U bent hier

– Wegens de coronamaatregelen werden deze vragen om uitleg via videoconferentie behandeld.

De heer Coenegrachts heeft het woord.

Minister, we zijn in Vlaanderen dit jaar uitzonderlijk vroeg geconfronteerd met droogtemaatregelen. Ik denk dat u vorige week nog met de Vlaamse Regering de schade van 2019 hebt behandeld. We hoeven elkaar niet te vertellen hoeveel schade dat ook bij onze landbouw kan teweegbrengen. Al die ervaringen van de voorbije tijd hebben aangetoond dat het belangrijk is om onze landbouwers aan te moedigen om ook proactief te investeren in systemen voor rationeel waterbeheer en -opslag. Ere wie ere toekomt: uw voorganger heeft daarvoor ook een aantal initiatieven genomen. Er werd een watercoördinator aangeduid. In november 2018 werd een actieplan voor water in land- en tuinbouw opgemaakt en konden landbouwers adviezen inwinnen via KRATOS.

Er kan ook een beroep worden gedaan op investeringssteun van het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds (VLIF), bijvoorbeeld voor projecten voor regenwateropslag in waterbassins of waterreservoirs, of voor technieken om spaarzaam om te gaan met water, zoals druppelbevloeiing en plantsensoren. Er zijn ook subsidies voor waterbehandelingstechnieken. Voor kleine waterinfrastructuur, die valt onder de categorie niet-productieve investeringen, is er zelfs een subsidie van 100 procent mogelijk.

Boven op de VLIF-investeringssteun werd ook nog eens 8,5 miljoen euro vrijgemaakt voor projectsteun in aanvulling op die reguliere VLIF-steun. Helaas bleek uit een antwoord op een schriftelijke vraag van mijn lieve en goede collega Tom Ongena dat er daarvoor slechts zes projecten werden geselecteerd, voor een totaalbedrag van ongeveer 693.000 euro. Dat is niet eens een vijfde van het voorgestelde budget voor land- en tuinbouw.

Ik heb u ooit horen zeggen dat bekijken hoe we met die waterschommelingen kunnen omgaan een topprioriteit is, dus bekijken hoe er meer kan worden opgevangen en gebufferd als er een teveel is, om dat dan te gebruiken als er te weinig is. Ik denk dat er geen beter moment is dan vandaag om het daar nog eens over te hebben.

Minister, hoe evalueert u de aanstelling van de watercoördinator en het Actieplan Water in land- en tuinbouw? Zal dat plan worden geactualiseerd naar aanleiding van de huidige droogteproblematiek? Welke maatregelen overweegt u op korte termijn te nemen om tegemoet te komen aan de vraag vanuit de landbouwsector om in betaalbare alternatieve waterbronnen te voorzien? Welke initiatieven zult u nemen om investeringen in rationeel waterbeheer en wateropvang verder te stimuleren? Welke rol ziet u daarbij ook weggelegd voor de branche- en producentenorganisaties, en voor de landbouworganisaties? Komt er een nieuwe projectoproep voor innovatieve projecten voor waterbeheersing? Zo ja, wanneer, welk budget zal daarvoor worden vrijgemaakt en op welke manier zal er werk van worden gemaakt opdat de vooropgestelde budgetten optimaal of maximaal zouden worden aangewend? Kunnen er ook via KRATOS extra impulsen worden gegeven aan land- en tuinbouwers om waterbeheer en wateropslag structureel op te nemen in hun bedrijfsvoering?

Minister, het zijn heel wat vragen. Alvast bedankt voor uw uitvoerig antwoord.

De heer Vandenhove heeft het woord.

Voorzitter, minister, collega’s, mijn vraag sluit daar voor een stuk bij aan. Vorige week is er uitgebreid gediscussieerd en gedebatteerd in de commissie Leefmilieu over de droogteproblematiek. Zowel in de commissie als in de media wordt er altijd opnieuw gesproken over een integrale aanpak, waar ik het uiteraard 100 procent mee eens ben, maar ik hoor en lees dan toch in commentaren van mensen uit de landbouwsector dat ze daar onvoldoende bij betrokken zijn. Wie ben ik als buitenstaander om te oordelen of dat correct is of niet?

Minister, een integrale aanpak wil ook zeggen: een integraal plan. Het gaat niet op dat de landbouwsector daar niet aan kan tegemoetkomen omdat het gebaseerd is op foute informatie. Aan de andere kant hoor ik hetzelfde van de natuursector. Dat zijn de twee extremen: landbouw en natuur. Ik refereer aan de hoorzitting over innovatie in de landbouw. Ik citeer de heer Demyttenaere: “Landbouwers kunnen immers het verschil maken, mits er opnieuw vertrouwen ontstaat tussen de sector en het beleid. Er wordt te weinig rekening gehouden met wat geologen vooropstellen.” In het blad van de Boerenbond zegt mevrouw De Becker iets gelijkaardigs, iets politieker en directer.

Minister, wat is uw visie op de huidige droogteproblematiek? Welke impact heeft het huidige captatieverbod, dat ondertussen natuurlijk is opgeheven gezien de regenval, op de landbouwsector? Dit interesseert me zeer sterk. In welke mate bent u vanuit Landbouw betrokken bij de recent opgestelde waterbeleidsnota? Zou het niet nuttig zijn om hier eens een gezamenlijke commissie over te organiseren met minister Demir, uzelf en veel andere specialisten? Zou dat niet aangewezen zijn?

Bepaalde teelten verbruiken meer water dan andere. Overweegt u maatregelen die de keuze van teelten aanpassen aan de watercapaciteit van de omgeving? Dat is heel simpel. Sommige teelten zouden minder aanleiding geven tot droogte en/of wateroverlast als ze apart van andere zouden staan.

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Collega’s, bedankt voor de interessante en relevante vragen.

Collega Coenegrachts, u stelt terecht dat er al heel wat initiatieven genomen zijn door de vorige minister van Landbouw – ere wie ere toekomt –, mevrouw Schauvliege, inzake duurzaam waterbeheer. Zo werd er in juni 2017 binnen het departement een watercoördinator aangesteld en tegelijk werd het structureel droogteoverleg voor land- en tuinbouw opgestart.

De watercoördinator van de landbouwadministratie is het aanspreekpunt voor de landbouwsector en volgt de problematiek en situatie te velde van nabij op. Hij geeft regelmatig adviezen in concrete projecten en staat in voor de toelichtingen aan land- en tuinbouwers. De watercoördinator werkt zeer nauw samen met de beleidsexpert water, die deelneemt aan de beleidsdomein overschrijdende overlegmomenten binnen de Vlaamse overheid.

Het structureel droogteoverleg komt meermaals per jaar samen en bestaat uit volgende deelnemers: de watercoördinator, het Instituut voor Landbouw-, Visserij- en Voedingsonderzoek (ILVO), de Vlaamse Landmaatschappij (VLM), de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM), de plantaardige praktijkcentra, de landbouworganisaties Boerenbond, Algemeen Boerensyndicaat en Bioforum, de producentenorganisaties REO, Ingro, BelOrta, Vegras , BND, Internationale telersvereniging, het Coördinatiecentrum Voorlichting en Begeleiding duurzame Bemesting (CVBB), de Bodemkundige Dienst België, het Vlasverbond, Vegebe, de Belgische aardappelhandel en -verwerking (Belgapom), het Vlaams Kenniscentrum Water (VLAKWA) en een vertegenwoordiger van provincies via de Vereniging van Vlaamse Provincies (VVP).

Dat is een hele mond vol. Ik wil u aantonen dat dat de partners zijn die erin moeten zitten.

De bedoeling is om structureel te overleggen over lopende initiatieven, zowel van de overheid als van de betrokken actoren, en met de groep feedback te geven en eventuele knelpunten te detecteren. Het gaat dan bijvoorbeeld over de Europese verordening inzake hergebruik van water, het draaiboek coördinatie waterschaarste en droogte van de Coördinatiecommissie Integraal Waterbeleid (CIW), de planning van de projectoproepen of kennisuitwisseling over lopende onderzoeken.

In november 2018 is in de schoot van het droogteoverleg samen met de sector het Actieplan Water voor land- en tuinbouw uitgewerkt. Dit actieplan focust voornamelijk op de proactieve aanpak en heeft tot heel wat concrete zaken geleid. Ik geef er enkele mee.

Droogte is een van de zes risico’s die opgenomen zijn in de gesubsidieerde brede weersverzekering voor teeltschade. In Nederland en Franrijk konden de boeren dat al langer. Via onze subsidieregeling hebben we ervoor gezorgd dat Vlaamse boeren zich nu voor het eerst ook kunnen verzekeren tegen droogteschade.

Minstens even belangrijk, zo niet belangrijker: verzekeringen zijn reactief, maar je kunt perfect als boer proactieve investeringen doen om droogteschade te voorkomen. Wat dat betreft is er goed nieuws. We zien aan de hand van het aantal VLIF-investeringen voor wateropslag en waterbehandeling dat onze boeren effectief investeringen doen.

Het totale investeringsbedrag is gestegen van 10,7 miljoen euro in 2015 naar 24 miljoen euro in 2019. In 2015 werd 3,2 miljoen euro VLIF-steun voorzien voor 471 investeringen. Vorig jaar is 7,2 miljoen euro VLIF-steun voorzien voor 761 investeringen. We zien dus een zeer forse toename in het totale investeringsbedrag aan VLIF-steun dat te maken heeft met wateropslag en -behandeling.

De belangrijkste investeringen zijn hier hemelwateropslag in waterreservoirs en waterbassins maar ook waterbehandelings- en waterzuiveringstechnieken.

Er zijn de voorbije jaren diverse projectoproepen gelanceerd met een bijzondere focus op water zoals de VLIF-oproep innovatie, Europese Innovatie Partnerschappen en demonstratieprojecten. De projecten die hier geselecteerd werden, zijn intussen in uitvoering.

Heel veel communicatie en sensibilisering via voorlichtingsmomenten, websites en nieuwsbrieven helpen. Het is heel belangrijk dat we de boeren ervan op de hoogte brengen welke steun ze kunnen krijgen, ook binnen het VLIF, om juiste preventieve investeringen te doen.

Het actieplan heeft een looptijd van 2019 tot en met 2023. Aangezien het pas gestart is in 2019 vind ik het een beetje gek om nu al een nieuw plan te gaan maken, maar dat is ook niet jullie vraag. Het is wel een levend document, dat onmiddellijk aangepast kan worden aan nieuwe inzichten. Niets belet ons om, als dat nodig is, extra’s op te nemen, want het is geen statisch document.

Collega Vandenhove, u stelt een vraag rond de visie op de huidige problematiek. Het is zeker zo – u hebt dat mooi geschetst – dat de land- en tuinbouwsector de economische impact van de al ingestelde en opgeheven captatieverboden op onbevaarbare waterlopen ondervindt vanwege de droogtesituatie die dit jaar is opgetreden. Komt daarbij nog de voorgeschiedenis van de voorbije drie jaar die ook al problematisch is.

Bij de voorbereidingen van de captatieverboden door de gouverneurs wordt aandacht besteed aan het aanduiden waar alternatieve waterbronnen te vinden zijn. Dat kunnen bijvoorbeeld bevaarbare waterlopen zijn waaruit wel nog gecapteerd kan worden.

Ook wordt er overleg gepleegd over de modaliteiten om in het kader van de droogte tijdelijk bemalingswater te mogen gebruiken. Aquafin stelt gezuiverd effluent ter beschikking. Daarnaast kunnen natuurlijk ook nog het vergunde grondwater en de eigen privéwaterbronnen gebruikt worden. Er is vandaag een zeker aanbod aan betaalbare waterbronnen, maar de informatie hierover dient gericht gecommuniceerd te worden naar onze land- en tuinbouwsector. Ik heb dan ook aan mijn administratie gevraagd om dit op heel korte termijn op te nemen. De transport- en arbeidskosten zijn vaak limiterende factoren omdat landbouwers die kostenverhogende factoren meestal zelf niet kunnen verrekenen in de prijs van hun oogst. Daar moeten we echt wel rekening mee houden.

Daarnaast is het ook de verantwoordelijkheid van de land- en tuinbouwer zelf om zich voor te bereiden op meer droogteperiodes in de toekomst en om dus zelf te investeren in meer eigen watervoorraden en wateropslag, meer hergebruik van hemelwater, meer zuivering en recuperatie van afvalstromen en on het meer inzetten op droogteresistente gewassen. Er lopen intussen een aantal projecten en de stijgende vraag naar en toekenningen van VLIF-investeringen illustreren dat de land- en tuinbouwsector hier effectief mee aan de slag gaat. Uiteraard vraagt het ook de nodige tijd om dit alles op het terrein te realiseren.

Welke initiatieven nemen we nog? Op regelmatige tijdstippen worden de VLIF-steunmogelijkheden voor investeringen in rationeel waterbeheer en wateropvang opnieuw onder de aandacht gebracht: dat gebeurt bijvoorbeeld tijdens de landbouwbeurs Agriflanders, tijdens studiedagen of voorlichtingsactiviteiten, maar ook via informatie, nieuwsberichten en natuurlijk de website van het Departement Landbouw en Visserij.

Het VLIF houdt constant de vinger aan de pols om driemaandelijks nieuwe investeringen rond waterbeheer en wateropvang die marktklaar zijn op te nemen via een actualisatie van de VLIF-lijst. Dat is in deze tijden heel belangrijk. Als er nieuwe investeringen marktklaar zijn, worden die opgenomen in de lijst van subsidies met een steunpercentage van 30 procent. Daarnaast is er ook steun mogelijk – en dan gaat het over 40 procent ­–voor innovatieve projecten rond waterbeheer en wateropvang bij elke oproep voor projectsteun voor innovaties in de landbouw vanuit het VLIF. In deze periode zal ik bij onze boeren nogmaals heel sterk in de verf zetten dat er substantiële steunmogelijkheden zijn om zelf te kunnen investeren.

Dan was er de vraag over de branche- en producentenorganisaties (PO’s). Het is belangrijk dat de landbouworganisaties en diverse sectororganisaties via hun communicatie bijvoorbeeld de VLIF- en KRATOS-steunmaatregelen ook mee onder de aandacht blijven brengen en de sector verder blijven sensibiliseren over duurzaam watergebruik. Ook is het belangrijk dat ze participeren in cocreatietrajecten die worden opgezet, bijvoorbeeld door de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM), rond de droogte en het reactief afwegingskader.

Brancheorganisaties kunnen net zoals de PO’s onderzoek naar een geïntegreerde, duurzame productie of naar andere milieuvriendelijke productiemethoden bevorderen en verrichten. De PO’s kunnen ook bijdragen tot een duurzaam gebruik van de natuurlijke hulpbronnen en tot de matiging van de klimaatverandering. PO’s kunnen hiervoor aan hun leden technische bijstand verstrekken en goede praktijken stimuleren.

Zo kunnen PO’s in het kader van de gemeenschappelijke marktordening (GMO) over groenten en fruit Europese steun krijgen via investeringen die ze binnen hun operationeel programma uitvoeren. Het kan dan gaan over het beheer en de verbetering van de waterkwaliteit, bodemvochtsensoren, precisieberegening, waterbesparingsmethoden bij irrigatie, waterzuivering en hergebruik van water op PO-niveau of sprinklers met waterbesparing voor vorstpreventie.

Dan is er uw zesde vraag, mijnheer Coenegrachts, over de nieuwe projectoproepen. Mijn diensten zijn volop bezig om een planning te maken van nieuwe projectoproepen voor de volgende maanden. Die zijn altijd zo actueel mogelijk. U begrijpt hopelijk dat naar aanleiding van de coronacrisis de voorziene planning mogelijk gewijzigd zal worden. De projectoproepen zijn altijd gefocust op actuele uitdagingen van de sector, hier wordt dus zo kort mogelijk op de bal gespeeld.

Kunnen er ook via KRATOS extra impulsen worden gegeven? Zeker. Via KRATOS kunnen land- en tuinbouwers gratis een wateradvies krijgen op maat van hun bedrijf, waarbij er ook een wateraudit uitgevoerd wordt. Deze adviezen kunnen er mee voor zorgen dat er binnen de bedrijfsvoering meer aandacht wordt besteed aan een goed waterbeheer en wateropslag. Tijdens deze wateraudits wordt het waterverbruik in kaart gebracht en wordt er een waterbalans opgemaakt, waarbij er bijvoorbeeld wordt bekeken welke alternatieve waterbronnen het bedrijf kan gebruiken en waar water eventueel hergebruikt of bespaard kan worden.

Dan kom ik tot de vragen van collega Vandenhove. Ik heb er al enkele beantwoord.

Hoe zijn we betrokken? Dat is een zeer goede vraag, collega. Ik zou niet durven zeggen dat ik niet betrokken ben. Ons departement is lid van de Coördinatiecommissie Integraal Waterbeleid en werd ook betrokken bij de opmaak het voorstel van de waterbeleidsnota. Dat zit dus goed.

Voor mij kan een gezamenlijke commissievergadering perfect. Als jullie beslissen om een gezamenlijke commissievergadering te organiseren, dan zal ik me daar uiteraard enthousiast in inschakelen.

Het klopt inderdaad, collega Vandehove, dat sommige teelten meer water verbruiken dan andere. De waterbehoefte is echter niet alleen afhankelijk van de teelt, maar ook van de bodemsoort, bewortelingsdiepte, neerslag, verdamping, temperatuur. Ik ben echt een specialist aan het worden inzake de impact van water op teelten. Via demonstratieprojecten wordt verder gesensibiliseerd en geïnformeerd hoe en met welke technieken het beschikbare water zo efficiënt mogelijk ingezet kan worden. Binnen de Vlaamse praktijkcentra wordt bij onderzoek naar verschillende rassen van een teelt de impact van of de weerstand tegen droogte ook meegenomen in de beoordeling. Hierover wordt actief gecommuniceerd naar onze boeren.

Ook het Instituut voor Landbouw-, Visserij- en Voedingsonderzoek (ILVO) voert droogtegerelateerd onderzoek uit, waaronder ook het onderzoek naar droogteresistente gewassen en veredeling. In de loop van dit onderzoek, dat een grote tijdsspanne vergt – vijf tot tien jaar – wordt ook gewerkt aan de opbouw van een gewasadaptatiestrategie op lange termijn.

Collega’s, het van overheidswege reguleren welke teelt de ene boer wel of de andere boer niet meer zou mogen telen, is wat lastig. De boeren kennen hun percelen namelijk echt wel. Als een perceel niet geschikt is voor een bepaalde teelt, bijvoorbeeld omdat het doorgaans te nat of te droog is, of omdat het een gewas is dat irrigatie nodig heeft terwijl er geen bedrijfszekere waterbron in de nabijheid is, lijkt het mij logisch dat de boer zal kiezen voor iets dat beter is.

Ik was gisteren trouwens bij BelOrta voor de start van het kersenseizoen. Ik heb het niet moeten vragen, men heeft daar spontaan de diversiteit aan bod gebracht, die steeds meer ingang vindt, bij onze fruitboeren in dit geval, om ervoor te zorgen dat de grond gezond blijft. Het is een zeer goede zaak dat men daar zoveel aandacht voor heeft.

Voorzitter, mijn excuses voor het lange antwoord. De vragen waren echter ook lang en ik ben er zeker van dat er nog veel bijkomende vragen zullen zijn, want de problematiek is zeer relevant.

Inderdaad, de voorspelling van de heer Coenegrachts was correct: het was een zeer uitgebreid antwoord.

De heer Coenegrachts heeft het woord.

Dank u wel, voorzitter. Het heeft minder te maken met mijn voorspellende gaven dan met een spel van actie en reactie, want er werden inderdaad heel veel vragen gesteld.

Minister, alvast bedankt voor het inderdaad heel uitgebreide antwoord. Het is goed nieuws dat landbouwers meer en meer dossiers indienen om op bedrijfsniveau te investeren in die wateropvang en in die waterbesparende technieken. Die wateraudits zijn daarvoor een zeer nuttig hulpmiddel, omdat daarmee op bedrijfsniveau eigen specifieke oplossingen uitgewerkt kunnen worden.

Ook op het lokale niveau, bij de lokale besturen, is er aandacht voor de waterproblematiek en worden er positieve projecten uitgerold.

Die goede praktijken en voorbeelden die al bestaan, kunnen misschien ook in de rest van Vlaanderen lokale besturen inspireren, zodat alle overheden samen met de sector proberen dat probleem onder controle te krijgen. Wat dat betreft, is er misschien overleg nodig met de minister bevoegd voor de lokale besturen.

Ik wil nog één zaak toevoegen. In Limburg hebben we een heel specifieke opportuniteit. We beschikken daar over mijnwater. Ik wil niet te provincialistisch worden, of toch niet te vaak, maar de rest van Vlaanderen heeft nu eenmaal geen mijnen. De Limburgse Reconversiemaatschappij (LRM) heeft daar al naar verwezen, maar heeft zelf geen interesse of geen businessmodel om daar iets mee te doen. Misschien kan het departement samen met de LRM bekijken op welke manier van dat water kan worden gebruikgemaakt voor de landbouw, eventueel met coöperaties van landbouw in de buurt of iets dergelijks. Iemand moet daarvoor het initiatief nemen, denk ik, en dit is misschien een opportuniteit om dat te doen. Ik denk ook dat u de voogdijminister bent van de LRM, dus het is misschien interessant dat u de verbinding legt tussen die twee actoren.

De heer Vandenhove heeft het woord.

Minister, dank u wel voor het uitgebreide antwoord. Er is het voorbeeld van dat mijnwater in Eisden dat collega Coenegrachts daarnet aanhaalde. Dat wordt daar eigenlijk in de Maas getankt, bij manier van spreken. Dat voorbeeld toont goed aan dat er echt samenwerking nodig is tussen de landbouwsector en de minister van Leefmilieu. Los van de beloften van de voorzitter om dat straks even te bekijken, meen ik dat er zeker en vast ook in het kader van het aangekondigde langetermijnplan tegen droogte en wateroverlast overleg moet zijn. Ik maak ook op uit uw opmerkingen dat er overleg is, maar ik stel vast dat dat met weinig enthousiasme gebeurt.

U zei dat Vlaanderen moeilijk aan de landbouwers kan opleggen welke teelten ze nog mogen hebben. Ik deel maar gedeeltelijk uw mening daarover. Ik ben het met u eens, maar er is toch een hemelsbreed verschil tussen enerzijds niets opleggen en anderzijds landbouwers verplichten om op die plaats dat te doen. Ik wil dus vragen dat zou worden bekeken in welke mate er voor bepaalde regio’s en gemeenten met teeltplannen kan worden gewerkt. Ik heb de voorbije weken bijvoorbeeld ook een paar keer gealludeerd op vragen om opnieuw meer op grasland in te zetten. Grasland is ideaal, want dat absorbeert water. Men is nu allerlei plannen aan het maken. Er zijn de hemelwaterplannen voor elke gemeente. Er is het net door u gegeven voorbeeld van wateraudits voor landbouwbedrijven. In plaats van dat dat opnieuw langs elkaar gebeurt, zou men beter een aantal dingen in elkaar schuiven, en proberen toch voor een stuk sturend op te treden. Dat kan zeker en vast geen kwaad. Er is het uiterste waarbij ze iets moeten doen, maar er is ook het andere uiterste, waarbij ze mogen blijven doen wat ze willen.

De heer Pieters heeft het woord.

Minister, ik dank u voor uw zeer uitgebreide antwoord. Daar kunnen we al iets mee verder. Er moet toch een tandje bij worden gestoken. Door de droogte is dit een zeer pertinent thema op dit moment, en ook in de voorbije seizoenen, de voorbije jaren. Landbouw is een grote afnemer, maar het is ook aan de andere sectoren, zoals industrie. De landbouw is natuurlijk een serieus gegeven, in een droog seizoen heeft men natuurlijk wel water nodig. Zij staan in voor onze voedselproductie.

In dat gegeven heeft collega Steenwegen gisteren een zeer goede opmerking gemaakt. Ik heb tijdens de vorige tussenkomsten in Leefmilieu de grondwaterlagen aangegeven, om te kijken naar de hoeveelheid die daar aanwezig is en wat men daarvan afneemt. Hij had daarop het voorstel om daar een digitale meting op te zetten. Ik ben daar perfect voor te vinden. Dat geeft aan dat de landbouw een meetbaar instrument kan voorleggen waar we ook iets mee zijn. Grondwater is één zaak, maar men heeft verschillende grondlagen die dan beheerd kunnen worden. Landbouw kan daar een grote rol in spelen. Ik hoop dat u in dat opzicht in communicatie met de minister van Leefmilieu inzake het droogteprobleem een serieus tandje bij kunt steken.

De heer Steenwegen heeft het woord.

Voorzitter, minister, alle genoemde initiatieven zijn belangrijk. We zullen daar in de toekomst nog meer op moeten inzetten. Maar ik wil toch ook wijzen op een dieperliggend probleem en een mogelijkheid om nog op een andere manier en veel preventiever op te treden. Het is namelijk zo dat we vaak spreken over de betonstop, en dan hebben we het over de verharding buiten de open ruimte, maar we hebben natuurlijk ook een soort betonstop op de verharding en verdroging in landbouwgebied meegemaakt. Heel veel landbouwgronden zijn gedraineerd. De laatste decennia heeft de landbouw in zijn streven naar productiviteitsverhoging er vooral voor gezorgd dat het water zo snel mogelijk uit die open ruimte, dat landbouwgebied, verdwijnt. Ik denk dat dat nu bijdraagt tot het probleem. Enkele jaren geleden ging de bezorgdheid natuurlijk over te veel water en overstromingen, maar vandaag zitten we met de andere kant van de medaille: droogte. Het zijn twee zijden van één medaille.

Een heel groot deel van onze landbouwgrond wordt ook echt bemaald. Polders en wateringen beheren veel van onze landbouwgronden. Ze doen het waterbeheer. Het spijt me dat te moeten vaststellen, maar polders en wateringen voeren nog altijd zoveel mogelijk water af. De waterstanden in onze polders en wateringen zijn in de winter vaak lager dan in de zomer omdat men eigenlijk constant water afvoert. Voor we spreken over bijkomende investeringen in opslag, een harde structuur die veel geld kost, moeten we er eerst voor zorgen dat we het regenwater dat in onze landbouwgebieden terechtkomt, beter vasthouden. Dat is een algemeen principe als we spreken over waterbeheer.

U hebt verwezen naar het structureel wateroverleg. U hebt een heel lange opsomming gedaan van alle partijen die daar rond de tafel zitten. Tot mijn verbazing hoorde ik de Vereniging van Vlaamse Polders en Wateringen (VVPW) niet noemen, terwijl zij autonoom waterbeheerder zijn van een heel groot deel van ons landbouwgebied. Is het niet raadzaam dat u in gesprek gaat met de polders en wateringen? We zouden kunnen zien hoe we in het beheer een mindshift kunnen maken en samen kunnen nadenken hoe we vanuit het waterbeheer binnen die polders en wateringen deel kunnen zijn van de oplossing. We zouden ervoor kunnen zorgen dat we tijdens de seizoenen dat het regent, meer water kunnen vasthouden in plaats van het zo snel mogelijk af te voeren.

Minister, hebt u daarover al overleg gehad met polders en wateringen? Ik weet dat ze niet tot uw bevoegdheid behoren, maar uiteindelijk zijn het toch de landbouwers die als ingelanden de belangrijkste partner zijn binnen die polders en wateringen. Ik denk dat het voor de landbouw heel belangrijk is dat we proberen een verandering te krijgen in het beheer van het water en samen bekijken hoe we een goed evenwicht kunnen vinden waarbij we meer water vasthouden op het moment dat het water ter beschikking is. Mocht u nog geen overleg gehad hebben, hebt u dan de intentie om hen te betrekken in toekomstig overleg?

De heer Coel heeft het woord.

Het is door de collega's al geschetst dat innovatie ook in dit dossier een belangrijke sleutel zal zijn om naar een oplossing te gaan. Ik denk aan druppelirrigatie, waterbuffers, eigen irrigatienetwerken en innovatieve teelten. Daar zijn volop onderzoeken naar lopende. Onder meer Praktijkpunt Landbouw Vlaams-Brabant heeft een aantal interessante proefopstellingen. Het zal natuurlijk zaak zijn om die testopstellingen voldoende te kunnen uitrollen in de praktijk. Ik begrijp uit het antwoord van de minister dat er een toenemende interesse is van de landbouwers en dat er heel wat meer dossiers zijn ingediend om te investeren in dergelijke kredieten. Het blijft zaak om dat voldoende te promoten en via nieuwe projectoproepen bijkomende interesse voor te wekken.

Tot slot zou ik nog even willen teruggrijpen naar de beleidsnota. Daarin wordt vermeld dat het Actieplan Droogte en Wateroverlast 2019-2021 een opstap is naar de opmaak van de meer structurele waterschaarste-, droogte- en wateroverlastrisicobeheersplannen in het kader van de uitvoering van de Europese kaderrichtlijn Water. Een belangrijk onderdeel daarvan is het opmaken van een afwegingskader, zijnde de prioritaire verdeling van de waterbeschikbaarheid tussen de sectoren in tijden van droogtecrisis. In de beleidsnota wordt vermeld dat dit afwegingskader tegen de zomer van 2020 klaar zou zijn. Hoever staat u daarmee? Landbouw is daar zijdelings in betrokken. Ik denk dat minister Demir daar de hoofdtrekker is, maar hebt u er een zicht op hoever het daarmee staat en tegen wanneer dit zal worden opgeleverd?

Mevrouw Rombouts heeft het woord.

Collega’s, ik sluit me graag aan bij deze vragen. De vraagstelling op zich en het antwoord zijn wel duidelijk. Wat betreft de land- en tuinbouwsector is het thema levendig. Minister, ik ben heel blij te vernemen dat met goede stimuli, begeleiding en sensibilisering de sector zelf een heel grote rol opneemt om zo veel mogelijk nieuwe, innovatieve technieken te implementeren op bedrijfsniveau. Het doet deugd om te horen dat het aantal investeringen op dat vlak de hoogte is ingegaan.

Ik ben overtuigd dat er heel wat nieuwe technieken zijn en dat landbouwers daarmee actief aan de slag gaan. Daarnet werd verwezen naar drainage. Als we kijken naar de peilgestuurde drainages die vandaag gebeuren, dan is het wel heel wat anders dan louter en alleen voor een zo snel mogelijke afvoer. De land- en tuinbouw heeft daar zeker ook al een hele evolutie in doorgemaakt.

Minister, ik ben ook blij dat u stelt dat wat betreft teeltkeuze de landbouwers zelf nog altijd de beste overweging kunnen maken op het vlak van locatie, bedrijfs- en businessmodel. Ik hoed me echt wel voor een sovchozen- of kolchozentijdperk in Vlaanderen. Anderzijds is het belangrijk dat er goed overleg is en dat er een goed begrip is van overheidsmogelijkheden rond landbouw en water en dat een goede afstemming en overleg worden gestimuleerd.

Wat de captatieverboden betreft, verwijst u zeer terecht naar het feit dat als er een captatieverbod wordt ingeroepen, er naar alternatieven in de omgeving moet worden gekeken. Ik hoor daarover toch wel wat bezorgdheden. Dat zou niet overal even efficiënt of accuraat gebeuren. Ik ben heel blij dat de administratie daarin een rol wil opnemen.

Ik heb vorige week ook gevraagd waar of wie het aanspreekpunt is voor landbouwers die in de problemen komen als er een captatieverbod wordt aangekondigd. Waar kan men op zoek gaan naar alternatieven? Ik heb daar eigenlijk geen echt duidelijk antwoord op gekregen. Misschien is dit toch wel een suggestie om mee te nemen. Er moet een duidelijk aanspreekpunt zijn voor land- en tuinbouwers die in de problemen komen, zodat er gezamenlijk naar een oplossing kan worden gezocht. Die oplossing kan uiteraard per locatie heel divers zijn.

We hebben nu heel sterk gekeken naar wat de land- en tuinbouwers zelf kunnen doen. Maar in het debat dat we gisteren in de commissie Leefmilieu met minister Demir hebben gehouden, bleek hoe belangrijk het is dat we bij algemene waterinvesteringen in de waterinfrastructuur, zowel in grachten als in bufferbekkens, nog meer moeten investeren in slimme systemen. Er zijn heel wat mogelijkheden om water op te vangen en te laten infiltreren en het te gebruiken bij droogte. Ik verwijs naar heel innovatieve systemen die bijvoorbeeld door de VVPW werden ingevoerd. Zij denkt daarbij niet alleen aan waterafvoer, maar aan het integrale verhaal. Denk daarnaast aan stuwpeilbeheer in grachten. In Wuustwezel is er daarvoor een heel concreet project uitgewerkt, waardoor je meer kunt infiltreren, maar ook de mogelijkheid hebt om water te gebruiken als er droogte is. Ik denk dat het voor ons allen een uitdaging is. Ik hoop dat dit ook een pleidooi is om zeker bij de algemene waterinvesteringen zo slim mogelijk te investeren zodat infiltratie en hergebruik gemaximaliseerd kunnen worden.

Ik heb zelf nog vier aanvullende vragen.

De eerste heeft te maken met Water-Land-Schap, een project dat door voormalig minister van Omgeving, mevrouw Schauvliege, geïntroduceerd werd en dat heel nuttig werk doet. Het geeft subsidies voor robuuste watersystemen. Aanvankelijk was het vooral bedoeld om voor buffers tegen wateroverlast te zorgen, daarna is er een omslag gemaakt om water voor drogere periodes te voorzien. Men focust daar heel hard op het innovatieve. Mijn ervaring is dat men een aantal heel nuttige projecten niet wil ondersteunen omdat ze zogezegd niet innovatief genoeg zijn. Ik vind het heel belangrijk dat innovatie extra ondersteund wordt, maar er is ook structurele ondersteuning nodig voor het aanleggen van collectieve buffers, die ook deels in de combinatie van waterbuffering en watervoorraad kunnen voorzien.

Ten tweede is er ook een belangrijke link met de provincie. In West-Vlaanderen is er bij Inagro nu een watermakelaar aangesteld. Men probeert daar ook heel wat werk te doen. Mijn vraag is dat we vanuit Vlaanderen voor een goede coördinatie zorgen. De relatie tussen West-Vlaanderen en Vlaanderen is op dat vlak behoorlijk goed. Ik weet niet of dat voor alle provincies geldt, maar het is in elk geval belangrijk dat men kennis uitwisselt, van elkaar leert, de energie nuttig inzet en geen dubbel werk verricht.

Ten derde is het inderdaad zo dat de polders bijzonder belangrijk zijn. In de polders ligt heel veel landbouwoppervlakte, al liggen er ook veel landbouwgronden daarbuiten. Ik sluit me aan bij wat de heer Steenwegen zegt: we moeten de polders als partner maximaal betrekken. We weten echter ook allemaal dat de VMM op de polders nogal veel druk legt om de prioriteiten te verschuiven. De polders zijn in aanvang opgericht om het waterpeil te beheren zodat dat optimaal is voor de landbouwteelten. Als de prioriteit verschuift naar natuuropbouw en biodiversiteit, ontstaat er natuurlijk een debat, en dat debat moet gevoerd worden. Daar heb ik geen probleem mee. Als er echter nieuwe inzichten zijn over het waterbeheer in functie van de droogte, dan moet daarover in elk geval overlegd worden.

Maar er is natuurlijk vanuit de landbouwsector een belangrijke vraag om die polders nog verder te gebruiken in functie van het beheren en het goed kunnen delen van landbouwvruchten op die gronden die daar gelegen zijn.

Een vierde punt: als het gaat over het sturen van teelten, wil ik u vragen, minister, of dit zo zal zijn. Er zijn de weersverzekeringen die een erkenning gekregen hebben en die vandaag aangeboden worden aan de landbouwers, die in principe kunnen differentiëren naar percelen. Voor bepaalde percelen kan men dus zeggen: er is hier inderdaad een probleem, bijvoorbeeld van droogte, omdat ze zeer gevoelig zijn. De premie voor dit perceel kan eventueel aangepast worden en op die manier ontstaat er een soort van zelfsturing, omdat die misschien niet meer betaalbaar zal zijn voor percelen die gevoelig zijn aan bepaalde omstandigheden. Er zal dan namelijk een premie gevraagd worden die niet meer in verhouding staat tot de opbrengstmogelijkheden van die teelt. Dus mijn vraag is of er ervaren wordt dat er sturing is vanuit die weersverzekering.

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Dank u wel, collega’s. Alle aanvullende reacties en vragen tonen aan dat iedereen toch wel heel veel belang hecht aan dit thema. Er zijn ook heel wat opmerkingen gemaakt die geen vragen waren, er waren tussenkomsten die meegenomen kunnen worden in de verdere aanpak van de dossiers. Ik probeer me nu te beperken tot de vragen.

Collega Coenegrachts, uw suggestie om de lokale initiatieven uit te rollen in heel Vlaanderen vind ik zeer goed. We nemen dat mee op. De provincies zijn al betrokken in het structureel droogteoverleg, maar ik ga de opdracht geven aan onze watercoördinator om de nodige actie te ondernemen om de lokale initiatieven meer onder de aandacht te brengen.

Wat uw opmerking betreft over het water in Noord-Limburg: er bestaan heel wat mooie voorbeelden van grootschalige projecten om water bij de boer te krijgen. Ik denk dan bijvoorbeeld aan het project van Ardo, waarbij ook een leidingnetwerk voorzien is om spoelwater tot bij de boeren te krijgen. Ook in Noord-Limburg is zo’n irrigatienetwerk inderdaad een opportuniteit. Ik vraag aan de watercoördinator om te bekijken of we zo’n netwerk in Noord-Limburg breder zouden kunnen toepassen. Dus ook dat wordt meegenomen.

Collega Vandenhove, grasland speelt inderdaad een zeer belangrijke rol in de waterhuishouding en koolstofopslag in de bodem. Dat is de reden waarom we de instandhouding van blijvende graslanden via het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) beschermen. Het aandeel blijvend grasland in het totale Vlaamse landbouwareaal moet behouden blijven. Dat mag dus met niet meer dan 5 procent dalen.

Collega Steenwegen, om voedsel te kunnen produceren, moet de boer zijn bodem uiteraard kunnen bewerken. In waterverzadigde bodems krijgen de wortels van de gewassen te weinig zuurstof, waardoor de teelt niet lukt. Lokale waterbeheerders streven naar een evenwicht tussen diverse belangen, en dat is niet zo evident: voor de ene zal het te nat zijn, voor de andere te droog. We moeten dus absoluut zoeken naar goede evenwichten.

Voor de monitoring van de grondwaterlagen geldt ‘meten is weten’. Het is heel belangrijk dat de landbouwers een goed beeld hebben van hun watergebruik in het geheel. Hiervoor hebben we instrumenten voorzien, zoals de watermeter en het register van de mobiele pompen. In de omgevingsvergunning, collega Pieters, worden hiervoor voorwaarden gesteld.

Collega Coel, dat afwegingskader is een bevoegdheid van de minister van Leefmilieu. Natuurlijk ben ik daar erg in geïnteresseerd. Dat moeten we dus samen nog bekijken en kan misschien het voorwerp uitmaken van die gezamenlijke commissievergadering waarover jullie het nog zullen hebben.

Collega Rombouts, u had het over het aanspreekpunt voor de landbouwers. De provincies nemen hier wel hun rol in op. We bekijken via de watercoördinator of ook hier een aantal extra initiatieven nodig zijn omdat het, zoals ik in mijn eerste antwoord al zei, heel belangrijk is dat de boeren zeer goed op de hoogte zijn van wat de mogelijkheden zijn om bij een crisis alsnog aan water te geraken, zeker als er een captatieverbod ingesteld wordt.

Collega Dochy, u had het over de watermakelaar in West-Vlaanderen. We moeten dubbel werk absoluut vermijden. Zoals ik echter al zei omtrent jullie aanvullende suggesties: ik zal vragen dat de watercoördinator op korte termijn een overleg met de provincies opzet. Dat lijkt me immers ook nuttig.

Collega Steenwegen, u had het over de polders en wateringen. Ik vind de suggestie zeer goed. Er is daarover echter nog geen overleg geweest. Ik wil zeker bekijken hoe ik hen kan meenemen. Ik wil wel opmerken – maar collega Dochy heeft er ook naar verwezen – dat het beleid gericht is op het lager houden van de waterstand in de winter, om overstromingen van onder andere woningen te voorkomen, en op het bufferen van water bij hevige regen. Je kunt niet altijd water lozen, omdat het waterpeil in de polders soms lager is dan het zeeniveau bij vloed. In de zomer is het beleid gericht op het vasthouden van water om in drinkwater te kunnen voorzien voor dieren, verzilting tegen te gaan en water te hebben voor gewasgroei. Ik neem uw voorstel echter zeker op om dat overleg te voeren.

Collega Dochy, u had het nog over het sturen van de teelt via de brede weersverzekering. Het is echt van belang dat een landbouwer de juiste teelten op het juiste perceel zet. U hebt dat goed opgemerkt: een verzekeringsmaatschappij zal de premie inderdaad aanpassen aan het risico, net zoals dat voor andere verzekeringsproducten gebeurt. Dat zal dus ook voor een stukje sturend werken, en eigenlijk is dat een goede zaak. Ik vind het geen goed idee dat een verzekeringsmaatschappij generiek bepaalde teelten zou uitsluiten, maar ik meen dat het goed is dat landbouwers op individuele basis met de verzekeraar in gesprek gaan. We hebben dat trouwens ook aangeraden. Zo kan men, als men zich verzekert, zeer goed weten hoe het systeem werkt en waarvoor de verzekering al dan niet een tegemoetkoming zal geven.

De heer Coenegrachts heeft het woord.

Minister, dank u wel. Ik denk dat de vele tussenkomsten bewijzen dat we het in de komende maanden en jaren nog regelmatig zullen hebben over deze problematiek, die zeer belangrijk is en ons allen na aan het hart ligt. Ik ben blij dat u de suggestie meeneemt om de lokale besturen ook verder te inspireren. Het is natuurlijk ook aan hen om actie te nemen ter zake, maar het is goed dat ze niet opnieuw het warm water moeten uitvinden, dat ze kunnen leren van hun collega’s.

De heer Vandenhove heeft het woord.

Minister, dank u wel voor de antwoorden. Ik denk dat we hierover een goed debat hebben gehad. Zeker als men hier ook de polders en wateringen bij gaat betrekken, wil ik echter nogmaals het volgende zeggen. Er is in de vorige legislatuur de operatie doorbraak 63 geweest, waarbij men het aantal beheerders van waterlopen al aanzienlijk heeft verminderd. Ik denk dat we in het kader van een integraal waterbeheer veeleer moeten gaan naar minder dan naar meer partijen. Natuurlijk is het goed dat er watermanagers, of hoe men ze ook moge noemen, in dienst komen, dat kan allemaal geen kwaad, maar ik pleit ervoor dat dit uiteraard zo veel mogelijk via bestaande structuren gebeurt. Dit is nog maar eens een bevestiging dat het niet slecht zou zijn dat bepaalde dingen regelmatig samen zouden worden bekeken door de beide commissies, en uiteraard ook door de beide ministers.

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is gesloten.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.