U bent hier

Commissievergadering

donderdag 11 juni 2020, 13.54u

Voorzitter

– Wegens de coronamaatregelen werd deze vraag om uitleg via videoconferentie behandeld.

Mevrouw Perdaens heeft het woord.

Op 28 mei 2020 werd het onderzoeksrapport van Apestaartjaren gepresenteerd tijdens een webinar. Dat onderzoek wordt om de twee jaar uitgevoerd door Mediaraven, Mediawijs en de onderzoeksgroep Interuniversitair Micro-Elektronica Centrum-Media & ICT (IMEC-MICT) van de UGent. Dat onderzoek bevraagt duizenden jongeren over hun mediagebruik en hun ervaringen daarmee. In dat onderzoek sprongen enkele zaken mij heel erg in het oog.

In 2018 kregen kinderen gemiddeld op hun 11 jaar hun eerste smartphone. Nu, twee jaar later, staat dat al op 9,5 jaar.

Deze jongeren maken opvallend meer gebruik van sociale media en communicatie-apps. Op de lagere school gaat het dan vooral over TikTok en Snapchat. Als communicatie-apps zijn bij de jongeren van 12 tot 18 jaar vooral Snapchat en Instagram private messages heel populair. Vroeger bleek al dat websites aan populariteit moesten inboeten, maar ook Facebook blijkt bijna helemaal te worden vervangen door deze communicatie-apps.

Nog een opvallend gegeven is dat 10 procent van de kinderen uit het vijfde en zesde leerjaar zelf al ooit een 'sexy' foto van zichzelf uitstuurde. In het secundair zegt 9 procent al naaktfoto's te hebben gestuurd. 20 procent meldt ooit onder druk te zijn gezet om een sext te versturen. 38 procent zag ooit een doorgestuurde sext toekomen die eigenlijk voor iemand anders was bedoeld.

Toch zegt 67 procent van de jongeren dat er thuis niet wordt gepraat over welke foto's of filmpjes, al dan niet van zichzelf, ze online delen. Het onderzoek stelt dat het verbluffend is hoe weinig we met jongeren praten over een groot deel van hun leefwereld, namelijk hun mediagebruik.

Op basis van dat rapport heb ik voor u enkele vragen, minister. In welke mate past u het beleid richting jongeren en hun ouders aan, als u ziet dat op twee jaar tijd de leeftijd om een eerste smartphone te verwerven van gemiddeld 11 jaar naar 9,4 jaar ging, met het wisselende mediagebruik dat daarmee samengaat?

Meer dan ooit blijkt er nood te zijn om ouders te sensibiliseren om erover te praten. Twee op de drie kinderen praten niet over welke foto's of filmpjes ze al dan niet van zichzelf posten, terwijl wel 38 procent al een doorgestuurde sext zag die eigenlijk voor iemand anders was bedoeld. Hoe wilt u daar juist op inzetten?

Hoe wilt u de partners, zoals WAT WAT en Awel, ondersteunen om extra bij te sturen, zodat ze mee zijn met de nieuwste trends voor jongeren, veeleer dan te werken via kanalen die in populariteit dalen? Hoe wilt u de voorziene middelen optimaliseren om zoveel mogelijk jongeren te bereiken die gebruikmaken van deze sociale media?

Minister Dalle heeft het woord.

Minister Benjamin Dalle

Bedankt voor de vraag, collega Perdaens. Het gegeven dat kinderen steeds jonger een smartphone hebben, houdt een aantal zaken in. Kinderen die in de lagere school een smartphone krijgen, krijgen die nu gemiddeld op de leeftijd van 9,4 jaar. Dat wil zeggen dat vanaf het vierde leerjaar 70 tot 80 procent van de kinderen een eigen smartphone heeft. Maar ook in het eerste leerjaar zijn er al kinderen met zo’n toestel. Naast het bezitten ervan, gebruiken ze ook andere toestellen, bijvoorbeeld die van hun ouders. Ook het gebruik van chat en sociale media stijgt vooral op die leeftijd – vooral bij TikTok en in mindere mate Snapchat zie je een stijging. En het zelf content maken en posten stijgt nog steeds vooral in het vijfde leerjaar, omdat ook Instagram er dan bij komt.

Kinderen in de lagere school gaan vooral terecht bij broers, zussen en ouders voor hun vragen, zowel technisch als bij andere problemen. Leerkrachten zijn zelden een aanspreekpunt daarvoor, stellen we vast. In het kader van onderwijs en eindtermen is dat toch een belangrijke zaak. Enerzijds is het logisch, omdat de toestellen vooral buiten de les of de school gebruikt worden, aan de andere kant is dat toch iets om in de gaten te houden.

Het klopt dat sexting en het ongeoorloofd doorsturen daarvan ook al op jonge leeftijd voorkomt, al verschilt de inhoud van zo’n sextingbericht of ‘sext’ – af en toe leren we nog woorden bij, collega Perdaens – naargelang de leeftijd, gelukkig maar. De interpretatie van wat dat is, is niet altijd exact dezelfde. Maar het gebeurt effectief al op jonge leeftijd.

Ik leer uit die vaststellingen dat een aantal beleidskeuzes die voorbereid zijn in de afgelopen legislatuur en die vandaag in de beleidsnota en in de beslissingen voorkomen, de goede richting is. Met onze focus op mediawijsheid, onder meer met ons kenniscentrum Mediawijs, hebben we de juiste stappen gezet. Ik verwijs naar vier zaken. Een eerste punt is dat Mediawijs in 2016 al de website MediaNest.be lanceerde om ouders meer te betrekken bij mediaopvoeding, al vanaf zeer jonge leeftijd, zeker ook in de lagere school. Het tweede punt is dat Mediawijs de mediacoachopleiding heeft verbreed naar leerkrachten in het lager onderwijs. Het derde punt houdt verband met de campagne ‘De Schaal Van M’. Die wordt al drie jaar georganiseerd in een samenwerking tussen het kenniscentrum en Ketnet, met een bereik van zo’n 26.000 leerlingen. Dat is ongeveer een derde van de doelgroep van het vijfde en zesde leerjaar. Dat is een intense week over smartphone- en socialemediagebruik, met ook een aantal gesprekken tussen leerlingen en leerkrachten. U herinnert zich misschien dat ik bij de voorstelling van de beleidsnota een filmpje heb getoond dat over die week ging. Dat was een voorbeeld van een school in de Moutstraat in Brussel, waar dat effectief wel een impact heeft. Mediawijs maakt ook telkens extra lessen, bijvoorbeeld: ‘TikTok, wie daar?’, ‘Het leven zoals het is op Instagram’, ‘Iedereen tegen cyberpesten’, ‘Net op het net’ en ga zo maar door.

Mediawijs voorzag tijdens de COVID-19-lockdown in werkblaadjes zodat de lessen ook op afstand gebruikt konden worden.

Naast het werk van het kenniscentrum en het belang dat wij daaraan hechten binnen zowel Media als Jeugd is er ook het besef dat er nog heel wat werk aan de winkel is, zeker met het oog op de recente cijfers. Vandaar dat we in het jeugd- en kinderrechtenbeleidsplan (JKP) de juiste keuze hebben gemaakt om van mediawijsheid een van de vijf prioriteiten te maken van ons beleid. Ik verbind mij er dus toe om nog meer in te zetten op het bevorderen van mediawijsheid bij kinderen en jongeren. Ik doe dat natuurlijk samen met verschillende collega's binnen de regering, want dit is iets dat transversaal aangepakt moet worden, door lokale besturen, door Onderwijs, door Welzijn en uiteraard door Jeugd.

Binnen het actieplan Generatie Veerkracht hebben we extra middelen vrijgemaakt, meer bepaald 150.000 euro voor mediawijsheid.

In aanloop naar een hernieuwd en versterkt Vlaams mediawijsheidsbeleid vanaf 2022 – de beheersovereenkomst met het kenniscentrum loopt tot eind 2021 – zal er door de KU Leuven een onderzoeksopdracht uitgevoerd worden als doorlichting van het Vlaams mediawijsheidsbeleid. Binnen de studie zal er extra aandacht gaan naar kinderen en jongeren en andere kwetsbare doelgroepen. De aanbevelingen die voortvloeien uit dit onderzoek, zullen mee richting geven aan het toekomstige beleid.

Awel en WAT WAT houden de vinger aan de pols van de nieuwste trends en sturen voortdurend hun strategie bij om zoveel mogelijk jongeren te bereiken.

WAT WAT zet vooral in op Instagram en YouTube, want dit zijn platformen die alle jongeren vaak gebruiken. Men beantwoordt actuele vragen via Instagram Feed en gaat in gesprek via Instagram Stories. In de toekomst zal WAT WAT ook informatie verspreiden door middel van reportages op YouTube. Daarnaast gebruikt WAT WAT Facebook om te communiceren met intermediaire personen, is het actief op Pinterest en experimenteerde het ook met Messenger Games bij de lancering en tijdens de week tegen pesten. WAT WAT werkt bovenal aan een brede digitale strategie. Via sociale media worden jongeren geïnformeerd en naar de website geleid. Tijdens de COVID-19-crisis blijkt ook dat jongeren vaak advertenties aanklikken. WAT WAT werkt ter zake samen met Google Ad Grants. De bezoekersaantallen van de website zijn sterk gestegen. Dat hebben we hier al besproken.

Awel stelt vast dat het aantal oproepen via e-mail fors daalt en het aantal via chat stijgt. Het aantal oproepen over de telefoon wisselt. Voor de periode van januari tot en met mei daalde het aandeel van e-mail van 40,7 procent in 2018 tot 31,2 procent in 2020. Het aandeel van de chat steeg van 24,2 procent tot 31,9 procent. Een en ander hangt natuurlijk samen met de covidcrisis, die maakt dat kinderen en jongeren in hun kot moesten blijven en niet altijd op hun gemak konden bellen. Awel stoomt vrijwilligers klaar om over te schakelen en leidt nieuwe vrijwilligers op om daarop in te spelen. Daarnaast onderzoekt Awel de ontwikkeling van een app en de inzet op nieuwe contactkanalen, zoals beeldbellen. Awel innoveert ook op het vlak van de bekendmaking bij kinderen en jongeren en nam tijdens de COVID-19-crisis al verschillende initiatieven.

De Vlaamse Regering heeft al op 10 april beslist om een extra financiële impuls te geven aan Awel en WAT WAT ten belope van respectievelijk 100.000 euro en 75.000 euro. Ze zijn er ook concreet mee aan de slag gegaan.

Ik geef vier innovatieve voorbeelden. Awel ontwikkelde een bureaubladachtergrond en een Teamsachtergrond voor leerkrachten die werden verspreid via Klasse. Awel organiseerde meermaals een Instagram Live met Lennart Lemmens, die sommigen onder jullie kennen uit Thuis. Awel startte een TikTokaccount. Jawel, mijnheer Vaneeckhout, uw herhaaldelijk aandringen heeft gerendeerd. Ze hebben wel nog niet zoveel volgers als u en moeten dus nog groeien. Awel realiseerde met influencers een campagnespot.

Los daarvan blijft Awel structureel samenwerken met WAT WAT en Ketnet. Ik zie ook de link tussen Jeugd en Media op dat vlak als een grote opportuniteit.

Mevrouw Perdaens heeft het woord.

Minister, ik dank u voor het antwoord. Ik wil graag nog een van de cijferelementen aanhalen, want twee op de drie kinderen praten niet over welke foto’s of filmpjes, al dan niet van zichzelf, ze posten en 38 procent van de kinderen heeft al eens aan sexting gedaan. Die term was me dan weer bekend vanwege mijn vroegere werk voor de schepenen. Hoe willen we ervoor zorgen dat ouders en kinderen worden gesensibiliseerd om over hun socialemediagebruik te praten? Ik hoor wat allemaal al is gedaan, maar uit het onderzoek blijkt toch nog steeds dat twee op de drie kinderen daar thuis niet over praten. Het gebeurt vaker thuis dan met leerkrachten, maar in de meeste gevallen gebeurt het nog steeds niet.

De daling van de gemiddelde leeftijd waarop ze een eerste smartphone krijgen, betekent ook dat de taal die we ten aanzien van die jongeren gebruiken, verandert. Het gaat hier effectief om kinderen die in de lagere school zitten. Op welke manier wordt hier rekening mee gehouden en wordt met deze evolutie aan de slag gegaan?

Tot slot wil ik het hebben over de verschillende kanalen die door de partners worden gebruikt. Het is ongelooflijk belangrijk op die kanalen aanwezig te zijn. Uit dit onderzoek blijkt opnieuw van welke kanalen ze gebruikmaken. Het belangrijkste is daarop in te zetten. Veel jongeren maken gebruik van de direct messaging van Snapchat en TikTok. Indien we de boodschap bij de jongeren willen krijgen, is het zeker de moeite daar verder op in te zetten. Als het onderwijs aanwijst dat de communicatie net daar het meest succesvol zou zijn, kunnen we daar niet afwezig blijven.

De heer Brusselmans heeft het woord.

Minister, het is een interessante vraag om uitleg. Er zitten natuurlijk ook iets positievere elementen in het rapport. U hebt gelijk dat jongeren of kinderen te weinig met hun ouders en leerkrachten over socialemediagebruik in het algemeen en over sexting praten. Ik zie wel dat er met de goede vrienden meer over kan worden gesproken. Dat is toch een positief element. We mogen de invloed van peers en vrienden niet onderschatten. Dat is positief.

We moeten natuurlijk ook nagaan waarom ze hierover minder met hun ouders spreken. Een van de redenen die ik afleid, is dat kinderen vaak bang zijn van de reactie van hun ouders. Ze zijn bang dat hun ouders hun het gebruik van sociale media zullen ontzeggen, wat natuurlijk geen juiste reactie is als een kind met een bepaalde onlineproblematiek naar huis komt. Deze Vlaamse Regering en haar voorgangers doen dat ook zeer goed. We moeten erkennen dat de Vlaamse Regering duidelijk inzet op mediawijsheid. Ik denk dat er nog een tandje bij kan worden gestoken om ouders te sensibiliseren of een houvast te bieden in verband met de vraag hoe ze hiermee moeten omgaan.

Om deze commissiedag met een positieve noot af te sluiten, wil ik een pluim geven aan de mensen die het onderzoek hebben opgesteld en het leuke filmpje eraan hebben gekoppeld. Er staat bij elk onderzoek een filmpje. Het zou heel aangenaam zijn ze allemaal door te nemen.

Mevrouw Rombouts heeft het woord.

Voorzitter, ik sluit me graag aan bij een aantal elementen van deze vraag om uitleg.

Mijnheer Brusselmans, dat geldt zeker voor dat laatste punt en uw positieve noot ten aanzien van de mensen die het onderzoek hebben uitgevoerd en de wijze waarop ze dat hebben gedaan.

Minister, uit dat onderzoek zijn heel wat elementen naar voren gekomen. Ik ben blij met uw antwoord en met de keuze die is gemaakt om van mediawijsheid een van de prioriteiten in het Vlaams jeugd- en kinderrechtenbeleidsplan te maken. Ik kan niet voldoende onderstrepen dat er daar een ongelooflijke uitdaging ligt. Ik ben blij dat we tijdens de regeling van de werkzaamheden hebben afgesproken dat in deze commissie een gedachtewisseling met het kenniscentrum zal plaatsvinden.

We merken heel duidelijk dat de schermtijd van onze kinderen en jongeren in stijgende lijn zit en vroeger begint, want 45 procent van de 12- tot 18-jarigen geeft aan van zichzelf te vinden dat ze alleszins het gevoel hebben te veel tijd aan die toestellen te besteden. Ook ouders worstelen ermee strikte richtlijnen te handhaven en zelf niet te veel met die schermtijd bezig te zijn.

Het blijft een uitdaging om kinderen en jongeren ook voldoende weg te houden van de schermpjes en voldoende aan te moedigen om buiten te spelen en andere activiteiten te ontwikkelen, en om op een andere manier contact te zoeken dan via een scherm. Na de coronatijd denk ik dat deze uitdaging alleen maar groter is geworden. Minister, blijft u het luik rond buitenspelen en de Buitenspeeldag een warm hart toedragen? Zeker bij de start van het nieuwe werkjaar van jeugdverenigingen en het jeugdwerk, in september, moeten wij daar extra aandacht voor hebben.

Een tweede luikje dat opvalt in die studie, is dat toch ook nog altijd een groot deel van de kinderen en jongeren geen toegang heeft tot de schermen van diverse toestellen. Dat bevestigt nog maar eens wat we in de coronatijd al hebben kunnen vaststellen: een digitale kloof bij kinderen en jongeren. Ook daar moeten we aandacht voor hebben, hoe we dat kunnen en zullen wegwerken. Binnen de jongerencultuur en binnen de eigen beleving zorgt dat op een gegeven moment voor een stukje uitsluiting, voor een ongelijke behandeling en ontwikkeling.

Het klopt dat een aantal kanalen aantrekkelijker geworden zijn. Ik ben toch wel iets genuanceerder. Ik ben blij met uw antwoord, minister, dat u streeft naar een mix van communicatiekanalen. De kinderen en jongeren gebruiken verschillende kanalen, afhankelijk van wat ze willen doen. Wij willen hun ook informatie aanbieden. Dat is iets anders dan zelf beginnen te focussen of eventueel informatie te gaan zoeken. De mix van kanalen is heel belangrijk. Er wordt daar goed op ingespeeld, gelet op de actuele ervaringen en cijfers. Die mix moet in de toekomst uiteraard worden bijgestuurd, maar er blijft een mogelijkheid bestaan om dat te doen.

Ook het signaal dat er te veel informatie is om door de bomen het bos nog te zien, blijft een uitdaging. Ook dat werd hier nog maar eens onderstreept. Het belang van WAT WAT is nog maar eens bevestigd.

Meer gebruik brengt ook meer nare ervaringen met zich mee, soms met heel diepe sporen. Dit issue hebben we ook al enkele weken geleden in de commissie besproken. We moeten daar aandacht voor blijven opbrengen.

Net als collega Perdaens valt het ook mij heel erg op dat de ouders een heel belangrijke rol spelen in hoe je de kinderen en jongeren kunt begeleiden bij het gebruik van die apparaten. Mij valt het echter op dat de afstand naar het onderwijs en de leerkrachten bijzonder groot is. Onderwijs kan in dezen een heel belangrijke rol spelen omdat het zowel met de ouders als met de kinderen en jongeren contact heeft.

Minister, zult u dit onderzoek aangrijpen om dit in het overleg met uw collega van Onderwijs te bespreken en te bekijken welke rol het onderwijs daar nog meer in kan opnemen?

De heer Vaneeckhout heeft het woord.

Collega Perdaens, dank u voor de vraag. Het zijn cijfers waar we toch even moeten bij stilstaan. Ze nopen tot blijvende bezorgdheid. Ik voel hier dat deze bezorgdheid gedeeld wordt.

Ik wil vooral de ambities van de minister inzake mediawijsheid mee ondersteunen. Het is goed dat dit wordt opgenomen als een van de prioriteiten. Ik wil mij wel aansluiten bij de opmerkingen van collega Brusselmans over de rol van de ouders en vooral van de mediawijsheid bij ouders en volwassenen. Het heeft enerzijds te maken met soms de verkeerde reactie bij hoe je daarmee moet omgaan en hoe je het gesprek moet voeren, maar anderzijds ook met een gebrek aan technische kennis om goed in te schatten om welke platformen het gaat en hoe je daarmee moet omgaan. Daar is dus nog een apart traject bij nodig en ik hoop alvast, minister, dat u bij dat pleidooi wilt aansluiten om daarrond een project te ontwikkelen. Ik hoop ook dat u uw partners daarbij wilt betrekken om zo misschien naar een hogere versnelling te kunnen schakelen.

Ik sluit me aan bij de opmerking van collega Rombouts dat het een mix moet zijn. Ik ben zeer blij – het zal u niet verbazen – met de initiatieven die op TikTok genomen worden. Ik heb een tijdje aan die bel getrokken, maar waarschijnlijk is er binnen een jaar wel weer een ander forum.

Ik wil nog even wat cijfers op een rijtje zetten. Wereldwijd zijn er op dit moment twee miljard downloads van de app TikTok geweest. Dat wil zeggen dat die app op twee miljard smartphones staat. In België zijn er 2,2 miljoen gebruikers. Dat is dus een niet-verwaarloosbaar medium. Ik denk dat het goed is dat Awel die stap ook echt zet. Ik ben ook blij dat Awel de vinger aan de pols houdt en reken er ook op dat ze dat blijven doen. Want zelfs wij in deze commissie zijn niet altijd even goed mee met alle evoluties. Ik denk dat het heel belangrijk is dat de sector zelf daar die vinger goed aan de pols houdt en zorgt dat we in staat zijn om meer dan aandacht te hebben voor deze zorgwekkende cijfers en mediawijsheid in het algemeen.

Minister Dalle heeft het woord.

Minister Benjamin Dalle

Dank u wel, voorzitter. Dank u wel, collega’s, voor de bijkomende bedenkingen. Ik heb vooral geluisterd naar jullie opmerkingen. Ik ben het ook met zo goed alle bedenkingen eens. Ik denk niet dat er veel echte bijkomende vragen waren. Ik denk dat het een gezamenlijke verantwoordelijkheid is, waarbij uiteraard opvoeders en leraars een rol spelen, naast inderdaad vrienden en kennissen en zeker ook de ouders. Ik denk dat het MediaNest-initiatief ter zake wel heel wat ondersteuning biedt aan ouders. Als het gaat over sexting, komen social media en seksuele opvoeding samen. Ik herinner me dat dat zelfs in mijn tijd al een uitdaging was voor ouders om daar op een goede manier over te spreken. Maar dat is dus ook nog een uitdaging.

Als beleidsinstrumenten zijn er het kenniscentrum Mediawijs, WAT WAT en Awel. Ik denk dat we daar echt op moeten inzetten. Ik denk dat we dat tijdens de coronatijden ook gedaan hebben, ook met een stuk financiële ondersteuning. Het digitale is daarbij inderdaad belangrijk, maar niet alleen het digitale. Ik denk dat dat een terecht punt is, collega Rombouts. Je moet niet alleen zeggen hoe je omgaat met dat digitale, maar ook zorgen dat er ruimte is voor andere dingen. Ik merk ook bij mezelf en in mijn omgeving dat dat inderdaad een punt is na corona. Het is nog nooit zo stevig geweest. Ik denk dat, als je een verslag krijgt op je smartphone van je tijdsbesteding, daar misschien nog een stijgende lijn te zien is. Dat is dus zeker ook een zorg.

Ten aanzien van kinderen en jongeren denk ik dat het jeugd- en kinderrechtenbeleidsplan een opportuniteit is, effectief ook met onderwijs. We moeten bekijken wat daar de mogelijkheden zijn. Ik denk ook aan een fenomeen als cyberpesten, dat ook in combinatie met onderwijs aangepakt kan worden. We hebben in het rapport van de kinderrechtencommissaris wel gezien dat er een verbetering was, maar het is moeilijk om daar conclusies uit te trekken. Ik denk dat dat een blijvend aandachtspunt is.

Dus: bedankt voor de vragen, bedankt voor de opmerkingen. We zullen van mediawijsheid een topprioriteit voor heel de regering blijven maken.

Mevrouw Perdaens heeft het woord.

Dank u wel, minister, voor de antwoorden en dank u wel collega’s om aan te sluiten. Ik had het in mijn vraag al over hoe de minister de voorziene middelen wil optimaliseren om zoveel mogelijk jongeren te bereiken. Je ziet in de cijfers dat jongeren de sociale media nog meer dan ooit gebruiken en dat naast websites ook Facebook terrein verliest. Laat dat nu net twee terreinen zijn waar wel vaak op wordt ingezet.

Als we de jongeren willen bereiken, moeten we als overheid mee zijn met onze tijd, meer dan ooit. Ik heb er al vaker voor gepleit, maar ik denk dat we dat engagement waar moeten maken. Middelen moeten ingezet worden om via de kanalen die jongeren gebruiken, hen ook te informeren, online en offline. Het is niet gemakkelijk – dat begrijp ik – om dat evenwicht te vinden, maar moeilijk gaat ook. Het ontdekken van en leren werken met die nieuwe apps is niet evident, maar ik ben er echt van overtuigd dat we daar toch verder op moeten blijven inzetten.

Het is goed en nodig dat er heel wat middelen worden ingezet om onze jongeren te informeren. Dat informatie beschikbaar is, is één zaak. We moeten ze echter effectief tot bij de jongeren krijgen, zo niet is er heel veel moeite gedaan en veel geld aan gespendeerd, vrees ik, met een ondermaats resultaat.

Zoals u zei, werkt WAT WAT met YouTube en Instagram. U zei ook dat er veel naar Facebook en websites wordt gekeken. We willen ons bij die cijfers de vraag stellen of die bezoeken aan websites en Facebook wel bezoeken zijn door de doelgroep.

Een communicatiemix gebruiken om jongeren te bereiken, is zoals ook in het onderzoek gesteld werd, ontzettend belangrijk. Ik haalde het eerder al aan. Maar het is evenzeer belangrijk om echt die kanalen te gebruiken waarvan jongeren aangeven dat zij ze gebruiken. Ik denk dat we op dat vlak toch echt nog wel enkele stappen voorwaarts kunnen zetten.

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is toegankelijk.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.