U bent hier

Mevrouw Segers heeft het woord.

Journalist Geert Sels berichtte in De Standaard van 4 februari 2020 over het opmerkelijke nieuws dat de Koninklijke Bibliotheek van België in het bezit blijkt te zijn van naziroofkunst. De kunstcollectie van de Joodse familie Dorville werd in 1942 gedwongen verkocht. Een van de werken, ‘La buveuse d’absinthe’, een aquarel van Félicien Rops uit 1876, blijkt zich in de collectie te bevinden van de Koninklijke Bibliotheek. Die kocht het werk aan in 1968, ‘in goed vertrouwen’.

Na de dood van Dorville in 1941 kwam zijn kunstverzameling op de kunstmarkt. Sindsdien belandden de werken in verschillende Europese musea, waaronder verschillende in Duitsland en het Louvre. Nog maar twee weken geleden, voor de publicatie van het artikel, gaf de Duitse minister van Cultuur Monika Grütters drie kunstwerken terug aan de erven van Armand Isaac Dorville. En nu blijkt dat ook de Koninklijke Bibliotheek van België in haar depot een werk uit naziroofkunst in haar bezit heeft. Volgens het museum werd het via een omweg verkregen.

De Koninklijke Bibliotheek beschouwt de aquarel als een belangrijk onderdeel van het Belgisch patrimonium, maar was naar eigen zeggen niet in de wetenschap dat het bezit ervan om roofkunst kon gaan. Nu dit bekend is, zal de bibliotheek de zaak verder onderzoeken en alle opties bekijken, ook die van teruggave of vergoeding. Directrice ad interim Sara Lammens stelt: “Het is een prachtig werk dat we niet graag zouden afstaan, maar we onderschrijven de Washington Declaration die de restitutie van nazi-roofkunst regelt en we zullen er ook naar handelen.”

In het licht van die berichtgeving heb ik de volgende vragen voor u, minister-president. Wat is uw appreciatie over deze feiten? Wat is uw visie over hoe Vlaanderen en de federale overheid dient om te gaan met kunstroof? Welk overleg plant u met uw federale collega’s om een beleid te ontwikkelen inzake de omgang van onze federale en Vlaamse musea én de kunsthandel, met nazikunst en andere actuele vormen van kunstroof?

Mevrouw D’Hose heeft het woord.

Ik hoef de hele inleiding niet meer te geven, want mijn collega heeft dat al gedaan. Het kwam de afgelopen weken uitvoerig in de pers, en ik heb ondertussen ook wat opzoekwerk gedaan. Daaruit blijkt dat er de laatste tien jaar slechts twee vragen voor restitutie zijn geweest. Dat is gebleken uit een recent antwoord van de kanselarij. Dat is ook bijzonder laag, maar langs de andere kant is dat ook wel een beetje logisch. Want in tegenstelling tot in Nederland is er bij ons geen centrale website waar alle voorwerpen van verdachte oorsprong duidelijk opgelijst staan, en die publiek toegankelijk is. Zo’n centrale databank zou blijkbaar ook hier in opbouw zijn.

Ik denk dat het meer dan aangewezen is om bij ons een grondige doorlichting te doen van de werken die zich in onze musea bevinden, ook in het licht van die recente ontdekking. Daarnaast is het aangewezen om te werken met een centrale website waar de slachtoffers van deze toch wel laffe kunstroof en hun naasten de werken alsnog kunnen terugvinden, dit naar het Nederlandse voorbeeld.

Minister, wat is de stand van zaken rond de interfederale werkgroep Cultuurgoederen Tweede Wereldoorlog? Waarschijnlijk hebt u daar via uw vorige bevoegdheid als federaal minister al mee te maken gehad. Misschien is deze werkgroep nog samengekomen, maar gezien de impasse misschien ook niet.

Bent u bereid om aan te dringen op een geactualiseerde doorlichting bij de federale en de eigen musea en archieven, om de voorwerpen te identificeren die mogelijk afkomstig zijn van roofkunst?

Beschikt u over concrete informatie over de naar verluidt bijna afgeronde centrale databank? Zal die publiek toegankelijk zijn en tegen wanneer zal ze van start gaan? Bent u bereid om aan te dringen op de snelle opstart van zo’n centrale databank naar Nederlands voorbeeld?

De heer Pelckmans heeft het woord.

Drie op een rij, het bespaart mij een hele uitleg. Maar aangezien hier drie vragen over worden gesteld, is dit toch duidelijk een zeer urgent ontwerp. We kunnen niet anders dan dit ernstig te nemen. Ik beperk mijn inleiding tot een verwijzing naar voormalig staatssecretaris Zuhal Demir, die deze kwestie in 2017-2018 zeer actief in haar beleidsnota’s had staan. Ik citeer even: “In 2018 zal, in samenspraak met de gemeenschappen, een grotere bekendheid worden gegeven aan hun onduidelijke of onvolledige herkomstgeschiedenis en zal er naar worden gestreefd om het eigenaarschap te achterhalen. Ik zal dit desgevallend opnemen met de verschillende ministers van Cultuur ter gelegenheid van de Interministeriële Conferenties Cultuur in 2018.” In haar beleidsbrief van 2018 maakt ze daarover ook een stand van zaken, kondigt ze die website en databank aan en is er tenminste toch het gevoel van enige vooruitgang.

Met dit artikel dringen zich toch wel wat vragen op. Een aantal zijn al gesteld. Die databank is er, maar als je die ziet en bekijkt, is dat toch wel relatief huilen met de pet op. Wat ontbreekt, is een nieuwe visie op het hele herkomstdenken. Daar is internationaal een nieuwe opinie over ontstaan, en ik heb soms de indruk dat de mensen die daar bij ons mee bezig zijn, zonder hun expertise daarin te betwijfelen, niet echt wakker liggen van openheid, duiding naar het publiek en echte wil om dat recht te zetten.

Hoe moeten we over die website denken? Hoe denkt u over die website?

Aansluitend bij collega D’Hose: is die werkgroep nog samengekomen? Kunnen we daar eventueel dan ook de verslagen van krijgen?

Wilt u niet alleen de middelen voorzien, maar ook de leiding nemen als minister-president? U bent daar, denk ik, autoritair voor geschapen, bij wijze van spreken, om in dezen ook voortgang te boeken. Als u het niet kunt, zal niemand het kunnen. Dit is een echte uitdaging. Ik denk dat onze musea daar tot nu toe met wisselend succes aan gewerkt hebben, maar zij missen leidinggevende directieven, en die mogen we van u verwachten. Mijn vraag is dus: wat gaat u daarmee doen?

Minister-president Jambon heeft het woord.

Minister-president Jan Jambon

Of ik autoritair geschapen ben of niet, dat laat ik echt in het midden, dat is niet het onderwerp van deze commissie.

Ik heb het artikel van Geert Sels in De Standaard ook gelezen en ik dank u voor de relevante vragen die u alle drie stelde. Inderdaad, als drie collega’s vragen stellen over dit onderwerp, is het een teken dat het belangrijk is.

Mevrouw Segers, wat mijn appreciatie is over deze feiten: het lijkt mij dat de Koninklijke Bibliotheek, bij monde van mevrouw Lammens, goed op dit artikel gereageerd heeft. De Koninklijke Bibliotheek zal de zaak verder onderzoeken: als het effectief om roofkunst gaat en de nabestaanden na de oorlog nooit werden vergoed, zal de Bibliotheek de teruggave of de vergoeding van de nabestaanden bekijken. Deze oplossing lijkt mij perfect conform de afspraken over naziroofkunst die in 1998 binnen het kader van de Washington Principles werden gemaakt.

In dat verband wil ik er ook op wijzen dat de Koninklijke Bibliotheek in het verleden al zeer constructief meewerkte aan het onderzoek van de Belgische commissies. Dat was de zogenaamde commissie-Buysse in verband met verdwenen cultuurgoederen uit voormalig Joods bezit. In de periode waarin dit werk werd aangekocht, in 1968, had men in België nauwelijks kennis over naziroofkunst in andere landen. Dit dossier speelde zich volledig af in Frankrijk en kwam slechts recent aan het licht door de publicatie van Emmanuelle Polack in Frankrijk en de Gurlitt-commissie in Duitsland.

Ik neem dan enkele vragen samen. Mevrouw Segers, u vroeg wat mijn visie is op hoe we met de federale overheid moeten samenwerken en of ik overleg plan met de federale overheid. Mevrouw D’Hose, u vroeg naar de afgeronde centrale databank. Dat was ook uw vraag, mijnheer Pelckmans.

De Washington Principles van 1998 vormen de beleidsmatige basis voor onze huidige en toekomstige omgang met de problematiek van nazikunstroof. Sinds de aanname van deze Principles in 1998 nemen de publieke erfgoedinstellingen een verhoogde zorgvuldigheid in acht bij de verwerving van nieuwe collectiestukken. Meer dan vroeger moeten zij, voorafgaand aan eventuele aankopen, een grondig herkomstonderzoek doen met betrekking tot het stuk dat ze willen verwerven. Binnen dat grondige provenance-onderzoek vormt de periode van de nazibezetting van België en ook de daaraan voorafgaande naziperiode in Duitsland een bijzonder punt van aandacht. Mocht ondanks deze check toch blijken dat een na 1998 aangekocht collectiestuk als naziroofkunst beschouwd moet worden, dan is teruggave aan de erfgenamen aangewezen. Als alternatief voor teruggave kan er uiteraard ook over een schadeloosstelling worden gesproken. Uitzondering daarop vormen de gevallen waarin de erfgenamen binnen het kader van een eerdere compensatieregeling al vergoed werden. Ik zal er bij onze musea nog eens op aandringen om in de toekomst bij verwerving van collectiestukken zorgvuldig de provenance van de stukken tijdens de periode 1933-1945 na te gaan. Voor de volledigheid wil ik nog opmerken dat het bij de Washington Principles om ‘soft law’ gaat, dus principes waarvan de invulling en de aard van die invulling in grote mate aan de ondertekenaars van de Washington Principles werd overgelaten. Tot daar wat ik het reactieve beleid zou noemen.

De volgende vraag is of er ook een meer actief beleid vereist is en, zo ja, wat dit beleid dan wel moet zijn. Op dit moment zijn er twee initiatieven te vermelden. Zo is er het onderzoek van de Studiecommissie joodse goederen, die in 2001 een eindrapport heeft opgeleverd en de Commissie voor de Schadeloosstelling van de leden van de Joodse Gemeenschap, die in 2008 een eindrapport heeft opgeleverd. Binnen dit kader werd een onderzoek gevoerd naar mogelijke banden tussen door de musea na WO II verworven kunstwerken en naziroofkunst. De rapporten van deze commissies zijn online beschikbaar op de website https://combuysse.fgov.be/nl.

Daarnaast is er de interfederale werkgroep Cultuurgoederen Tweede Wereldoorlog. Deze ambtelijke werkgroep waarbinnen de gemeenschappen en de federale overheid overleggen, wordt getrokken door de Programmatorische Overheidsdienst (POD) Wetenschapsbeleid. Minister Demir werkte daaraan in haar vorige bevoegdheid. Die werkgroep werd opgericht in 2013.

Binnen deze werkgroep ligt de focus op het meer bekendmaken van de werken in publieke collecties waarvan de oorsprong duidelijk gerelateerd is met WO II. Het gaat om de 78 werken die na WO II uit Duitsland terug naar België werden gebracht. Ze werden door de Dienst Economische Recuperatie (DER) aan een aantal Belgische musea overgedragen.

Voor Vlaanderen gaat het om het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen, het Rubenshuis in Antwerpen, het Museum M in Leuven, het Stedelijk Museum Wuyts-Van Campen in Lier, het Groeningemuseum in Brugge, het Museum voor Schone Kunsten in Gent en het Hof van Busleyden in Mechelen.

In de loop van 2017-2018 werd overleg gepleegd met deze musea. De werkgroep bezorgde hun de beschikbare informatie over de werken en sprak met de musea af dat ze deze info online zouden plaatsen op hun website. Vijf van de zeven musea deden dit inmiddels. Dit zijn de links van deze vijf musea: https://kmska.be/nl/herkomstonderzoek-kunstwerken-tweede-wereldoorlog; https://www.rubenshuis.be/nl/content/oorlogskunst-de-collectie; https://www.mleuven.be/nl/herkomstonderzoek-tweede-wereldoorlog; https://www.hofvanbusleyden.be/gezocht-gegevens-over-herkomst-collectiestuk.; https://cartoon-productions.be/gezocht-herkomst-vooroorlogse-schilderijen/. Het is de bedoeling om deze informatie te overkoepelen met behulp van een federale website ‘herkomst gezocht’ in functie van een maximale openbaarheid en een maximale consulteerbaarheid. Het lijkt mij zaak om nu te focussen op de afronding van dit DER-project.

Zijdelings wil ik u ook informeren dat er vorig jaar één contactname was van een Joodse familie met betrekking tot een van de gepubliceerde werken. De familie werd door het betrokken museum en de bevoegde Vlaamse en federale ambtenaar tijdens een lange ontmoeting maximaal en op een respectvolle manier geïnformeerd over de omstandigheden waarin dit werk in de museale collectie is terechtgekomen. De ontmoeting leidde niet tot een vraag tot teruggave.

Eenmaal de federale koepelwebsite gerealiseerd is, kan overwogen worden of het zin heeft om voor de 78 DER-werken nog eens een actief herkomstonderzoek te laten doorvoeren Het lijkt me echter twijfelachtig of dat nog veel bijkomende informatie zal opleveren.

Een andere vraag is of we, naar het voorbeeld van Nederland, onze museale collecties actief moeten doorlichten op de mogelijke aanwezigheid van roofkunst. Zelf ben ik, rekening houdend met het krappe budgettaire kader, van oordeel dat dit niet echt opportuun is. Dit onderzoek gebeurde immers al binnen het kader van de commissie-Buysse. De vondst van de tekening van Rops uit de collectie Dorville in de collectie van de Koninklijke Bibliotheek lijkt dan eerder weer voor het tegendeel te pleiten. Blijkbaar is de inventaris toch niet volledig.

Ik wil er wat dit betreft op wijzen dat de schadeloosstellingcommissies die opgericht werden door de landen die Washington Principles onderschreven, waaronder ook België, als focus de schadeloosstelling hadden van de in eigen land geleden verliezen. Er was geen bijzondere aandacht voor kunstwerken die decennia later vanuit het buitenland via de kunsthandel in publieke collecties terechtkwamen.

Ik zal de vraag over de wenselijkheid en haalbaarheid van een nieuwe doorlichting van onze museale collecties naar kunstwerken met een onduidelijke herkomst aankaarten bij het interministerieel overleg van de ministers van Cultuur. Bij mijn weten is Nederland het enige van de 42 landen die de Washington Principles hebben ondertekend dat een dergelijk verregaand onderzoek voert op stukniveau.

De interfederale werkgroep vergaderde voor het laatst op 5 oktober 2017. Ik zal, indien u dat wenst, het verslag van deze laatste vergadering ter beschikking stellen van de leden van de commissie. We zullen dat aan het commissiesecretariaat bezorgen.

In opvolging van die vergadering hadden in de loop van 2017 en 2018 verscheidene contacten plaats tussen de leden van deze werkgroep en de musea die werken van de Dienst Economische Recuperatie (DER) onder hun hoede hebben. Dit overleg resulteerde in de publicatie van deze werken en alle beschikbare informatie over die werken op hun respectieve websites.

In 2018 en 2019 werden geen formele vergaderingen georganiseerd.

Ik zal vragen om het interministeriële overleg van de ministers van Cultuur bijeen te roepen en ik zal in dit project de lead nemen.

Mevrouw Segers heeft het woord.

Minister-president, dank u voor uw antwoord. Het is ook uw appreciatie dat de directeur van de Koninklijke Bibliotheek in dezen goed heeft gereageerd. U hebt het overzicht gegeven van alle initiatieven en werkgroepen. Maar we moeten vaststellen dat er veel al lang niet meer zijn bijeengekomen. Het is, ondanks alle maatregelen die er zijn, toch onwaarschijnlijk dat dit kan gebeuren.

De problematiek van kunstroof betreft niet alleen de nazikunstroof in de periode van de Tweede Wereldoorlog. Het is van alle tijden. In de Senaat hebben wij in 2018 een heel omvangrijk informatierapport gemaakt over kunstroof, vanuit onder meer de vaststelling dat kunstroof vandaag een heel belangrijke bron van financiering van terrorisme is. We hebben daar een aantal opmerkelijke vaststellingen moeten doen. U was toen de verantwoordelijke minister van Binnenlandse Zaken. Een heel belangrijk manco dat we vaststelden, was dat de cel Kunst en Antiek van de federale politie niet meer operationeel is. Die cel is herleid tot één personeelslid. Een belangrijke aanbeveling die we toen hebben gedaan, is dat die cel absoluut moet worden gereactiveerd. Dat betekent onder andere dat de ARTIST-databank, die de kunstdiefstallen moet registreren, gewoon niet meer wordt aangevuld wegens personeelstekort.

We hebben in dat informatierapport met name met betrekking tot de restitutie van kunst gevraagd om een gezamenlijke aanpak uit te werken voor de restitutie van roofkunst, in het bijzonder van roofkunst uit de Tweede Wereldoorlog. Wij vroegen toen ook om bestaande inspanningen betreffende roofkunst voort te zetten, en om vooral ook de databank en de gegevensbank aan te vullen.

Bovendien hebben we ook aanbevolen dat er een vergelijkbaar denkproces moet worden opgestart rond kunst- en cultuurvoorwerpen die werden ontvreemd tijdens onze koloniale periode, inclusief de ontwikkeling van een juridisch kader. Minister-president, wilt u, hoewel het uw verantwoordelijkheid was om die cel Kunst en Antiek te ontmantelen, er bij de federale minister op aandringen dat die cel opnieuw volop kan werken? Hoe staat u tegenover een vergelijkbaar werk dat we moeten aanvatten met betrekking tot koloniale kunst?

Mevrouw D’Hose heeft het woord.

Minister-president, het zal inderdaad van belang zijn om dat item op de agenda van de interministeriële conferentie te plaatsen. Dat is al een eerste stap.

Mevrouw Segers zegt terecht dat op federaal niveau de cel Kunst en Antiek tijdens de vorige legislatuur werd opgedoekt. Maar niet alleen dat, ook de volledige administratie daarachter is opgedoekt. Dat is problematisch. Daardoor gebeurt er nu niets meer.

Ik had ten slotte nog één concrete vraag. U hebt verwezen naar de federale koepelwebsite van de DER. Die zou online komen. Hebt u er een idee van wanneer dat juist zal gebeuren?

De heer Pelckmans heeft het woord.

We kunnen het ook een beetje internationaler bekijken. Het is zo dat niet alleen Nederland maar ook Duitsland, Frankrijk en Zwitserland in dezen veel verder staan dan wij. Zij denken daar veel breder over, met meer openheid, en ze werken effectief ontsluitend. Men houdt daar zelfs speciale thematentoonstellingen rond. Dat is toch een uitnodiging om hier echt werk van te maken.

Het is ook wel van belang dat Vlaanderen dat een beetje op gang trekt. Want van de 78 geïdentificeerde kunstwerken waarvan de herkomst mogelijks problematisch is, zijn er toch 43 die zich in Vlaamse musea bevinden.

Ik heb twee heel concrete vragen. Minister, bent u bereid om dat in uw volgende visienota, hetzij Kunst hetzij Erfgoed, op te nemen, met niet alleen een duidelijke stelling daarover, maar ook met deadlines? Zo kunnen we dat samen monitoren, zodat dit euvel nu eindelijk van de baan is.

Het gaat hier over 78 werken, dat is overzichtelijk. Als je dat internationaal bekijkt gaat het over gigantische aantallen. Ik zou het toch wel betreuren als wij er al niet in slagen om 78 werken grondig te bekijken – los van de discussie of dat al dan niet moet gebeuren.

Voor mijn tweede vraag kijk ik opnieuw internationaal. Vorig jaar is er ook binnen Europa gewerkt aan een resolutie. Die is nog niet helemaal afgerond, maar dat is ook een internationaal verhaal waarin Vlaanderen en België zich moeten tonen. Ook in dat verband vraag ik naar uw standpunt. Hoe denkt u daarover, en welk standpunt neemt u hierover in?

Minister-president Jambon heeft het woord.

Minister-president Jan Jambon

Wat die federale kunstcel betreft: het klopt niet dat die opgedoekt is. Die is ingekanteld in de centrale directie van de bestrijding van de zware en georganiseerde criminaliteit (DJSOC), net vanwege de linken met terrorisme en de financiering van terrorisme.

Mevrouw Segers, het klopt dat er iemand centraal is blijven zitten, om de informatie vanuit die verschillende diensten van DJSOC naar daar te krijgen. Als je zegt dat die cel in omvang is afgenomen, dan klopt dat wat het administratieve luik betreft. Maar de operationele werking is net versterkt in de DJSOC. Je kunt erover discussiëren of dat een goede aanpak is, maar ik heb daarbij de beslissingen van mevrouw Milquet uitgevoerd, die de organisatietabel van destijds had opgesteld. Die heb ik uitgevoerd. Op het einde heb ik de federale politie de opdracht gegeven om te evalueren of dat een goede organisatie was. Ik heb daarna geen verdere opvolging meer gedaan vanuit een andere hoedanigheid. Maar ik stel voor dat uw collega’s van het federale parlement de minister van Binnenlandse Zaken daarover ondervragen. Ik heb nog geen standpunt ingenomen rond de vraag of we daarop moeten terugkomen. Ik heb de politie gevraagd om daarover een evaluatie te maken, om te zien of dat tot een verbetering van de efficiëntie heeft geleid of niet.

Wat de federale koepelwebsite betreft: ik heb geen zicht op de timing. Ik zal dat achterhalen. Zeker als we die interministeriële conferentie bijeenhalen kan dat een van de agendapunten zijn.

Ik denk dat deze kwestie moet worden opgenomen in de visienota Erfgoed, eerder dan in de visienota Kunst. Ik ben ook gemotiveerd om dit aan te pakken. Wat de Europese resolutie betreft, komt mijn standpunt overeen met mijn antwoord, in die mate dat als die Europese resolutie in die richting neigt, we daarachter kunnen staan.

Mevrouw Segers, zonder dat ik specialist ben inzake de problematiek rond koloniale kunst, denk ik dat je koloniale kust en hoe die hier bij ons is terechtgekomen, niet onder een noemer kunt vatten. Er zal misschien wel een deel zijn dat je onder de noemer kunstroof kunt vatten, maar er zijn ook andere kanalen waarlangs die kunst verworven is.

Dus ik denk dat we daar eens nader naar moet kijken. Maar die kunst dateert natuurlijk van een nog veel langere periode. Ik ken die materie te weinig om te zeggen wanneer het effectief om kunstroof gaat. Dan gaan we daar op een andere manier naar kijken dan andere vormen van kunst. Maar ik denk niet dat je kunt stellen dat alle koloniale kunst is verworven via kunstroof.

Mevrouw Segers heeft het woord.

Ik ben het absoluut met u eens dat de evaluatie van die reorganisatie moet gebeuren. Want ik kan u verzekeren dat de hoorzittingen die wij hebben gehoord van de ambtenaar van de politie echt hemeltergend waren. Wij – België en Brussel – zijn momenteel een internationale draaischijf van geroofde kunst als financieringsmiddel van terrorisme.

Het feit dat de cel herleid is tot één man, en dat de rest is overgeheveld, heeft er onder andere toe geleid dat de databank niet meer wordt ingevuld. Er gebeurt momenteel vanuit België niets, of veel te weinig. Dat maakt dat we bijzonder kwetsbaar zijn.

Ik zou u het volgende willen meegeven, en ik hoop dat u er werk van wilt maken: lees ons informatierapport, want daar zit bijzonder veel materiaal in. Zet de evaluatie van die reorganisatie op de agenda van de Federale Regering. En dring erop aan om die cel opnieuw te activeren. Ook een ratificering van het UNIDROIT-verdrag van 1995 en het Verdrag van Nicosia mag op de agenda worden gezet, want ook dat heeft België nog niet gedaan.

De heer Pelckmans heeft het woord.

Ik zit toch met een kille vaststelling. We hebben natuurlijk gezegd dat Vlaanderen moet stralen met onze cultuur; wie zijn wij om dat niet mee uit te dragen. Maar dan is het toch des te pijnlijker dat een krant als De Standaard anno 2020 met zo’n verhaal naar buiten moet komen. Dat is pijnlijk voor Vlaanderen, maar het is vooral ook pijnlijk voor onze musea, die echt een goede naam hebben en mensen in huis hebben die hun job heel goed doen. Dit is echt een urgent probleem.

Ik heb nog een tweede opmerking. Het is wat delicaat, maar als ik wat rondluister, dan heeft een en ander ook wel te maken met de personeelsbezetting, en alles wat hier is aangehaald. Maar sommige kritische mensen zeggen ook dat het wat te maken heeft met de visie van die ene man die dat leidt. We waarderen die man allemaal wel, maar hij is toch wat gesloten en conservatief. Ik denk dat er in Vlaanderen intussen een nieuwe generatie is die wat meer afstand neemt van die problematiek. Zij gaan daar veel opener mee om, met veel meer kennis. Zij willen ook meewerken aan nieuwe internationale standaarden. Ik zou de minister willen uitnodigen om die tweede stem ook eens te horen. Met die twee stemmen samen kunnen we dan effectief vooruitgaan.

Ik ben wel heel blij, en ik heb tegelijkertijd genoteerd dat u dat wilt opnemen in uw visienota. We gaan u daar dan ook graag in helpen, om niet te zeggen dat we u gaan monitoren.

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. De publiekstribune is gesloten.

zullen de commissiewerkzaamheden voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. De publiekstribune is gesloten.

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.