U bent hier

– Wegens de coronamaatregelen werd deze vraag om uitleg via videoconferentie behandeld.

Mevrouw Beckers heeft het woord.

Minister, op 6 februari 2019 stelde ik in deze commissie een vraag over de onderwijskansen in Limburg. De aanleiding daarvoor was het vervolgrapport dat door toenmalig gouverneur Reynders werd gepubliceerd. Daaruit bleek dat de gemiddelde Limburgse scholier nog altijd minder goede onderwijskansen heeft dan de gemiddelde Vlaamse scholier.

Een ander groot probleem in Limburg is de ongekwalificeerde schooluitval, dus jongeren die stoppen met school voor ze een diploma hebben behaald, wat hun kansen in hun latere leven zwaar hypothekeert. Dat gebeurt hier in Limburg heel vaak.

Over deze kwestie werden begin mei nieuwe cijfers gepubliceerd vanuit uw onderwijsadministratie. Daaruit blijkt dat in het schooljaar 2017-2018 in Limburg 11,5 procent van de leerlingen het secundair onderwijs verliet zonder diploma, tegenover 8,8 procent vijf jaar geleden. Uit de vorige meting bleek ook al dat de cijfers, tegen de verwachtingen in, gestegen waren. De stijging is dus zeker niet eenmalig, er is sprake van een tendens. Ook ten opzichte van de andere Vlaamse provincies blijft Limburg, om het met toepasselijke woorden te zeggen, de slechtste leerling binnen het Vlaamse Gewest.

Eind januari kwam de taskforce SALK 2.0 (Strategisch Actieplan voor Limburg in het Kwadraat) voor het eerst samen. Tijdens deze vergadering werd gesproken over de onderwijs- en taalachterstand in Limburg en mogelijke acties die versterkend zouden kunnen zijn voor het onderwijs in Limburg.

Minister, hoe evalueert u de nieuwe cijfers van vroegtijdig schoolverlaten in de provincie Limburg?

Welke concrete stappen werden sinds februari ondernomen om het vroegtijdig schoolverlaten overal, niet alleen bij ons, tegen te gaan?

Is de SALK-taskforce nog samengekomen sinds januari en zo ja, wat werd daar besproken over het onderwijs in Limburg?

Gezien de huidige coronacrisis vrees ik dat het aantal ongekwalificeerde schoolverlaters nog zal toenemen. Ik geef toe dat u stappen hebt ondernomen om dat te voorkomen, maar ik denk dat we met die mogelijkheid toch rekening moeten houden. Welke stappen zult u zetten om dit effect ook de volgende schooljaren tegen te gaan?

Welke eventuele andere initiatieven zult u nemen inzake deze problematiek?

Minister Weyts heeft het woord.

Minister Ben Weyts

Het vroegtijdig schoolverlaten is inderdaad opnieuw toegenomen. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt echter dat we dit enigszins moeten nuanceren. Er zijn push- en pull-factoren, aantrekkingsmechanismen en afstotingsmechanismen, die inspelen op de al dan niet bewuste keuze om het secundair onderwijs vroegtijdig te verlaten.

Een afstotingsmechanisme is bijvoorbeeld een verkeerde studiekeuze, waardoor men snel de school wil verlaten. Pestgedrag is een ander afstotingsmechanisme. Daarnaast zijn er ook de aantrekkingsmechanismen. Dat heeft vooral te maken met de arbeidsmarkt, waarbij het aanlokkelijk is om de overstap te maken van de school naar de arbeidsmarkt, zeker bij arbeidskrapte. Dan worden de loonvoorwaarden interessanter gemaakt, waardoor het voor jongeren die op eigen benen willen staan en een centje willen verdienen, aantrekkelijker wordt de school te verlaten. Op zich is dat natuurlijk niet altijd negatief.

Er is ook een grote groep die zich alsnog wil kwalificeren via een tweedekansleerweg. Daar zien we een stelselmatige toename van ongeveer 1 procent per cohorte.

Er werd trouwens ook verwezen naar het schooljaar 2017-2018. Een bepaald element kan een rol hebben gespeeld in die cijfers. In dat jaar heeft de Examencommissie secundair onderwijs het verplichte portfolio ingevoerd bij de opleidingen beroepssecundair onderwijs (bso). Mogelijk heeft dat ertoe geleid dat sommigen, net om aan die nieuwe regelgeving te kunnen ontsnappen, nog snel het examen hebben afgelegd bij de Examencommissie secundair onderwijs. Mogelijk heeft dat een impact gehad, al weet ik niet of die groot was.

Wat betreft de Limburgse casus, is het een weerkerend gegeven dat Limburg steeds meer vroegtijdige schoolverlaters kent dan het Vlaamse gemiddelde. Dat heeft te maken met het aantikken van de SES-kenmerken (socio-economische status) en de aantrekkingskracht van de arbeidsmarkt. Uit het rapport van VDAB blijkt bijvoorbeeld dat het aantal werkloze vroegtijdige schoolverlaters in Limburg de laatste twee jaar sterk afnam. De arbeidskrapte biedt dus ook meer mogelijkheden voor vroegtijdige schoolverlaters op de Limburgse arbeidsmarkt. Daar speelt dus de aantrekkelijkheid.

Beleidsmatig hebben we uiteraard aandacht voor dit thema via het actieplan Samen tegen Schooluitval. De meeste acties uit dat actieplan zijn gerealiseerd. De administratie is nu bezig met de evaluatie van dat actieplan. Ik verwacht inderdaad een bijkomende impact van corona op vroegtijdig schoolverlaten. Maar het is nog even gissen in welke richting dat zal zijn. Ook daar zal wellicht ‘push and pull’ spelen. Misschien zullen sommigen iets langer op school blijven, aangezien de arbeidsmarktkrapte zich alleszins op korte termijn niet zo scherp zal voordoen. Er zullen dus minder vacatures zijn, de loonvoorwaarden zullen misschien minder aantrekkelijk zijn, waardoor er misschien een positieve invloed zal zijn op het vlak van het schoolverlaten.

We stellen ook een nieuwe actie voor: het ESF-project (Europees Sociaal Fonds) ‘Transitietrajecten voor leerlingen in de tweede en derde graad beroepssecundair onderwijs’. Daarbij proberen we via de school potentiële vroegtijdige schoolverlaters te identificeren, aan te tikken. We hebben die projectoproep gelanceerd in maart van dit jaar en die loopt nog tot 30 juni. Het is de bedoeling dat, indien we inschrijvers hebben, het project opstart op 1 september van dit jaar en loopt tot medio 2022.

Wat betreft het aantal vroegtijdige schoolverlaters die zich via een tweedekansleerweg kwalificeren, zien we dat het cijfermateriaal een onvolledige weergave biedt en een onderschatting is van het aantal jongeren dat zich weet te kwalificeren. De gegevens voor het secundair volwassenenonderwijs worden tot op vandaag niet gerapporteerd in het cijferrapport, omdat er in onze databanken gegevens van bepaalde centra voor volwassenenonderwijs (CVO’s) ontbreken.

De provinciale netwerken Samen tegen Schooluitval zetten onder andere in op de kenbaarheid van tweedekansleerwegen, bijvoorbeeld via brochures. Ook heel wat lokale initiatieven zetten in op herkenbaarheid. Zo zetten verschillende CVO’s en Leerwinkels in op infosessies in het secundair onderwijs. We hebben in deze commissie al een debat gevoerd over de vrees die zich manifesteert bij de CVO’s in het corona- en postcoronatijdperk rond de impact op de inschrijvingen. Het is misschien ook een stimulans om net die markt extra te bewerken en warm te maken.

In het schooljaar 2019-2020 werd een nieuw financieringsmodel voor de CVO’s ingevoerd om meer kwalificatiegericht te werken en kwetsbare doelgroepen meer ondersteuning te kunnen bieden. Ik verwacht binnenkort ook een advies van de Vlaamse Onderwijsraad (Vlor) over het voorkomen van ongekwalificeerde uitstroom en het remediëren ervan via een samenwerking tussen het secundair onderwijs, het tweedekansonderwijs en de Examencommissie secundair onderwijs. Dat zal zich binnenkort aandienen.

Tot slot, wat de vraag naar de SALK-taskforce betreft, kan ik u meedelen dat de deputatie van de provincie Limburg, de Limburgse ministers van de Vlaamse Regering, en dat zijn er wel wat, en de diverse socio-economische stakeholders op 27 januari samenkwamen voor de lancering van het zogenaamde SALKturbo, het Limburgse luik van het nieuwe SALK-plan. Daarbij wordt ook gewerkt met de vijf werktafels, heel specifiek gefocust op Limburgse uitdagingen. Er is onder meer een luikje rond dynamisch talent, en daarin zit ook de onderwijsachterstand en een betere aansluiting tussen onderwijs en werk vervat. Dat is dus een specifieke doelstelling die is opgenomen in SALKturbo.

Mevrouw Beckers heeft het woord.

Minister, in mei las ik in Het Belang van Limburg nog: ‘Meldpunt moet schooluitval bij Genkse jongeren voorkomen’. U hebt net de uitleg gegeven. Er is het SALK, er zijn de instellingen hoger onderwijs die zich bezighouden met de vroegtijdige schooluitval, je hebt uiteraard de CLB's, je hebt de LOP-werking (lokaal overlegplatform). Is het misschien ook een probleem dat de acties niet gecoördineerd genoeg gebeuren? Het is misschien niet de bedoeling om nog een orgaan bij te creëren, maar doordat er een soort van versnippering is, zijn de acties misschien niet doelgericht genoeg. Wat is uw mening daarover?

De heer Brouns heeft het woord.

Collega's, ik denk dat we in deze commissie allemaal dezelfde ambitie hebben. We willen allemaal dat jongeren in Vlaanderen, en zeker niet alleen in Limburg, kunnen afstuderen met een diploma.

Ik heb de cijfers van de ongekwalificeerde uitstroom ook eens van naderbij bekeken, onder andere in het kader van SALK, dat opgericht is ten tijde van de sluiting van Ford Genk. De minister heeft er al naar verwezen dat die sluiting helaas een vrij groot pervers effect blijkt te hebben gehad. In de eerste fase was er natuurlijk een vrij grote werkloosheid. Nadien trok de economie, onder andere door SALK en andere maatregelen, weer aan en daalde de werkloosheid in Limburg voor het eerst onder het Vlaamse gemiddelde. Maar dat had helaas het perverse gevolg dat ook heel wat jongeren werden aangetrokken door die aantrekkende arbeidsmarkt en dus de school te vroeg en zonder diploma verlieten. Dat is een vaststelling, hoe erg het ook is. En daar moet aan gewerkt worden.

Als we inzoomen op Limburg, zoals we de vorige keer ook hebben gedaan, stellen we toch vast dat het fenomeen zich toespitst op de mijnregio. De mijngemeenten in Limburg worden bijzonder hard geconfronteerd met schooluitval. Tegelijk hebben ze daardoor ook doorheen de jaren heel wat expertise opgebouwd. Die expertise is bij momenten ook al evidencebased. Ik verwijs naar Kind en Taal, waar we het inderdaad ook in de vorige commissievergadering al over hebben gehad.

Wat ik vooral onthoud, ook vanuit die verschillende mijnsteden en -gemeenten, is dat zij ook na al die jaren hard werken met kinderen die vaak uit sociaal en economisch moeilijkere situaties komen. Het is zoals de uitdrukking het mooi zegt: ‘It takes a village to raise a child.’ Het is een werk van heel veel mensen, de wijk, de buurt, de school, de CLB’s, jeugdwelzijnswerk en noem maar op. Het bundelen van die krachten is de enige weg die, onder andere in Genk, de voorbije jaren tot positieve resultaten heeft geleid. Die weg moeten we blijven inslaan. Het mag niet versnipperen, zoals daarnet ook terecht als bezorgdheid werd geuit. We moeten echt structureel al die krachten die er in Vlaanderen en zeker ook in Limburg zijn, blijven bundelen.

Minister, ik ben natuurlijk heel graag een Limburger, maar ik ben niet graag een Limburger die calimero speelt. Dat is ons in het verleden wel wat verweten. We moeten dat ook absoluut niet meer doen. Vlaanderen schuift mee aan aan de onderwijstafel. Ze zullen geen zak geld meer meebrengen, maar ik ga er wel van uit dat ze hun expertise meebrengen, minister. In dat verband wil ik de vraag stellen wat de specifieke rol zal zijn van Onderwijs Vlaanderen aan de SALK-tafel en de tafel rond dynamisch talent, waar terecht naar verwezen is.

Ik hoop dat hij of zij komt, want bij de eerste vergadering was er niemand. Dat is natuurlijk jammer. Wat is uw visie met betrekking tot de deelname van Onderwijs Vlaanderen aan de SALK-tafel? Welke beleidsaanbevelingen mogen we verwachten? Gaan ze een soort van rapport maken over wat er structureel in Limburg nodig is in de toekomst? Wie is de vertegenwoordiger vanuit Vlaanderen aan de Limburgse SALK-tafel? Is dat enkel iemand vanuit het departement of zal er iemand van uw kabinet mee aanschuiven?

Mevrouw Vandromme heeft het woord.

In de vorige legislatuur zijn er ook al heel veel vragen gesteld over ongekwalificeerde uitstroom. Zoals de heer Brouns aangaf, is dat ook voor onze fractie een blijvende zorg. De link wordt heel vaak gelegd tussen ongekwalificeerd uitstromen en leerlingen die les volgen in het deeltijds beroepssecundair onderwijs of in de centra Leren en Werken. Het was de bedoeling om via de uitwerking van het duaal leren ideale kansen te bieden aan die leerlingen en ook een sterke leerweg voor hen uit te bouwen. Ondertussen – laat het ons voortschrijdend inzicht noemen – werd steeds meer duidelijk dat we net voor die leerlingen ook die specifieke leerweg moeten behouden. Dat zijn leerlingen die nog niet arbeidsrijp zijn. Minister, u gaf aan dat u in overleg zou gaan met de onderwijsverstrekkers. Kunt u een stand van zaken geven omtrent dat overleg?

Als we het dan hebben over ‘push and pull’-factoren, dan denk ik dat we in deze coronatijden misschien ook wel wat extra aandacht moeten hebben voor de ongekwalificeerde uitstroom. Vermoedelijk zal corona heel veel impact hebben op onze arbeidsmarkt. Hoe zult u aandacht schenken aan die leerlingen die schoolmoe zijn en die misschien, als gevolg van het feit dat we in een laagconjunctuur zullen belanden, minder geneigd zullen zijn om naar de arbeidsmarkt te trekken? Dat wil zeggen dat er binnen de onderwijswereld nog een extra uitdaging bij komt, namelijk meer leerlingen die echt wel schoolmoe zijn.

Inzake het tweedekansonderwijs heb ik al een paar keren de vraag gesteld naar het platform levenslang leren. Welke stappen zijn daar al gezet? Wat is de timing? Misschien biedt het nieuwe VDAB-decreet ook kansen. Hoe kijkt u daarnaar? Is daar al overleg gepland?

De heer Daniëls heeft het woord.

Voorzitter, minister, collega's, het is al gezegd, maar ik denk dat we het niet genoeg kunnen zeggen: ongekwalificeerde uitstroom is voor niemand goed, maar echt voor niemand. Ongekwalificeerd betekent: geen kwalificatie. Dat is iets anders dan iedereen een diploma hoger onderwijs. Ik breng het toch nog eens onder de aandacht.

De heer Brouns heeft daarnet gezegd dat een van de factoren – minister Crevits heeft dat in de vorige legislatuur ook aangehaald – waardoor we jongeren sneller de schoolbanken zagen verlaten, het feit was dat er tewerkstelling was. Dat verleidde hen letterlijk om die stap te zetten. Dus stroomden zij ongekwalificeerd uit. Die kwalificatie is voor de N-VA belangrijk, omdat die vele vormen kan aannemen. Het is niet onbelangrijk om daarop te wijzen.

De provincie Limburg is al een aantal keren aan bod gekomen. Normaal is het het voorrecht van alle Limburgers in deze commissie om daarover te spreken. Sta mij echter toe om daar als Oost-Vlaming ook iets over te zeggen. Ik wil de scholen in Limburg aanmoedigen om dit nu niet aan te grijpen om sneller te delibereren en sneller A-attesten af te leveren, want dan is het Limburgs probleem zogezegd opgelost en daalt de ongekwalificeerde uitstroom. Iedereen blij. 't Is te zeggen: blij in de cijfers, maar niet met wat we die jongeren aandoen, want dan zijn we eigenlijk de kwaliteit aan het verlagen. Ik wil heel expliciet aan alle scholen en instellingen in Limburg zeggen dat als die neiging nog maar de kop op zou steken, ze het niet mogen doen omdat ze zichzelf en hun leerlingen daar geen goed mee doen. Ik wil dat met zoveel woorden gezegd hebben.

De minister heeft daarnet ook verwezen naar het SES-profiel van die leerlingen. Een van die zaken is uiteraard de taalfactor die speelt, en ik weet dat de provincie met verschillende projecten op het Nederlands wil inzetten.

Minister, op welke manier kunnen we de zogenaamde neet-jongeren (not in education, employment or training), die er zijn uitgestapt, zo snel mogelijk opnieuw naar een onderwijstraject begeleiden? Dan zitten we uiteraard meer bij het luik van VDAB.

Minister Weyts heeft het woord.

Minister Ben Weyts

Het aantrekkingsmechanisme dat in het verleden altijd heeft gespeeld en altijd een grote impact heeft op het aantal vroegtijdige schoolverlaters, is de aantrekkelijkheid van de arbeidsmarkt. Zij denken in eerste instantie dat ze profiteren van een aantrekkelijke arbeidsmarkt, maar zij zijn ook altijd de eerste slachtoffers van een slecht functionerende arbeidsmarkt. Zij zijn de eerste winnaars van een krapte aan arbeidskrachten, maar zij worden ook het eerste slachtoffer in tijden zoals vandaag. Zij kunnen niet terugvallen op een kwalificatie in de zoektocht naar een andere job.

Wat Limburg en de vrees voor versnippering betreft, denk ik dat het in hoofde van SALK de bedoeling is om via die werktafels net te zorgen voor een coördinatie. Daar is een werktafel over dynamisch talent. Ik zou moeten checken hoe het zit met de vertegenwoordiging van de Vlaamse administratie op dat vlak. Ik weet ook niet of er een uitnodiging is en wat de vragen zijn. Bij mijn weten is er geen vertegenwoordiger van de Vlaamse administratie. Wanneer daartoe een uitnodiging komt, kunnen we daar zeker op ingaan en bekijken welke vragen concreet gesteld worden.

Voor het antwoord op verschillende vragen die zijn gesteld over de verdere stappen die we zullen ondernemen, zal het Vlor-advies van belang zijn en een stap om verdere maatregelen te kunnen uitwerken. Daarbij zal ook de discussie over de neets en de problematiek van de organisatie van ons beroepsonderwijs aan bod komen. We moeten maximaal, maar met een overzichtelijk schema proberen om alle doelgroepen te vatten. De organisatie zoals die vandaag bestaat, met verschillende categorieën en benamingen waar ik voorheen als niet-onderwijsminister nog nooit van gehoord had, laat staan dat de doelgroep waartoe men zich richt, in finesse zou weten waarover het gaat, moeten we toch ook eens onder de loep nemen.

Mevrouw Beckers heeft het woord.

Minister, ik vind het enigszins verontrustend dat er geen vertegenwoordiger van de Vlaamse administratie aan de SALK-tafel zit, misschien kan daar verandering in gebracht worden.

De onderwijskwaliteit in Limburg en de problemen met de vroegtijdige schooluitval zijn een oud zeer. De voorbije legislatuur zat er geen enkele Limburger in de commissie Onderwijs, nu wel. Ik hoop dat wij gezien onze numerieke sterkte mee kunnen wegen en oplossingen kunnen zoeken.

Ik hoop ook samen met u, minister, dat de coronacrisis ons opportuniteiten en ook onderwijsopportuniteiten zal bieden.

Mijnheer Brouns, het klopt dat het vooral de mijnsteden zijn, maar niet helemaal. Uit cijfers blijkt bijvoorbeeld dat mijn eigen stad, Sint-Truiden, ook slecht scoort. Ik heb ook gelezen dat de sociaal-economische kenmerken uiteraard een rol spelen, maar niet altijd alles determineren. We zullen nog eens verder moeten onderzoeken wat de oorzaken zijn.

De vraag om uitleg is afgehandeld.

(N.v.d.r.: Tijdens de behandeling van vraag om uitleg 2307 van Loes Vandromme over inschrijvingen in scholen in coronatijden komen Jo Brouns en, in reactie daarop, ook Roosmarijn Beckers en minister Ben Weyts nog even terug op deze vraag om uitleg.)

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is toegankelijk.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.