U bent hier

– Wegens de coronamaatregelen werd deze vraag om uitleg via videoconferentie behandeld.

Mevrouw Schauvliege heeft het woord.

Op 24 april viel een omzendbrief in de bus van de sociale huisvestingsmaatschappijen (SHM's). De omzendbrief heeft als bedoeling aanbevelingen te doen over hoe men zich het beste aanpast aan de nieuwe federale vennootschapswetgeving.

Waarom is er gekozen voor het instrument van een omzendbrief? In de beleidsnota staat dat er een decretaal initiatief genomen zou worden. Hoe verhoudt die omzendbrief zich ten aanzien van het erkenningsbesluit en de Vlaamse Wooncode? Kunt u de omzendbrief toelichten en wat de bedoeling ervan is?

Minister Diependaele heeft het woord.

Minister Matthias Diependaele

Collega's, we hebben gisteren een mail gekregen van de directeur van de Vereniging van Vlaamse Huisvestingsmaatschappijen (VVH) die eigenlijk een beetje gelijkloopt met uw vraag. U stelt beiden dat de omzendbrief verder zou gaan dan de noodzakelijke wijzigingen als gevolg van het nieuwe wetboek op vennootschappen. Ik zal toelichten dat dit wel degelijk niet zo is. Ik heb in de commissie trouwens al eens geantwoord op een vraag van collega Veys. Er is overleg geweest met de VVH in dit proces, toen wel degelijk op basis van een ontwerp van decreet. We hadden de intentie om een ontwerp van decreet in te dienen. Voor alle duidelijkheid: het was een heel constructief overleg. Op dat moment heeft de VVH voorbehoud gemaakt rond de nominalewaardebepaling van aandelen. We weten dat dat bij hen veel vragen doet rijzen. Maar over de vennootschapsvorm is eigenlijk weinig gediscussieerd omdat daar duidelijkheid over was. Ik was zelf niet bij dat overleg aanwezig, maar medewerkers hebben mij op die manier gebrieft. De vennootschapsvorm zelf was redelijk uitgeklaard, maar dat lijkt nu anders te zijn.

Mevrouw Schauvliege vraagt waarom ik geen decretaal initiatief heb genomen om de rechtsvorm in overeenstemming te brengen met de nieuwe vennootschapsregels. Het is een heel pertinente vraag. De Vlaamse Wooncode verplicht SHM’s om de modelstatuten aan te nemen die worden vastgelegd door de Vlaamse Regering. Deze modelstatuten zijn opgenomen in het Erkenningenbesluit. Het federaal vennootschapsrecht verplicht SHM’s die na 1 januari 2020 worden opgericht of na die datum hun statuten wijzigen, om zich in regel te stellen met de nieuwe regels van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen (WVV).

De coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, momenteel de rechtsvorm van veruit de meeste SHM’s, werd door het nieuwe Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen afgeschaft. Op het eerste gezicht en ook op basis van een spoedadvies ten tijde van de regeringsonderhandelingen bleek de ‘coöperatieve vennootschap’ of cv de logische rechtsvorm te moeten worden voor SHM’s.

Op aandringen van mijn administratie heb ik onmiddellijk na mijn aantreden als minister een bijkomend en grondig advies gevraagd. Dat bijkomende advies bevestigde de vermoedens van mijn administratie dat de keuze voor de cv als rechtsvorm voor SHM’s te grote risico’s meebracht. Het WVV en zijn memorie van toelichting beperken het toepassingsgebied van de coöperatieve vennootschap immers tot de eigenlijke coöperaties, die de zogenaamde ICA-beginselen (Internationale Coöperatieve Alliantie) respecteren. De federale wetgever heeft bovendien voorzien in een aangepaste sanctie om te vermijden dat de rechtsvorm van de coöperatieve vennootschap wordt gebruikt door vennootschappen die niet voldoen aan de wezenskenmerken, zoals bepaald in het WVV. Die sanctie is de ontbinding door de rechtbank op verzoek van het Openbaar Ministerie of van iedere belanghebbende.

In mijn omzendbrief heb ik uitvoerig de elementen toegelicht die aantonen dat de rechtsvorm van de coöperatieve vennootschap niet openstaat voor de SHM’s, en dit op basis van het advies dat we gevraagd hebben aan het agentschap. De moeilijkheden situeren zich vooral op het vlak van democratische controle door de aandeelhouders, de bijzondere rechten van de publieke aandeelhouders in de SHM, en het feit dat de onafhankelijkheid en autonomie van de SHM beperkt worden in functie van de geboden overheidssteun.

Ik vind het vanzelfsprekend dat de regeringsonderhandelaars het spoedadvies hebben vertrouwd om meteen bindende afspraken te maken in het regeerakkoord. Het was immers belangrijk om snel duidelijkheid te scheppen voor de sector. Bij nagenoeg elke statutenwijziging vanaf 1 januari 2020 moeten SHM’s zich volledig conformeren aan het WVV, terwijl het WVV voor incongruenties heeft gezorgd tussen het nieuwe federale vennootschapsrecht en de bestaande Vlaamse erkenningsvoorwaarden voor SHM’s. We zijn ons daar dus zeer goed van bewust.

Ik zat dus met een dubbel probleem. Ten eerste bleek de afspraak uit het regeerakkoord om de cv als rechtsvorm te kiezen, grote risico’s te veroorzaken voor de SHM’s. Ten tweede werd de urgentie steeds hoger, aangezien de dwingende bepalingen uit het WVV al vanaf 1 januari 2020 van kracht werden. Om de sector voor een dergelijk juridisch vacuüm te behoeden en de continuïteit en de rechtszekerheid voor de sector te waarborgen, werd na een eerste opdracht over de eigenlijke vennootschapsvorm een tweede opdracht gegeven aan het extern advocatenkantoor Eubelius, met de expliciete opdracht om een volledige status quo te voorzien en zeker niet vooruit te lopen op de andere bepalingen in het regeerakkoord. Die opdracht is dus met die termen gegeven aan Eubelius.

Eubelius adviseerde ons om, in de plaats van de cv als rechtsvorm, resoluut voor de ‘besloten vennootschap’ of bv als rechtsvorm te kiezen. Dat advies is ingegeven vanuit hun inschatting dat de bv de meest flexibele rechtsvorm is, die bovendien ook het best geschikt bleek om de huidige beschermingsmaatregelen die in de erkenningsvoorwaarden van de Vlaamse Wooncode zijn ingeschreven, te integreren.

Een bijzondere moeilijkheid was immers het feit dat het nieuwe Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen ook de vennootschap met sociaal oogmerk heeft afgeschaft. De keuze die de decreetgever destijds in de Vlaamse Wooncode heeft gemaakt voor de variant van de rechtsvorm van de vennootschap met sociaal oogmerk bood garanties tegen winstuitkeringen en zorgde voor de patrimoniumbescherming van het gesubsidieerde vastgoed. Zo wordt onder meer van de SHM’s verwacht dat zij niet in hoofdzaak zijn gericht op de verrijking van hun aandeelhouders en ze ook waarborgen bieden dat zij het sociale huisvestingsbeleid van het Vlaamse Gewest mee zullen uitdragen en uitvoeren. Daarnaast moeten SHM’s ook waarborgen bieden wat betreft garanties tegen winstuitkeringen, denk bijvoorbeeld aan de bestaande uitkeringsbeperkingen. Al die zaken waren voorheen automatisch verbonden met het ‘sociaal oogmerk’ – dat zat erin vervat – en hoefden dus niet geëxpliciteerd te worden in de Vlaamse Wooncode of haar uitvoeringsbesluiten. Doordat dat nu niet meer het geval is, moesten we dat wel doen.

Het spreekt voor zich dat in een status-quoverhaal deze bestaande beschermingsmechanismen gewaarborgd moesten blijven. Het kan daarom lijken dat mijn omzendbrief tal van bijkomende voorwaarden oplegt aan SHM’s, maar dat is helemaal niet waar. In de feiten waren die voorwaarden voorheen automatisch verbonden aan het sociaal oogmerk van de sociale huisvestingsmaatschappijen. Naar aanleiding van het nieuwe Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen moeten ze nu wel expliciet worden toegevoegd in de statuten om het status quo te kunnen behouden. De advocaten van Eubelius hebben hierover punt per punt, zeer expliciet en herhaaldelijk toelichting gegeven aan de coalitiepartners en aan de VVH. Met de VVH werd zelfs bijzonder constructief onderhandeld.

Mevrouw Schauvliege, ik ga niet flauw doen over uw vraag. Ik moest natuurlijk zekerheid geven aan de sector, dat was mijn hoofdbekommernis. Wij wilden dat doen op basis van een decreet. Maar we zijn er binnen de regering niet uitgeraakt over welke rechtsgronden het precies moest handelen. Ik ga daar niet verder op in, uit loyauteit. Dat is de situatie.

Ik heb in de afgelopen maanden alles gedaan om het belang van de sector en diens rechtszekerheid veilig te stellen. Een SHM is verplicht om zich bij elke statutenwijziging vanaf 1 januari 2020 volledig te conformeren aan het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen, terwijl de voorwaarden woordelijk niet combineerbaar zijn met die van de Vlaamse Wooncode. Bovendien dreigde de afschaffing van het sociaal oogmerk voor een lagere beschermingsgraad te zorgen dan voorheen.

Er zijn nog verschillende fusies gepland en er waren statutenwijzigingen die geblokkeerd werden indien er geen duidelijkheid werd gegeven over de wijze waarop sociale huisvestingsmaatschappijen moesten omgaan met de dwingende bepalingen van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen. Als minister moet ik immers mijn goedkeuring hechten aan statutenwijzigingen. Om te vermijden dat SHM’s bij statutenwijzigingen in de problemen zouden komen omdat ze de gevolgen van het nieuwe Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen onvoldoende goed inschatten, heb ik met mijn omzendbrief voor de broodnodige duidelijkheid gezorgd. Op die manier beschikken SHM’s over een kader waarbinnen ze weten dat ze zowel conform het nieuwe Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen blijven en tegelijk voldoen aan de erkenningsvoorwaarden zoals bepaald in de Vlaamse Wooncode en diens uitvoeringsbesluiten.

In antwoord op uw tweede vraag wil ik vooreerst benadrukken dat bestaande SHM’s nu nog niet verplicht zijn om hun statuten aan te passen aan het nieuwe federale vennootschapsrecht, tenminste zolang ze hun statuten niet wijzigen. Ze zijn dus niet verplicht om zelf nu die statuten te wijzigen. Maar als er andere redenen zijn dan dat nieuwe Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen om die statuten te wijzigen, moeten ze het wel doen.

De invoeringswet van 23 maart 2019 van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen laat immers een overgangsperiode tot 1 januari 2024 toe voor bestaande vennootschappen om hun statuten aan te passen aan het nieuwe recht. Ook SHM’s hebben de kans om hiervan gebruik te maken.

De dwingende bepalingen van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen zijn evenwel sinds 1 januari onverkort van toepassing, ook op de SHM’s die een beroep doen op de overgangsperiode. Dit betekent dat, wanneer SHM’s een statutenwijziging wensen door te voeren vanaf 1 januari 2020, zij hun statuten volledig dienen aan te passen aan het nieuwe Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen. Als ze dus een onderdeel van hun statuten willen aanpassen, moeten ze dat helemaal in overeenstemming brengen met het nieuwe wetboek. Dat betekent dat SHM’s in dat geval dus een nieuwe rechtsvorm moeten bepalen en hun statuten in overeenstemming moeten brengen met wat het wetboek over die rechtsvorm stelt.

Zoals zonet al verduidelijkt, dreigen incongruenties en onduidelijkheden te ontstaan tussen de nieuwe regels van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen en de bestaande Vlaamse decretale en reglementaire voorschriften voor SHM’s, waaronder de in het Erkenningenbesluit opgenomen modelstatuten. De omzendbrief beoogt de sector voor dergelijke rechtsonzekerheid te behoeden en bevat een beleidsneutrale toelichting van de manier waarop nieuwe SHM’s of bestaande SHM’s het nieuwe federale vennootschapsrecht kunnen toepassen in combinatie met de bestaande Vlaamse erkenningsvoorwaarden inzake het statuut van SHM’s.

Ik verplicht SHM’s dus geenszins om de in de omzendbrief aanbevolen modelstatuten aan te nemen. Dat werd trouwens ook duidelijk gesteld in de mail van de directeur van de VVH. Nieuwe SHM’s of SHM’s die als gevolg van een statutenwijziging na 1 januari 2020 dezelfde oefening moeten doen en daarbij enkel de strikt noodzakelijke aanpassingen doorvoeren om hun statuten te conformeren met het nieuwe federale vennootschapsrecht, zullen evenwel vaststellen dat zij tot eenzelfde resultaat komen als de in de omzendbrief aanbevolen modelstatuten. De in de omzendbrief aanbevolen modelstatuten illustreren dus het resultaat van dergelijke gecombineerde toepassing.

Sommige wijzigingen in de modelstatuten lijken meer dan louter aanpassingen aan de nieuwe federale wetgeving. Ik heb al gedeeltelijk geantwoord op uw stelling dat sommige wijzigingen in de modelstatuten meer lijken dan loutere aanpassingen aan het wetboek. De bij de omzendbrief gevoegde modelstatuten zijn een maximaal beleidsneutrale weergave van de impact van het nieuwe federale vennootschapsrecht op de sociale huisvestingsmaatschappijen. Die impact situeert zich hoofdzakelijk op twee vlakken: de omvorming van de bestaande SHM’s van coöperatieve vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid (cvba’s) naar een besloten vennootschap (bv) en de verankering van de voorwaarden met betrekking tot het statuut als vennootschap met sociaal oogmerk.

Wat de omvorming van de bestaande SHM’s cvba naar een bv betreft, zijn welbepaalde organisatiekenmerken van de SHM’s die het noodzakelijk toezicht toelaten van de Vlaamse overheid, eigenlijk niet verenigbaar met een aantal essentiële coöperatieve beginselen die onder het WVV voor deze rechtsvorm vereist zijn. Daardoor staat de keuze voor de coöperatieve vennootschap niet langer open voor SHM’s. Op basis van de bepalingen in het WVV zijn SHM’s cvba’s zogenaamde oneigenlijke coöperaties.

De bv sluit in het nieuwe recht het nauwst aan bij deze oneigenlijke coöperaties. Dat vindt overigens bevestiging in het feit dat oneigenlijke coöperaties van rechtswege worden omgezet in bv’s in 2024 als zij zich niet eerder omzetten in een andere rechtsvorm.

Ter vervanging van de variant van de vennootschap ‘met een sociaal oogmerk’, die het WVV afschaft, voorziet het wetboek in een mogelijke erkenning als sociale onderneming voor cv’s. Nu de erkenning als sociale onderneming geen optie is voor SHM’s, aangezien de rechtsvorm van de cv niet langer openstaat voor SHM’s, heb ik de status quo nagestreefd door de voorwaarden die verbonden waren met het sociaal oogmerk, op te nemen in de modelstatuten.

Ik heb begrepen dat u zelf ook beslagen bent in het vennootschapsrecht. Het staat u en de commissie natuurlijk vrij om hierover onze specialisten uit te nodigen en daarover van gedachten te wisselen. Het parlement regelt zijn eigen werkzaamheden natuurlijk. Volgens het eerste advies was er de overgang naar een cv tijdens de regeringsonderhandelingen. Nadien werd vanuit het agentschap gesignaleerd dat men daaraan twijfelde. Daarop hebben wij een grondiger advies gevraagd waaruit bleek dat wat in het regeerakkoord stond, niet meer uitvoerbaar was. We hebben geprobeerd dat op te lossen met een ontwerp van decreet maar we zijn er niet uit geraakt. Mijn grootste bezorgdheid was de rechtsonzekerheid voor de sector. En die willen we verhelpen door de omzendbrief.

Mevrouw Schauvliege heeft het woord.

Minister, ik dank u voor uw antwoord. Het siert u dat u rechtszekerheid wilt geven aan de sector. Dat is ook wat iedereen wil. Ik vraag me echter wel af of een omzendbrief het juiste instrument is om rechtszekerheid te geven. Als jurist denk ik niet dat u dat op die manier kunt oplossen. Ik denk dat er een andere oplossing moet komen om die rechtszekerheid te herstellen. Ik ben ervan overtuigd dat het mogelijk moet zijn om daar binnen de regering een oplossing voor te vinden.

U hebt terecht gezegd dat men tijd heeft om zich aan te passen. In de federale vennootschapswetgeving staat dat men tot 2024 de tijd heeft tenzij men nu dringend de statuten moet wijzigen. We moeten erover waken dat dit op een juridisch correcte manier verloopt. Er zijn adviezen, maar ik denk dat het belangrijk is om dat juridisch goed te onderbouwen zodat niemand in rechtsonzekerheid wordt gestort.

In plaats van de rechtszekerheid te versterken met die omzendbrief, denk ik dat de rechtsonzekerheid alleen maar groter is geworden. Het is dan ook belangrijk om hier verder juridisch advies in te winnen. Desnoods kan het advies van de Raad van State over een aantal teksten worden gevraagd zodat dit juridisch sterk wordt onderbouwd en niemand in rechtsonzekerheid wordt gestort. En dat is zowel uw bekommernis als de bekommernis van de hele commissie en van iedereen, en zeker ook van de SHM’s zelf. Dus laat dit een oproep zijn om daar toch op een juridisch correcte manier verder aan te werken, en te zorgen dat dat zo snel mogelijk correct rechtszeker wordt opgelost.

De heer Veys heeft het woord.

Minister, ik heb hier inderdaad niet zo lang geleden, precies twee maanden geleden, een vraag over gesteld. En toen ik vorige week of zaterdag uw rondzendbrief zag passeren – ik ben namelijk voorzitter van een sociale huisvestingsmaatschappij – schrok ik wel een beetje. Ik ben dan ook blij dat collega Schauvliege er een vraag over stelt, omdat u toen in die commissie ook had aangegeven dat er een decreetgevend initiatief zou komen, en dat er ook overleg met de meerderheid zou plaatsvinden. Ik dacht toen nog dat de optie er was om een voorstel van decreet op te stellen.

Maar u gaf daarnet aan dat er geen consensus was bereikt over welke vennootschapsvorm het moet worden. Maar dat moet toch wel nog beslist worden? De vraag is: is dat nu uitgesteld, of wie moet die beslissing nemen?

Bovendien: een circulaire rondzendbrief die niet echt verordenend is, dat lijkt mij een rare manier van werken met dat instrument. U als jurist kunt daar toch ook niet echt gelukkig mee zijn? Bovendien geeft u ook aan dat u uitzonderingen op de modelstatuten  zou goedkeuren. Dat staat zo in uw rondzendbrief. En dat terwijl er in het besluit andere statuten staan. Dat lijkt mij toch ook redelijk mank.

Ik vind dit persoonlijk ook een redelijke voorafname van de parlementaire toets voor al die zaken. Het is wat half en half. Je raadt het aan, maar het is niet verplicht. Ik denk dat het vooral voor de SHM’s niet duidelijk is. En ik denk dat het heel belangrijk is om niet alleen die rechtszekerheid maar ook die duidelijkheid te geven.

U hebt heel grote plannen om het woonlandschap in Vlaanderen drastisch te hervormen, zowel op het niveau van uw administratie als op het niveau van de actoren die effectief bouwen. U zult heel veel vragen van die SHM’s. Er komt één woonactor met de fusie van de sociale verhuurkantoren (SVK’s) en de SHM’s. Er zijn ook plannen met private aandeelhouders. Volgens mij speelt dat ook een rol in de bepaling van welke vennootschapsvorm de ideale is.

U gaf zelf aan dat er in de zomer nog overleg is geweest. Die communicatie van de VVH is ook niet toevallig. Zijn jullie nog on speaking terms met de sector? Is dat in overleg gebeurd? Ik vind het echt een rare manier van werken. Dus als constructief oppositielid wil ik gerust ook de hand uitreiken om een voorstel van decreet uit te werken, ik wil dat gerust samen doen met de meerderheid. Op mijn verjaardag wil ik graag mijn goede kant tonen.

U verwees ook naar het extern juridisch advies. Ik wil er toch ook op wijzen dat je dat anders kunt interpreteren. Het is natuurlijk een advocatenkantoor dat wordt betaald door het kabinet, om te kijken hoe het regeerakkoord binnen de rechtsregels kan worden ingevuld. Ik weet niet in welke mate je dat als objectief kunt formuleren. De Raad van State zou daar een betere toets op geven, denk ik. Ik heb een beetje het gevoel dat er wordt geprobeerd om dat te ontwijken.

Er is geen uitsluitsel over het type. U spreekt over een coöperatieve vennootschap en een besloten vennootschap, maar als ik mij niet vergis, is een naamloze vennootschap ook een optie. Waarom is die niet gekwalificeerd? Kunt u dat misschien nog toelichten?

Tot slot: u bent minister. Ik denk dat, als u echt iets wilt verplichten, u dat gerust kunt beslissen in het besluit. Die rondzendbrief, ik vind dat toch een heel manke manier van werken.

Minister Diependaele heeft het woord.

Minister Matthias Diependaele

Een gelukkige verjaardag, collega Veys. Maar u hoeft niet alleen op uw verjaardag uw goede kant te tonen. Dat kan ook op de andere 364 dagen van het jaar.

Maar ik ben het eens met jullie beiden. Ik had ook de voorkeur gehad voor een voorstel van decreet of een ontwerp van decreet. Mevrouw Schauvliege, u weet zeer goed dat er ook een voorstel van decreet is rondgegaan op de fracties. Daar is dus wel degelijk over gepraat. Maar we zijn er niet uit geraakt. En als het zo niet lukt, als het decretaal niet lukt, dan zou het ook niet met een besluit van de Vlaamse Regering zijn gelukt. Daar moeten we eerlijk in zijn, dat maakt het onderscheid ook niet. Dat moet ook in loyaliteit, collegialiteit en consensus worden goedgekeurd in de Vlaamse Regering, en daar waren de meningen verdeeld. Ik ga daar niet flauw over doen.

Wij hebben ons laten adviseren. Mijnheer Veys, met alle respect, je vraagt de mening van drie juristen en je krijgt vier verschillende meningen. Ik begrijp uw terughoudendheid, maar zeggen dat het niet objectief of niet neutraal zou zijn, wij hebben alleen maar die vragen gesteld aan Eubelius. We hebben er geen richting bij gekregen. Ik weet niet of het dezelfde mensen zijn, maar het gaat hier wel over het kantoor dat ook de federale overheid heeft bijgestaan bij het herschrijven van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen. Als jurist ga ik er wel van uit dat zij het best op de hoogte zijn van hoe het precies moet worden ingevuld.

Ik zou ook liever naar de Raad van State zijn gegaan, maar we kunnen alleen maar naar de Raad van State op het moment dat er een goedgekeurd document is en er al effectief overeenstemming is, daarvoor niet.

Het zal allemaal worden meegenomen in het decreet rond de woonmaatschappijen. Er zal dan een ruimere discussie zijn waarin dit moet worden uitgeklaard.

U had nog een zeer concrete en terechte vraag over de nv’s. Het gaat over drie SHM's in Vlaanderen. Ook voor hen geldt natuurlijk het nieuwe wetboek. Zij kunnen in theorie bij een statutenwijziging die nv-rechtsvorm behouden, als ze ook rekening houden met alle elementen die in overweging moeten worden genomen voor de bv. Om efficiëntieredenen heb ik de oefening voor nv's niet laten voorbereiden. Ik zal er immers ook voor pleiten om bij de vorming van de toekomstige woonmaatschappijen slechts één rechtsvorm toe te laten, net om die onnodige complexiteit te vermijden.

Mevrouw Schauvliege heeft het woord.

Minister, nogmaals, ik denk dat wij dezelfde bezorgdheid delen en dat is de rechtszekerheid zo sterk mogelijk maken. Het moet toch mogelijk zijn om die rechtszekerheid op een correcte manier te garanderen en te zorgen dat het ook een stabiel juridisch kader is waarover consensus kan ontstaan en waarover overleg is met het veld zelf. Dat moet mogelijk zijn. Ik ben ervan overtuigd dat een omzendbrief geen goed instrument is om dat te doen en dat het op het veld heel wat rechtsonzekerheid geeft in plaats van rechtszekerheid.

We geven dus best uitvoering aan de afspraken die in het regeerakkoord zijn gemaakt. Als het juridische zaken zijn, kunnen die zeker worden onderzocht, maar laat het ons vooral robuust maken en zorgen dat het een sterk juridisch kader is waar ook voldoende juridisch advies over is dat zorgt voor rechtszekerheid.

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is gesloten.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.