en een woonassistent die kan helpen bij vragen. Opdat mensen zouden kunnen nagaan of de assistentiewoning die zij op het oog hebben, voldoet, maakte de Vlaamse overheid een website: https://www.vlaanderen.be/assistentiewoningen-serviceflats. Voldoet het aanbod wel aan alle criteria om een echte assistentiewoning te zijn, want als mensen eenmaal de beslissing nemen om te verhuizen naar een assistentiewoning, moeten ze zeker kunnen zijn dat ze daar een goede, nieuwe thuis vinden en dat ze daar de nodige zorg en ondersteuning kunnen krijgen.

Leegstand is nooit wenselijk en er wordt vaak gezocht naar oplossingen om die leegstand te vermijden. Dit weekend kwam er in een krant nog de thematiek van functiewijzingen aan bod wanneer er geen volledige bezetting is, of wanneer assistentiewoningen niet verkocht of verhuurd raken. Dat heeft natuurlijk heel grote gevolgen voor de mensen die in dat gebouw wel al huren of gekocht hebben en de bestemming van assistentiewoning dreigen te zien veranderen en daardoor de nodige zorg en ondersteuning dreigen te verliezen. Ik heb zelfs al vastgesteld, minister, dat assistentiewoningen voor een korte fietsvakantie en dergelijke meer worden aangeboden op booking.com. Er is dan ook nood om dit probleem structureel aan te pakken.

Een mogelijke piste zou kunnen zijn dat men werkt op basis van een programmatie, zodat vraag en aanbod beter op elkaar zouden kunnen worden afgestemd.

We kunnen de vergunningverlenende overheden – de steden en gemeenten – ook vragen om voldoende voorafgaande toetsing te doen met betrekking tot de zorgnormen. Ik heb zelf ondervonden dat mensen een bouwproject komen voorstellen waarbij je dan toch moet vragen waar de zorgcomponenten zitten.

Een andere mogelijkheid is om bij de bouw van nieuwe assistentiewoningen een functionele band te voorzien met een woonzorgcentrum. Dat hoeft niet op dezelfde locatie te zijn, maar er is wel een functionele band. Doordat ouderen dan een grotere garantie hebben op kwaliteitsvolle zorg en op een residentiële opname in de eigen buurt, indien dat na verloop van tijd nodig zou zijn, kan dat de aantrekkelijkheid van de assistentiewoningen vergroten. In antwoord op mijn schriftelijke vraag van 2 december 2019 zei u dat uit de sectorstudie van Probis Group blijkt dat de kans op een betere bezetting verhoogt als een groep van assistentiewoningen gerealiseerd wordt op dezelfde campus waar een woonzorgcentrum gelegen is en waarmee samenwerkingsverbanden worden afgesloten.

Met betrekking tot mogelijke functiewijzigingen rijst de vraag naar de gevolgen met betrekking tot het fiscaal gunstregime, het btw-regime en de ruimtelijke innames die gebeurden onder de omschrijving assistentiewoningen.

Naar aanleiding van de berichtgevingen eerder deze week, kwamen er ook voorstellen om de assistentiewoningen om te zetten in woongelegenheden voor personen met een handicap.

Erkent u de problematiek van leegstand in erkende groepen voor assistentiewoningen? Op welke manier kan deze leegstand goed in kaart worden gebracht?

Op welke manier kan aan deze leegstand een oplossing worden geboden, en kunnen mensen die een assistentiewoning kopen of huren ook zeker zijn om er een goede nieuwe thuis met de nodige zorg te vinden?

Hoe kan er zicht gekregen worden op de behoeften met betrekking tot het aanbod aan assistentiewoningen in een regio, en hoe kunnen vraag en aanbod beter op elkaar worden afgestemd?

Hoe kunnen lokale besturen sterker worden aangemoedigd om voldoende te controleren op de verplichte zorgcomponent bij assistentiewoningen, vooraleer over te gaan tot het toekennen van de omgevingsvergunning? Een functionele band tussen een groep van assistentiewoningen en een woonzorgcentrum kan een meerwaarde zijn voor de bewoners en heeft een positief effect op de leegstand. Hoe kunnen initiatiefnemers hiertoe worden aangemoedigd? Is het een optie die functionele band te verplichten? Ik wil nog graag een vraag stellen die ik niet had opgenomen, met betrekking tot de leeftijdsgrens van 65 jaar en de voorstellen die er nu komen met betrekking tot personen met een handicap. Hoe kan de website www.checkassistentiewoning.be meer bekendheid krijgen?

Minister Beke heeft het woord.

Minister Wouter Beke

Sinds het in werking treden op 1 januari 2013 van de regelgeving voor de groepen van assistentiewoningen heeft deze sector een grote uitbreiding gekend, onder andere doordat een aantal vastgoedbedrijven zich op deze markt hebben geprofileerd.

Deze bedrijven hebben een aantal assistentiewoningen gerealiseerd en deze vervolgens aan particulieren verkocht, hetzij met het oog op eigen bewoning, hetzij als een al dan niet tijdelijke investering in afwachting van eigen bewoning. De betrokken eigenaarsverenigingen hebben dan vervolgens een kaderovereenkomst afgesloten met een zorgverlener die ten aanzien van de overheid optreedt als verantwoordelijke beheersinstantie en de erkenning bekomt.

Meer en meer bereiken ons berichten over leegstand in sommige groepen van assistentiewoningen.

Door het loslaten van de programmatie voor groepen van assistentiewoningen werd meer de nadruk gelegd op de verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer/bouwheer om zich voorafgaand aan de realisatie van een groep van assistentiewoningen grondig te informeren over het reeds beschikbare en geplande aanbod in de gemeente en regio en hierbij ook rekening te houden met andere elementen, zoals het aanbod aan aangepaste woningen en appartementen voor ouderen en andere woonzorgvoorzieningen, en de mogelijke samenwerking met deze voorzieningen.

Aan de andere kant moeten initiatiefnemers hierbij ook beseffen dat het realiseren van assistentiewoningen veel meer omvat dan enkel het bouwen of het verkopen van aangepaste infrastructuur en dat er meer aandacht besteed moet worden aan het zorgaspect voor de potentiële bewoners.

Zoals reeds eerder meegedeeld, worden de bezettingsgegevens van een individuele, erkende voorziening enkel opgevraagd bij een periodieke inspectie door de Zorginspectie. Zoals u zelf aangeeft in uw vraag, blijkt uit de cijfers van 12 maart 2020 dat er heel wat groepen van assistentiewoningen zijn met een lage bezettingscapaciteit.

Aangezien echter niet alle groepen van assistentiewoningen jaarlijks geïnspecteerd worden, is het niet mogelijk op basis van deze gegevens gemiddelde bezettingsgraden voor alle groepen van assistentiewoningen in een bepaald jaar te bepalen. Omdat de groepen van assistentiewoningen ook niet gefinancierd worden, zoals bij sommige andere woonzorgvoorzieningen wel het geval is, moeten zij ook geen bezettingsgegevens doorgeven aan het agentschap Zorg en Gezondheid.

Om een correct zicht te krijgen op de aanwezige leegstand zou een nulmeting moeten worden georganiseerd, waarbij de resultaten worden meegenomen als uitgangspunt voor verder periodiek onderzoek naar de mogelijke oorzaken van de vastgestelde leegstand. Het uitvoeren van een dergelijke nulmeting en verder onderzoek is echter enkel zinvol indien op basis hiervan concrete beleidsaanbevelingen zouden worden geformuleerd.

Dit is zeker een element dat we kunnen meenemen bij een evaluatie van het Woonzorgdecreet dat sinds begin dit jaar in werking is getreden. Maar dit verandert natuurlijk de huidige regels niet.

Een van de wijzigingen van het op 15 februari 2019 goedgekeurde geactualiseerde Woonzorgdecreet is de schrapping van de mogelijkheid van initiatiefnemers om een woonzorginitiatief enkel aan te melden bij de overheid, zonder zich te laten erkennen. Op deze manier dienden zij immers niet te beantwoorden aan de erkenningsvoorwaarden en ontsnapten zij aan toezicht, handhaving en prijscontrole door de overheid. Voornamelijk bij de groepen van assistentiewoningen en de centra voor herstelverblijf heeft dit aanleiding gegeven tot heel veel verwarring en ongenoegen bij gebruikers die minder kregen dan wat hen beloofd werd.

De huidige aangemelde voorzieningen krijgen de nodige tijd om zich aan te passen aan de erkenningsvoorwaarden en een erkenning aan te vragen op basis van de uitgevaardigde overgangsbepalingen. Wie blijft uitbaten zonder erkenning, kan zich verwachten aan financiële sancties.

Waar nodig kan dit leiden tot een gedwongen sluiting.

Door de invoering van de verplichte erkenning krijgen de gebruikers de garantie dat een erkend initiatief beantwoordt aan de vooropgestelde kwaliteitseisen op het vlak van zorg, veiligheid en infrastructuur. De initiatieven zijn dan ook verplicht onderworpen aan een prijscontrole en toezicht door Zorginspectie. Om diezelfde reden wordt trouwens vanaf 1 januari 2020 ook de naamgeving van woonzorgvoorzieningen beschermd. Alleen de erkende voorzieningen zullen de naamgeving zoals opgenomen in het decreet mogen gebruiken.

Een tweede belangrijk element is de invoering van een geldigheidsduur van de voorafgaande vergunning voor een nieuwe groep van assistentiewoningen. Sinds 1 januari 2013 kan een initiatiefnemer een voorafgaande vergunning aanvragen als hij die nodig heeft voor een andere regelgeving. In de praktijk werd die voorafgaande vergunning in de meeste gevallen aangevraagd in toepassing van het verlaagde btw-tarief, waarbij aan de initiatiefnemer wordt gevraagd aan te tonen dat erkende assistentiewoningen worden gebouwd. Tot nu toe was die voorafgaande vergunning geldig voor onbepaalde duur. In uitvoering van het decreet werd de geldigheid van dergelijke voorafgaande vergunningen beperkt tot vijf jaar. Bovendien moet bij het aanvraagdossier ook het bewijs van een ontvankelijke aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een groep van assistentiewoningen worden gevoegd.

Zoals reeds gezegd, is het de verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer/bouwheer om een grondige voorstudie te maken van het reeds beschikbare en geplande aanbod in de regio. Het is daarom belangrijk dat de initiatiefnemer minstens in dialoog treedt met de reeds bestaande zorgaanbieders in de regio.

Het opleggen van bepaalde voorwaarden inzake de zorgcomponent voor het verkrijgen van de omgevingsvergunning voor een groep van assistentiewoningen kan bijdragen tot een grotere garantie op een kwalitatief aanbod, maar het opleggen van dergelijke maatregelen is niet mijn bevoegdheid.

Tot 1 januari 2013 gold voor de serviceflatgebouwen, de voorlopers van de groepen van assistentiewoningen, een vergunningsplicht. Een van de elementen van de voorafgaande vergunning was de verplichte samenwerkingsovereenkomst met een woonzorgcentrum. Sinds 1 januari 2013 is die voorwaarde geschrapt omdat er sindsdien geen vergunningsplicht meer is. Het staat initiatiefnemers uiteraard vrij om nog steeds een samenwerkingsovereenkomst af te sluiten met een nabijgelegen woonzorgcentrum. In veel gevallen gebeurt dat ook nog steeds, bijvoorbeeld met het oog op het vastleggen van voorrangsregels bij opname vanuit een groep van assistentiewoningen in een woonzorgcentrum.

Omdat er nood was aan accurate informatie over assistentiewoningen, zowel bij toekomstige bewoners als bij kopers en investeerders, werd in het voorjaar van 2017 een informatiecampagne opgestart die een antwoord moest bieden op de vragen die hieromtrent bij burgers leven. De website www.checkassistentiewoning.be maakte deel uit van die campagne. In 2019 werd de website geïntegreerd in de koepelwebsite van www.vlaanderen.be, die uiteraard veel meer bezoekers ontvangt per dag. Bezoekers kunnen dus zowel rechtstreeks via www.checkassistentiewoning.be als via www.vlaanderen.be de inhoud vinden. Het document ‘Checklist: waarop letten wanneer een assistentiewoning uw nieuwe thuis wordt’ kan nog steeds worden besteld bij het Agentschap Zorg en Gezondheid.

U stelde nog een bijkomende vraag. Die piste van onder de 65 lijkt me interessant om ook te bekijken. Ik denk dat elk initiatief dat ervoor kan zorgen dat mensen, bijvoorbeeld mensen met een beperking, sneller kunnen worden geholpen, de moeite waard van het onderzoeken is. Wat ook positief is, is dat je daardoor ook een grotere mix van bewoners krijgt. Als bewoners, ouderen, mensen met een handicap in een zorgzame buurt kunnen wonen en contact kunnen leggen met elkaar, dan kan dat ook zorgen voor een grotere samenhorigheid. Dat is dus een piste die ik zeker mee wil exploreren.

Mevrouw Schryvers heeft het woord.

Minister, dank u wel voor uw uitgebreide antwoord. Ik vind het toch wel een heel belangrijke problematiek. U hebt gelijk als u zegt dat het de verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer is, dus de bouwheer, en vaak is dat momenteel het vastgoedbedrijf, om na te gaan of er voldoende noden zijn, of de markt voldoende mogelijkheden biedt om die assistentiewoningen verkocht of verhuurd te krijgen.

Dat is waar. En die bedrijven zijn er natuurlijk mee het slachtoffer van als die woongelegenheden niet verhuurd geraken of niet verkocht geraken. Maar een nog groter slachtoffer zijn de mensen die daar ondertussen volledig te goeder trouw een assistentiewoning gekocht of gehuurd hebben en denken door daarnaartoe te verhuizen een goede nieuwe thuis te vinden en daar de nodige zorg en ondersteuning te kunnen krijgen. En als daar dan alleen maar leegstand is en als er nadien vragen zijn voor functiewijzigingen, dan zijn zij het slachtoffer.

Dus zoeken we beter samen, vanuit het beleid, naar oplossingen. Ik heb een aantal mogelijkheden aangereikt. Ik zal me verder bevragen wat betreft de omgevingsvergunning en de toepassing van de btw-regeling waarop men een beroep heeft gedaan. Ik denk bijvoorbeeld aan het bouwen in zones die bestemd zijn voor gemeenschapsvoorzieningen waar assistentiewoningen aan voldoen maar waar private woongelegenheden niet aan voldoen. Op het eerste gezicht lijkt de piste me eerder aangewezen van de omvorming naar woongelegenheden voor mensen met een beperking die geen 65 zijn dan de omvorming naar gewone woongelegenheden. Momenteel mag er maximum 25 procent worden toegewezen aan mensen die jonger zijn dan 65. Als we dat cijfer zouden aanpassen, kunnen we inderdaad zorgen voor een hogere bezettingsgraad en dus minder leegstand, minder druk om om te vormen naar gewone woongelegenheden, een betere mix en meer mogelijkheden voor mensen met een beperking om toch zelfstandig en aangepast te wonen. Wetende dat er tot op heden zeer weinig aangepaste woongelegenheden zijn in de socialehuisvestingssector, zijn daar misschien wel mogelijkheden. Ik stel voor dat we dat toch verder onderzoeken.

De heer De Reuse heeft het woord.

De leegstand van die assistentiewoningen is echt wel een schoolvoorbeeld van een bubbel in een verhitte markt. Heel wat mensen investeerden in dergelijke woningen omdat de aannemers van deze gebouwen, veelal grote commerciële groepen, hoge rendementen beloofden aan de investeerders. Maar, en daar is ook al naar verwezen, de inplanting gebeurde meestal zonder enig marktonderzoek naar de vraag. De vraag en het aanbod werden alvast niet op elkaar afgestemd. Om die rendementen te realiseren, moeten nu natuurlijk hoge huurprijzen gevraagd worden aan de bewoners van die woningen. Want we stellen inderdaad vast dat er weinig eigenaars wonen in die assistentiewoningen. Er zijn verschillende eigenaars die meerdere assistentiewoningen bezitten. Als er dan leegstand is, kan dat inderdaad ook wel voor een inkomensprobleem zorgen.

De bewoners van de assistentiewoningen moeten naast de huur ook nog zelf voorzien in voorzieningen als eten, kledij, boodschappen enzovoort. Ze moeten ook nog zelf de hulp regelen van thuisverpleging, mantelzorg, poetshulp enzovoort. Als we dat allemaal optellen, is dat toch wel een heel hoge maandelijkse kost voor deze bewoners. Dat is natuurlijk de hoofdreden waarom deze woningen niet zo aantrekkelijk zijn op de markt en dat er heel wat leegstand is. Soms is het inderdaad veel verstandiger, financieel gezien alvast, om verder thuis te blijven wonen en daar hulp in te roepen.

Collega Schryvers merkte terecht op dat assistentiewoningen die dichtbij woonzorgcentra gelegen zijn, meestal aantrekkelijker zijn en minder leegstand hebben, dikwijls omdat er nauw wordt samengewerkt met het woonzorgcentrum in de buurt.

Een van haar bijkomende vragen was ook de mijne. Er is inderdaad een nieuw geluid om die leegstand aan te pakken. Het is inderdaad Anneleen Desmyter van Aldea die voorstelde om die leeftijdsgrens los te laten en meer mensen met een beperking van jonger dan 65 toe te laten een assistentiewoning te betrekken en ook de 25 procentregel los te laten. De minister zegt in zijn antwoord dat dat een piste is die zeker bekeken kan worden. Dat is inderdaad positief. Aangezien ik al een antwoord gekregen heb, wil ik toch een andere bezorgdheid meegeven. Indien we deze piste bewandelen, moeten we natuurlijk zien dat er geen nieuwe rush is op de assistentiewoningen van deze grote commerciële groepen die opnieuw mensen willen overtuigen om te investeren in dergelijke projecten terwijl er inderdaad toch al een overaanbod is.

Minister, het is heel goed dat we een duidelijk tijdskader afspreken, waarin u en uw administratie nagaan of dit implementeerbaar is, en dat we dan met een einddatum werken, waarin die assistentiewoningen kunnen worden omgevormd naar een woning voor een ander.

Mevrouw De Martelaer heeft het woord.

We konden de voorbije dagen lezen dat tot 40 procent van de assistentiewoningen in Vlaanderen leegstaat en dat er nog heel wat projecten in de steigers staan. Dat is een ongelooflijk pijnlijke vaststelling omdat de oorzaak van de wachtlijsten in de zorg vaak het gebrek is aan aangepaste en betaalbare huisvesting.

Minister, u zei deze ochtend in het interview dat we moeten leren buiten de hokjes te denken en met andere sectoren samen te werken. Daarvoor liggen er hier veel kansen. Meestal is het een probleem. We hebben al heel veel studies over inclusief wonen en allerlei projecten, maar we hebben meestal geen geld en geen woningen en dan duurt het nog jaren. Maar hier hebben we wel woningen staan. Ik wil u dan ook uitdagen om daar werk van te maken.

Er zijn heel wat personen met een beperking die in een rusthuis wonen, die jonger zijn dan 65, die daar niet op hun plaats zitten en die eigenlijk veel beter terecht zouden kunnen in een assistentiewoning.

Ik wil het hier ook even hebben over de sector van de sociale huisvesting. In de sociale huisvesting zijn ook ontzettend lange wachtlijsten. We hebben niet alleen jongeren, maar ook ouderen op de wachtlijsten voor sociale woningen. Als we echt tot inclusieve woonprojecten kunnen komen, zouden we die assistentiewoningen ook op de een of andere manier kunnen openzetten voor de sociale huisvesting. Dus, minister, nog een bijkomende uitdaging.

Minister, een nieuwe uitdaging, de zoveelste.

Minister Beke heeft het woord.

Minister Wouter Beke

Ja, het is een zeer productieve en constructieve namiddag.

Zoals ik daarnet heb geantwoord, vind ik die piste het onderzoeken waard. Ik neem graag de handschoen en het voorstel van collega Schryvers, dat wordt gesteund door anderen, op om te bekijken of we ruimer soelaas kunnen bieden.

Mevrouw Schryvers heeft het woord.

Minister, collega's, dank u wel dat jullie dit ook onderschrijven. Ik stel voor dat we samen kijken of daar bijkomende mogelijkheden zijn. We moeten samen zoeken naar een oplossing, want het is echt schrijnend als mensen hebben geïnvesteerd om een assistentiewoning te kopen of te huren en daar de nodige zorg te krijgen – het is een hele stap om daarnaar te verhuizen voor veel mensen, het is je eigen woning loslaten –, en daar dan geïsoleerd wonen of in een leegstand, of nadien in een omvorming, zonder zorg te kunnen krijgen. Daar mogen we ons niet bij neerleggen.

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is gesloten.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.