U bent hier

– Wegens de coronamaatregelen werd deze vraag om uitleg via videoconferentie behandeld.

De heer Van Rooy heeft het woord.

Het mag niemand ontgaan zijn na diverse mediaoptredens, een aantal interviews en ook een passage in De Afspraak, dat minister Somers het heeft over de oprichting van een nieuw wetenschappelijk instituut dat het diversiteitsbeleid moet gaan ondersteunen. Dit instituut zal worden genoemd naar Hannah Arendt, ons allen welbekend, mag ik hopen. Indien dat niet zo is, is het toch aanbevelenswaardig om haar naam op zijn minst eens te googelen en haar boeken te lezen. Dat instituut wordt opgericht in Mechelen, niet toevallig de stad van mijnheer Somers, de burgemeester, nietwaar? Bij de oprichting van dit instituut heb ik natuurlijk heel veel vragen – het zijn er negen –, ofschoon er al wel wat antwoorden zijn gekomen via die interviews.

Dit instituut zou een startsubsidie krijgen van 235.000 euro van de minister. Minister, acht u het opportuun om in tijden waarin op zowat alle departementen, ook op uw eigen administratie, wordt bespaard, alsook op de modale Vlaming, een dergelijk bedrag te spenderen aan wat ik toch zou willen omschrijven als een promotie-instituut van de diversiteit en de multiculturele samenleving, die overigens ondertussen al tien jaar geleden door mensen als Angela Merkel als mislukt is gekwalificeerd?

Minister, u noemt deze 235.000 euro een startsubsidie. Zal er nog bijkomend belastinggeld gespendeerd worden aan dit instituut? Of blijft het bij die 235.000 euro?

Minister, u beweert in de media niet de ambitie te hebben om dit instituut mee te beïnvloeden en te sturen. Dat is vrij lachwekkend wanneer men al uw andere verklaringen in de media leest. Ik heb ze genoteerd. Het gaat om een hele waslijst van aanbevelingen voor dat nieuwe instituut. Als u dan tegelijkertijd zegt dat u het niet wilt sturen, is dat toch absoluut tegenstrijdig.

U beweert dat u het instituut niet mee zult sturen, maar het wordt wel gehuisvest in de zijvleugel van het stadhuis van Mechelen. Ik heb er niets op tegen dat ruimtes die nog niet worden benut, opnieuw wél worden benut. Maar ik stel mij toch de vraag of de keuze om dat daar te doen, kan garanderen dat u geen invloed zult hebben op de richting waarin dat instituut zich wetenschappelijk zal begeven en of dat wel in volle onafhankelijkheid kan plaatsvinden.

Wat is de timing voor deze oprichting? Kunt u die toelichten?

In een van uw interviews – ik denk in De Standaard – zegt u: “We moeten het burgerschap opnieuw uitvinden. Dat gebeurt in een stedelijke context, waar mensen dicht bij elkaar leven.” Wat bedoelt u daar precies mee? Bestaat er dan ook zoiets als een niet-stedelijk burgerschap, voor de mensen op het platteland? Wilt u hiermee twee richtingen creëren in onze samenleving?

In een van de interviews zegt u ook dat het instituut niet is opgericht om aan partijpolitiek te doen, maar tegelijkertijd hebt u in die interviews een aantal keer expliciet het Vlaams Belang bij naam genoemd als zogenaamde oorzaak van polarisering. U hebt zelfs gezegd dat u niet vindt dat mijn partij de maatschappij iets bijbrengt. Minister, bent u van mening dat dit soort uitspraken stroken met de missie van een ‘onafhankelijk instituut dat niet aan partijpolitiek doet’?

Ik las dat u vindt dat heel wat mensen uitstekend samenleven in de steden. Waarop baseert u zich om dit te zeggen? Misschien kunt u dat aantonen met voorbeelden. Ik kan u ook voorbeelden geven. Meer nog: ik leef samen in een huis met iemand met een migratieachtergrond – stel je voor. Er is dus heel veel mogelijk in onze samenleving. Maar, minister Somers, wij zien recent, in Anderlecht en nu ook weer in Gent, aan de Brugse Poort, dat er heel wat problemen zijn met een bepaald deel van de mensen met een migratieachtergrond. Ook in Antwerpen kennen we de problematiek met ontploffende granaten vanwege de zogenaamde mocromaffia, zoals die wordt genoemd. De Nederlander Teun Voeten heeft een zeer lezenswaardig boek geschreven over de Marokkaanse clans die steeds meer onze steden – een stad als Antwerpen in de eerste plaats – beheersen en daar hun oorlogen uitvechten. Minister, op welk concrete, objectieve gegevens baseert u zich om te zeggen dat mensen uitstekend samenleven in steden?

Ten slotte heb ik een vraag over uw optreden in De Afspraak. Nota bene op de dag van mijn verjaardag – stel u voor – heb ik mij moeten verplichten om te kijken naar uw optreden in De Afspraak, waarin u verklaart dat het Hannah Arendt Instituut samengesteld is uit mensen van diverse geledingen. Dat was uw antwoord op de fijne opmerking van moderator Phara over de foto waarop de oprichters van het instituut te zien zijn en waaruit toch wel heel weinig diversiteit blijkt. U antwoordde daarop dat er in de raad van bestuur en in de wetenschappelijke raad wel degelijk diversiteit te vinden is. Minister, welke diversiteit is dat dan precies? Kunt u een overzicht geven van de samenstelling van de beide raden van het Hannah Arendt Instituut?

Minister Somers heeft het woord.

Minister Bart Somers

Mijnheer Van Rooy, u stelt veel vragen. Ik zal proberen ze zo accuraat mogelijk te beantwoorden.

Eerst en vooral uw eerste vraag, over de startsubsidie. Ik grijp terug naar het antwoord dat ik u gegeven heb op een actuele vraag in de plenaire vergadering van 18 december 2019. U hebt er toen ook al vragen over gesteld.

Ik heb u toen uitgelegd dat dit een initiatief is van de Universiteit Antwerpen (UAntwerpen) en de Vrije Universiteit Brussel (VUB), meer bepaald van het Brussels Centre for Urban Studies en het Urban Studies Institute in Antwerpen, twee delen van die beide universiteiten. Het zijn twee internationaal gerenommeerde centra, gespecialiseerd in stedelijkheid, die de handen in elkaar willen slaan rond de brandende maatschappelijke uitdagingen die we hier heel vaak bespreken: stedelijkheid, diversiteit, inclusie en burgerschap. Dat behoort tot de kern van mijn bevoegdheidspakket. Ik ben bevoegd voor integratie, inburgering, het creëren van gelijke kansen, preventie op het vlak van radicalisering en dergelijke meer. Zij willen daarrond evidence based studiewerk verrichten, om te onderzoeken wat wij op het terrein de voorbije jaren allemaal hebben ontwikkeld, wat er werkt en wat niet, waar er internationale voorbeelden zijn, hoe je dat beter en wetenschappelijker kunt onderbouwen, en hoe je alle partners kunt samenbrengen. Ik investeer daar inderdaad eenmalig 235.000 euro in. De universiteiten doen zelf een veel grotere inspanning.

U vraagt of dat een eenmalige startsubsidie is. Dat is inderdaad een eenmalige startsubsidie. Ze dient voor de opstart en de coördinatie van het instituut en de uitrol van een eerste onderzoeksagenda. Het instituut zelf zal tijdens deze opstartperiode een strategie uitwerken voor de duurzame bestendiging van het kennisplatform en ze gaan daarbij ook op zoek gaan naar andere financieringsbronnen.

Uw derde vraag: ik beweer eveneens niet de ambitie te hebben om dit instituut mee te sturen. Vertolk ik hierbij het standpunt van de voltallige regering? Het gaat hier inderdaad om een onafhankelijk academisch instituut. Ik zit niet in de organisatie, in geen enkele van de bestuursorganen. Mijn interesse gaat uit naar de verworven inzichten die we kunnen meenemen als basis voor een meer evidence based beleid. Als ik even de heer Busch mag citeren, in Knack van 27 mei: “Wij zijn uiteraard blij met de budgettaire steun die we van de minister krijgen voor onze opstart. Maar voor de duidelijkheid: Bart Somers speelt geen rol in onze organisatiestructuur. Wij zijn niemands spreekbuis. De wetenschap moet primeren, niet de ideologie.” Rector Pauwels zegt ongeveer hetzelfde: “Wat wij met het instituut doen, verschilt ook niet van wat we als universiteit doen als we onderzoek moeten financieren. Je gaat op zoek naar middelen bij Europa, stichtingen, lokale overheden of bedrijven. Hoe meer geldschieters je vindt, hoe gemakkelijker het wordt om je onafhankelijkheid en je pluraliteit te vrijwaren.”

Dan stelt u zich de vraag waarom het instituut in Mechelen zit. Ik begrijp dat u als Antwerpenaar waarschijnlijk liever had gehad dat het Hannah Arendt Instituut in Antwerpen terecht zou komen, maar het moet zich natuurlijk ergens vestigen. Het was een keuze die zowel rector Van Goethem van de UAntwerpen als mevrouw Pauwels zelf hebben voorgesteld, omdat Mechelen een centrale ligging heeft, op de as Antwerpen-Brussel ligt en voor mij een grootstad op laboratoriumformaat is. Ze heeft natuurlijk niet de omvang van het grote Antwerpen of Brussel, maar omdat ze op die as ligt, wordt ze, weliswaar bescheiden van omvang, ook met diezelfde grootstedelijke problematiek geconfronteerd, bijvoorbeeld de superdiversiteit die ook in Mechelen even prominent aanwezig is.

Ten tweede heeft Mechelen een traditie met het onderzoek naar herinneringseducatie en mensenrechten, denk maar aan wat Kazerne Dossin doet, maar ook wat de Thomas More hogeschool al gedaan heeft de voorbije jaren, de richtingen die je daar kunt volgen. Mechelen heeft internationaal ook heel veel aandacht gekregen, van de Europese Commissie, van de Deense en de Nederlandse Regering en dergelijke meer voor het beleid dat daar lokaal ontwikkeld werd. Opnieuw mag ik rector Pauwels citeren: “Vanuit de grootstad Brussel waren wij als VUB geïnteresseerd in de Mechelse aanpak, die internationaal als voorbeeld geldt.” Als die interesse er is en je de vijfde stad van Vlaanderen bent, waar geen universitaire opleidingen gegeven worden, en je de kans en de mogelijkheid krijgt om vanuit een kernkenmerk van je stad universitair werk aan te trekken, zou je als lokaal bestuur natuurlijk dwaas zijn om dat niet te doen.

Net als vele steden en gemeenten wordt Mechelen geconfronteerd met de vraag wat men in het historisch stadhuis juist moet onderbrengen. Veel van onze stadhuizen worden suboptimaal gebruikt. Dat heeft te maken met het feit dat die gebouwen een verleden hebben, dat men overgeschakeld is op nieuwe werken, dat in Mechelen er heel veel efficiëntie-oefeningen gebeurd zijn. Een van de vleugels van het historisch stadhuis stond dus leeg, en als je een Hannah Arendt Instituut wil oprichten, dat buiten Mechelen alleen maar bestaat in Berlijn en New York – en ik weet dat Antwerpenaars zich graag met New York vergelijken, Mechelen mag dat nu ook voor één keer doen – zorg je er wel voor dat dat op een prestigieuze plaats komt. U kunt gerust zijn: ik zit nu niet meer in het stadhuis, ik ben van plan om daar ooit nog wel naar terug te gaan, maar het is niet onmiddellijk naast mijn deur; mijn werkplek is vandaag in Brussel en ik hoop dat nog een paar jaar zo te kunnen houden. Daarover verschillen we ongetwijfeld van mening.

In het interview is er sprake van een tijdlijn voor deze oprichting. De subsidie wordt voor een jaar gegund en is gestart op 1 januari 2020. Ze wordt gegund voor het lopende jaar. De subsidie werd reeds eind 2019 toegekend en er werd toen ook reeds over gecommuniceerd.

De eerste activiteiten van het kennisplatform omvatten het samenbrengen van kennis over buddysystemen en hoe die een positieve of negatieve impact kunnen hebben op de integratie van nieuwkomers, richtlijnen en ervaringen rond diversiteit voor beroepsgroepen, en de impact van informatie- en communicatietechnologie op het maatschappelijke referentiekader. Het zijn die eerste activiteiten die door het Hannah Arendt Instituut zelf zijn geformuleerd, en die ik heb verwoord en vertaald naar buiten. Ik heb niet die opdracht gegeven, ik heb vertaald wat ik wist wat de eerste inhoudelijke activiteiten zouden zijn van het Hannah Arendt Instituut. Na het opstartjaar zullen er vervolgens ook vormings- en trainingsactiviteiten worden opgezet, in samenwerking met een breed scala aan partners.

Uw zesde vraag vond ik een beetje een vreemde vraag. De andere vragen vond ik minder vreemd, maar dit is toch een rare vraag. U vraagt of er twee soorten burgerschap moeten ontstaan, maar dat is natuurlijk niet de inzet. We hebben twee gerenommeerde instituten, een aan de VUB en een aan de UAntwerpen, die zich specialiseren in stedelijkheid. Dat is een heel boeiend en interessant sociologisch maatschappelijk fenomeen. De stad wordt belangrijker in de 21e eeuw. Sinds 2011 woont meer dan de helft van de wereldbevolking in een stad. Stedelijkheid wordt steeds meer determinerend voor onze menselijke conditie. Het is dan ook niet meer dan logisch dat academici en universitaire instellingen aan de slag gaan met het thema stedelijkheid, zeker ook het thema stedelijkheid, diversiteit, burgerschap. Zij gaan werken rond die driehoek. Het gaat absoluut niet over het creëren van twee vormen van burgerschap. Het is aan de slag gaan met de specifieke stedelijke context, wat die twee instituten eigenlijk al jaren doen, zowel in Antwerpen als in Brussel, maar nu gebundeld en niet meer gefocust op de driehoek die ik net heb beschreven.

Is dat instituut partijpolitiek of niet? Neen, ik herhaal dat het instituut geen partijpolitiek instrument is. Als men mij als politicus mijn mening vraagt over het Vlaams Belang, dan geef ik die zoals u die kent en zoals u die ook kunt lezen. Ik ga mij als politicus niet onthouden van een positiebepaling ten aanzien van het Vlaams Belang omdat er nu een Hannah Arendt Instituut is. U kent mijn mening en ik ben ook van plan om die te blijven geven zolang ik dat van u nog mag, mijnheer Van Rooy.

U zegt ook dat er in Vlaanderen heel wat mensen zijn die uitstekend kunnen samenleven in steden. Ja, dat is ook zo. U haalt terecht voorbeelden aan van maatschappelijke problemen en spanningen, maar – en dat is wat ik daarnet ook aan mevrouw Beckers heb proberen te zeggen – de sprong die u dan maakt om volledige groepen in de samenleving te stigmatiseren met verwerpelijke praktijken zoals bendevorming, drughandel en overlast, daar ben ik het fundamenteel mee oneens. Dat doet heel veel onrecht aan mensen. Dan bent u mensen aan het beoordelen op het feit dat ze behoren tot een bepaalde gemeenschap of eenzelfde achtergrond hebben, terwijl ik vind dat je die mensen moet beoordelen op hun individuele daden.

Dan zie ik heel veel positieve elementen. Zo werken er in Vlaanderen 2949 mensen met migratieroots in de diensten voor gezins- en bejaardenhulp. 2479 mensen vervullen toezichtdiensten in onze samenleving. Er werken 13.120 mensen in de schoonmaak. 17.405 mensen zijn actief in de gezondheidsinrichtingen en diensten. Dat zijn stuk voor stuk mensen met migratieroots, van wie er ongetwijfeld ook mensen zijn die slecht functioneren, maar heel veel mensen functioneren op een heel positieve manier.

Een tweede indicatie is de Survey Samenleving in Diversiteit, ook de Vlaamse Stadsmonitor, waarin u zult zien dat als mensen bevraagd worden over hoe zij het samenleven met mensen met een andere culturele achtergrond ervaren, van stad tot stad en in de tijd evoluerend, mensen daar positief, negatief of minder positief of positiever op reageren. Dat verschilt heel sterk van de lokale evolutie. Ik ken die van mijn eigen stad heel goed. Daar is een spectaculaire vooruitgang in geboekt. Het is een survey op een schaal van tweeduizend mensen. Ongetwijfeld zijn er problemen in de samenleving – die zijn er trouwens in elke samenleving – en zijn er problemen met mensen met migratieroots. Maar er zijn ook heel veel positieve dingen bij mensen met migratieroots, zoals er ook problemen zijn met autochtone mensen. Net dat herleiden van mensen op één identiteit, is wat ik consequent tegenspreek, en waar ik altijd op wijs omdat we anders in een soort van Armageddon terechtkomen. Zo kan je bijvoorbeeld artikels lezen in het weekblad ’t Pallieterke, waarin mensen zeggen dat het zo erg is dat we onze rechtstaat misschien zullen moeten loslaten om de problemen op te lossen omdat het niet altijd mogelijk is om die binnen onze huidige rechtstaat op te lossen. Als je een dusdanig negatief beeld van de samenleving en van mensen in de samenleving ophangt en hen tot vijanden maakt, hen tot problemen maakt en alleen maar tot een gevaar, dan denk ik dat je eerder problemen veroorzaakt dan dat je bijdraagt aan de oplossing. Ik kijk daar genuanceerder naar. Ik ben absoluut niet blind voor de grote problemen die er zijn, maar ik wil ook niet blind zijn voor de vele mooie, positieve verhalen die zich ook in onze samenleving vertalen. Maar daarover hebben we al zo vaak gediscussieerd en we kennen elkaars positie daarin.

U vraagt dan naar de samenstelling van de bestuursorganen. Ik begin bij de Wetenschappelijke Raad. Daar zitten vier leden van de VUB in: Lena Imeraj, Iman Lechkar, Ilke Adam en Pieter Ballon. Er zijn ook vier leden van de Universiteit Antwerpen: Lore Van Praag, Sara Elloukmani, Bert De Munck en Stijn Oosterlynck. Die namen worden eerlang gepubliceerd op de website van het Hannah Arendt Instituut. Die website stond op 28 mei nog niet online, maar zal een van de komende dagen online komen. Dan kunt u die namen nog eens rustig nakijken. De raad van bestuur en de maatschappelijke adviesraad zijn nog in oprichting. Zodra ze opgericht zijn, kunnen die ook op de website terechtkomen.

De heer Van Rooy heeft het woord.

Minister, het is zoals vaak en zoals ook daarnet, toen u antwoordde op de vragen van mijn goede collega Roosmarijn Beckers: u antwoordt op sommige vragen, op sommige vragen antwoordt u gedeeltelijk en op sommige vragen antwoordt u eigenlijk niet en begint u een verhaal af te steken om de vis te verdrinken. Dat hebt u bij de vraag van Roosmarijn Beckers ook gedaan. Wat is die vis? Dat is een probleemstelling die wordt aangehaald. Mijn collega Beckers had het over integratiemoeilijkheden binnen de Turkse gemeenschap. Mijn vraag gaat in beginsel over – en daar hebt u niet eens op geantwoord – of u het wel opportuun vindt in tijden waar zowat op elk departement wordt bespaard, inclusief uw eigen departement, om 235.000 euro van het belastinggeld van de hardwerkende Vlamingen, te investeren in wat ik een nieuwe diversiteitsspeeltuin zou willen noemen, die u opricht in uw eigen Mechelen. We weten allemaal hoe het is gegaan met Kazerne Dossin, die onder de bevoegdheid van minister Jambon zit en waar het mis is gegaan omdat daar de herdenking van de Holocaust steeds meer werd misbruikt om een hedendaags discours te voeren tegen iedereen die niet zo voor de diversiteit of de massa-immigratie te vinden is.

Wel, die strijd is beslecht. Iemand als de heer Christophe Busch is weg uit Kazerne Dossin en zien we nu – uiteraard samen met iemand als Herman Van Goethem – opduiken in hun nieuwe speeltuin van de diversiteit in de zijvleugel van uw stadhuis in Mechelen. Dat is ongeveer het verhaal. U geeft daar belastinggeld van de Vlamingen aan. Ik vind dat verwerpelijk. Ik vind dat ook totaal wereldvreemd, dat u niet ziet dat er andere prioriteiten zijn om honderdduizenden euro’s aan te geven. U hebt ook niet uitgesloten – dat begrijp ik althans uit uw antwoord op mijn tweede vraag – dat daar nog meer geld naartoe zal gaan, bijvoorbeeld volgend jaar. U benadrukt namelijk dat dit de startsubsidie is voor 2020. Dus ik stel de vraag: zal dat dan in 2021 opnieuw zo’n bedrag zijn en in 2022 opnieuw? Zal dat dus structureel gesubsidieerd blijven, minister, door de Vlaamse Regering?

Wat die ligging in Mechelen betreft: het is toch ongelooflijk hoe u daar met droge ogen een verhaal afsteekt dat Mechelen een centrale ligging heeft en dat er dan toevallig een ruimte beschikbaar was. U hoeft daar niet zo flauw over te doen. U kunt gewoon zeggen dat dit iets is dat u in uw stad Mechelen wil. Ik lees krantenartikels waarin de heer Herman Van Goethem werd geïnterviewd. Hij zegt letterlijk dat men is gecontacteerd om te onderzoeken hoe het Mechelse model geëxporteerd kan worden naar de rest van Vlaanderen. Dat is wat Caroline Pauwels, Herman Van Goethem en Christophe Busch – mensen die net als u zijn geïnterviewd – verklaren in de media. Dat duidt er gewoon op – en daar heb ik natuurlijk ook op gewezen – dat dit helemaal geen onafhankelijk instituut is. Zoals ik daarnet al zei, zijn het mensen uit uw ideologische kring die in misnoegdheid de Kazerne Dossin hebben verlaten en nu van u belastinggeld krijgen om een nieuw instituut op te richten waar ze wel kunnen doen wat ze in de Kazerne Dossin niet meer konden of mochten doen, en terecht. Ik heb me toen in de plenaire vergadering ook aan de kant van de Kazerne Dossin geschaard, namelijk dat dit het misbruiken was van de Holocaust en van het joodse leed voor een hedendaagse agenda ter promotie van de diversiteit, inclusief de islam natuurlijk. Want ik denk dat wie Hannah Arendt goed leest, slechts één conclusie kan trekken, minister, namelijk dat het totalitarisme dat zij beschreef en hoe dat tekeer kan gaan, evenzeer van toepassing is op de islam.

Mijnheer Van Rooy, mag ik u vragen u een beetje aan de tijd te houden? U kreeg twee minuten en we zitten ruim over de vier minuten.

Ja, absoluut. Ik zal verdergaan door te reageren op iets dat minister Somers heeft aangehaald, iets wat hij ook al subtiel gedaan heeft in zijn antwoord aan mijn goede collega Roosmarijn Beckers, namelijk de verwijzing naar mijn interview in ’t Pallieterke. Daarin heb ik inderdaad gezegd dat ik denk – helaas, ik betreur dat, dat stond er heel duidelijk in – dat wij de islamisering niet meer kunnen oplossen binnen de democratische rechtstaat. U doet alsof dat een of andere hersenschim is, een of ander apocalyptisch denkbeeld, minister, maar ik onderbouw dat ook. Kijk maar eens naar Denemarken, naar een stad als Kopenhagen, waar nu maatregelen worden ingevoerd om de islamisering en de gettoïsering van de islam tegen te gaan. Daar zijn maatregelen bij die regelrecht indruisen tegen de democratische rechtstaat, bijvoorbeeld het dubbel zo zwaar bestraffen van hetzelfde misdrijf dat in een van die getto’s plaatsvindt als daarbuiten. Dus ik waarschuw daar niet alleen voor voor de toekomst, ik waarschuw er ook voor dat dat op dit moment aan het gebeuren is in fatsoenlijke, westerse, democratische rechtstaten als Denemarken, die ten einde raad over de islamisering in steden als Kopenhagen dat soort maatregelen beginnen toe te passen.

Als u dan zegt – dat is mijn slotwoord, voorzitter – dat uit de Stadsmonitor van alles blijkt over de diversiteit en het samenleven daarin, dan wil ik toch wijzen op het feit dat zo’n survey van de Stadsmonitor bij tweeduizend mensen bezwaarlijk representatief kan worden genoemd. Het is een bepaald soort mensen dat daaraan deelneemt.

Ten tweede, u ziet in de peilingen wat vandaag ons kiespotentieel is. Ik denk dat dat toch een ander signaal geeft dan die Stadsmonitor die u citeert.

Mijnheer Van Rooy, nu moet u echt afronden. U bent al driemaal over uw tijd gegaan.

Minister Somers heeft heel lang uitgeweid. Het is een heel complex probleem.

Minister Somers, ik wil u er tot slot op wijzen dat u het zelf, in al die interviews, niet nalaat – en ik waardeer die eerlijkheid van u – om te zeggen dat de diversiteit een open wonde is in onze samenleving. U geeft voortdurend toe dat dat een groot en groeiend probleem is, een open wonde. Dat heeft tot gevolg dat u daar steeds meer belastinggeld aan wilt besteden, zoals die 235.000 euro. Het Vlaams Belang zal zich daartegen blijven verzetten.

Mevrouw Sminate heeft het woord.

Minister, wij hebben via heel wat verschillende kanalen informatie gekregen over dit nieuwe instituut. Ik noem het uw paradepaardje, als dat mag. U zegt natuurlijk vandaag dat u zich niet gaat bemoeien met de werking van dit instituut, maar we kunnen na uw optredens over dit onderwerp niet ontkennen dat u bijzonder trots bent op de oprichting ervan, niet het minst omdat het zich in Mechelen bevindt. Ik kan het u niet kwalijk nemen, maar we mogen toch wel zeggen dat het er een beetje dik op ligt dat u daar zeer trots op bent.

Het klinkt allemaal heel veelbelovend. Het gaat over buddyprojecten, over diversiteit op de werkvloer, over socialemedianetwerken voor nieuwkomers. Dat is allemaal heel positief. Ik stel mij wel vragen over hoe de wisselwerking met het Agentschap Integratie en Inburgering (AgII) zal gebeuren. We horen dat het centrum zich ook zal bezighouden met het ondersteunen van steden en gemeenten die geconfronteerd worden met een grote instroom van nieuwkomers. Dat is nu net de kerntaak van het AgII. Gaat het instituut niet op het terrein komen van het agentschap? Werden daar afspraken over gemaakt? Naast de vele vragen van mijn collega Van Rooy moeten we daar toch wel eens duidelijkheid over krijgen.

Mevrouw Partyka heeft het woord.

Uit de vraagstelling van collega Van Rooy en het feit dat hij er niet over uitgepraat raakt, kunnen we afleiden dat hij op zijn zachtst gezegd geen voorstander is van het instituut. Wij zijn daar wel voorstander van. Het Hannah Arendt Instituut komt eerder te laat dan te vroeg.

Zoals de heer Van Rooy zelf omschrijft, is diversiteit een open wonde in de samenleving. Het gaat hier over diversiteit en vraagstukken over identiteit. Maar dat is dan misschien het verschil tussen politici die wonden willen helen en politici die ze willen cultiveren. Het oude Vlaamse gezegde luidt: ‘Zachte heelmeesters maken stinkende wonden.’ Ik denk niet dat het de bedoeling is om een zachte heelmeester te zijn maar, integendeel, om te verhelpen aan die wonde.

Ik wil nog even ingaan op de inhoud van de vraag. Het feit dat men het zo wantrouwt dat het instituut zich in het stadhuis van Mechelen zal vestigen, getuigt toch van een groot gebrek aan vertrouwen in onze Vlaamse universitaire instellingen. Los van alle andere dingen die daarover worden verteld, vind ik het ontstellend dat u twee Vlaamse universiteiten ervan zou beschuldigen dat zij niet verder in staat zouden zijn om onafhankelijk te functioneren, louter wegens de aard van de plek waar het instituut gevestigd is.

Minister, ik wil graag een bijkomende vraag stellen. Momenteel gaat het om de VUB en de Universiteit Antwerpen, wegens hun voorgeschiedenis, 2019, de samenwerking die zij daar hebben opgezet en hun expertise. Dat is uiteraard geen enkel probleem. Maar is er, gelet op de problematiek en het belang daarvan voor onze samenleving, op een bepaald moment ook sprake van geweest om dat uit te breiden naar andere universitaire instellingen? Zijn er bijzondere redenen waarom het beperkt bleef tot deze twee instellingen? Of kan het in de toekomst nog worden uitgebreid, aangezien het toch gaat om een maatschappelijk belangrijk thema?

Minister Somers heeft het woord.

Minister Bart Somers

Mijnheer Van Rooy, ik ga eerst in op uw vragen en opmerkingen. Eerst en vooral, ik probeer wel degelijk te antwoorden op de meeste vragen.

U vraagt mij of ik het opportuun vind. Het zou heel gek zijn dat ik hier nu zou zeggen dat ik het niet opportuun vind. Voor mij is dat de logica zelf. Als ik daar middelen aan geef, 235.000 euro, dan is dat uiteraard omdat ik geloof dat dat van het grootste belang is.

Ten eerste, ik heb het even nagekeken: het budget is 0,005 procent van de totale Vlaamse begroting. Op de totaliteit van de Vlaamse begroting is dat een heel bescheiden som geld. Ten tweede, ik ben ervan overtuigd dat dat zich maatschappelijk zeker terugverdient. Wanneer twee van onze gerenommeerde universiteiten de handen in elkaar slaan om rond de meest belangrijke samenlevingsproblemen, waarop u zich als partij altijd – op een volgens mij verkeerde manier – profileert, dan zou het toch te gek zijn dat de academische wereld, de mensen die ter zake universitaire scholing hebben gevolgd, zich niet intens zouden bezighouden met die problematiek. Ik vind eigenlijk dat ze dat in het verleden veel te weinig hebben gedaan. Ik vind het heel belangrijk dat, wanneer je beleid voert, dat ook wetenschappelijk kan worden onderbouwd door onderzoek, door het nagaan van wat werkt en wat niet, door een wetenschappelijk kader te creëren om te zien wat effectief is en wat niet. Dat is volgens mij de meest normale, meest verlichte, meest westerse – als u dat zo graag wil horen – manier van beleid voeren: beleid voeren op basis van ratio, van kennis, van knowhow, van inzichten.

Op het moment dat twee universiteiten zeggen dat ze de handen in elkaar slaan, een startsubsidie vragen en aankloppen bij de minister die bevoegd is voor dat beleidsdomein of daar veel aanknopingspunten heeft, dan zou ik een totaal verkeerde beslissing nemen door weg te kijken. Ik denk dat het een zeer zinvolle investering is, die zichzelf ongetwijfeld terugbetaalt, in de vorm van minder maatschappelijke kosten en een veel efficiënter beleid, een veel doelgerichter inzetten van middelen.

Het valt overigens volledig binnen de budgetten die ik had. Ik heb geen extra middelen moeten vragen. Ik heb de vrije beleidsruimte ingezet die ik zelf als minister heb om ter zake initiatieven te steunen.

Twee, ik verwijs graag nog eens naar die survey: er hebben daaraan 115.872 mensen deelgenomen. Die survey is trouwens niet van mij, maar werd door mijn voorganger, minister Homans geïnitieerd. Het is een Stadsmonitor, op basis waarvan heel veel besturen hun beleid oriënteren. Daaruit kun je heel veel lessen trekken: waar zitten we op het juiste spoor, waar zitten we op een minder goed spoor?

U provoceert mij met peilingen. Peilingen zijn één zaak. U zegt dat een survey een slechte graadmeter is, omdat niet iedereen daaraan meedoet, en vindt dat we moeten kijken naar peilingen. Maar ik denk dat er een nog betere graadmeter is: de verkiezingsresultaten. U provoceert mij op Mechelen. Dan nodig ik u in alle bescheidenheid uit om de verkiezingsresultaten in Mechelen nog eens te bekijken, een stad waar het samenlevingsmodel de inzet was van de verkiezingsresultaten, waar het debat onder meer – niet alleen – daarover verliep.

U moet die resultaten nog eens bekijken. Als u aan mij vraagt of ik trots ben dat dat in Mechelen komt, ben ik daar natuurlijk trots op. Ik ga nog meer zeggen: ik ben er apetrots op dat dat in Mechelen komt. Maar voor alle duidelijkheid: ik heb niet de heer Van Goethem aangesproken. Daar verdraait u mijn woorden. Het is mevrouw Pauwels die contact gezocht heeft met de heer Van Goethem. De heer Van Goethem heeft gezegd dat hij gecontacteerd is door rector Pauwels. Twee universiteiten die een traditie hebben in stedelijke studies: ja, die wilden naar Mechelen komen, en ja, ik ben blij dat ze naar Mechelen komen. In alle bescheidenheid: het beleid dat we in Mechelen gevoerd hebben – u spreekt mij daarop aan, maar dat is ook de reden waarom ze naar Mechelen willen komen – heeft inderdaad school gemaakt.

U spreekt over de regering in Denemarken. Ik ben als toenmalige burgemeester uitgenodigd geweest door de voltallige Deense regering om in de residentie van de eerste minister het lokale beleid van Mechelen toe te lichten. Minister-president Mark Rutte heeft mij uitgenodigd om een hele voormiddag te praten over het beleid in Mechelen. Zowat heel de Europese Commissie is naar Mechelen gekomen, en voor een stad die niet het formaat heeft van een stad als Antwerpen of Brussel, of New York of Amsterdam of Berlijn, zijn wij op dat punt in de internationale aandacht geraakt, is er heel veel interesse geweest.

Is alles wat in Mechelen gebeurt, goed? Neen, professor Elchardus heeft terecht gezegd dat er in Mechelen blijkbaar van alles gebeurd is, dat er een zeker draagvlak gecreëerd is, dat er voor- en tegenstanders zijn – vanzelfsprekend zal het Vlaams Belang altijd tegenstander zijn van zo’n beleid, maar blijkbaar zijn er in Mechelen ook wat voorstanders van –, dat er internationale aandacht voor is en dat men eigenlijk meer wetenschappelijke onderbouw zou moeten hebben. Dat heeft mij getriggerd, toen professor Elchardus dat zei. Maar die zei dat op een moment, net voor de verkiezingen van 2019, toen rector Pauwels van de VUB al bij mij langsgekomen was. Zij is in het voorjaar 2019 – ze heeft dat trouwens ook in interviews gezegd –, lang voor de parlementsverkiezingen, toen ik weer burgemeester werd in Mechelen, voor de vierde keer naar mij gekomen en heeft toen gezegd dat ze bezig waren met een project, dat ze Antwerpen daar wilden bij betrekken en dat ze graag dat instituut wilden opstarten. Dat was trouwens nog voor de discussies die we in Kazerne Dossin gekend hebben, naar boven borrelden.

Er was een collega die zei dat er toch heel sterk getwijfeld wordt aan de onafhankelijkheid van het universitair instituut, alsof twee universiteiten die universitaire instituten hebben, die in een internationaal netwerk zitten, waarbij mevrouw Pauwels, die zelf gespecialiseerd is in de figuur van Hannah Arendt, naar New York gaat om te vragen of ze kunnen samenwerken en of ze na New York en Berlijn een Hannah Arendt Instituut kunnen oprichten in België, hun ziel zouden verkopen voor 235.000 euro. Ik denk dat u dan toch eens naar de budgetten moet kijken waarmee universiteiten werken, dat u ook naar het budget gaat moet kijken waarmee dat instituut zal werken, want dat werkt niet met 235.000 euro, dat werkt met veel meer middelen. Als men twijfelt aan de onafhankelijkheid van die academische instellingen, dan getuigt dat ook van een bepaalde kijk op universiteiten, op academisch werk, op wetenschappelijke onderbouw van beleid, vrees ik.

Mevrouw Sminate had terecht de vraag hoe zich dat verhoudt. Het Hannah Arendt Instituut zal, zo heeft men mij geïnformeerd, met het AgII praten en kijken hoe er samengewerkt kan worden, zoals Kazerne Dossin in het verleden ook vanuit haar expertise samenwerkingsverbanden is aangegaan, bijvoorbeeld met de federale politie om politiemensen op te leiden. Ik denk dat elk academisch instituut van elke universiteit altijd op zoek gaat – en gelukkig maar – om uit de ivoren academische toren te geraken en hoe men maatschappelijk relevant onderzoek kan doen, niet alleen fundamenteel onderzoek, maar ook maatschappelijk toepasbaar wetenschappelijk onderzoek. Vanzelfsprekend gaat men dan op zoek naar partnerships, naar samenwerkingsverbanden, naar informatie-uitwisseling. Ik hoop dat het Hannah Arendt Instituut – en daar ben ik ook van overtuigd – zelf een sterk netwerk ter zake zal uitbouwen.

De vraag of daar nog andere instellingen bij betrokken kunnen worden, dat is aan de twee universiteiten, denk ik. De twee universiteiten hebben elkaar om twee redenen gevonden. Ten eerste: die grootstedelijke as die nu eenmaal bestaat in Vlaanderen. We noemen dat vaak de Vlaamse ruit, maar in die Vlaamse ruit ligt er nog eens een sterke as, zeg maar, de as Brussel-Vilvoorde-Mechelen-Rupelstreek-Antwerpen. Dat is een zeer verstedelijkte as die door Vlaanderen loopt. Als je sociologisch gaat kijken, vind je daar dezelfde soorten mensen terug, dezelfde soort diversiteit ook, en daar stellen zich dezelfde sociologische uitdagingen. Die universiteiten hebben gezegd dat ze op die as zitten en de handen in elkaar slaan.

En ten tweede hebben ze allebei instituten die al jaren rond stedelijkheid werken. Er zijn twee universiteiten die dat hebben. De KU Leuven heeft andere specialisaties, onder andere rond overheidswerking – daar hadden we het daarnet nog over. Maar het is aan de twee universiteiten en ik ga daarin niet sturend optreden, want dan spreek ik mezelf tegen. Ik ben het wel met u eens dat dit een zeer belangrijke maatschappelijke opdracht is, en dat hoe meer mensen en inzichten er kunnen worden gebundeld, des te sterker het wetenschappelijk werk zal zijn.

Ik ben geen academicus, ik ben geen lid van de wetenschappelijke raad, ik weet niet welke academische strategieën men daarin wil volgen, maar ik hoop, net als u, dat er een grote openheid is om met zoveel mogelijk verschillende mensen samen te werken.

Mijnheer Van Rooy, het slotwoord is aan u. Ik hoor u al zeggen dat de minister zeer uitvoerig geantwoord heeft, maar u hebt dan ook zes minuten de tijd gehad om bijkomende vragen te stellen.

Minister Somers, het zal u niet verbazen dat u mij helemaal niet hebt overtuigd. Het stuit mij te horen dat de N-VA, bij monde van mevrouw Sminate, eigenlijk geen enkele bedenking formuleert bij die 235.000 euro belastinggeld voor een dergelijk instituut. U kunt nog honderd keer zeggen dat dat binnen uw budget is en dat het maar een peulschil is op het totale bedrag, maar in Vlaanderen wordt er op zowat alles bespaard en hiervoor is er geld. Of dat nu 10.000 of 100.000 euro is, het is een zaak van principe dat er mensen in Vlaanderen op wachtlijsten staan, ook bijvoorbeeld gehandicapten, en dat zij dan moeten lezen dat er plots 235.000 euro kan worden vrijgemaakt voor uw diversiteitsspeeltuin, want dat is het natuurlijk.

Minister, er zijn zoveel interviews geweest, niet alleen van u, maar ook van Herman Van Goethem en Caroline Pauwels. Herman Van Goethem vraagt zich af hoe een burgemeester van een kleine gemeente, waar een asielcentrum komt of die een probleem heeft met radicalisering, zonder grote studiedienst kan voorkomen dat er spanningen ontstaan. Volgens de heer Van Goethem, rector van de UAntwerpen, kan die burgemeester binnenkort terecht bij het Hannah Arendt Instituut.

Dat is gewoon het bewijs van de ideologische vooringenomenheid van dat instituut, dat als doel heeft om bijvoorbeeld asielcentra door de strot van de inwoners van bepaalde gemeenten te rammen. De media staan vol met dat soort citaten. Als ik dan van mevrouw Partyka van CD&V hoor, en ook van u, minister Somers, dat het toch wel ongelooflijk is dat ik de zogenaamde onafhankelijkheid van onze universiteiten zou wantrouwen, dan volstaat het gewoon om een aantal citaten van de heer Van Goethem, rector van de UAntwerpen, boven te halen, waarin hij bijvoorbeeld zegt: “Onze aula’s zijn te wit” of “We moeten halal invoeren op onze scholen” en “We moeten afstappen van ons blanke, westerse denkkader”. Dat zijn allemaal ideologische uitspraken, gedaan door de rector van de UAntwerpen, die nu een grote meneer wordt in dit Hannah Arendt Instituut. Ik zal me blijven verzetten tegen die 235.000 euro.

Tot slot, minister, ik zie u bij Phara zitten in De Afspraak, en zij stelt over dit instituut de terechte vraag – ik zal niet vaak zeggen dat de VRT goed modereert, maar hier heeft Phara de Aguirre de hamvraag gesteld – wat de politieagenten van Anderlecht, die worden belaagd, bedreigd en overmeesterd door die zogenaamde jongeren, niet de Chinezen, niet de hindoes, maar de moslimjongeren – u ziet, ik scheer ze niet allemaal over dezelfde kam, maar het zijn altijd opnieuw moslimjongeren –, hieraan hebben. Wat gaat het instituut zeggen als die politieagenten zeggen: ‘Help ons, wat moeten we doen in Anderlecht, we zijn ten einde raad.’?

Wel, u hebt op die vraag – iedereen kan dat herbekijken op De Afspraak van 27 mei – geen antwoord gegeven. Dat bewijst opnieuw wat voor een farce dit instituut is. Dat dit dan nog 235.000 euro kost, is een schande.

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is geopend met een beperkt aantal plaatsen. Bezoekers die een plenaire vergadering willen bijwonen, sturen een mailtje naar 
onthaal@vlaamsparlement.be met daarin naam en geboortedatum.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.