U bent hier

De voorzitter

– Wegens de coronamaatregelen werd deze vraag om uitleg via videoconferentie behandeld.

De heer Danen heeft het woord.

Mijn vraag gaat over de steunregeling die ingevoerd wordt voor middelgrote PV-installaties en kleine en middelgrote windturbines. Terwijl we nogal enthousiast waren over de premie voor de kleine zonnepaneelinstallaties, zijn we dat iets minder voor deze steunregeling. Waarom? Omdat er voor dit soort projecten gewerkt zal worden via een call. Op die manier wil de Vlaamse Regering de doelstellingen voor hernieuwbare energieproductie invullen. Wij denken echter dat dat niet de beste manier is om dat te doen, zeker niet voor kleinere projecten.

Hoe gaat het in zijn werk? Het beschikbare budget van een call wordt verdeeld over de gerangschikte projecten, waarbij een deel wordt voorbehouden voor installaties op basis van zonne-energie op marginale gronden en drijvende installaties op basis van zonne-energie en windprojecten en een tweede deel voor de overige installaties op basis van zonne-energie. Aangezien het Vlaams regeerakkoord expliciet stelt dat “gezien de schaarse open ruimte in Vlaanderen enkel steun wordt verleend aan PV-projecten boven de 10 kW op gebouwen of marginale gronden (zoals bv. bermen) met een minimaal lokaal gebruik van 50%”, betekent dit dat projectspecifieke categorieën voor zon beperkt worden tot installaties op gebouwen of marginale gronden.

De maxima van de ondersteuning voor PV-installaties is voortaan gebaseerd op de meest recente berekening van de onrendabele top (OT) in het kader van de certificatensteunregeling. Deze steunregeling vervangt de huidige steunregeling op basis van verhandelbare groenestroomcertificaten. Daar valt wel iets voor te zeggen. PV-installaties met een AC-vermogen tussen 10 en 40 kilowatt worden niet in het steunprogramma meegenomen omdat de onrendabele top voor deze installaties negatief is en ze dus geen steun nodig hebben.

Om de uitvoeringszekerheid van de ingediende projectaanvragen te verhogen – want we stellen vaak vast dat aangevraagde projecten toch niet uitgevoerd worden – werd in het Energiebesluit een bankwaarborgregeling opgenomen. De aanvrager waarvan de projectaanvraag in de call weerhouden wordt, moet een bankwaarborg stellen na ontvangst van de beslissing tot het verlenen van steun. De gevraagde bankwaarborg bedraagt 7,5 procent van het toegekende steunbedrag, met een minimum van 2000 euro. Deze bankwaarborg wordt uitgewonnen als het project niet voldoet aan de gestelde voorwaarden in de regelgeving of als het geïnstalleerd vermogen van het project lager is dan het vermogen opgegeven in de aanvraag. 

Onze fractie heeft daarbij de volgende vragen.

Werd het advies van de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen (SERV) ingewonnen voor de opmaak van dit ontwerp van besluit? Indien niet, waarom niet? De SERV geeft namelijk toch vaak erg zinvolle en beargumenteerde adviezen?

De rendabiliteit van de projecten wordt niet enkel bepaald door de investeringskost van de installatie en de grootte ervan maar ook door het percentage zelfverbruik dat gerealiseerd kan worden en de kostprijs van de vermeden elektriciteitsaankoop voor die specifieke locatie. Het is goed om te streven naar een zo hoog mogelijke zelfconsumptie van energie die opgewekt wordt door een zonne-installatie, maar bestaat hier niet het gevaar dat locaties die heel erg geschikt zijn voor dit type van hernieuwbare energie niet gebruikt zullen worden omdat het percentage zelfconsumptie onvoldoende hoog is? Ik denk bijvoorbeeld aan grote dakoppervlakten die niet of niet optimaal benut zullen worden om het percentage zelfconsumptie niet in gedrang te brengen.

Het systeem waarbij projectaanvragen gerangschikt worden volgens de hernieuwbare energieproductie afgezet tegenover de verkregen steun, lijkt een logisch systeem waarbij de meest rendabele projecten voorrang krijgen. Bestaat hier echter niet het gevaar dat projecten die al quasi-rendabel zijn, op de call zullen intekenen met een lagere vraag om steun en dus een hogere rangschikking zullen krijgen? Hoe wilt u het gevaar op oversubsidiëring van dergelijke projecten voorkomen?

Om in te kunnen schatten welke installatie en dus welk piekvermogen geplaatst kan worden, dient een onderneming verschillende studies uit te voeren: een haalbaarheidsstudie, netstudie en stabiliteitsstudie.

Dat resulteert natuurlijk snel in enkele duizenden euro's aan kosten zonder dat de kmo weet of het project in aanmerking zal komen voor steun. Het gaat dus om relatief kleine projecten. De kmo kan er ook voor opteren om de steun aan te vragen zonder deze studies uit te laten voeren, met het risico dat het geïnstalleerde vermogen lager zal zijn dan opgegeven bij de aanvraag waardoor de bankwaarborg dient te worden overgemaakt aan de Vlaamse overheid.

Zal de opgelegde bankwaarborgregeling geen drempel vormen voor kmo’s om te investeren in hernieuwbare energie? Werd dit aspect onderzocht?

Het is goed dat de Vlaamse overheid erover waakt dat de projecten die steun ontvangen, uitgevoerd worden zoals aangevraagd, maar kan een kleine tolerantie niet meer zekerheid bieden voor de investeerder? Wilt u deze mogelijkheid onderzoeken?

In het huidige mechanisme van gewestelijke sociale correctie (GSC) worden projecten met burgerparticipatie gunstiger beoordeeld. In het nieuwe steunmechanisme is er geen prikkel meer voorzien om samen te werken met burgercoöperaties voor de realisatie van hernieuwbare energieprojecten. Wat is hiervoor de verklaring? Het is toch belangrijk en het lijkt tussen de mazen van het net te zijn gevallen.

De voorzitter

Minister Demir heeft het woord.

Minister Zuhal Demir

Collega's, ik besef dat ik niet iedereen gelukkig kan maken, maar ik probeer toch wel een lijn te trekken.

Vooreerst moet ik zeggen dat het concept of de strategie niet nieuw is. Het is de uitbreiding van een bestaand callsysteem voor kleine en middelgrote windturbines. Het doel is telkens zo veel mogelijk hernieuwbare energie op te wekken voor zo weinig mogelijk geld, en dit op basis van een investeringssubsidie in plaats van certificatensteun en dus niet meer via de elektriciteitsfactuur, maar via het Energiefonds. Dit is de kostenefficiëntie zoals meermaals vermeld in het regeerakkoord.

De principiële wijziging van het Energiebesluit betreft volgens de Vlaamse Regering geen besluit dat van strategisch belang is, zoals bepaald in artikel 20 van het oprichtingsdecreet van de SERV. Een advies van de SERV voor dit besluit is dan ook niet gevraagd.

Dit steunsysteem geeft prioriteit aan projecten die een zo hoog mogelijke productie realiseren per euro gevraagde investeringssteun. Ik denk dat dit een gezond principe is. Het steunsysteem is er met andere woorden op gericht om met de beschikbare middelen een zo groot mogelijke hernieuwbare elektriciteitsproductie te realiseren. Binnen het toepassingsgebied van deze steunregeling, met name PV-installaties van 40 kilowattpiek tot en met 2000 kilowattpiek en kleine windturbines van 10 kilowatt tot en met 300 kilowatt, zullen inderdaad diverse elementen een rol spelen in de rendabiliteit van een project, zowel in positieve als in negatieve zin, op basis waarvan de deelnemers hun bod bepalen.

Projecten met lage zelfafname kunnen deelnemen, maar zullen meestal minder concurrentieel zijn, en dus minder worden geselecteerd. Er is echter een dakpotentieel bepaald op de zonnekaart van 57 gigawatt, en nog een bijkomend potentieel op marginale gronden. Er is dus voldoende dakoppervlakte om ons de eerstvolgende jaren te focussen op de meest betaalbare projecten en zo onze doelstelling van 6,7 gigawatt uit het Vlaams Energie- en Klimaatplan te halen.

De kans op een oversubsidiëring van reeds rendabele projecten is vandaag zeer reëel in het huidig OT-systeem. Het OT-systeem rekent immers met gemiddelde projecten, sommige projecten zijn gewoon veel beter en hebben een hoger rendement. In het callsysteem bestaat de kans op oversubsidiëring ook, maar zal de impact veel kleiner zijn. Het is de bedoeling om meerdere calls per jaar te houden met een beperkt budget per call, en dat vooral kleiner is dan het totaal van de aanvragen. Bij elke call zullen projecten worden ingediend die met een beperkte steun kunnen worden geselecteerd, projecten die meer vragen dreigen niet geselecteerd te worden.

Door een goed ontwerp van de call zullen de projecten hoogstens een beperkte steun krijgen, en vrijwel zeker minder dan de steun die ze vandaag zouden krijgen via de certificaten. Naast het kostenverlagend mechanisme van een goede call zijn nog extra veiligheden ingebouwd: maximum steun, een maximum investeringskost, enzovoort.

Dan ga ik over naar uw vierde vraag. Opdat biedingen kwalitatief zouden zijn en de projecten realisatiegericht, is er een evenwicht gezocht tussen de zeer laagdrempelige voorwaarden voor de deelname, de gesubsidieerde kosten en een voldoende garantie op realisatie van weerhouden projecten. Daarom is er gekozen voor een call met een pay-as-bidsysteem met een bankgarantie voor de projecten waarvoor investeringssteun wordt gereserveerd. Deze bankgarantie is tijdelijk en wordt integraal vrijgegeven op het ogenblik dat het gerealiseerde project zijn steun heeft ontvangen. De bankwaarborg is onderzocht en bleek het meest eenvoudige instrument om voldoende zekerheid te hebben over realisatie, en wordt momenteel ook reeds met succes toegepast in de calls voor kleine windturbines.

Het nieuwe steunsysteem is een investeringssteunprogramma waarbij het budget op basis van een wedstrijd verdeeld wordt en prioritair gaat naar projecten die voor de gevraagde steun de hoogste energieproductie realiseren. In het pay-as-bidsysteem is het toegestaan dat de aanvrager voor het weerhouden steunbedrag een nog hoger vermogen en bijgevolg een hogere opbrengst realiseert ten opzichte van de aanvraag. Een lager vermogen en bijgevolg een lager te verwachten energieopbrengst leidt echter tot strategisch bieden, en vooral: een rangschikking die niet correct meer zou zijn.

Het investeringssteunbedrag wordt immers op basis van de aanvraag voor het project bepaald en vastgelegd. Dit leidt bij de realisatie van een project met een lager vermogen tot een hogere effectieve steunmarge en een hogere verhouding tussen de voorziene investeringssteun en de elektriciteitsproductie over de levensduur van de installatie. Om die reden dient het vermogen dat gerealiseerd wordt minstens het vermogen te zijn dat werd aangevraagd.

Uw laatste vraag is eerder een bezorgdheid. U vraagt of er geen prikkel is voorzien om samen te werken met burgercoöperaties. De deelname en rangschikking is afhankelijk van het type aanvrager: burger, kmo, energiebedrijf, vzw, overheid of coöperatie. De klemtoon is gelegd op de meeste productie voor het beschikbare budget. Coöperaties kunnen zeker meedoen, en hebben wellicht een voordeel ten opzichte van meer commerciële aanvragers, omdat ze in veel gevallen een minder hoog financieel rendement verwachten en de coöperanten kunnen genieten van fiscale voordelen.

De voorzitter

De heer Danen heeft het woord.

U gaat inderdaad uit van een aantal verwachtingen, dus hoe u denkt dat dat zal lopen. Ik heb een paar bijkomende vragen.

Is de sector hierover bevraagd, want ik kan mij voorstellen dat zij zich hier ook erg veel zorgen over maken. Er worden toch een aantal bijkomende barrières opgelegd, zeker voor kleinere bedrijven die willen investeren in hernieuwbare energie. Als dat soort bedrijven niet zal meedoen aan die calls zullen daaraan misschien alleen wat grotere jongens meedoen die ook lager kunnen insteken, en zo subsidies kunnen binnenhalen voor projecten die het misschien niet echt nodig hebben, als u begrijpt wat ik wil zeggen. Bepaalde bedrijven gaan het risico niet willen nemen vanwege de studies die ze moeten doen of de bankwaarborg en dergelijke. Het is toch wel een drempel die een probleem vormt voor veel bedrijven.

En dan nog een laatste vraag. U zegt dat die burgercoöperaties zullen kunnen meedoen, dat is dus geen probleem. Ze zouden allicht ook wat voordelen hebben. Maar dat begrijp ik niet goed. Als je wilt dat burgercoöperaties willen meedoen aan dit soort projecten moet je daar echt wel inspanningen voor doen, denk ik. Vaak kunnen ze dan toch niet opbieden tegen andere spelers. Ik denk dat daarom in de vorige regelgeving een steuntje voorzien werd.

Ik heb nog een allerlaatste vraag. Ik heb gezien dat relatief kleinere zonne-installaties, tussen 10 en 40 kilovoltampère, niet meer in het systeem zitten. Ik denk dan aan daken van scholen, kleine supermarkten en dergelijke. Zij zullen geen steun meer krijgen. Hoe wilt u dat dergelijke daken ook voor zonnepanelen worden benut, want zoals ik het zie, is in geen enkele steun meer voorzien?

De voorzitter

De heer Tobback heeft het woord.

Mijnheer Danen, ik wil me bij uw laatste opmerkingen aansluiten. Ik wil naar het historisch probleem verwijzen. Als de subsidiëring door middel van groenestroomcertificaten in het verleden uit de hand is gelopen, is dat niet door de gezinnen die er te veel geld uit hebben gehaald, maar door een aantal bedrijven die er heel enthousiast op hebben ingetekend en bijzonder veel geld aan zeer grote installaties hebben verdiend.

Mijnheer Gryffroy, ik ben er zeker niet tegen dat dit systeem is aangepast. Dat is trouwens al lang geleden door toenmalig minister Van den Bossche aangepast. We hebben daarvoor niet op u gewacht.

Mijnheer Danen, als dit kan worden vermeden, is dat zo veel te beter, maar ik ben het eens met uw bezorgdheid. Door een aantal beperkingen op te leggen, dreigen we opnieuw in een systeem terecht te komen waarin een beperkt aantal bieders zich goed zal organiseren en, in eerste instantie door middel van lage prijzen, op de markt zal meespelen. Anderen, bijvoorbeeld scholen, supermarkten en coöperatieven, zullen worden gehinderd en zullen het moeilijker krijgen om steun te krijgen voor kleinere installaties en eenmalige projecten.

Minister, op deze manier geeft u de markt vorm. De soort van producenten die aan dit steunmechanisme kan meedoen, krijgt hierdoor een zekere vorm. Dit is voor de grote jongens en niet voor de kleintjes. We weten dat het vastgoed, de beschikbare dakoppervlakte, de mogelijke initiatieven en de vormen van verbruik en afname, bijvoorbeeld op wijkniveau, niet altijd voldoen aan de regels die u stelt en bijgevolg naar alle waarschijnlijkheid kunnen worden uitgesloten. Dat risico is zeer groot.

Ik begrijp dat u dit misschien niet ziet of probeert te vermijden, maar ik zou er heel erg op willen aandringen dit op korte termijn te monitoren. We moeten jaar na jaar evalueren welke bedrijven en initiatiefnemers hierop intekenen, maar ook of kleinere projecten, initiatieven en coöperatieven wel de kans krijgen om mee te doen en niet worden ontmoedigd. Dat lijkt me in verband met dit nieuwe initiatief het minimum minimorum.

De voorzitter

De heer Gryffroy heeft het woord.

Mijnheer Tobback, dat voormalig minister Van den Bossche die steun al zou hebben laten dalen, klopt totaal niet. Dat heeft ze niet gedaan.

Ik ga er uiteraard mee akkoord te monitoren en te evalueren. Daar praat ik al sinds 2009 over. Ik ben blij dat we nu op dat punt komen.

Ik begrijp de bezorgdheid, maar we moeten eerlijk zijn. Als een gemeente iets wil aankopen, zoals een papierstock of een printer, is het ook niet zo dat de eerste de beste binnenstapt, papier overhandigt en een factuur achterlaat die de gemeente moet betalen. De leverancier moet aan een aanbesteding meedoen. Als het om een kleinere aanbesteding gaat, zal die aanbesteding iets simpeler zijn. Als we heel eerlijk naar artikel 11 en naar de voorwaarden voor de call kijken, zie ik daar niets in staan dat onmogelijk is. De plaats waar iets wordt geplaatst, hoeveel er wordt geplaatst, welke steun wordt gevraagd en het ondernemingsnummer bij de Kruispuntbank van Ondernemingen (KBO) zijn allemaal de meest logische zaken die voor een call of een aanbesteding worden gevraagd. Die kleinere gemeentelijke aanbestedingen zijn, met andere woorden, nu plots sowieso moeilijk. Dat gebeurt, bij manier van spreken, altijd voor eender welke aankoop. Ik zie niet in waarom het nu plots moeilijk zou kunnen zijn.

Of een project groot of klein is, is niet de factor die bepaalt wat het meest rendabele project is. Het meest rendabele project zal door drie factoren worden bepaald, namelijk de investeringskost, hoeveel onder eigen dak zelf kan worden benuttigd en vooral wat de elektriciteitsprijs is die momenteel wordt betaald. Een school, bijvoorbeeld, betaalt momenteel een veel hogere elektriciteitsprijs dan een bedrijf waar een grotere installatie op kan. Het is zelfs perfect mogelijk dat de kleinere projecten veel rendabeler zullen zijn en minder ondersteuning nodig zullen hebben dan de grote projecten.

Dus ik zou nu niet op voorhand durven zeggen dat de kleintjes daardoor uitgesloten zijn. Gaan die kleintjes, die coöperatieven hun weg niet vinden naar de aanbesteding? Dat moeten we evalueren, maar ik vind het ook maar normaal dat men zich toch eventjes organiseert. Is het zo moeilijk om die tien puntjes in te vullen bij een bankwaarborg van 7,5 procent? Bij een openbare aanbesteding moet men ook een bankwaarborg geven. Ik zie dan ook geen verschil met een aanbesteding voor een school. Wanneer een school zonnepanelen wil plaatsen, zal niet zomaar de eerste de beste dat mogen doen, dan zal dat via een aanbesteding moeten gebeuren. Nu, die scholen doen meestal geen aanbesteding, meestal gaan zij na of zij kunnen aansluiten bij een groepsaankoop of bij een coöperatieve, precies om de procedure zo licht mogelijk te maken. Eigenlijk is dat nu niet anders, maar het is een andere procedure. We moeten dan ook durven te gaan voor deze call waardoor de meest rendabele projecten zullen worden ondersteund. Uiteindelijk willen we toch, zoals de heer Van Rooy vraagt, zo kostenefficiënt mogelijk ondersteunen, en dat doen we dan ook.

De voorzitter

De heer Bothuyne heeft het woord.

Eerst nog een beetje geschiedenis, ik stel trouwens vast dat ik in dit gezelschap de enige ben die toen al actief was in de commissie Energie, ik word dus echt ouder.

De aanpassing van de oversubsidiëring is inderdaad gebeurd tijdens het ministerschap van Freya Van den Bossche, maar zij wilde zelf niet het decreet indienen in het parlement, het waren mevrouw Homans, de heer Martens en ikzelf die destijds het decreet dat de oversubsidiëring in Vlaanderen aan banden heeft gelegd, hebben gemaakt en ingediend. Tot zover de geschiedenis.

Wat de toekomst betreft, steun ik eigenlijk wel de idee en het principe dat de minister en de regering hebben voorgesteld, namelijk om de sector hier op een competitieve manier uit te dagen om op een kostenefficiënte manier zoveel mogelijk groene stroom aan een zo laag mogelijke kost te produceren. Dat lijkt me correct en juist.

Ik weet ook dat de minister daarover overleg heeft gehad met de sector, waarvoor dank. Ik heb nog twee bemerkingen. Ten eerste denk ik dat we een en ander goed zullen moeten monitoren, niet op jaarbasis maar op kortere termijn, want het is de bedoeling om meerdere calls per jaar de wereld in te sturen. Verder wil ik ook vragen om die evaluatie te doen samen met de sector zodat we de effecten goed onder ogen kunnen zien en kunnen bijsturen waar nodig.

Een tweede bemerking en daaruit voortvloeiend: we zouden in de situatie terecht kunnen komen waarbij kleine installaties, door de investeringssteun waarover we het net hadden, een vrij hoog rendement hebben, en grote installaties door hun schaalvoordeel en de steun die ze krijgen door de call, ook een hoog rendement hebben terwijl het segment van de middelgrote installaties die daar tussenin valt, bedreigd zou kunnen worden. Ik zeg ‘zou kunnen’ omdat we dit moeten monitoren en bereid moeten zijn om bij te sturen wanneer zich ongewenste neveneffecten zouden voordoen.

Minister, ik vraag u dus om dit nauwgezet op te volgen en in goed overleg te blijven met de sector en waar nodig bij te sturen.

De voorzitter

Minister Demir heeft het woord.

Minister Zuhal Demir

Ik dank de collega’s voor hun tussenkomsten.

Voor installaties kleiner dan 10 kilowatt is er vandaag de terugdraaiende teller. Vanaf 2021 hebben we de eenmalige investeringssteun die degressief is. De installaties van 10 tot 40 kilowatt hebben vandaag en morgen ook geen steun, mijnheer Danen, omdat zij rendabel zijn. Voor de installaties tussen 40 en 2000 kilowatt bestond tot op heden het systeem van de certificaten die nu worden vervangen via die calls met het oog op de kostenefficiëntie.

We hebben, zoals de heer Bothuyne heel duidelijk heeft gezegd, een overleg gehad met de sector. Zij hadden liever een ander systeem.

Maar we hebben daarover een lang overleg gehouden. Ze waren wat bezorgd over de administratieve rompslomp. Voor de kleinere spelers is het belangrijk dat we de drempel heel laag houden. Die drempel voor deelname is maximaal laag gehouden voor alle projecten. De ontvankelijkheid wordt, zeker bij het online indienen, geverifieerd. De steun wordt toegekend na de start van het project. Dan pas moet het dossier volledig zijn. De indiener bepaalt zelf of en in hoeverre hij zijn project op voorhand wil uitwerken. Na de toewijzing is er ruim de tijd om projecten uit te voeren. Zeker de kleine projecten hebben ruim voldoende de tijd: achttien maanden, en met de mogelijkheid om te verlengen met een jaar, net omdat we die kleine projecten mee willen. De drempel is zeer laag.

Ik ben het eens met de collega's: we zullen dat monitoren. Dat lijkt mij inderdaad belangrijk. Collega Tobback, we zullen dat doen per veiling. We moeten dat op een heel transparante manier doen, we moeten de prijs en het vermogen transparant publiceren, zodat iedereen die kan nakijken. Dat is uiteraard in ons belang, maar ook in het belang van de sector. We zullen dat monitoren per veiling. Ik ben het met jullie eens dat we dat goed moeten opvolgen.

De voorzitter

De heer Danen heeft het woord.

Minister, ik dank u voor uw antwoord. Ik ben alleszins blij dat er een opening wordt gemaakt om het te monitoren en dicht op het vel van de projecten te zitten. Want ik maak mij wat zorgen. De Vlaamse Regering heeft namelijk bepaald dat men tegen 2030 het vermogen van de PV-installaties wil verdubbelen, naar 6,7 gigawatt. Dat is heel veel. Uiteraard ondersteunen wij die doelstelling, voor ons mag het zelfs nog wat meer zijn. Maar dan moet het beleid natuurlijk volgen. Ik maak me wat zorgen rond de kleinere installaties, tussen de 10 en de 40 kilovoltampère. Minister, u zegt dat die nu weinig tot geen steun hebben. Dat klopt, maar er worden nu ook heel weinig van dat soort projecten uitgevoerd. Ik denk daarbij aan daken van scholen, van supermarkten enzovoort. Minister, kunt u bekijken hoe ook die daken optimaal kunnen worden gebruikt voor hernieuwbare energie? Hoe kunt u daarvoor eventueel steun geven, weliswaar marktconform en zonder oversubsidiëring? Het potentieel en de wil om daarmee voor daken aan de slag te gaan, is er.

U hebt het over monitoren. Kunt u dat ook bekijken voor de installaties tussen de 10 en de 40 kilovoltampère?

De voorzitter

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is gesloten.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.