U bent hier

De voorzitter

– Wegens de coronamaatregelen werden deze vragen om uitleg via videoconferentie behandeld.

De heer Bothuyne heeft het woord.

De Vlaamse Regering heeft de voorbije weken een aantal beslissingen genomen omtrent hernieuwbare energie. De aanleiding voor deze vraag was de beslissing van vrijdag 29 mei om de ondersteuning van hernieuwbare energiebronnen en warmte-krachtkoppeling (wkk) in lijn te brengen met het voornemen uit het regeerakkoord om in de toekomst de ondersteuning van hernieuwbare energie verder in te perken en eventuele oversubsidiëring tegen te gaan.

Door de beslissing, minister, komt volgens u alleen al voor de windprojecten ‘naar schatting 200 miljoen euro minder in de energiefactuur van de verbruikers terecht’. Dat is een bedrag dat alleszins tot de verbeelding spreekt, vandaar dat het mijn interesse opwekte om er hier een vraag over te stellen.

De steuntoekenning vermindert relatief gezien het sterkst bij grote windturbines. Tegelijk is deze regering ook bijzonder ambitieus. In het regeerakkoord is een forse toename van de geïnstalleerde productiecapaciteit aan windenergie voorzien. Dat is een van uw belangrijkste opdrachten in deze legislatuur, denk ik. De hernieuwbare energiesector is ook een sector die een belangrijke plaats zal moeten krijgen in de relanceplannen van de overheid. Dat is ook compatibel met uw voornemen uit de beleidsnota om een gunstig kader te scheppen voor de uitbouw van windenergie in Vlaanderen, zodat we de ambitieuze langetermijndoelstelling van 2,5 gigawatt aan geïnstalleerd vermogen onshore tegen 2030 effectief kunnen realiseren.

Ondertussen hebt u ook een aantal beslissingen genomen rond fotovoltaïsche energie en kleinschalige windturbines, met enerzijds een investeringspremie voor de kleine installaties die, als je die uitrekent, per kilowattpiek vrij gunstig is, en anderzijds een veilingsmechanisme. Ik las daar al heel wat commentaar over uit de sector, die bezorgd is over vooral middelgrote projecten die dreigen te verdwijnen of onmogelijk te worden gemaakt. Ook de complexiteit van het voorstel dat u hebt voorgelegd, wordt op de korrel genomen. Ik citeer: “Ingewikkeld is het vanzelf, eenvoud moet je ontwerpen.” Het ontwerp dat hier voorligt ter ondersteuning, is niet altijd even eenvoudig. Er kunnen wel eens ongewenste neveneffecten zijn.

Minister, zijn de aanpassingen aan het ondersteuningskader voor hernieuwbare energie genomen in overleg met de hernieuwbare-energiesector, en meer specifiek de windsector? Kunt u toelichting geven bij de methode die gebruikt is om de besparing te becijferen waarover u hebt gecommuniceerd? En kunt u de opvallende verschillen duiden met de berekeningsmethode uit het SERV-document (Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen) ‘Frisse wind door certificatensteun’, waarin de SERV op een veel kleiner bedrag aan mogelijke besparing uitkomt dan wat u hebt gecommuniceerd? Graag had ik dus ook wat toelichting bij de ‘naar schatting 200 miljoen euro minder in de energiefactuur van de verbruikers, enkel al voor de windprojecten’. Hoe komt u tot dat cijfer?

We doen een aantal aanpassingen aan de ondersteuning van hernieuwbare-energieprojecten. De essentie is natuurlijk dat er meer hernieuwbare energie wordt geproduceerd en capaciteit wordt geïnstalleerd. Op welke manier zult u de impact van die beslissing de komende jaren opvolgen, monitoren en eventueel bijsturen waar nodig? Wat zal volgens u de impact zijn op het aantal gerealiseerde windprojecten tussen nu en 2030? Is die impact in verhouding met de beperkte besparing die de maatregelen teweegbrengen op de energiefactuur van de gezinnen? Hoe zult u vermijden – en dat is een oud zeer dat we in het verleden al bespraken in deze commissie – dat in de toekomst vooral de minder efficiënte, kleinere onshore windturbines worden gebouwd met een vermogen kleiner dan 3 megawatt?

En tot slot, welke rol ziet u voor de sector van de hernieuwbare energie in de relanceplannen van de Vlaamse Regering?

De voorzitter

De heer Danen heeft het woord.

Ik heb twee vragen die nauw aansluiten, maar om het niet te complex te maken voor de minister, trek ik ze uit elkaar. Ik zal de vraag stellen die aansluit bij de vraag van de heer Bothuyne.

Zoals bekend en zoals de heer Bothuyne al zei, heeft de Vlaamse Regering vorige week een beslissing goedgekeurd over de ondersteuning van hernieuwbare energiebronnen en warmte-krachtkoppeling. Zo besliste ze om de onrendabeletopberekening aan te passen door de rendementsgarantie of de internal rate of return (IRR) van hernieuwbare-energieprojecten naar beneden bij te stellen. De Vlaamse Regering liet zich voor deze beslissing bijstaan door een Nederlands milieuadviesbureau.

Minister, om uw beleid bij te sturen, deed de Vlaamse Regering een beroep op een Nederlands milieuadviesbureau. Welke procedure werd er gehanteerd om dit bureau aan te stellen? Hoeveel milieuadviesbureaus werden er aangeschreven voor deze opdracht?

Werd de sector van hernieuwbare-energieproducenten betrokken bij de opmaak van deze studie?

In de pers, onder andere in Het Belang van Limburg van 29 mei, deelt u mee dat de toegepaste rendementseisen voor vergelijkbare projecten in de buurlanden lager liggen dan momenteel in het Vlaamse Gewest. Minister, liggen de toegepaste rendementseisen voor vergelijkbare hernieuwbare-energieprojecten in de buurlanden inderdaad lager voor elk type van hernieuwbare energie: zon, wind, biomassa en warmte-krachtkoppeling? Geldt dat voor al onze buurlanden? Werden de gehanteerde rendementseisen in Wallonië en Brussel meegenomen in deze studie? Hoe verhouden de rendementsgaranties in Wallonië en Brussel zich tot de rendementsgaranties die de Vlaamse Regering hanteert?

Minister, u zegt in de pers ook dat de studie aantoont dat de verlaging van de rendementseisen geen of slechts een minimale impact zou hebben op de investeringsbereidheid bij bedrijven. Werd deze impact per type hernieuwbare energie berekend? Hoe groot zou, volgens de uitgevoerde studie, de impact van deze verlaging zijn op de investeringsbereidheid van bedrijven?

In hetzelfde artikel zegt u ook dat deze ingreep een positieve impact heeft op de energiefactuur van de verbruikers. Zelfs wanneer er op de energiemarkt negatieve elektriciteitsprijzen aangerekend worden, zal een particuliere eindverbruiker hier niets van merken. Over welk type van verbruikers spreekt u dan? Hoe zal deze beslissing een positieve impact hebben op de energiefactuur?

De voorzitter

De heer Tobback heeft het woord.

U hebt ook vragen over hetzelfde thema?

Ja, het moet zijn dat de intenties van de minister veel vragen oproepen, voorzitter.

Ik zal de beschrijving van het voorliggende ontwerp niet herhalen. De collega’s hebben het kader perfect geschetst. Ik wil mij op één punt aan de kant van de minister scharen, namelijk dat ze er natuurlijk in slaagt voor minder geld en minder steun dezelfde investeringen in hernieuwbare energie te krijgen. Dat is een goede zaak. En het zou zelfs nog meer moeten zijn, aangezien de Vlaamse overheid op dit moment haar eigen targets voor het installeren van bijkomende hernieuwbare-energiecapaciteit eigenlijk – laat ons eerlijk zijn – niet haalt en in de toekomst nog een heel eind werk voor de boeg heeft.

In die zin ben ik toch wat op mijn honger gebleven bij de verklaringen van de minister naar aanleiding van dit ontwerp van besluit. Ja, er wordt waarschijnlijk geld bespaard door de maatregelen die er zijn. Maar als er een negatieve impact is op de investeringen en er dus minder nieuwe capaciteit wordt geïnstalleerd, zullen we dat geld uiteindelijk toch nog eens uitgeven, want de stroom hebben we sowieso nodig. De vraag is dus toch wel of men hier alleen maar heeft bespaard op geld dat men zal uitgeven in hernieuwbare energie en dat we het uiteindelijk ergens anders naartoe zullen dragen, want de stroom en de energie zullen er toch moeten zijn. En of u nu 200 miljoen euro bespaart in hernieuwbare energie om dan 200 miljoen euro te moeten investeren in andere bronnen van energie, is voor de belastingbetaler een nulresultaat en is voor het milieu en het klimaat en uw Vlaamse ambities een negatief resultaat.

Minister, ik heb een aantal heel concrete vragen. Kunt u inderdaad – de collega’s hebben er al op gewezen – verduidelijken hoe men tot de conclusie gekomen is dat er geen negatieve impact zal zijn op de investeringen in duurzame energie?

Als ik de reacties uit de sector hoor, heb ik de indruk dat dat nogal twijfelachtig is. Hoe kunt u hardmaken dat er inderdaad niet gewoon wordt bespaard op het aantal projecten en op de capaciteit hernieuwbare energie die we in Vlaanderen gaan investeren en u dus het tegenovergestelde doet van wat er in het regeerakkoord staat?

Het punt over de negatieve prijzen sluit hierbij aan. Men zou inderdaad geen steun meer krijgen voor hernieuwbare energie in geval van negatieve prijzen. De voorbije maanden werden we regelmatig geconfronteerd met negatieve prijzen en gaf dit keer op keer aanleiding tot een hele klaagzang vanuit de sector van de hernieuwbare energie, over het feit dat die negatieve prijzen ook negatief zijn voor de sector, voor het rendement van de hernieuwbare energieprojecten en dus een slechte zaak zijn. Op welke basis – als u de voorbije maanden mee hebt gevolgd – concludeert u dat wanneer u in dat geval ook geen steun meer geeft, er ook geen negatief effect zal zijn voor de investeringen in hernieuwbare energie?

Minister, bewijs mij dat u niet alleen maar bezig bent met slogans over ‘we zijn geld aan het besparen’, maar dat u tegelijk ook oog hebt gehad voor het voortzetten van de investeringen in hernieuwbare energie, die u zelf heel de tijd beweert te willen realiseren en ondersteunen.

De voorzitter

Sparen en toch winst oogsten, dat zal de minister ons uitleggen.

Minister Demir heeft het woord.

Minister Zuhal Demir

Collega's, dank u voor al uw vragen. Het zijn allemaal vragen die de sector hernieuwbare energie ons ook heeft gesteld. Ik zal er punctueel op antwoorden, het zal dus een lang antwoord zijn. Ik wil wel eerst vooropstellen dat het geven van heel veel subsidies – dat hebben we in het verleden gezien – geen garantie is voor het halen van je doelstelling. Ik wil hier opnieuw het tekort aanbrengen van de hernieuwbare-energiedoelstelling uit het verleden. In het verleden is er massaal overgesubsidieerd. Als ik de sector zou zijn, dan zou ik nu ook niet content zijn. Ik heb uiteraard ook veel meer centen dan wat we nu aan het doen zijn, maar we hebben ons gebaseerd op de studie en ook gekeken naar de ons omringende landen, waar men wel tamelijk ver staat wat hernieuwbare energie betreft, en waar er veel minder met geld wordt gegooid.

Het is een keuze geweest van deze regering om die oversubsidiëring aan te pakken en daar met wat gezond verstand naar te kijken, en die niet in de elektriciteitsfactuur te draaien, wat in het verleden ook is gebeurd. Oké, ik begrijp dat de sector natuurlijk niet tevreden is, hoe zou je zelf zijn? Als ik minder centen krijg, dan zou ik ook niet tevreden zijn.

Maar goed, die hervorming moesten we doen, zoniet hadden we opnieuw dezelfde fouten gemaakt die in het verleden zijn gemaakt. Ik zal dit wel jaarlijks monitoren want het halen van de doelstelling is voor mij belangrijk. Ik ben ervan overtuigd dat we dat zo kunnen doen, maar we gaan dat jaarlijks monitoren. Dan kunnen we ook goed zien en opvolgen waar we staan.

Op de vraag of er overleg is geweest met de sector, antwoord ik: uiteraard, meermaals hebben we over aanpassingen aan het Energiebesluit uitgebreid overleg gevoerd met de sector zelf. Hun belang is natuurlijk anders dan mijn belang. In deze zaak hebben we een goede beslissing genomen.

Ik zal beginnen met de vragen van collega Bothuyne en dan wat ik nog niet heb beantwoord verder punctueel behandelen op vragen van de andere vraagstellers.

De cijfers van de SERV over de besparingen verschillen fundamenteel omdat de SERV enkel kijkt naar de daling in de ondersteuningskosten tijdens deze legislatuur, dus van 2021 tot en met 2024, terwijl wij een berekening hebben gemaakt over de hele steunperiode.

En in verband met die steunperiode: als je 80.000 euro geeft, is die niet vier jaar maar twintig jaar. En dan lijkt het mij wel logisch dat je dat in zijn geheel bekijkt. Dat is om het verschil aan te kaarten.

Ik geef ook nog toelichting over die 200 miljoen euro: de besparing op de steunkosten voor wind is beschouwd voor de aanpassingen sinds het begin van deze legislatuur. De vooropgestelde IRR is verlaagd van 7,5 in het begin van deze legislatuur naar 5,5. We hebben dat in twee stappen gedaan. Het verschil in nodige steunhoogte voor de lagere IRR bedraagt volgens het onrendabele topmodel bijna 10 euro per megawattuur. Voor een typische windturbine van 3,4 megawattuur met de gemiddelde 2600 vollasturen geeft dat per turbine en per jaar een besparing van ongeveer 81.000 euro, over een steunperiode van 20 jaar, dus 1,62 miljoen euro per turbine. Aangezien we deze legislatuur in de 4 volgende jaren een 130-tal turbines willen realiseren geeft dat in totaal 214 miljoen euro besparing.

De vierde vraag ging over de impact van deze beslissing. We gaan de ontwikkeling van de nieuwe windprojecten inderdaad opvolgen via de maandelijkse statistieken die wij van de netbeheerders ontvangen. Deze betreffen de gerealiseerde projecten. Daarnaast volgen we ook het aantal vergunningsaanvragen en de principeaanvragen voor certificaten op, zodat we ook al in een vroeg stadium van projectontwikkeling de groei kunnen opvolgen. Jaarlijks publiceert het Vlaams Energieagentschap ook een vergelijking tussen de doelstellingen per technologie en de doelstellingen opgenomen in het Vlaams Energie- en Klimaatplan. Dat zullen we dus op die manier opvolgen.

Wat betreft uw vijfde vraag: volgens ons is het rendement nog steeds voldoende aantrekkelijk, aangezien de IRR nog steeds één procentpunt hoger ligt dan het hoogste rendement dat voor vergelijkbare steunmechanismen in de buurlanden gehanteerd wordt. Ik verwijs daarvoor naar de studie van Trinomics. Daarnaast hebben wij bij de voorbereiding van de gesprekken met de sector vastgesteld dat een aantal ontwikkelaars zeer kostenefficiënt en creatief zijn, waardoor nog veel projecten rendabel zullen zijn, dus met een IRR dat in de realiteit ruim hoger zal zijn dan 5,5 procent.

Hoe zullen we vermijden dat in de toekomst vooral de minder efficiënte onshore windturbines met een vermogen kleiner dan 3 megawattuur gebouwd zullen worden? De Vlaamse Regering is enkel bevoegd voor aanvragen voor omgevingsvergunningsprojecten voor grote windturbines, dus met een vermogen van meer dan 1500 per turbine. Afhankelijk van het aantal turbines en de ligging behandelt de minister van Omgeving dit in eerste aanleg of in graad van beroep. Hierbij wordt uiteraard enkel beoordeeld of het aangevraagde project de toetsing van de voorschriften en de goede ruimtelijke ordening doorstaat.

Het lijkt mij vanuit energie-efficiëntie dan ook aangewezen om op land te streven naar iets grotere turbines, bijvoorbeeld met een vermogen van meer dan 3 megawattuur, indien dit ruimtelijk verantwoord is. Dat laatste is natuurlijk essentieel. Op die manier kan men de relatief schaarse geschikte inplantingslocaties zo goed mogelijk benutten en kunnen we een evenwicht vinden tussen de ruimtelijke inpasbaarheid, de eventuele hinder en de energiedoelstellingen op het vlak van duurzame energie. Grotere windmolens hebben immers een veel grotere opbrengst. Indien de locatie echter om technische redenen enkel geschikt is voor kleinere turbines, bijvoorbeeld vanwege slagschaduw of geluidsimpact op omwonenden, kunnen mogelijks ook kleinere turbines van minder dan 3 megawattuur overwogen worden.

De doelstelling in het regeerakkoord is helder. Dit zijn ambitieuze doelstellingen die ook in de komende jaren nog zeer grote investeringen zullen vragen, en daardoor een belangrijke bijdrage zullen leveren aan de economische activiteiten. Daarom heb ik in het kader van de coronacrisis onmiddellijk maatregelen genomen om de uitvoeringstermijnen van de lopende en de geplande projecten voor hernieuwbare energie te verlengen.

Als aanvulling hierop wil ik zeker nog beklemtonen dat de doelstellingen inzake de investeringen in hernieuwbare energie, in energiezuinige nieuwbouw en vooral in renovatie een enorm investeringspakket inhouden dat de bouwsector kan aanzwengelen.

Mijnheer Danen, de studie betrof een bijdrage lager dan 30.000 euro. In het licht van de wet op de overheidsopdrachten hebben we hiervoor twee studiebureaus met relevante ervaring aangeschreven. Een van beide wenste vanwege een belangenconflict niet deel te nemen. Het voorstel van het andere adviesbureau is aanvaard vanwege de gunstige prijs, de hoge kwaliteit van het voorstel en de degelijke referenties.

Het adviesbureau heeft een literatuurstudie uitgevoerd. De studie is uitgebreid toegelicht voor de commissie Energie en Omgevingsbeleid van de SERV en is aan de sectorfederaties bezorgd. De SERV en de sectororganisaties hebben hun opmerkingen kunnen doorgeven.

In het rapport wordt een overzicht gegeven van de relevante studies met betrekking tot het rendement van investeringen in hernieuwbare energie in Europa. Dit rendement ligt systematisch en aanzienlijk lager dan de IRR-waarden die op dat ogenblik in Vlaanderen van toepassing waren. In de studie wordt per technologie ook een gedetailleerd overzicht van de rendementen gegeven. Samengevat stelt het studiebureau voor elke technologie een rendement voor dat voor Vlaanderen minstens gelijk is aan de hoogste waarde in een buurland. Het uiteindelijke rendement dat aan de Vlaamse Regering is voorgelegd, is in alle gevallen hoger dan het rendement dat het studiebureau heeft voorgesteld.

In de literatuurstudie worden verschillende studies die voor België relevant zijn en een studie voor Wallonië onderzocht. De rendementscijfers voor Wallonië waren echter niet bruikbaar omdat de waarden door het adviesbureau niet actueel werden bevonden. De reden is dat deze cijfers sinds 2006 niet meer zijn geactualiseerd.

Per type van hernieuwbare energie is voor de relevante projectcategorieën niet enkel de IRR, maar ook de impact van de geleidelijke verlaging van de maximale bandingfactoren onderzocht. Dit is telkens voor twee situaties gebeurd, namelijk een simulatie waarin de bandingfactoren met de huidige IRR zijn berekend en een simulatie waarin de bandingfactoren met de in de studie voorgestelde IRR-waarde zijn berekend. Op basis van de studie is de impact van de volledige afbouw van de steunmaxima voor zon en wind tegen 2025 op het aantal projecten gering. Er zal tot 2023 geen impact zijn. In het goedgekeurde besluit worden op basis van het overleg met de sector maximale bandingfactoren voor nieuwe installaties tot en met 2023 vastgesteld. Er valt tot 2023 dus geen impact op de overgrote meerderheid van zon- en windprojecten te verwachten.

Wat de negatieve prijzen betreft, worden de steunkosten door middel van de groenestroomcertificaten aan de elektriciteitsverbruikers doorgerekend. Elke verlaging van de steun leidt dus tot een daling van de energiefactuur. Zo ramen we, bijvoorbeeld, dat de steunverlaging voor zon en wind alleen al tot een besparing van bijna 214 miljoen euro leidt. Ik heb daarstraks al uitgebreid geantwoord dat de keuze om de oversubsidiëring af te bouwen natuurlijk ook de factuur van de verbruikers laat dalen.

Mijnheer Tobback, ik heb uw eerste vraag daarnet al beantwoord. Wat uw tweede vraag betreft, wordt de steun voor zon en wind op basis van de groenestroomcertificaten jaarlijks geactualiseerd.

Door deze actualisatie wordt het rendement van een investeerder gegarandeerd, ook als de prijs van de elektriciteit sommige jaren lager is dan initieel ingeschat. De negatieve prijzen op de markten van de afgelopen weken zullen leiden tot een lagere gemiddelde elektriciteitsprijs in 2020. De steunhoogte zal daarom ter compensatie bij de eerstvolgende actualisatie hoger komen te liggen voor lopende projecten. De situatie zal normaal gezien tijdelijk zijn en zal geen permanente invloed hebben op het niveau van de prijzen op langere termijn. Wij houden dat verder ook mee in de gaten.

De voorzitter

De heer Bothuyne heeft het woord.

Bedankt voor uw uitgebreide antwoord, minister. De productie van hernieuwbare energie, een juiste ondersteuning en een goed kader zijn een bijzonder belangrijke opdracht en een bijzonder belangrijk onderdeel van uw taak als minister.

Wat collega Tobback in het begin zei, is uiteraard juist. We moeten daar geen euro te veel aan uitgeven, vandaar dat we in het Vlaams regeerakkoord ook hebben gezegd dat we rekening gaan houden met de evoluties van onder andere de kapitaalsmarkten. Geld is goedkoper dan een aantal jaren geleden, toen een aantal zaken rond de IRR’s zijn vastgelegd. We gaan die evalueren en aanpassen.

Minister, u had het in het begin van uw antwoord over ‘massale oversubsidiëring’, ‘met geld gooien’ en dergelijke meer. Ik wil u er gewoon op wijzen dat sinds 2013, sinds het decreet dat ik samen met collega Homans en toenmalig collega Martens heb gemaakt, de oversubsidiëring is beëindigd. Dat is zeven jaar geleden. We slepen inderdaad nog altijd wel een factuur mee van het beleid dat daarvoor is gevoerd, maar ik wil u echt van harte oproepen om niet langer de indruk te wekken – misschien doet u dat onbedoeld – dat de sector van de hernieuwbare energie tot op vandaag een grote bende subsidieslurpers is, die dankzij oversubsidiëring met overwinsten zou gaan lopen. Het is ongetwijfeld onbedoeld, maar u geeft alleszins die indruk met sommige communicatie. Een juiste compensatie voor wat wij als overheid vragen, voor gelijk welke sector, is een juiste aanpak, vandaar ook dat we een aantal zaken ondersteunen.

Dan kijk ik even naar uw berekening. De SERV komt aan 36 miljoen euro besparing voor de totale hernieuwbare-energiesector, op basis van de nog iets lagere IRR van de Trinomics-studie. Als ik dat opentrek naar 20 jaar, de volledige steunperiode, komen we ongeveer aan de helft van het bedrag dat u komt te citeren. Ik denk ook dat u appels en peren vergelijkt, om tot die 200-en-zoveel miljoen euro te komen. U vergelijkt een oude subsidieregeling, die nu zelfs al niet meer bestaat, met wat we nu hebben beslist. Als we de teleurstelling bij de mensen niet willen gaan organiseren, moeten we met juiste cijfers komen. U hebt gecommuniceerd dat dat 200 miljoen euro zal schelen in de energiefactuur. Daar stond niet bij dat dat op 20 jaar is. En daar stond al helemaal niet bij dat dat cijfer eigenlijk door de sector zelf en de experten van de SERV wordt gecontesteerd. Nu, ik begrijp waarom u dat laatste er niet bij zet, voor alle duidelijkheid. Maar het is dus niet zo dat we hier over een massale vermindering van de energiefactuur kunnen gaan spreken, helaas.

Ten gronde: ik ben heel blij dat u over deze hervorming hebt overlegd met de sector en dat u ook de inspanningen wilt doen om dat ook in de toekomst te blijven doen. De impact op deze sector zou wel eens heel groot kunnen zijn. U had het zelf over een aantal grote spelers die efficiënt kunnen werken en op basis daarvan allicht met deze parameters aan de slag kunnen op goede locaties om windturbines te gaan installeren. Maar het zou wel eens kunnen, als we net iets te ver gaan in het knippen van de ondersteuning, dat de kleinere spelers uit de markt geduwd worden en we straks nog met twee of drie grote windenergiebedrijven overblijven, een oligopolie. En ik heb uit mijn lessen economie geleerd dat het oligopolie op termijn aanleiding geeft tot prijsverhoging.

Ik wil u dus echt vragen om niet alleen te waken over het halen van de doelstellingen inzake windenergie en inzake hernieuwbare energie in het algemeen, maar ook over het in stand houden van een concurrentiële markt. Als we straks afhankelijk worden van twee of drie grote spelers om onze doelstellingen rond hernieuwbare energie en rond energieproductie in het algemeen te halen, zullen wij er als overheid en energieconsument bekaaid van afkomen. Daarom vraag ik om uw monitoring aan te houden, niet alleen op productie en prijs, maar ook op de impact op de markt zelf.

U bent niet ingegaan – dat begrijp ik ook, want u kreeg dat niet mee in onze voorbereiding – op de recentere beslissingen rond de PV-installaties, met een eenmalige premie voor de kleinere installaties en het veilingsmechanisme voor de iets grotere zonneprojecten en de middelgrote windprojecten. Kunt u hierbij wat duiding geven, om zo uw keuzes wat toe te lichten?

De voorzitter

De heer Danen heeft het woord.

Minister, ik dank u voor uw antwoord, maar het stelt mij niet helemaal tevreden. Misschien vindt u dat goed, omdat u niet per se wilt dat ik tevreden ben.

Ik heb u vooral gevraagd naar de steunmechanismen. Het lijkt mij goed om naar een realistisch niveau te gaan. Niemand pleit voor oversubsidiëring. Ik sluit graag aan bij het pleidooi van de heer Bothuyne daarover. Want door dat heel vaak te zeggen, blijft u de indruk geven dat de sector inderdaad leeft van oversubsidiëring. Maar ik denk dat dat ondertussen helemaal niet het geval is. Ze hebben tot nog toe gewoon gedaan wat ieder bedrijf zou doen. En vanaf nu is er allesbehalve sprake van oversubsidiëring. Minister, ik wil u vragen zulke woorden niet langer in de mond te nemen, want op die manier wordt de sector helemaal niet geholpen, integendeel.

Ik vroeg u vooral of het steunniveau nog concurrentieel was, of het hoger of lager was in de ons omringende landen. U hebt mij daarop geantwoord. Ik heb het advies van de SERV over de studie er eens bijgenomen. De SERV is in dat opzicht heel duidelijk: er kan niet worden geconcludeerd dat er in Vlaanderen sprake is van oversubsidiëring, ondersubsidiëring of precies voldoende steun. De studie bevat onvoldoende informatie om op basis daarvan een beslissing te nemen over de steunaanpassing. De beslissing is genomen. Ik neem aan dat u die niet zult aanpassen omdat ik dit nu vraag. Maar ik wil u wel vragen om snel te evalueren en met de sector rond de tafel te zitten om te bekijken of het goed is. Want het zou toch bijzonder jammer zijn mocht er het eerste jaar na de invoering van deze beslissing niets meer gebeuren op dit vlak. Kunt u dat monitoren en nagaan of er moet worden bijgestuurd? De sector is in evolutie. Wat een aantal jaren geleden heel zwaar moest worden gesubsidieerd, moet dat nu misschien helemaal niet meer. Andersom geldt dat allicht niet. Het lijkt mij goed om te komen tot een realistisch steunniveau. De studie die nu voorligt, is in mijn ogen helemaal niet goed gebeurd. Daarom vroeg ik u ook hoe u bij die studie bent uitgekomen. De SERV ondersteunt wat ik hierover te zeggen heb. Minister, kunt u dat snel evalueren?

Twee, ik wil u ook waarschuwen om niet te voluntaristisch te werk te gaan in uw communicatie over energieprijzen die kunnen dalen. Een paar van uw collega's hebben dat in het verleden wél gedaan en we zien hoe het met sommigen van hen is afgelopen.

U creëert de verwachting dat de eindgebruiker zal zien hoe de factuur zal dalen als gevolg van uw maatregelen. Wel, minister, dat zal niet het geval zijn. Als de energiefactuur daalt, zal dat te wijten zijn aan andere factoren dan dit soort maatregelen. Want 200 miljoen euro op tien of twintig jaar, tja, in de eindfactuur van een klant is dat misschien 1 of 1,5 euro op jaarbasis. Dat is verwaarloosbaar. Ja, dat is inderdaad wel zo. Ik wil u dus vragen om de verwachtingen niet te hoog te stellen, want als u dat wél zou doen, dan zult u de mensen alleen maar ontgoochelen.

Maar mijn voornaamste vraag is inderdaad: probeer snel te evalueren en te bekijken of de maatregel die u neemt, oké is. Persoonlijk denk ik van niet. Als zou blijken dat de interesse in investeringen helemaal terugvalt, dan is er wel degelijk iets aan de hand en moeten we bijsturen. Uiteraard zijn we te vinden voor een realistisch steunniveau. Daar kunnen we allemaal wel bij varen.

De voorzitter

De heer Tobback heeft het woord.

Minister, er is toch iets vreemds aan de hand met uw antwoorden in heel dit dossier. In het algemeen is er op dit moment, als je naar de energiemarkt en de productiecapaciteit kijkt, of het nu kerncentrales zijn of gascentrales of warmte-krachtkoppeling of windmolens, met uitzondering van zonnepanelen, raar maar waar, niemand die bereid is om zonder steun nieuwe capaciteit te bouwen. Al die sectoren vragen steun en garanties wanneer ze capaciteit installeren, of zelfs maar wanneer ze oude capaciteit, zoals in het geval van de kerncentrales, zouden moeten renoveren en wat langer rekken. Ze vragen daar allemaal steun voor, onder andere omdat we hoe langer hoe meer met negatieve energieprijzen en onvoorstelbare prijzen worden geconfronteerd. Dat creëert een moeilijke situatie, het creëert de nood om te kijken of we niet oversubsidiëren, maar u hebt blijkbaar het idee in uw hoofd gekregen dat er alleen maar, en vooral in de sector van de hernieuwbare energie en zeker in dit geval de windmolens, een gigantische oversubsidiëring aan de gang is, en voor al de anderen niet.

U creëert daarmee een fout beeld, want eigenlijk is dat al jaren niet meer het geval, en maar goed ook, eerlijk gezegd. Er is niemand die pleit voor oversubsidiëring, neem ik aan. U creëert daarmee een totaal verkeerd beeld, gebaseerd op informatie van ondertussen bijna een decennium geleden. Dat is vooral pervers omdat met wat u nu doet als regering, u niet alleen maar de effecten voor volgend jaar, maar op lange termijn het investeringskader creëert waarop investeerders zullen reageren.

Tenzij u van plan bent om met de Vlaamse Regering al die windmolens zelf te bouwen, waar ik niet voor zou pleiten, zult u een mechanisme moeten maken waarbij investeerders bereid zijn om erin te stappen. Als u met de Volvo of de Mercedes van uw kabinet naar de garage gaat voor onderhoud, dan betaalt u ook de prijs. Als u die auto koopt, dan betaalt u ook de prijs. Als de Vlaamse Regering investeert in sociale woningen, dan betaalt ze daar ook de prijs voor.

De discussie – een terechte discussie – moet zijn of het de juiste prijs is en of het niet te veel is. Wanneer u in uw toon en uw discours naar de hernieuwbare-energiesector alleen maar betoogt dat ze natuurlijk niet blij zijn dat ze geen geld krijgen, en dat hun belang niet uw belang is … Hun belang is natuurlijk wel ook uw belang en ons belang. Wanneer we er allemaal volle bak voor pleiten dat we meer hernieuwbare energie in Vlaanderen willen hebben, dat we die sector willen laten ontwikkelen, dat we daar jobs willen in creëren, dat we de doelstellingen willen halen, dan hebben we ook een gezamenlijk belang. Uw toon zet de hele tijd dat gezamenlijk belang in de schaduw ten opzichte van een aantal fictieve besparingen, want uit allerlei studies blijkt dat zelfs die 200 miljoen euro er niet zal komen.

Minister, ik wil nog even inpikken op een belangrijk punt van de heer Bothuyne en de heer Danen, en het sluit ook aan bij de volgende vraag om uitleg van de heer Danen over de middelgrote PV-installaties. In wat u doet, begin ik systematisch een lijn te zien om een aantal grote spelers te bevoordelen ten nadele van kleine bedrijven. Of het nu over de veilingsmechanismen voor PV-capaciteit gaat of in dit geval voor de windmolens, u bent eigenlijk systematisch bezig met een paar grote spelers – ik wil erop wijzen dat dat bijna allemaal buitenlandse bedrijven zijn – de markt cadeau te doen in uw mechanismen, en eigenlijk de kleine Vlaamse kmo's en start-ups uit de markt te prijzen.

Als dat de bedoeling is, dan is dat pervers, dan is dat zonde, dan is dat fout. Als u dat in stilte wilt doen, dan is dat grof, verstopt achter een verhaal van ‘we gaan geld besparen’. Iedereen weet dat afhankelijk worden van twee of drie grote spelers op termijn aan de belastingbetaler en de gemeenschap altijd meer geld zal kosten. Hier heb ik de indruk dat u met een fout verhaal voor de foute mensen aan het pleiten bent. Uw antwoord heeft me, eerlijk gezegd, dat idee niet ontnomen.

De voorzitter

De heer Gryffroy heeft het woord.

Het is natuurlijk een beetje vervelend dat vraag 2502 van collega Danen, die het expliciet heeft over de call wind en zon, hier al voor een stuk is behandeld door collega Tobback en collega Bothuyne.

Dus ik ga mij in mijn tussenkomst hier toch beperken tot het rendement. Zo heb ik voldoende tijd om het straks ook over die call te hebben, als het gaat over betaalbaarheid.

Collega’s, ik ga hier toch een rekenoefening voorleggen. Dat ik daar sterk in ben, bevestigt Energiejournaal zelf. Zij zeiden dat ‘het technisch goed onderlegd N-VA-parlementslid Andries Gryffroy ons terecht wees op een rekenfout omtrent terugverdieneffecten van zonnepanelen.’ Wel, jullie maken hier ook een rekenfout. Ik heb hier een klein voorbeeldje mee. Eigenlijk kunnen jullie dat allemaal via jullie medewerkers of studiediensten eens gaan checken en dat ook eens doen.

Ik heb een park genomen uit Limburg. Waarom? Omdat ik er tot op heden altijd van overtuigd was dat Limburg minder winduren vollast had dan aan de kust. Ik moet echter vaststellen dat in een windpark van 3 windmolens van 3,4 megawatt elke molen 3000 uren vollast heeft. Als we dan de onrendabele top zouden berekenen zouden ze een ondersteuning nodig hebben om een rendabel plan te hebben van 6,5 procent IRR van 1,15 euro per megawattuur. In het voorstel dat nu op tafel ligt met een IRR van 5,5 krijgen ze een ondersteuning van 9,5 euro per megawattuur, daar waar ze eigenlijk maar 1,15 zouden nodig hebben. 9,5 min 1,15 is 8,35 euro per megawattuur dat ze meer hebben om een IRR te hebben van 5,5 procent.

Bovendien wil ik ook nog eens heel duidelijk het verschil uitleggen tussen een IRR en een return on equity (ROE). Een IRR is het rendement op je project. U, als projectontwikkelaar, gaat daar bijvoorbeeld 20 procent eigen kapitaal in steken, met 80 procent vreemd kapitaal. Als je dan nog rekening houdt met de zeer lage interestkosten van heden, zit je gemakkelijk op een ROE, dus een wederbeleggingsvergoeding, van meer dan 10, 15 procent.

Als ik dat dan doorreken naar cijfers van twintig jaar moet ik vaststellen dat we zelfs met die 5,5 procent nog altijd een ondersteuning geven van 1.675.000 euro per turbine van 3,4 megawatt in het geval van Riemst in Limburg, over twintig jaar. Terwijl ze eigenlijk, om rendabel te zijn, een rendement van 6,5 procent zouden nodig hebben, 240.000 euro.

Wat is mijn conclusie? Sinds 2009 – collega Tobback weet dat zeer goed – hamer ik er al van tijdens de regeringsonderhandelingen op dat we moeten evalueren, dat we met een matrix moeten werken, en dat het niet overgesubsidieerd mag zijn. Wel, ik blijf erbij dat het wel overgesubsidieerd is.

Ik heb nog een ander voorbeeld. Men zegt dat windenergie moet worden geïntegreerd in het net. Maar in de haven van Gent en Antwerpen bijvoorbeeld wordt ze geïntegreerd in het net van de haven. Er is met andere woorden een eigen verbruik van 50 procent. En ik moet vaststellen dat men voor windturbines aan de kust, waar men rekent met een onrendabele top van 5000 euro opstalrecht, 50.000 tot 75.000 euro betaalt per molen per jaar. Waar gaat dat geld naartoe? Uiteraard niet naar de windprojectontwikkelaar maar naar de grondeigenaar. Er zit met andere woorden nog veel soep tussen.

Ik ga de zaak zelfs anders stellen. Het feit dat we nu onvoldoende windturbines zouden hebben in de toekomst zal niet te maken hebben met geld. Het zal te maken hebben met het protest dat er is tegen windmolens. De vraag is dus eigenlijk of we goed bezig zijn met onze normering. Zijn we goed bezig met onze afstandsregels? Zijn we goed bezig met onze milieurechten die daarrond hangen? Maar het gaat niet over geld. Mocht er morgen bij wijze van spreken geen enkele juridische belemmering zijn om een windmolen te mogen bouwen – geen afstandsregels, geen geluidsnormen en dergelijke – worden we vol geplant met metalen stekkendozen die verticaal naar omhoog staan, tot 230 meter hoogte tiphoogte. Dat zullen jullie zien.

Waarom is dat? Omdat de euro’s niet het probleem zijn. Er zit nog veel soep aan dat geheel, en dat zullen jullie zien. En dan nu zeggen dat de minister die 200 miljoen euro een beetje misbruikt? Voor de goede lezer: die 200 miljoen euro gaat enkel nog maar over wind. Ik heb het dan nog niet over fotovoltaïsche zonnepanelen, warmte-krachtkoppeling of biogasinstallaties. Maar zeggen dat het absoluut niet meer rendabel is om windturbines te bouwen, en dat men ze daarom ook niet meer zal bouwen, is totaal verkeerd. Men zal wel bouwen. Men zal bouwen omdat het nog altijd rendabel is. De reden waarom men niet bouwt is omdat er soms een vergunningsprobleem is, omdat er protest is vanuit de buurt enzovoort.

Als dat probleem wordt opgelost, zullen er heel veel turbines komen. Dat wil niet zeggen dat het nu zo is omdat de projecten zogezegd onrendabel zijn.

De voorzitter

Minister, kunt u de cijfers in het juiste perspectief plaatsen? Er is een verzoek tot evaluatie.

Minister Demir heeft het woord.

Minister Zuhal Demir

Ik zal nog een aantal zaken verduidelijken. We mogen de cijfers van de SERV niet zomaar met het bedrag van 200 miljoen euro vergelijken. Dat bedrag heeft enkel betrekking op wind over een periode van twintig jaar. Dat is ook logisch, want we geven die subsidies niet voor een periode van vier jaar. Het gaat om een periode van twintig jaar. We moeten naar het geheel kijken. Er zijn ook besparingen met betrekking tot zonne-energie en warmte-krachtkoppeling, maar dat zit niet in het bedrag van 200 miljoen euro waar ik naar heb verwezen.

De marktwerking slaat op grote en kleine spelers. We stellen vast dat niet alle investeerders even kostenefficiënt zijn. Integendeel, we stellen vast dat er heel grote verschillen zijn. Ik vind dat niet uit. Sommigen denken dat ik wat bedrijven wil pesten of zo, maar zo werkt het niet. De bekommernis van de vraagstellers is dat we de doelstelling niet zullen halen omdat ik niet genoeg geld geef. Ik vind dat we een aantal vergelijkingen moeten maken. Dat heeft mijn administratie gedaan.

We beschikken ook over die studie door mensen die expertise hebben. Ze hebben die studie ook in andere landen uitgevoerd. We komen tot de vaststelling dat er grote verschillen zijn. We maken geen keuze voor grote of kleine investeerders, maar wel een bewuste keuze voor kostenefficiënte spelers. Dat is een belangrijk gegeven. Als we de ambitieuze doelstellingen willen halen, zullen we ook extra kostenefficiënt moeten zijn. Dat is de logica zelve.

Wat de hervorming van de subsidies betreft, denk ik dat er in 2013 nog een grondige aanpassing is geweest. De IRR is correct, maar ondertussen is de rente wel met 5 procent gezakt. Dat vergeten sommigen te vermelden. De IRR had al tijdens de vorige legislatuur moeten worden verlaagd, maar daarover zwijgen ze dan. Ik breng dit graag aan omdat in het rapport een overzicht wordt gegeven van allerlei relevante studies van de rendementen van investeringen in hernieuwbare energie in Europa. Die rendementen lagen systematisch aanzienlijk lager dan de IRR-waarden die op dat ogenblik in Vlaanderen van toepassing waren.

Mijnheer Bothuyne, mijnheer Tobback, mijnheer Danen, ik denk dat ik op basis van wat in de studie naar boven is gekomen een goede beslissing heb genomen, maar ik stel vast dat jullie het daar niet eens mee zijn. Jullie vinden waarschijnlijk dat het te weinig geld is. Volgens mij heeft het verleden aangetoond dat we die doelstelling met veel meer geld dan nu ook niet haalden. Jullie moeten me eens uitleggen hoe dat komt.

Ik vind het wel de taak van de overheid na te gaan dat er een participatieproject is voor, bijvoorbeeld, met een windmolenproject wordt begonnen. De mensen moeten mee zijn. De actiecomités moeten voldoende worden gevoed. We moeten ook bekijken waar dat zal gebeuren. Wat zijn de beste plaatsen om die windmolens te zetten? Ik hoop dat we binnenkort, als we de wind- en zonneplannen opmaken, vooral naar die factoren kunnen kijken. Ik denk echt dat dit belangrijk is, ook voor de bedrijven die hiermee worden geconfronteerd. Zoals ik al heb gezegd, zullen we dat jaarlijks monitoren. We zullen dan zien wie gelijk heeft.

Ik denk dat het veel beter is om met dit te starten, collega Bothuyne. Dat is ook overeengekomen in het regeerakkoord. Ik vind het zeer bijzonder dat u nu ineens zegt dat dat allemaal niet goed is. Het is in ieder geval goedgekeurd in de regering, met uw partij erbij.

De voorzitter

De heer Bothuyne heeft het woord.

Minister, u luistert blijkbaar niet als ik iets zeg. Anders zou u niet gezegd hebben wat ik daarnet heb gehoord. Ik heb het regeerakkoord inderdaad samen met collega Gryffroy onderhandeld op dit punt. En inderdaad, de kapitaalsmarkt is geëvolueerd. En de IRR is daardoor inderdaad voor evaluatie en herziening vatbaar. Ik wil er gewoon op wijzen dat u de impact van uw beslissingen goed in de gaten moet houden, niet alleen als het gaat over de productie, maar ook over de evolutie van de markt en het aantal spelers dat zich daar nog op bevindt. Want hier zitten we op een snijpunt dat potentieel gevaarlijk is en tot een prijsverhoging kan leiden.

Ten tweede wil ik dat u ermee ophoudt om hernieuwbare energie in uw communicatie systematisch te associëren met oversubsidiëring. Dat is sinds 2013, ook met uw partij aan boord – u kent mevrouw Homans ongetwijfeld –, niet meer het geval. En inderdaad, de kapitaalsmarkt is geëvolueerd, vandaar dat we de aanpassing aan de IRR hebben ingeschreven in het regeerakkoord. En u voert dat nu uit.

Ik kan ook wel rekenen. U komt tot die 200 miljoen euro door twee beslissingen samen te tellen. We zijn eerst van 7,5 naar 6,5 procent gegaan, en nu gaan we van 6,5 naar 5,5 procent IRR. U neemt eigenlijk twee beslissingen samen en op basis daarvan komt u tot een bepaalde berekening op heel lange termijn en geeft u de indruk dat we op korte termijn 200 miljoen euro kunnen uitsparen. Helaas is dat laatste niet correct.

Uw cijfer is ook niet helemaal juist, vrees ik. Voor windturbines groter dan 3 megawatt – en ik begrijp dat u daarnaar streeft – daalt de steun van 8 euro naar 3,6 euro per megawattuur. Daar kun je dus onmogelijk uit besluiten dat we 10 euro per megawattuur uitsparen. Zelfs al zou je de twee stappen, van 7,5 naar 6,5 procent en van 6,5 naar 5,5 procent, mee in rekening brengen.

Ik denk dat het heel belangrijk is dat u niet alleen ons regeerakkoord heel juist uitvoert, en dat u dat monitort op alle aspecten, zowel wat betreft productie, impact op de markt als impact op de prijs voor de mensen, maar dat u daar ook juist en to the point over communiceert, met juiste cijfers, om op die manier zowel bij de consument en de belastingbetaler als bij de markt iedereen mee te krijgen. Ik steun u volledig in uw verhaal over participatie en iedereen meekrijgen. Ik denk dat u daar de juiste keuzes in maakt. En ook inzake IRR maakt u juiste keuzes, maar u moet wel bedachtzaam zijn over de impact op markt en prijs op langere termijn, en vooral: juist communiceren.

De voorzitter

De heer Danen heeft het woord.

Minister, ik heb soms het gevoel dat het hier een beetje een dovemansgesprek is. Er worden soms dingen geïnterpreteerd of woorden in de mond gelegd die helemaal niet correct zijn. Niemand heeft hier gepleit voor oversubsidiëring. Ik ga dat woord niet meer gebruiken, want hoe vaker het wordt gebruikt, hoe meer je de indruk geeft dat de sector daar inderdaad onderhevig aan is, wat voor alle duidelijkheid niet meer het geval is.

We gaan het hier en nu allicht niet eens worden met elkaar, maar misschien later wel. Ik zeg niet dat die studie niet goed of niet goed genoeg is om ons op te baseren om de beslissingen te nemen die u genomen hebt. Het is de SERV die dat zegt: de studie geeft onvoldoende informatie om te kunnen beslissen wat u beslist hebt. Ik vind dat straf. Ik denk niet dat u dat hier en nu zult terugdraaien, maar ik zou u wel willen vragen om snel te evalueren en te bekijken wat er aan de hand is.

Ik neem aan dat u de Vlaamse bedrijven en onderzoekscentra wilt ondersteunen. Er is in Vlaanderen heel wat capaciteit aanwezig om dit soort studies te doen. Ik begrijp niet waarom zij niet meedoen aan dit soort onderzoeken, want de studie is inderdaad wat onvolkomen.

Drie, u zegt dat de sector betrokken is. Ik stel me echt de vraag in hoeverre de sector werd betrokken bij dit soort maatregelen. Volgens mij was dat erg weinig. Ik houd mijn hart vast voor de gevolgen. Zij kunnen die het best inschatten. Ik wil u vragen om daar wat meer rekening mee te houden.

Ten slotte heb ik een laatste opmerking. U zegt dat de steun voor PV in de ons omringende landen veel lager is. Is dat echt zo? Volgens mij is dat helemaal niet het geval. Dat is een welles-nietesdiscussie, waarop u misschien niet meteen zult kunnen antwoorden. Ik vind dat er heel wat mist hangt rond dit soort maatregelen en rond de studie waarop u zich baseert om tot die beslissingen te komen. Kunt u dat snel evalueren? Ik stel vast dat de heer Bothuyne dat ook vindt.

De voorzitter

De heer Tobback heeft het woord.

In de eerste plaats betreur ik het heel erg dat collega Gryffroy mij heeft herinnerd aan mijn trauma's uit 2009. Want ik herinner mij dat nog zeer goed. Maar ik merk dat het op hem blijkbaar ook indruk heeft gemaakt, aangezien hij het nu nog weet.

Maar op één punt ben ik het wel met hem eens, namelijk dat er inderdaad niet alleen maar over financiële drempels moet worden gesproken wanneer we het hebben over windenergie op het land in Vlaanderen. En dat we daar problemen hebben, is absoluut een feit. En het gaat over andere problemen dan alleen maar geld en rentabiliteit, daarover ben ik het helemaal met hem eens. Alleen hoor ik vanuit de Vlaamse Regering ook niet veel klare en duidelijke richtlijnen en initiatieven om iets te doen aan die problemen en dat klaar en duidelijk op te lossen, op een manier die voor iedereen acceptabel is.

We zijn er nog niet. We staan open voor discussie, ook vanuit de oppositie. Maar die gaat inderdaad over meer dan geld. En wanneer het over geld gaat, minister, blijf ik het echt wel betreuren dat er u blijkbaar heel veel aan gelegen is om vooral te allen prijze, desnoods tegen alle feiten, alle realiteiten en alle redelijke vraag in, te kunnen bewijzen dat u bespaart op investeringen in hernieuwbare energie. Want het gaat niet om besparen op investeringen in hernieuwbare energie, het zou moeten gaan over meer investeren in hernieuwbare energie, voor meer return. De vraag die we hier alle drie hebben gesteld, was: kunt u garanderen dat u met minder geld minstens evenveel kunt krijgen of dat u met minder geld zelfs meer kunt realiseren? Want dat is wat u in uw eigen regeerakkoord hebt geschreven. Op die vragen bent u niet ingegaan.

Het enige wat u absoluut wilt hebben gezegd, is dat u 200 miljoen euro minder geld zult uitgeven. Of dat waar is, is nog maar zeer de vraag, want ook dát kunt u niet aantonen. En of het over deze legislatuur of over de volgende vijf gaat, kunt u evenmin uitleggen. U wilt alleen maar communicatief een oefening doen, waarbij u zegt: we gaan hier geld besparen. Terwijl het uw ambitie is of zou moeten zijn – zo staat het toch in uw regeerakkoord, dat niet ik, maar de heren Gryffroy en Bothuyne hebben geschreven, ik zat daar niet bij deze keer en ben van nieuwe drama’s bespaard gebleven ... Maar uw opdracht is niet: zo weinig mogelijk geld uitgeven. Uw opdracht is: met zo weinig mogelijk geld zoveel mogelijk hernieuwbare energie realiseren. En blijkbaar hebt u alleen maar het eerste deel gehoord.

Wat ik heel goed genoteerd en onthouden heb, is: als we de doelstellingen willen halen, zullen we kostenefficiënt moeten zijn in al wat we uitgeven in hernieuwbare energie. Dat is in elk geval een opmerking van u die ik meeneem voor de discussie die we straks in de plenaire vergadering zullen voeren rond de adviezen in verband met de ISVAG-oven (Intercommunale voor Slib- en Vuilverwijdering van Antwerpse Gemeenten). Want daar heeft uw eigen agentschap, naar alle waarschijnlijkheid onder uw druk, laten weten dat we kostenefficiëntie niet serieus moeten nemen. Maar die discussie zullen we straks voeren. Ik dank u.

De voorzitter

Mijnheer Gryffroy, ik kan u het woord niet meer geven. Maar ik ben er zeker van dat u die rekenoefening samen met ons op een ander moment zult overdoen.

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is gesloten.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.