U bent hier

De heer Van den Heuvel heeft het woord.

Deze vraag over de vrijstelling van onroerende voorheffing voor bepaalde zorginstellingen is al eerder aan bod gekomen, tijdens de vorige legislatuur. We weten allemaal dat een aantal verenigingen zonder winstoogmerk (vzw’s) met een specifieke bestemming vrijgesteld zijn van onroerende voorheffing. Dat gaat van gebouwen voor erediensten en onderwijs tot ziekenhuizen. Er is echter ook een restcategorie, het gaat dan over onroerende goederen die zonder winstoogmerk een bestemming als weldadigheidsinstelling krijgen. Dat zijn vooral instellingen die zich bezighouden met sociale en maatschappelijke zorgverstrekking aan hulpbehoevenden.

Die laatste restcategorie is nu onderwerp van discussie omdat er een meningsverschil is ontstaan tussen het Hof van Cassatie en het Grondwettelijk Hof over de interpretatie van deze categorie. Een concreet voorbeeld dat de afgelopen maanden aan bod kwam bij het hof van beroep van Gent betreft een sociale werkplaats waar hulpbehoevende mensen worden tewerkgesteld en de discussie of die al dan niet wordt erkend voor een vrijstelling van onroerende voorheffing. Vraag is daarbij hoe andere zorg dan fysieke of geestelijke zorg aan hulpbehoevenden wordt ingevuld. Het Hof van Cassatie is daar heel beperkend in. Wat het specifieke geval van die sociale werkplaats betreft, met name een kringloopwinkel, besliste het hof van beroep van Gent dat er een vrijstelling kon worden gegeven, maar het Hof van Cassatie heeft die uitspraak vernietigd.

In een nieuwe procedure oordeelde het hof van beroep van Gent dat er geen vrijstelling kon zijn. Nadat ook het Grondwettelijk Hof zich hierover uitsprak en er een ruimere interpretatie op nahield, komt het hof te Gent nu tot het besluit, in een arrest van 18 juni 2019, dat de "erkende beschutte werkplaats" in kwestie de vrijstelling van OV wel kan inroepen. Het Gentse hof verwijst uitdrukkelijk naar het "standpunt van het Grondwettelijk Hof" waarbij het zich "aansluit".

Het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest heeft de vrijstellingsregeling inmiddels hervormd. De nieuwe regeling hanteert niet langer het begrip 'soortgelijke weldadigheidsinstelling'. In de plaats daarvan bakent de Brusselse regeling deze ‘restcategorie’ nu duidelijk af, zodat de interpretatievrijheid wordt beperkt.

Als antwoord op de vragen om uitleg die hierover reeds in de commissie Financiën werden gesteld, gaven zowel ex-ministers Tommelein en Peeters aan dat er een wijziging van het decreet zich opdrong om de onzekerheid hieromtrent te stoppen. Volgens Minister Peeters waren begin 2019 een vijftigtal bezwaarschriften hangende bij de Vlaamse Belastingdienst (VLABEL) die verband hielden met deze kwestie, voornamelijk van beschutte werkplaatsen en kringloopwinkels. Dat is een niet gering aantal.

Minister, hoe staat u tegenover de recente uitspraak van het Grondwettelijk Hof? Zal VLABEL de redenering van het Hof van Cassatie blijven volgen en dus deze restcategorie in strikte zin blijven interpreteren? Indien ja, denkt u dat een beperkende decreetwijziging nodig is, in navolging van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest?

Kunt u een inschatting geven van de budgettaire impact die een ruime interpretatie van deze restcategorie voor vrijstelling van onroerende voorheffing zal genereren?

Een mogelijke alternatief voor een decreetwijziging bestaat erin dat lokale besturen vrij spel krijgen op basis van de mogelijkheid voor lokale besturen om onroerende voorheffing te differentiëren op basis van kenmerken van wijken, natuurlijke personen of rechtspersonen? Vindt u dat een goed alternatief? Persoonlijk vind ik het een minder goede optie om dit decreet hiervoor te gebruiken.

Minister Diependaele heeft het woord.

Minister Matthias Diependaele

Mijnheer Van den Heuvel, dit thema is hier al meermaals aan bod gekomen, onder meer al door eerdere vragen die u stelde. Ik zal mijn best doen om niet in herhaling te vallen. U schetste de situatie al. Het betreft de interpretatie van ‘andere soortgelijke weldadigheidsinstellingen’. De interpretatie van het Hof van Cassatie is veel beperkter dan die van het Grondwettelijk Hof.

De Vlaamse Belastingsdienst is van oordeel dat het begrip ‘soortgelijke weldadigheidsinstellingen’ in samenhang moet gelezen worden met de andere instellingen die in artikel 2.1.6.0.1, eerste lid, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit worden opgesomd. Het komt erop neer dat ze de interpretatie van het Hof van Cassatie volgen, omdat men anders moeilijk zou kunnen uitmaken wat ‘soortgelijk’ dan precies zou moeten zijn. De grond van de zaak is dus het verschil in interpretatie. We zijn nu een jaar na de laatste vraag over dit onderwerp in deze commissie en inmiddels blijkt dat de rechtspraak, met name het hof van beroep te Antwerpen, zich in een recent arrest schikt naar de oplossing van het Grondwettelijk Hof, met name dat een grondwetsconforme interpretatie vereist dat als ‘soortgelijke weldadigheidsinstellingen’ ook instellingen worden beschouwd waar zonder winstoogmerk andere zorg dan fysieke of geestelijke zorg aan hulpbehoevenden wordt verstrekt.

Dus de visie van het Grondwettelijk Hof, dat elke vorm van maatschappelijke of sociale zorg moet worden vrijgesteld, maakt het volgens mij nagenoeg onmogelijk om de vrijstelling nog af te bakenen. Dat zal enkel leiden tot nieuwe discussies over randgevallen, met het risico dat het toepassingsgebied van de vrijstelling enkel nog zal verruimen. Want elke nieuwe definitie van het Hof van Cassatie gebeurt op basis van het gelijkheidsbeginsel. Als men zegt dat het ook voor maatschappelijke of sociale zorg moet worden vrijgesteld, dan gaat men altijd interpretaties krijgen die steeds ruimer en ruimer gaan. Op den duur zul je helemaal geen afbakening meer hebben.

Daarom zijn we er voorstander van om via een decreetwijziging een duidelijke invulling te geven aan die vrijstelling. Het is nodig om hier klaarheid in te scheppen, en we zullen voorstellen om het catch-allbegrip van de andere, soortgelijke weldadigheidsinstellingen te vervangen door een definitie. Het is eigenlijk wel een beetje jammer dat dat woord in de regelgeving is geslopen. De regelgeving krijgt toch beter het voordeel van de duidelijkheid. De administratie bekijkt nu welke exacte invulling aan het begrip kan worden gegeven.

Dat zal interpretatieproblemen in de toekomst vermijden en rechtszekerheid bieden voor de instellingen die ondubbelzinnig tot het toepassingsgebied van deze restcategorie behoren, en in de toekomst ook zullen blijven behoren. Voor diegene die daaronder vallen zal het duidelijkheid geven. Maar ook voor wie daar niet onder valt, zal het duidelijk zijn dat ze geen recht hebben op die vrijstelling.

Gelijktijdig met die oefening zal de administratie, in navolging van het Vlaams regeerakkoord, de bestaande vrijstelling voor onroerende goederen die bestemd zijn voor het openbaar uitoefenen van een eredienst of van de vrijzinnige morele dienstverlening, beperken tot onroerende goederen gebruikt door erkende lokale geloofsgemeenschappen. Dat is een bepaling die in het regeerakkoord staat, en we zullen dat in hetzelfde decreet meenemen.

U vroeg ook naar een inschatting van de budgettaire impact. Mocht de ruime interpretatie van het Grondwettelijk Hof worden aangehouden, dan is dat volgens ons niet mogelijk, zelfs niet bij benadering. Het zou dan immers gaan om elk onroerend goed in het Vlaamse Gewest dat bestemd is voor maatschappelijke of sociale zorg. Gelet op de beperkte juridische pretentie tot op heden, kan niemand momenteel afbakenen wat hier nu precies onder valt. We kunnen ook niet enkel terugvallen op de door de overheid erkende instellingen. Maar om u toch al een indicatie te geven van de grootteorde: als we enkel en alleen de kringloopwinkels en maatwerkbedrijven nemen die reeds een bezwaar hebben ingediend bij VLABEL, gaat het al om 3,4 miljoen euro aan onroerende voorheffing.

Wetende dat het hier louter gaat om een heel klein segment van de sector van de maatschappelijke en sociale hulp, betekent dat dat de teller heel snel de hoogte zal ingaan. Want wat doen we met bepaalde vrijwilligersorganisaties, met vrijetijdsorganisaties voor kansarmen? Wat doe je met organisaties die zich richten op persoonlijke groei of op maatschappelijk opbouwwerk? En ga zo maar door. Er zijn heel veel zaken die onder sociale en maatschappelijke zorg vallen; dat gaat zeer ruim. Zoals gezegd, zou het vrijstellen van elke vorm van maatschappelijke of sociale zorg het nagenoeg onmogelijk maken om de vrijstelling nog af te bakenen.

Of de oplossing al dan niet zit in de differentiëring van onroerende voorheffingen, daar hebben we een paar weken geleden nog een vraag over gehad. Daar waren we toen dezelfde mening toegedaan. U geeft zelf aan dat de wijziging die werd doorgevoerd in het decreet over het lokaal bestuur vooral beoogde om achtergestelde wijken opnieuw op te waarderen. Maar er zijn ook andere criteria mogelijk; dat is onlangs ook hier in deze commissie aan bod gekomen.

Er werd ook gevraagd of een vrijstelling voor beschutte werkplaatsen, kringloopwinkels of andere onroerende goederen op basis van bestemming via een differentiëring van opcentiemen mogelijk is. Laat ons eerst zeggen dat het louter technisch gezien wellicht zou kunnen, dat het mogelijk is. Maar de gegevens van het kadaster zijn waarschijnlijk niet gedetailleerd genoeg. Dat was een vraag van collega Parys, denk ik. Er waren drie systemen waarbij de gegevens ofwel gekend waren bij de Vlaamse overheid, ofwel door de lokale besturen werden aangebracht. Dit zou dan vallen onder het tweede systeem. Dus als het lokale bestuur die data kan aanleveren, zou dat in theorie wel mogelijk zijn.

Maar wat voor ons het belangrijkst is, is dat het moet kunnen worden verwerkt door VLABEL, via het ICT-systeem dat we nu hebben. Het moet technisch uitvoerbaar zijn. En het moet juridisch sluitend zijn. Verder is het aan de lokale overheden om uit te maken waarvoor ze het fiscaal instrument van differentiëring willen inzetten. Als u mijn mening vraagt, dan ben ik het met u eens, en dan is dit instrument daarvoor niet in het leven geroepen. Ik denk dus niet dat dat hieraan zal tegemoetkomen. Het zou maar een lapmiddel zijn.

De heer Van den Heuvel heeft het woord.

Minister, wat dat laatste punt betreft, denk ik inderdaad dat dit niet de gepaste weg is om dit probleem op te lossen. Voor die verschillende interpretaties van het Grondwettelijk Hof en het Hof van Cassatie lijkt een decreetwijziging me aangewezen. Ik ben dan ook tevreden dat u zelf voorstelt om daar duidelijkheid over te scheppen en dat u daar werk van zult maken.

Wat de definiëring betreft van die restcategorie van soortgelijke weldadigheidsinstellingen, moeten we de gulden middenweg bewandelen: niet te streng maar ook niet te vrijblijvend. Het zou goed zijn om dit in deze commissie samen te bespreken. Wat mij betreft, is het echter aangewezen dat de accommodatie, opvang en huisvesting van mensen met een beperking en psychiatrische patiënten in aanmerking komen voor deze vrijstelling.

De heer Vandenhove heeft het woord.

Een aantal collega’s hebben hier tijdens de vorige legislatuur ook al vragen over gesteld en het is dan ook goed dat het decreet zal worden aangepast en dat er duidelijkheid en transparantie komt over wie wel en wie niet in aanmerking komt. Minister, aan welke timing denkt u daarbij?

Mevrouw Van dermeersch heeft het woord.

Het is inderdaad belangrijk dat er een decreetwijziging wordt doorgevoerd. In de praktijk zien we dat wanneer men een aanslag voor onroerende voorheffing krijgt, men bezwaar moet aantekenen om die niet te moeten betalen. Het gaat dan bijvoorbeeld over sportinfrastructuur. Voor vzw’s zijn dat vaak zware procedures en dit is dan ook niet de juiste manier van werken.

Juridisch-theoretisch moet het decreet inderdaad worden aangepast zodat er opheldering komt. Ik wil er ook op aandringen dat er werk wordt gemaakt van een link naar een database. Bij Sport Vlaanderen was in het verleden al sprake van sportinfrastructuur die wordt gelinkt en dus geen aanslagbiljet voor onroerende voorheffing meer krijgt. Men kan dat evengoed doen met vzw’s die op een lijst worden opgenomen en die onder het nieuwe op te stellen decreet zouden vallen. Dat zou voor veel vzw’s de administratieve procedures en kosten heel wat lichter maken.

Minister Diependaele heeft het woord.

Minister Matthias Diependaele

Wat de timing betreft: we zijn daar volop mee bezig, dat mag niet lang meer duren. Het is altijd gevaarlijk om daar een datum op te plakken maar dit wordt gefinaliseerd en zal er dus snel aankomen.

Wat de definitie betreft die we zullen gebruiken, zal de interpretatie zijn zoals VLABEL en het Hof van Cassatie die hebben toegepast. Het staat de commissie vrij om daarover te debatteren, maar wanneer men dat helemaal opengooit, bestaat het gevaar dit niet alleen een impact zal hebben op de Vlaamse overheidsfinanciën maar ook op die van de steden en gemeenten – wat de onroerende voorheffing betreft, verhoudingsgewijs zelfs een stuk meer dan de Vlaamse overheid.

Mevrouw Van dermeersch, wat de sportinfrastructuur betreft, ben ik zeer blij met uw steun, want de automatische toekenning van die vrijstelling aan sportinfrastructuur staat letterlijk in het regeerakkoord.

Mijn vraag is om ook voor deze vzw’s voor sociale opvang waar de discussie nu over gaat, eventueel een database op te stellen zodat zij meer niet worden belast met al die procedures. Die procedures moeten nog altijd worden gevoerd want zij krijgen nog altijd een aanslagbiljet voor die onroerende voorheffing.

Minister Matthias Diependaele

Die twee kan men niet koppelen. Die vrijstelling hangt vast aan het onroerend goed, aan het kadastraal nummer. Het is op basis daarvan dat men die onroerende voorheffing krijgt. Dan moet die vrijstelling worden gevraagd. De vraag van de heer Van den Heuvel was wat er precies onder die soortgelijke weldadigheidsinstellingen valt, en daarvoor werken we nu aan een oplossing.

De heer Van den Heuvel heeft het woord.

Aan de slag, dus. Uw voorgangers zeiden altijd dat dit via een decreetswijziging op termijn zou worden opgelost. Ik hoor nu dat u er vaart achter zet en dat die er op relatief korte termijn aan komt. Zo interpreteer ik toch uw laatste zinnen. We kijken er naar uit. Wat de invulling betreft zullen we zien wat het wordt. We moeten het juiste evenwicht behouden tussen een beperkende houding en een totaal vrijblijvende.

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. De publiekstribune is gesloten.

zullen de commissiewerkzaamheden voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. De publiekstribune is gesloten.

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.