U bent hier

Mevrouw Blancquaert heeft het woord.

Dat straffeloosheid niet alleen federaal maar ook Vlaams wordt georganiseerd, dat werd afgelopen week nog maar eens duidelijk. Op 12 februari berichtte de VRT over de vrijlating van zes minderjarige criminelen die werden opgepakt in een drugsonderzoek en betrokken zouden zijn geweest bij enkele grote vechtpartijen in Meise en Londerzeel. De jongeren konden echter niet worden opgesloten in een jeugdinstelling wegens plaatsgebrek. Ook het opiniestuk van de burgemeester van Edegem enkele dagen later, die het onbegrijpelijk vond dat minderjarige criminele sans-papiers zomaar werden vrijgelaten, opnieuw wegens plaatsgebrek in de jeugdinstellingen, sprak boekdelen.

Dit beleid van straffeloosheid laat niet alleen de brave Vlaming in de steek die steeds weer het slachtoffer is van die criminelen, maar ook de politie die vaak zwaar inzet op het opsluiten van de jongeren. Blijkbaar kan dit beleid zonder democratisch draagvlak op korte termijn in duizenden extra opvangplaatsen voorzien voor asielzoekers, maar is het niet mogelijk om met een groot democratisch draagvlak in enkele honderden hoogst noodzakelijke plaatsen voor jeugdcriminelen te voorzien. Het zijn jeugdcriminelen die niet alleen moeten boeten voor hun straf maar ook met harde hand opnieuw waarden, respect en tucht moeten worden bijgebracht. Met alleen maar extra plaatsen pakken we uiteraard de jeugddelinquentie niet aan. Het is alleszins wel een stap in de goede richting.

Minister, onze fractie, maar ook Justitie, vraagt met aandrang spijkerharde garanties dat het aantal plaatsen in de jeugdgevangenissen snel wordt opgetrokken. Op welke manier wilt u op korte én lange termijn plaatsen vrijmaken voor minderjarige jeugddelinquenten? Hoe evalueert u zelf eigenlijk deze trieste situatie?

De heer Parys heeft het woord.

De aanleiding voor deze vraag is een incident in de politiezone Kapelle-op-den-Bos/Londerzeel/Meise waarbij zes minderjarigen tussen 16 en 17 jaar oud en twee meerderjarige jongeren werden gearresteerd door de politie omdat ze deel uitmaken van een drugsbende en omdat ze een aantal diefstallen gepleegd hebben of daarvan op zijn minst verdacht worden. De minderjarigen werden door de jeugdrechter weer vrijgelaten wegens plaatsgebrek in de gesloten instellingen. Ze kregen wel enkele voorwaarden opgelegd zoals een contactverbod en huisarrest. Later zullen ze ook voor de rechter moeten verschijnen.

Dit was niet het eerste incident. Een deel van deze jongeren waren ook betrokken bij de vechtpartijen in Londerzeel. Ze veroorzaakten ook overlast in het centrum van Meise.

Minister, in januari stelde ik u een gelijkaardige vraag omdat er toen rond Kerstmis ook drie minderjarige jongeren met geweld een apotheek hadden overvallen in Brugge en opnieuw werden vrijgelaten wegens plaatsgebrek. Op 25 december pleegde een 17-jarige een diefstal met braak in Vilvoorde. Die moest worden vrijgelaten wegens plaatsgebrek. Op 13 december was er een minderjarige die een diefstal met braak en handel in verdovende middelen op zijn kerfstok had. Ook hij moest worden vrijgelaten wegens plaatsgebrek. Collega Koen Metsu, burgemeester van Edegem, schreef vorige week een opiniestuk over een minderjarige Eritreeër die een overval had gepleegd op een supermarkt en daar een aantal kassiersters had bedreigd. Hij moest worden vrijgelaten wegens plaatsgebrek in de gemeenschapsinstelling.

Deze situaties geven een gevoel van straffeloosheid en maken het werk van politiemannen en -vrouwen die elke dag proberen om op het terrein hun werk goed te doen, van jeugdrechters en sociaal assistenten die erbij betrokken zijn, erg moeilijk.

Ik heb u in de voorbije maand al een aantal vragen gesteld, minister. Ik moet u opnieuw vragen voorleggen over hetzelfde onderwerp.

Op 14 januari liet u weten dat er geen tekort is aan opvangplaatsen maar dat het een piekmoment betrof. Dat was de communicatie van het agentschap. Nu hebben we een tweede incident op twee maanden en ik heb net geschetst wat er in de maand december is gebeurd. Weet u zeker dat er geen structureel plaatstekort is? Als dit een piek is, hoe lang kan zo’n piek duren? Dit is natuurlijk wel een situatie die het geloof en het vertrouwen in het gerecht en het jeugddelinquentierecht, het stukje waar Vlaanderen voor verantwoordelijk is, ondermijnt.

Het koninklijk besluit van 8 januari 2013 stelt dat wanneer een jongere die een als misdrijf omschreven feit (MOF) gepleegd heeft, moet worden geplaatst in De Grubbe in Everberg, en als er geen plaats is dat er een overloopcapaciteit is voorzien in Tongeren. Vorige keer hebben we naar aanleiding van uw antwoord een discussie gehad over het feit dat die overloopcapaciteit niet meteen werd ingezet als het ging over de incidenten rond Kerstmis. Is hier misschien eenzelfde soort probleem gerezen? Is er misschien niet meteen gebruikgemaakt van die zeven plaatsen in Tongeren om minderjarigen die de leeftijd van 16 jaar bereikt hebben en aan alle voorwaarden voldoen, effectief daar onder te brengen? Dat is een heel concrete vraag, minister.

Vorige keer bleek dat in de communicatie tussen de jeugdrechter en het centraal aanmeldingspunt (CAP) voor de gemeenschapsinstellingen het een en ander was misgegaan. De doorstroom naar Tongeren gebeurt niet automatisch. Op 1 maart worden de extra plaatsen in Tongeren gesloten. Ik heb daar een heel specifieke vraag over. Zoals ik de stand van zaken ken – maar u kunt mij corrigeren – zijn er zeven overloopplaatsen in Tongeren. Op 1 maart gaan die dicht. Maar in het besluit staat dat ze dichtgaan op het moment dat er – dus in maart – vijf extra plaatsen zijn gecreëerd in Everberg. Minister, gaan we, door het sluiten van Tongeren, naar netto minder capaciteit dan vandaag beschikbaar is? Dat lijkt mij een belangrijke vraag. 

Minister Beke heeft het woord.

Minister Wouter Beke

Collega’s, ik deel absoluut de bezorgdheid die leeft op het terrein, bij onze jeugdrechters, jeugdparketten en ook hulpverleners. Het capaciteitsgebrek is geen nieuw vraagstuk. In het verleden zijn daar al een aantal belangrijke stappen en beslissingen toe genomen, budgetten voor vrijgemaakt en plaatsen bij toegewezen. Ik kom daar straks op terug.

Maar daarnaast werken wij verder aan een stappenplan om die problematiek op korte en middellange termijn aan te pakken. We moeten dat doen door te werken aan de instroom, de doorstroom en de uitstroom van jongeren die daar verblijven.

Ik geef een overzicht. De voorbije 10 jaar is er een inhaalbeweging ingezet en een aanzienlijke capaciteitsverhoging van het aantal plaatsen gerealiseerd. Zo steeg het aantal plaatsen met 100 bedden van 220 naar 320 – of 318 om heel precies te zijn – in 2020. Dat is dus een capaciteitsverhoging van 100 bedden. Deze plaatsen worden dubbel gebruikt: zowel voor jongeren in verontrustende opvoedingssituaties (VOS) als voor jongeren die een misdrijf hebben gepleegd of die ervan worden verdacht een misdrijf te hebben gepleegd. We moeten daar iets aan doen en we zúllen daar ook iets aan doen. De volgende maand komen er 5 extra plaatsen bij, waardoor we evolueren naar 323 plaatsen. Als we dat allemaal optellen, is dat een stijging van meer dan 40 procent in een context waarbij de wetenschappers signaleren dat de jeugdcriminaliteit de voorbije 10 jaar gedaald is met 30 procent. De gesloten instelling De Grubbe, waarnaar u ook hebt verwezen, collega, is in volle opbouw. De eerste fase van de bouwwerken resulteert in de loop van volgende maand in 5 extra plaatsen. In een tweede fase van de bouwwerken zal de capaciteit in Everberg verdubbelen en evolueren van 40 nu naar 80 in 2022.

Om op korte termijn over extra capaciteit te beschikken, zal ik aan mijn collega’s in de regering voorstellen – en dat zal ik vrijdag doen – om de overloopcapaciteit in de gevangenis van Tongeren langer te handhaven. Want, zoals u zelf hebt gezegd, zou dat normaal gezien eindigen op 1 maart. De zeven overloopplaatsen in Tongeren zouden normaal gezien op 1 maart verhuizen naar Everberg, waardoor we dus netto vijf plaatsen extra creëren. Maar gezien de druk op de capaciteit lijkt het ons aangewezen om de zeven overloopplaatsen tijdelijk te behouden, om ook ondertussen bijkomende maatregelen naar de door- en de uitstroom te kunnen nemen.

Tot slot bepaalt het decreet Jeugddelinquentierecht dat jongeren in een verontrustende opvoedingssituatie in de toekomst zullen worden geplaatst in beveiligde settings. We zullen voor deze categorie van jongeren 150 plaatsen creëren in een aangepaste, kleinschalige setting. Bijgevolg zullen we ervoor zorgen dat de zogenaamde VOS’ers niet meer in deze voorziening worden ondergebracht. Zo komt er plaats vrij voor de MOF’ers (als misdrijf omschreven feit) of beter, de jongeren die een delict plegen of daarvan worden verdacht. Dat heeft als gevolg dat er geleidelijk 150 plaatsen vrijkomen voor de MOF’ers vanaf 2021 en 2022. We investeren in totaal 20 miljoen euro om deze bijkomende capaciteit te kunnen realiseren.

We evolueren dus naar 358 plaatsen, waarvan, behalve de 40 plaatsen voor time-out, het overgrote deel zal worden voorzien voor de instroom van jongeren in het kader van het decreet Jeugddelinquentie. Ik wil dat even in perspectief plaatsen met andere landen. In vergelijking met bijvoorbeeld Nederland betekent dit dat we in Vlaanderen verhoudingsgewijs minstens evenveel, zo niet méér capaciteit zullen voorzien in gesloten instellingen dan bijvoorbeeld in Nederland vandaag het geval is. In Nederland zijn er ongeveer 500 plaatsen voor 18 miljoen mensen. Wij gaan naar 358 plaatsen voor 6 miljoen mensen. 

Capaciteit is dus één zaak, maar daarnaast moeten we ook inzetten op een aantal andere zaken. Zo moeten we inzetten op het vermijden van instroom. De procureur des Konings, mevrouw Van Wymersch, gaf op vrijdag 14 februari aan dat in het nieuwe decreet Jeugddelinquentierecht in meer mogelijkheden wordt voorzien, en dat is ook zo. Zo voorziet het decreet al in de fase van het Openbaar Ministerie in het positief project en het opleggen van voorwaarden. Dat betekent dat het Openbaar Ministerie jongeren sneller een reactie kan geven op een jeugddelict zonder dat ze een plaats moeten krijgen in een gesloten instelling. Hierdoor zou de doorstroom naar de afhandeling door de jeugdrechter eveneens vermeden kunnen worden. Dit zorgt er op zijn beurt voor dat de jeugdrechtbanken minder worden belast. Daarnaast zijn er ook andere ambulante maatregelen mogelijk, zoals de werkstraf, het positief project enzovoort.

Uit de stand van zaken van eind januari 2020 registreerden de diensten voor herstelgerichte en constructieve afhandeling (HCA’s) al 42 aanmeldingen voor het positief project, waarvan ongeveer de helft wordt gevorderd door het Openbaar Ministerie, en 50 aanmeldingen voor een leerproject als voorwaarde op het niveau van het Openbaar Ministerie. Verder merken we dat ook de investering in de module delictgerichte contextbegeleiding op het niveau van de jeugdrechter al sterk wordt benut.

Zoals u weet, investeerden we 1,3 miljoen euro voor de start van het decreet in vijftig extra modules. Per module kunnen op jaarbasis twee jongeren worden begeleid. Deze nieuwe werkvorm is momenteel voor 90 procent bezet.

Laat het duidelijk zijn: de capaciteitsuitbreiding van het residentiële aanbod is in volle uitrol. Het nieuwe Jeugddelinquentiedecreet omvat meerdere waardige alternatieven. Dit decreet is nog maar recent in werking getreden, namelijk op 1 september 2019.

Naast de instroom hebben we ook de problematiek van de doorstroom. Voor wat betreft De Grubbe moeten we naast het verdubbelen van de capaciteit, ook streven naar het zo kort mogelijk houden van de verblijfsduur. We merken bijvoorbeeld dat het verlengen van de duur dat een jongere in De Grubbe verblijft al snel leidt tot een substantieel minder aantal instroommogelijkheden. Ik geef een voorbeeld. Als de termijn evolueert van vroeger gemiddeld een maand naar nu twee maanden, dan betekent dit op jaarbasis al snel een vermindering van een honderdtal opnamemogelijkheden. Koppelen we de uitbreiding van De Grubbe, met name de stijging van het aantal bedden van veertig naar tachtig, aan een streeftermijn van een maand voor een eerste oriëntatie, dan begrijpt u dat de impact hiervoor naar opnamemogelijkheden op jaarbasis substantieel kan zijn. Het is dus essentieel dat we in dit debat niet enkel focussen op de capaciteit en het aantal bedden, maar dat we eveneens oog hebben voor de doorstroom en de uitstroom.

De uitstroom is het derde punt waar ik het even over zou willen hebben. We stellen vast dat de doorlooptijd van een aantal jongeren lang is en dat er hier werk moet worden gemaakt van de uitstroom naar een re-integratietraject bij een voorziening buiten de gemeenschapsinstelling. De afgelopen twee weken zijn er op die manier zes jongeren uitgestroomd. Daarnaast zijn er op dit moment negen jongeren aangeduid waarbij er perspectief is om uit te stromen en een engagement van een voorziening om het re-integratietraject op te nemen. Deze oefening loopt dus volop en we zullen deze ook meer structureel inbedden in onze aanpak.

Binnenkort start ook het experiment ‘Back on Track’ op, dat extra begeleidingsmogelijkheden biedt voor jongvolwassenen die uitstromen uit een gesloten setting. Dit experiment ambieert om de komende 3 jaar 130 extra begeleidingen te realiseren. We moeten ook zien dat bijvoorbeeld voor 17-plussers die in de gemeenschapsinstellingen verblijven hier bijkomende mogelijkheden zijn naar uitstroom.

Hoe evalueer ik deze situatie? Wat de specifieke situatie betreft, kunnen we u enkel meegeven dat de zes minderjarigen in InterCAP zijn aangemeld voor een reguliere plaats zonder escalatie. De kwalificatie luidde: ‘Verkopen, te koop aanbieden of afleveren van verdovende middelen/psychotrope stoffen zonder machtiging of aan niet-gemachtigde personen, met de omstandigheid dat het misdrijf een daad van deelneming is aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging, bezit van verdovende middelen/psychotrope stoffen zonder machtiging.’

Op het moment van de aanmelding was Vlaams-Brabant niet prioritair in de verdeling van de plaatsen. Zoals gezegd volgde er geen escalatie en werden de voorwaarden opgelegd. Zoals al gesteld is er in deze situatie geen sprake van miscommunicatie. Wat betreft de overloopcapaciteit die voorbehouden wordt voor zeer ernstige feiten, kunnen we u meedelen dat we deze overloopcapaciteit nog een tijd zullen behouden. Zoals ik gezegd heb, loopt die in Tongeren normaal af op 1 maart 2020, maar we zullen vrijdag aan de regering voorstellen om die overdruk op dit ogenblik te behouden, ook nadat Everberg stijgt van 40 naar 45, en dat is normaal gezien volgende maand zo.

In verband met de vraag naar het nader onderzoek over de situatie, klopt het dat de druk op de capaciteit aanhoudend zeer hoog blijft. Een brede maatschappelijke analyse van deze problematiek is nodig. Want wat zijn de oorzaken van het tekort? Ik heb daarnet al verwezen naar alle inspanningen die we doen om de capaciteit te verhogen. Hoe komt het dat er, ondanks de stijgende capaciteit, zo’n vraag blijft bij de rechters? Kunnen we in Vlaanderen werkelijk spreken over een structureel tekort, ook nadat we de bijkomende capaciteit gerealiseerd hebben of zullen realiseren? Als we signalen vanop het terrein horen, kunnen we niet anders dan ageren zoals ik net beschreven heb, namelijk ten eerste zorgen voor bijkomende capaciteit – en dat doen we – en daarnaast ook werken op de instroom, de doorstroom en de uitstroom. Als we in Vlaanderen in 2021-2022 evolueren naar een goede 320 plaatsen die voorbehouden worden voor jongeren die delicten plegen of verdacht worden van een delict, zitten we al heel sterk in de richting van en verhoudingsgewijs boven de capaciteit die Nederland heeft. Dat zijn de feiten.

In verband met uw vraag waarom de jongeren niet in Tongeren geplaatst zijn: de jongeren werden aangemeld zonder escalatie, dat betekent dat de jeugdrechter niet aangaf aanspraak te willen doen op een buffercapaciteit of de overloopcapaciteit in Tongeren. Zoals ik heb aangegeven, wil ik nogmaals meedelen dat we de overloopcapaciteit zullen verlengen.

In verband met de laatste vraag over de automatisering kan ik u meedelen dat, wanneer het over zeer ernstige feiten gaat, zoals voorzien in de zogenaamde Everbergwet, de reflex naar de beschikbare capaciteit in Tongeren steeds gemaakt zal worden.

Mevrouw Blancquaert heeft het woord.

Mijnheer Parys, ik denk dat deze gevallen niet alleen een gevoel geven van straffeloosheid, maar dat die net het toonbeeld zijn van de heersende straffeloosheid onder dit huidige beleid.

Minister, ik ben blij om het u te horen zeggen: vermijden van de instroom. Dat is exact wat in ons partijprogramma staat, dus ik denk dat we op dat vlak dan toch overeen gaan komen. In de rest van uw antwoord ben ik een beetje teleurgesteld. Ik heb het gevoel dat u hier een heel feelgoodverhaal probeert te brengen, maar als we naar die cijfers kijken, probeert u ook het punt capaciteit een beetje weg te duwen onder het mom dat we niet enkel naar die capaciteit mogen kijken en dat we toch rekening moeten houden met en het moeten analyseren als er een structureel probleem is. U weet het eigenlijk zelf niet. U hebt eigenlijk geen antwoord op de vragen die er gesteld worden. De Vlaming is verontwaardigd, en terecht. Dan denk ik bijvoorbeeld nog aan de Renoboot in Gent – ik ben zelf ook Gentenaar – die de Gentenaars door de strot geduwd werd en plaats biedt aan 250 asielzoekers. Op een mum van tijd was daar een boot in Gent, 250 extra plaatsen voor asielzoekers, maar dan komt u in de media op de proppen en zegt u heel trots dat u over een periode van drie jaar 132 extra plaatsen in gesloten centra aan de man wilt brengen. Hoe kunt u, hoe durft u die cijfers aan de gewone, brave Vlaming verkopen? Ik vraag het mij echt oprecht af, want in uw plaats zou ik heel, heel beschaamd zijn.

De heer Parys heeft het woord.

Minister, dank u voor uw omstandig antwoord. Ik ben tevreden dat u Tongeren langer zult openhouden dan 1 maart, dat was ook mijn vraag. Nu, ik ben er niet enthousiast over. Toen die plaatsen bij gecreëerd zijn, heb ik ook al heel duidelijk verteld dat Tongeren de plek is waar de film ‘De Hel van Tanger’ opgenomen is, en daar is een reden voor. Die instelling is eigenlijk niet geschikt om jongeren op te vangen en om ervoor te zorgen dat ze de instelling verlaten op een manier waar ze iets bijgeleerd hebben, en waar ze niet opnieuw gaan hervallen in de feiten die ze gepleegd hebben.

Maar goed, ik wil meegaan in uw redenering om Tongeren langer open te houden, omdat het essentieel is dat de geloofwaardigheid van het jeugddelinquentierecht standhoudt. En elke keer als een jongere niet de maatregel opgelegd kan krijgen die de rechter heeft uitgesproken, ondergraven we het jeugddelinquentierecht. Ik vind het dus, gegeven de omstandigheden, de minst slechte van alle slechte oplossingen. Ik zal het zo zeggen. Dus dat Tongeren langer openblijft, lijkt mij onder deze omstandigheden een goede zaak.

Ik heb nog wel een aantal vragen voor u, minister. U verwees naar procureur Ine Van Wymersch van Halle-Vilvoorde. Zij heeft heel duidelijk aangegeven dat, wat haar betreft, de zwaarste maatregelen eigenlijk een lege doos vormen, omdat ze in heel veel gevallen niet kunnen worden uitgevoerd. Zij vroeg heel duidelijk om in overtal te kunnen gaan in de gemeenschapsinstellingen, wanneer een jongere dreigt niet te kunnen worden opgesloten omdat er geen plaats is.

Minister, stel dat er zich nog een aantal gevallen voordoen waardoor er toch nog een capaciteitsprobleem zou zijn, zelfs met de extra plaatsen in Everberg en de plaatsen in Tongeren die langer openblijven. Zult u dan toelaten dat er in overtal wordt gegaan, en zult u daar dan de nodige omkadering voor voorzien, bijvoorbeeld in Everberg, om dat op korte termijn mogelijk te maken? Dat is mijn eerste vraag.

Mijn tweede punt is een opmerking, minister. Vorige week communiceerde u dat u een aantal extra plaatsen in de privévoorzieningen creëert voor kinderen in een verontrustende opvoedingssituatie. Dan hoeven die niet meer in een gemeenschapsinstelling terecht te komen. Dat is een zeer lovenswaardig doel. Maar als u daar dan over communiceert, zegt het agentschap dat 75 procent van de plaatsen vandaag wordt ingenomen door wat dan MOF’ers (als misdrijf omschreven feit) worden genoemd, en 25 procent door kinderen of jongeren in een verontrustende opvoedingssituatie. Maar in datzelfde artikel zegt u dat de verhouding fiftyfifty is.

Ik begrijp wel dat die cijfers fluctueren, en ik heb ze ook opgezocht. Maar zoiets is gewoon niet stichtend. Want je leest dat, en de Vlaming weet eigenlijk niet meer of de minister en zijn administratie nu hetzelfde aan het communiceren zijn. Minister, ik zou u willen vragen om dat toch op punt te stellen, omdat dat ook een punt is van geloofwaardigheid.

Mijn derde element in mijn repliek gaat over iets in uw antwoord waar ik het niet mee eens was. Als u zegt dat wij aan de instroom moeten werken, ben ik het daar uiteraard mee eens. We hebben een veel groter palet aan maatregelen voorzien die het openbaar ministerie en de jeugdrechter kunnen opleggen in het nieuwe jeugddelinquentierecht. Ik ben het er ook mee eens als u zegt dat we aan die uitstroom moeten werken. Want alle programma’s die we kunnen opzetten om jongeren op een positieve manier terug te integreren in de maatschappij, kunnen absoluut op onze goedkeuring rekenen.

Maar wat ik heel eigenaardig vond – en ik ben een legalist – is dat u zegt dat we aan de doorstroom moeten werken. Want aan de doorstroom kunnen wij niet werken. Dat is net de beslissing van de jeugdrechter, die wij een scala aan maatregelen hebben gegeven waaruit hij of zij kan kiezen. Als die gekozen heeft dat een jongere, volgens de wetgeving die wij in het parlement hebben opgesteld, bijvoorbeeld drie maanden in een gemeenschapsinstelling moet doorbrengen, dan is het niet aan de administratie om tussen te komen, en te zorgen dat die drie maanden in iets anders worden omgezet. Als de jeugdrechter een beslissing neemt, dan moet die worden uitgevoerd. Die beslissing is genomen met het advies van de sociale dienst van de jeugdrechtbank en met het parket, dat een vordering heeft gemaakt. De jeugdrechter heeft de meest gepaste maatregel opgelegd, na deliberatie en het horen van alle partijen. En dan mogen wij daar niet meer aan tornen.

Ik begrijp dus dat we voor die instroom meer mogelijkheden kunnen voorzien, en ik begrijp dat we aan integratieprogramma’s kunnen werken. Maar ik begrijp niet dat we de doorstroom – de tijd dat een jongere in een gemeenschapsinstelling verblijft – als uitvoerende macht kunnen veranderen. Dat lijkt mij echt niet te zijn wat we mogen doen.

Minister, ik wil nog eens terugkomen op het concrete geval waarover het hier gaat, de aanleiding. U hebt een paar keer gezegd dat die jongeren niet prioritair gerangschikt zijn geweest om te worden opgenomen in een gemeenschapsinstelling, omdat er geen escalatie is.

Mijn vraag aan u is wat daar dan fout is gegaan. Zegt u dat het parket hier niet de nodige stappen heeft gezet om dit dossier niet te laten escaleren? Dat lijkt me heel erg vreemd omdat net het parket heeft aangeklaagd dat het de maatregelen niet kan uitvoeren voor jongeren die het graag in een gesloten opvang wil zien. Uit uw antwoord leid ik af dat er geen enkele escalatie is gebeurd, dat Vlaams-Brabant niet prioritair was en dat die jongeren dus inderdaad niet opgepakt zijn. Als dat het geval is, kan ik me niet voorstellen dat de procureur daarna op de voorpagina van Het Laatste Nieuws zou zeggen dat de zwaarste maatregel in het jeugddelinquentierecht een lege doos is omdat er geen plek is. Kunt u daar nog wat achtergrond bij geven zodat ik dat goed kan begrijpen? 

Minister Beke heeft het woord.

Minister Wouter Beke

Wij voorzien inderdaad in 132 extra plaatsen voor jongeren in problematische opvoedingssituaties. Mijnheer Parys, momenteel verblijven die jongeren gemiddeld langer in een dergelijke instelling dan zij die daar zitten omdat ze een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd. Wanneer we die jongeren daaruit kunnen halen, slaan we meer dan twee vliegen in een klap. We trekken dader en slachtoffer uit elkaar, dat is iets wat we eerder al hebben besproken. Daarnaast creëren wij 150 bijkomende plaatsen voor jongeren die misdrijven hebben gepleegd of daarvan worden verdacht. Eigenlijk creëren we meer dan die bijkomende plaatsen omdat die andere groep jongeren langer in die instelling zit en die plaats langer benut dan de jongeren die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd. Dat is belangrijk om in de toekomst in voldoende capaciteit te kunnen voorzien.

Wat de doorstroom betreft, is het uiteraard niet aan mij om te zeggen wat het jeugdparket of de jeugdrechter moet doen. Zij moeten daar in alle onafhankelijkheid over kunnen oordelen. Wat ik wel kan doen, is wijzen op mogelijke alternatieven die doorstroomcapaciteit toelaat, maar het spreekt vanzelf dat het aan de rechter zelf is om daarover te oordelen.

Wat die escalatie betreft, kan ik alleen maar zeggen dat dit de informatie is die ik daarover heb gekregen. Meer informatie heb ik daar momenteel ook niet over.

Het is aan de rechter om te oordelen over de doorloopcapaciteit, net zoals het aan de rechter is om te beslissen of hij al dan niet gebruik wil maken van die doorloopcapaciteit. Het is niet aan mij om daarover een uitspraak te doen.

De heer Parys heeft het woord.

Minister, wat die laatste opmerking betreft, pleit ik ervoor, net zoals ik op 14 januari ook al in deze commissie heb gedaan, om die overloopcapaciteit automatisch te maken wanneer De Grubbe in Everberg vol zit. Als aan alle vijf de voorwaarden is voldaan, moet er onmiddellijk naar Tongeren worden gekeken. Het kan niet de bedoeling zijn dat dan nog een of andere administratieve handeling of extra vraag moet worden gesteld. Dat lijkt me de evidentie zelve. Een gesloten plek is een gesloten plek. Ik begrijp dan ook niet waarom daar nog een extra beslissing zou moeten worden genomen.  Ik vraag u om dat te automatiseren.

Ik volg u in uw redenering dat jongeren in een verontrustende opvoedingssituatie die in een gemeenschapsinstelling zitten, daar normaal gezien langer verblijven, en dat het dus best mogelijk is – en laat ons hopen dat dat ook het geval is – dat daardoor meer dan één plaats vrijkomt in een gemeenschapsinstelling. In het nieuwe jeugddelinquentierecht zijn er echter veel langere straffen in een gemeenschapsinstelling mogelijk. Nu kan men twee maanden en vijf dagen in Everberg zitten. Wanneer men het echter tot in het extreme doortrekt, kan onder het nieuwe jeugddelinquentierecht een minderjarige die een als misdrijf omschreven feit heeft gepleegd, tot zeven jaar opgesloten zitten. Dat zullen er hopelijk geen of heel weinig zijn, maar het gaat om het hele scala aan instrumenten die we de jeugdrechter ter beschikking hebben gesteld. In de afweging of we al dan niet genoeg plaatsen hebben, moeten we rekening houden met deze mogelijkheid. Straffen van drie, vijf of zeven jaar zijn mogelijk, en dat is natuurlijk net het omgekeerde van de beweging die daarnet als voorbeeld is aangehaald.

Tot slot willen we dat elke straf kan worden uitgevoerd. Als een jongere met het jeugddelinquentierecht in contact komt en voelt dat de uitspraak van een rechter toch niet wordt uitgevoerd, zal hij zich los van de wet beschouwen. Wat kan een rechter doen? Als er geen plaats is, kan hij een plaatsing blijven aanbevelen. Als er geen plaats is, krijgt de jongere een bed zodra er eentje vrijkomt, maar dat kan een maand of langer duren. We hebben hier vorige keer een discussie gevoerd over het feit dat er op een jaar 744 aanmeldingen bij een gemeenschapsinstelling zijn geweest die niet konden worden gehonoreerd. Dat is een schrikwekkend aantal. De tweede optie van de jeugdrechter is dat hij zich aan de situatie aanpast en een alternatief aanbeveelt, namelijk de vrijheid onder voorwaarden. Als die voorwaarden niet worden nageleefd, moet de jongen of het meisje toch nog naar een gesloten instelling, maar dan kan er weer geen plaats zijn. Dat is een totaal absurde situatie waar we van af moeten.

Minister, een rechter moet zich in zijn beslissing niet conformeren aan wat mogelijk is. Hij moet kunnen opleggen wat in een situatie het meest gepast is. Wij moeten ervoor zorgen dat de capaciteit er is om dat uit te voeren. Ik hoop dat het met een aantal maatregelen die u hebt aangekondigd, de laatste keer is dat we in deze commissie een vraag om uitleg moeten stellen over het prangend plaatsgebrek in de gemeenschapsinstellingen.

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is geopend met een beperkt aantal plaatsen. Bezoekers die een plenaire vergadering willen bijwonen, sturen een mailtje naar 
onthaal@vlaamsparlement.be met daarin naam en geboortedatum.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.