U bent hier

De heer Slagmulder heeft het woord.

Het dossier van de verhoging van de Vlaamse artsenquota kent ondertussen al een lange voorgeschiedenis: In oktober 2019 maakte de minister een eerste aankondiging van dat plan en al meteen waren er serieuze bedenkingen van zowel studenten als professoren. De regering zou zelf een planningscommissie oprichten om de zorgnoden in Vlaanderen in kaart te brengen en om na te gaan hoeveel studenten toegelaten zouden worden tot de opleiding.

Op 20 december 2019 kwam er uiteindelijk de bekendmaking van de aantallen door de minister, die echter opgemaakt werden zonder het advies van de planningscommissie af te wachten. De nieuwe quota werden vastgelegd op 1276 studenten geneeskunde en 180 studenten tandheelkunde, zijnde een verhoging van respectievelijk 37 en 32 procent ten opzichte van de federale quota. Vanuit het hoger onderwijs en het medische middenveld klonken ook weer dezelfde bezwaren als in de maanden ervoor, ondanks het overleg dat de minister zou gepleegd hebben met de desbetreffende decanen.

In de commissievergadering van 9 januari werden deze bezwaren ook besproken, vooral die omtrent de RIZIV-nummers, doch de minister verzekerde dat alles in orde zou komen. De universiteiten zouden aan de slag kunnen met die extra studenten, het werkveld zou zorgen voor voldoende kwaliteitsvolle stageplekken en het klein relletje tussen de minister en minister De Block over de toekenning van de RIZIV-nummers (Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering) zou worden opgelost.

En inderdaad, het probleem van de toekenning van die RIZIV-nummers lijkt van de baan: de Raad van State verklaarde geen problemen te zien betreffende die extra plaatsen en gaf Vlaanderen gelijk, dus de quota werden door de Vlaamse Regering op Valentijnsdag goedgekeurd.

Enkele dagen later werd een collectieve open brief gepubliceerd vanwege de Vlaamse rectoren en geneeskundedecanen waarin ze zeggen dat er geen dergelijk overleg is geweest. Eind 2019 hebben ze voor het laatst hun bezorgdheden aan u overgemaakt, maar blijkbaar had u daar toen nog niets mee gedaan en is er sindsdien enkel radiostilte geweest. Hun kanttekeningen en bezorgdheden zijn en blijven nog altijd dezelfde, namelijk het mogelijk negatieve effect van die verhoging op de onderwijskwaliteit. De verhoging zal de arbeidsmarkt voor artsen in het algemeen nog meer verzadigen, zeker bij de specialisaties waar nu al een overschot is, zoals heelkunde en gynaecologie. Er is bij deze gevallen het risico op prestatiegeneeskunde. Dokters zouden veel onderzoeken voorschrijven om het inkomen van zichzelf en collega’s op te krikken. Er zijn nergens garanties of plannen omtrent de invulling van knelpuntspecialisaties zoals huisarts of kinderpsychiater. Er zou werk moeten gemaakt worden van subquota om het voorgenoemde probleem aan te pakken. De door de minister reeds in het begin van de herfst van vorig jaar aangekondigde planningscommissie is nog altijd niet samengesteld. Er is geen gerichte communicatiecampagne voorzien.

Er is dus kortom geen zorgvuldige planning en er is vooral ook nog niets afgesproken wat het budget betreft, terwijl de rectoren en decanen beweren dat berekeningen tonen dat deze verhoging een meerkost van jaarlijks 21,3 miljoen euro bedraagt. Vanuit onze fractie stellen wij dus vast dat de rectoren en decanen de minister een grote nalatigheid in deze zaak verwijten. Daarom hebben wij de volgende vragen.

Minister, hoe evalueert u de kritieken geuit in deze open brief van de Vlaamse rectoren en geneeskundedecanen? Klopt hun bewering dat er tussen de aankondiging van eind december 2019 en de regeringsbeslissing op 14 februari geen enkel overleg is geweest omtrent de praktische uitrolling van die extra plaatsen?

Hoe reageert de minister op hun opgelijste kanttekeningen en bezorgdheden? Bijkomend aan de bezwaren die opgelijst werden, vraag ik opnieuw: zullen er voor die extra studenten ook tijdig voldoende kwaliteitsvolle stageplekken voorzien worden?

De opleidingen tot arts en tandarts zijn zoals gezegd heel duur, het genoemde bedrag van 21,3 miljoen euro per jaar is een stevige brok om slikken voor het budget. Hoe zit het met dat financiële plaatje? Is hiervoor ruimte voorzien in de begroting?

Hoe zit het met de timing van de oprichting van de al een half jaar aangekondigde planningscommissie? Normaliter had deze mee moeten beslissen over de artsenquota an sich, wat dus niet gebeurd is. Vooralsnog blijft alles betreffende die planningscommissie blijkbaar een dode letter.

Wanneer kunnen we het invoeren van de genoemde subquota verwachten opdat er een betere verdeling zou bestaan tussen knelpuntspecialisaties, zoals huisartsen en kinderpsychiatrie, en specialisaties met een overschot? Blijft dit nog altijd de bevoegdheid van de genoemde planningscommissie die maar niet van de grond geraakt? Welke initiatieven worden hier genomen?

Mevrouw Goeman heeft het woord.

De vraag of de arts- en tandartsenquota moeten worden verhoogd, beroert al enige tijd de gemoederen, ook in ons parlement. De context is al geschetst. Op 14 februari gaf u dan toch groen licht voor de verhoging van die quota voor studenten geneeskunde en studenten tandheelkunde.

Maar, zoals we hier al herhaaldelijk hebben gezegd, protesteerden zowel de studenten, de decanen als de beroepsverenigingen tegen de verhoging van de quota. Zij zijn – volgens mij terecht – vooral heel bang dat niet alle Vlaams afgestudeerde studenten geneeskunde en tandheelkunde een RIZIV-nummer zullen krijgen. Ze lieten hun bezorgdheden over die verhoging al meermaals horen.

De rectoren trokken op 19 februari aan de alarmbel met een gezamenlijk opiniestuk. In tegenstelling tot uw communicatie geven ze aan dat er hierover helemaal geen overleg met hen is gepleegd en dat ze niet akkoord gaan met de beslissing. Ze schrijven dat de verhoging van de quota voor grote problemen zal zorgen aan de universiteiten, zeker als ze niet meer middelen krijgen om zich voor te bereiden op een verhoging van het aantal studenten. Ze vinden het ook bizar dat het advies van de Inspectie van Financiën aangeeft dat de verhoging van de quota de uitgaven van de Vlaamse overheid niet zal beïnvloeden. Want volgens hun berekeningen zal de budgettaire behoefte hiervan jaarlijks 21,3 miljoen euro bedragen. Zij denken dat, als ze geen extra middelen krijgen, de onderwijskwaliteit daar absoluut onder te lijden zal hebben.

Minister, dat is een rare situatie. Bent u op de hoogte van de oproep van de rectoren? Hebt u overleg gepleegd met de rectoren, zoals u hebt beweerd?

Ik vrees dat het kalf verdronken is en dat deze Vlaamse Regering de knoop heeft doorgehakt. Nu die verhoging – een slecht idee – er toch komt, zult u dan ten minste extra middelen uittrekken voor de universiteiten, zodat ze zich kunnen voorbereiden op de impact daarvan en de onderwijskwaliteit niet in het gedrang komt?

De vorige minister van Welzijn antwoordde op een schriftelijke vraag van mijn voorgangster Tine Soens al dat er een werkgroep zou worden samengesteld voor het bepalen van subquota voor artsen en tandartsen. Daarnaast pleiten ook de rectoren, de decanen en de studenten voor zulke subquota voor knelpuntspecialisaties. Zij zien daarin een oplossing om het tekort aan artsen in bepaalde specialisaties aan te pakken. Minister, is die werkgroep al geïnstalleerd? Hebt u daarover al overleg gepleegd met de nieuwe minister voor Welzijn, Wouter Beke? Zo ja, wat waren de uitkomsten van die werkgroep? Bent u van plan om subquota in te voeren voor specifieke knelpuntspecialisaties?

De heer Bex heeft het woord.

Minister, de context is al geschetst door mijn collega’s. Op 9 januari antwoordde u op mijn vraag dat er inderdaad overleg had plaatsgevonden met studenten en decanen, en dat u de decanen op alle punten had kunnen geruststellen, meer in het bijzonder op het vlak van de budgettaire impact van die maatregel.

En toen verscheen een bijzonder scherp – dat mogen we toch wel zeggen – opiniestuk in De Tijd van 19 februari. Daarin herhaalden de rectoren en decanen de bezorgdheden die ze al hadden geuit. Ze zeiden dat ze de wenkbrauwen fronsen bij uw stelling dat er overlegd is, en dat de beslissing de universiteiten voor grote problemen stelt indien niet aan bepaalde randvoorwaarden wordt voldaan. Die zin zegt het zowat. U neemt een maatregel. En of die nu nodig is of niet, daarover kunnen we discussiëren. Maar als u die neemt zonder dat er daarover goed is nagedacht en zonder dat die omkaderd is, dan is het eigenlijk per definitie al slecht beleid.

De universiteiten zeggen dat, om de huidige opleidingskwaliteit bij een verhoogde instroom te garanderen, er een aangepaste financiering van de opleiding nodig is. Het bedrag is hier al aangehaald: 21,3 miljoen euro per jaar. Maar de vertraagde opbouw van de financiering vergt ook een prefinanciering van 59,4 miljoen euro over de periode 2020-2036.

De rectoren en decanen herhalen in hun opiniestuk ook dat er volgens hen in Vlaanderen niet zozeer een artsentekort is, maar een tekort aan bepaalde specialisaties zoals huisartsen, geriaters en kinderpsychiaters. Ze klagen ook aan dat de aangekondigde Vlaamse Planningscommissie, die de subquota zou moeten kunnen vaststellen, op zich laat wachten.

Tot slot blijft de ongerustheid bij de studenten of zij inderdaad een RIZIV-erkenning zullen krijgen op het moment van hun afstuderen.

Plant u verder overleg met de Vlaamse universiteiten over de budgettaire impact van uw beslissing? Op welke manier zult u aan de budgettaire vragen tegemoet komen?

Hebt u al overleg gepleegd met de federale minister van Volksgezondheid over de garantie op RIZIV-erkenning?

Hoever staat het met de oprichting van de Vlaamse planningscommissie en het opstellen van subquota? Goed beleid zou zijn om eerst dat te doen en pas daarna te beslissen over het optrekken van de quota. Legt u het initiatief hiervoor volledig bij de minister van Welzijn? Heeft hierover al overleg plaatsgevonden binnen de Vlaamse Regering?

Minister Weyts heeft het woord.

Minister Ben Weyts

Op valentijn hebben we inderdaad de startquota voor Geneeskunde en Tandheelkunde vastgelegd. 1276 studenten mogen in 2020-2021 aan de bacheloropleiding Geneeskunde beginnen en 180 aan de bacheloropleiding Tandheelkunde. Dat zijn er respectievelijk 123 en 33 meer dan in het academiejaar 2019-2020. Het is belangrijk om die cijfers mee te nemen voor straks. Bij de bepaling van de startquota hebben we vanzelfsprekend rekening gehouden met de criteria vervat in de Codex Hoger Onderwijs, de decretale basis voor de toelatingsexamens. De Raad van State heeft dat ook bevestigd, want de Raad van State heeft geen opmerkingen gemaakt met betrekking tot de legaliteit ervan.

De opleidingscapaciteit is een van de decretale criteria waarmee we rekening houden. Dat criterium is een proxy voor onderwijskwaliteit en voor betaalbaarheid. Het spreekt voor zich dat ik daar als minister van Onderwijs bekommerd over ben. Net daarom heb ik voorafgaand aan de eerste goedkeuring in de schoot van de Vlaamse Regering, een overleg georganiseerd en voorgezeten met de decanen. Zij hadden een lijst bij met bekommernissen die ik persoonlijk, in hun bijzijn, heb afgevinkt. Op dat overleg ben ik ook het engagement aangegaan dat mijn administratie de financiële impact van de verhoging van de startquota voor de universiteiten zou bekijken. Mijn administratie is daar ook mee bezig. Los daarvan heeft men zelf al een ruime oefening gedaan. U citeert bedragen, maar relateer die eens aan die 123 en 33 extra studenten en deel dat bedrag misschien eens door dat aantal studenten. U zult dan op een hoog bedrag uitkomen. Wij hebben die oefening nu gemaakt. Die financiële meerkost ontstaat ook pas binnen enkele jaren, niet nu.

Wat de RIZIV-nummers betreft, ben ik al duidelijk geweest. De federale overheid heeft een historisch tekort vastgesteld van 1040 kandidaat-artsen. Die RIZIV-nummers zijn beschikbaar. Het enige wat ik vraag is dat die RIZIV-nummers sneller kunnen worden toegekend. Ik vraag dus geen extra nummers, in tegenstelling tot de Franse Gemeenschap, die de laatste twee jaar zelfs extra RIZIV-nummers heeft gekregen. Hier is men kritisch als ik vraag dat Vlaanderen de RIZIV-nummers krijgt die Vlaanderen historisch toekomen. Er zijn hier mensen in de zaal die vinden dat dat niet goed is. Wel, ik vind het niet alleen wel goed, maar ook noodzakelijk dat we claimen waar we recht op hebben. We vragen niets meer dan waar we recht op hebben. Volgens de rekening van de Federale Regering zou dat historisch tekort worden afgebouwd op 21 jaar tijd. Ik vraag gewoon om die afbouw sneller te realiseren. Als je het tempo dat ik nu vooropstel, aanhoudt, dan gebeurt die afbouw op 12 jaar, afhankelijk van de noden die zich voordoen. Is ook dat te veel, die 12 jaar? Ondertussen zien we tekorten in Vlaanderen, althans in mijn omgeving – ik weet niet hoe dat bij u zit –, terwijl er anderzijds steeds meer buitenlanders instromen, of ze nu Nederlands kennen of niet, en we ook nog eens verschillende kandidaat-studenten moeten weigeren in Vlaanderen. Daaraan willen wij een einde stellen, als het even mag.

Wat de knelpuntspecialisaties betreft, is er in sommige specialisaties inderdaad een overschot en in andere een tekort. Maar er is in het algemeen wel een tekort aan artsen en tandartsen. Ik betreur het dat sommigen deze discussie vanuit de eigen navel voeren. Sommigen hebben inderdaad belang bij een krapte. Dat is niet mijn belang; wij moeten kijken naar het belang van de Vlaamse samenleving en de noden die er zijn aan artsen en tandartsen.

Mevrouw Goeman, ik sta er verstomd van dat u zegt dat u dat allemaal niet goed vindt. Ik vind dat net keigoed en ik denk dat uw partijgenoten ook al herhaaldelijk op federaal niveau hebben aangedrongen op een meer rechtvaardige toekenning van RIZIV-nummers en dus van artsen en tandartsen aan Vlaanderen. Ik denk alleszins dat dit een goede zaak is.

Los daarvan heb je natuurlijk ook de oefening die we effectief moeten doen, namelijk de oprichting van een Vlaamse planningscommissie. Daaromtrent leg ik samen met collega Wouter Beke de hand aan een voorstel ter zake, dat dan al in tweede lezing komt. Die samenwerking verloopt prima. Dankzij zo’n Vlaamse planningscommissie kunnen we ervoor zorgen dat studenten geneeskunde die al in hun opleiding zitten, worden toegeleid naar de specialisaties waaraan er een tekort is.

We doen dus twee oefeningen. Enerzijds zorgen we ervoor dat er meer Vlaamse studenten kunnen deelnemen aan de opleiding Geneeskunde en Tandheelkunde. Als ze eenmaal met die opleiding gestart zijn, kunnen ze tijdens de opleiding de beste specialisatie kiezen of alleszins wat voor hen en voor de samenleving het beste is.

Die oprichting is des te belangrijker, omdat de betrokken studenten over drie jaar aan hun stage beginnen en omdat alle betrokkenen die stage dus goed moeten kunnen plannen. Ik heb ook daarover de bekommernissen van studenten, decanen en rectoren goed gecapteerd. Wij leggen nu de laatste hand aan het ontwerp van het besluit van de Vlaamse Regering voor die Vlaamse planningscommissie.

Ik denk dat de Vlaamse geneeskundefaculteiten ook zelf een rol kunnen spelen, door meer studenten aan te moedigen en warm te maken om door te stromen naar specialisaties en de specialisatie tot huisarts, want daar is zeker meer nood aan in Vlaanderen.

Ik denk dat een goed onderwijsbeleid en een goed gezondheidsbeleid zaak zijn van zowel de minister van Onderwijs als de minister van Welzijn. En we doen dat in perfecte harmonie.

De heer Slagmulder heeft het woord.

Minister, ik dank u voor uw antwoord.

Ik wil even verder ingaan op die subquota. Als die subquota nog even op zich laten wachten – een jaar, twee jaar of zelfs langer –, riskeren we door uw verhoogde artsenquota dan niet een nog grotere scheeftrekking binnen de specialisaties in geneeskunde? Als er de komende academiejaren tientallen extra geneeskundestudenten komen, en die willen allemaal dezelfde specialisatie doen, dan zit je toch met een groot probleem. De kans is immers groot dat die extra studenten voor meer lucratieve specialisaties zullen kiezen, zoals chirurg. En de specialisaties die minder interessant zijn qua verloning en aantal werkuren, zoals huisarts, zullen geen extra volk trekken, ondanks een verhoogde instroom. Ofwel moeten we die subquota dus zeker binnen het jaar invoeren, ofwel gaan we veel van die extra studenten geneeskunde moeten teleurstellen, wanneer ze binnen een jaar of vijf in een ratrace terechtkomen om de interessantste specialisaties te kunnen volgen.

Mevrouw Goeman heeft het woord.

Ik dank u voor uw antwoord en voor de cijfers. Inderdaad, er mogen zich 123 extra studenten inschrijven voor de artsenopleiding en 33 studenten voor de opleiding Tandheelkunde.

Mijn eerste bijkomende vraag is of u ons dan eens kunt uitleggen op basis waarvan die cijfers zijn vastgelegd? Want wat mij interesseert, is de vraag of de studenten geneeskunde of tandheelkunde die zich vandaag inschrijven, aan het einde van de rit – na hun studie van x aantal jaar – de garantie hebben dat ze een RIZIV-nummer zullen krijgen. Zo kunnen ze hetgeen ze hebben gestudeerd ook daadwerkelijk uitvoeren. En dat communautaire aspect interesseert mij eigenlijk hoegenaamd niet. Alles hangt voor mij vandaag samen, minister.

U zegt dat er in uw omgeving tekorten zijn en dat we niet mogen vertrekken van de eigen navel, maar de realiteit is dat er tekorten zijn in bepaalde specialisaties. En dat was ook altijd de reden waarom er gevraagd is naar een planningscommissie, namelijk om die tekorten heel specifiek, specialisatie per specialisatie, in kaart te brengen. Dát moet nu de eerste prioriteit zijn. Ik vind het dan ook heel jammer dat er nog altijd geen werk is gemaakt van die planningscommissie. Want wij hebben altijd gezegd – en dat klopt – dat, op het moment dat die Planningscommissie met een advies komt over subquota in bepaalde specialisaties, daar ook zeker mee naar de federale minister moet worden gestapt, om eventueel een verhoging van de quota te bepleiten. Maar niet in het wilde weg, zoals het nu naar mijn gevoel, en vooral om communautaire redenen, gebeurt.

U hebt samengezeten met de decanen, maar hebt u ook samengezeten met de rectoren? U zegt dat de bekommernissen zijn afgevinkt, maar ze zijn duidelijk niet echt gerustgesteld.

Ik ben alvast blij dat u zegt dat de administratie het kostenplaatje van die verhoging in kaart brengt. 21,3 miljoen euro is inderdaad het bedrag dat ik ook uit het opiniestuk heb gehaald. Maar we kunnen er niet omheen dat het advies van de Inspectie van Financiën op dit moment aangeeft dat de verhoging van die quota de uitgaven van de Vlaamse overheid niet zal beïnvloeden. Ik hoor u hier zeggen dat het toch nog mogelijk is dat er extra financiering komt voor de universiteiten, om die extra studenten op te vangen en een goede onderwijskwaliteit te bieden.

De heer Bex heeft het woord.

Minister, ik dank u voor uw antwoord. Ik schrik wel wat van uw felheid. Ik heb de legaliteit van uw beslissing niet betwist. En ik heb zelfs de wenselijkheid om die quota te verhogen in het midden gelaten, net omdat ik ook bij mijn vorige vraag goed naar u heb geluisterd.

De budgettaire impact blijkt dus minstens groter te zijn dan initieel vooropgesteld. Het is goed dat dat wordt onderzocht. We zullen het in de toekomst verder kunnen opvolgen. We zullen vooral moeten afwachten hoever uw raming of die van uw administratie afwijkt van de raming die nu door de Vlaamse Universitaire Raad (VLIR) is gemaakt. Ik heb het niet voorgesteld alsof het onrechtvaardig zou zijn, indien die zouden worden toegekend. Mijn vraag is alleen: hebt u al overleg gepleegd met uw federale collega? En hebt u al vooruitgang geboekt in het dossier? Want het zou wel goed zijn dat u die studenten van bij het begin van hun studies effectief de zekerheid zou kunnen geven dat ze dat RIZIV-nummer krijgen. Minister, hebt u daarover in al die maanden al contact gehad met uw federale collega?

Het is goed dat er vooruitgang wordt geboekt inzake de planningscommissie. Ik hoop dat u zeer snel met concrete teksten zult komen, zodat we die specialisaties zo snel mogelijk op een goede manier kunnen organiseren in functie van de noden en we kunnen bekijken welke quota we voor de volgende jaren naar voren moeten schuiven. 

Minister, maar ook op dat vlak moet het mij van het hart dat ik wat schrik van een minister die zegt: ‘In mijn omgeving zie ik dit.’ Ik zou verwachten dat een minister beleid voert in functie van noden die op een systematische manier worden vastgesteld. Daarvoor heb je die planningscommissie juist nodig. Een reden te meer om daarmee voort te maken. Want ik wil eigenlijk een minister die beleid voert op basis van informatie die deskundig werd vastgesteld en niet op basis van de mate waarin hij in zijn eigen buurt al dan niet een huisarts vindt.

De heer Daniëls heeft het woord.

Collega’s, ik wil hier toch een oproep doen om het kind niet met het badwater weg te gooien. Ik hoor iedereen hier aanwezig spreken over tekorten en subdisciplines. Maar dan hebben we die artsen toch ook wel nodig.

Twee, ik heb het ook in de plenaire vergadering gezegd – want eigenlijk doen we het actualiteitsdebat hier nagenoeg over –: ik raad u aan om straks rond te bellen naar een tandarts in uw buurt, met de vraag wanneer u kunt langskomen, omdat u tandpijn hebt. Als het niet je eigen tandarts is, is het antwoord in mijn regio heel eenvoudig: dan kun je niet langsgaan, want de tandarts heeft een patiëntenstop. Niet zo lang geleden heb ik die vraag aan mijn eigen tandarts gesteld en die kon mij een afspraak geven in juni. En als het dringend was, moest ik bij de spoed langsgaan.

En dan is er het communautaire, collega’s. Je kunt nu toch niet zeggen dat er niets aan de hand is. Wat we niet doen, is in één keer dat opgebouwde tekort wegnemen, in één keer 1040 erbij. Dat doen we niet. We bouwen nu het overschot van Wallonië en het tekort in Vlaanderen af, niet over 21 jaar, maar over 12 jaar. Zeg dan eens wat u wel wilt. Zeg dan eens wat u tegen de Vlaamse burger wilt zeggen. Wat wilt u hem zeggen? Of wat wilt u communautair zeggen? Want dat is mij niet volledig duidelijk. Ik vraag u om de minister, het kabinet, de administratie en de instellingen de kans te geven om dit te ontwikkelen.

Natuurlijk, als ik decaan was, zou ik ook boter bij de vis vragen. Ik snap dat. Maar stop alstublieft met te zeggen dat dit geen goede maatregel is, in het belang van Vlaanderen.

En ja, die subcommissies en subquota moeten verder worden afgestemd, ook met de collega van Welzijn. Dat is absoluut waar. Daarin deel ik uw mening.

Minister Weyts heeft het woord.

Minister Ben Weyts

U hoeft mij of mijn omgeving niet te geloven. Ik wou dat gewoon ter staving meegeven. Met betrekking tot de vaststelling van het tekort: wie u in dezen wel mag geloven – en het zal mij niet altijd overkomen – is de federale overheid. De Federale Regering heeft zelf een tekort van 1040 vastgesteld. Wie ben ik dan? Ik lardeer dat met voorbeelden uit de realiteit en ik moet erkennen dat de federale overheid in dezen gelijk heeft of zou kunnen hebben.

Ik wil toch even duiden hoe we tot die cijfers komen en hoe we daar in het verleden altijd toe gekomen zijn. Ik heb dezelfde procedure gevolgd, mevrouw Goeman. Men vertrekt van het federaal bepaalde quotum. Op grond daarvan worden er correcties toegepast, bijvoorbeeld de correctie van de ‘dropout rate’, het aantal mensen dat tijdens de opleiding uitvalt. Je hebt de correctie in functie van de uitval aan de uitgang, namelijk diegenen die wel afstuderen met een diploma, maar nooit in de geneeskunde of tandheelkunde terechtkomen. Vervolgens heb je het afnemende veld. Maar je hebt bijvoorbeeld ook de capaciteit. Dat zijn allemaal criteria die vastgelegd zijn. En een van de criteria is ook het historische tekort en de bijstelling van de quota in functie van dat historische tekort. Vanuit het federale niveau werd ons opgelegd om dat historische tekort af te bouwen in zo’n tempo, dat we op 21 jaar tijd het tekort zouden hebben afgebouwd. Dat is de enige vijs waar ik aan gedraaid heb, aan dat tempo. Voor al de rest heb ik exact de procedure gevolgd zoals altijd. We hebben alleen gezegd dat we dat historische tekort versneld gaan wegwerken, niet op 21 jaar, maar op 12 jaar, in elk geval als we dit tempo aanhouden. Dat is de procedure.

Wat de subquota betreft: voor degenen op wie dat van toepassing zal zijn, die nieuwe cohorte die zal instromen, zal die keuze pas over, denk ik, drie jaar van toepassing zijn. Mijnheer Daniëls, ik zag in de zaal toch enig enthousiasme toen u zichzelf voorstelde als decaan. Ik denk dat die kandidatuur hier op veel steun kon rekenen, maar u schijnt mij in dezen niet te kunnen helpen. U hebt dus nog wat werk voor de boeg. Maar ik denk dat het inderdaad over drie jaar is. Dat is het plaatje.

En het budgettaire plaatje dat geschetst wordt door de universiteiten, dat moeten we nog eens onder ogen zien. Onze administratie is daar momenteel op aan het werken. Die is onafhankelijk daarvan de oefening aan het maken.

De heer Slagmulder heeft het woord.

Wat betreft de subquota: Vlaanderen zit niet te wachten op extra chirurgen of gynaecologen, maar heeft nood aan huisartsen en kinderpsychiaters. 230 Vlaamse gemeenten zijn huisartsarm. En campagnes zoals Rode Neuzen Dag bewijzen dat de zorg voor de mentale gezondheid broodnodig is. Wij willen dus dat de scheefgroei binnen deze specialisaties wordt rechtgezet. Subquota kunnen hier soelaas bieden. Het is dus belangrijk dat deze nood zo snel mogelijk wordt ingelost.

Mevrouw Goeman heeft het woord.

De Vlaamse burger zit volgens mij niet te wachten op politieke spelletjes, maar wel op degelijk onderbouwd beleid, gebaseerd op feiten en objectieve analyses van waar de tekorten binnen de artsenspecialisaties vandaag zitten, met subquota, zodat de federale quota op basis daarvan eventueel kunnen worden verhoogd. Zo kunnen mensen morgen rekenen op de artsen die ze nodig hebben en waar ze recht op hebben. Dat is, wat ons betreft, wat moet gebeuren.

De heer Bex heeft het woord.

Minister, u hebt de vlucht vooruit genomen. Ik kan u nu enkel aanmoedigen om zeer snel werk te maken van die Vlaamse planningscommissie. Ik hoop dat die er bijzonder snel komt.

Collega Daniëls zegt dat we hier een debat herhalen dat we al hebben gevoerd. Ik heb u vandaag al twee keer gevraagd of u al overleg hebt gepleegd met uw federale collega. U hebt daar nog niet op geantwoord. Op die manier is het natuurlijk logisch dat we onze vragen blijven herhalen.

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

De plenaire vergadering en de commissievergaderingen zijn in principe openbaar, tenzij anders vermeld. 

U wil een vergadering bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.