U bent hier

De heer Ronse heeft het woord.

Ik denk dat bijna elk beroep vandaag een knelpuntberoep is in de context van de arbeidskrapte. Er zijn er een aantal die wel heel speciaal zijn, en die worden jaarlijks op een lijst geplaatst door de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB). Er zijn twee grote redenen, ofwel kwalitatief ofwel kwantitatief. Kwalitatief betekent concreet dat er wel kandidaten zijn, maar dat ze niet aan de voorwaarden of verwachtingen voldoen. Kwantitatief betekent dat er in functie van de behoefte te weinig mensen uitstromen uit het onderwijs, uit de scholing.

Naast de reeds 166 bekende beroepen zijn er 22 bij gekomen. We zitten vandaag dus met 188 knelpuntberoepen op die lijst. Ik ben er daarstraks nog even doorgegaan. Welke zijn erbij gekomen? Belastingcontroleur wordt een knelpuntberoep. Dat is toch opmerkelijk. Daar zal niet iedereen ongelukkig over zijn. Ook gaat het over begeleiders in de kinderopvang, die belangrijk zijn voor het evenwicht tussen arbeid en gezin, medewerkers groene ruimtes, patissiers, wijnkelners: allemaal zaken die toch een belangrijke rol spelen in ons dagelijks leven. Het is ook belangrijk genoeg om in het parlement te brengen, want er zijn toch een aantal tendensen inzake die knelpuntberoepen. We zien ten eerste dat VDAB toch relatief weinig uitkeringsgerechtigde werkzoekenden doorstuurt naar knelpuntopleidingen. Ook stellen we soms vast dat er buitensporige verwachtingen zijn als het gaat over een aantal kandidaten in de context van de arbeidskrapte. Ook hebben we via arbeidsmigratie onze dynamische knelpuntberoepenlijst. Misschien zal dit daar ook een impact op hebben.

Minister, gelet op die context en die verbeterpunten is mijn vraag eigenlijk vrij eenvoudig: zijn er bijkomende acties die u kunt ondernemen om die knelpuntberoepenlijst terug te dringen?

Ik sluit me daarbij aan. De knelpuntberoepenlijst is een jaarlijks terugkerende hoogmis, die aanleiding geeft tot parlementaire vragen, en heel terecht, want heel wat van die knelpuntberoepen zijn niet alleen heel klassiek, maar ook heel belangrijk voor onze arbeidsmarkt en economie. Er staan dit jaar ook nieuwe beroepen op de lijst, zoals winkelmedewerker, polyvalent medewerker in restaurants en dergelijke meer. Er blijft ook een kloof bestaan tussen de verwachtingen van werkzoekenden en de verwachtingen van werkgevers. Er kunnen ook vragen worden gesteld bij de manier waarop VDAB de knelpuntopleidingen organiseert en in toeleiding daarnaartoe voorziet. Hoe dan ook blijft de vraag bijzonder groot, vooral naar technisch geschoold personeel, niet alleen technisch geschoold personeel dat uitvoerend werk doet, maar ook leidinggevenden.

Daarnaast is er ook een mobiliteitsvraagstuk verbonden aan het knelpuntberoepenprobleem. Het gaat niet alleen over mobiliteit op de arbeidsmarkt, maar ook over transport, vervoer. Niet iedereen woont in de regio waar zich de meeste knelpuntberoepen situeren, dus mensen aanmoedigen om eventueel te verhuizen of het mobiliteitsvraagstuk zelf aanpakken zijn eigenlijk ook al een belangrijk onderdeel van hoe we moeten en kunnen omgaan met knelpuntberoepen.

Minister, op welke manier zal VDAB nog meer vacaturegericht begeleiden en opleiden? Ik zag vandaag een bericht van de woordvoerder van VDAB, die terecht fier was op de manier waarop VDAB in Koksijde had geholpen om heel snel alle vacatures in te vullen van het asielcentrum dat daar op heel korte termijn moet worden geopend. Eigenlijk moet het de bedoeling zijn om voor elke werkgever zo’n dienstverlening aan te bieden, om vacaturegericht te begeleiden en op te leiden. Zeker voor knelpuntberoepen is dat belangrijk. We zien dat de knelpuntopleidingen nog altijd maar door een heel kleine groep werkzoekenden worden gevolgd. Die toeleiding moet dus beter kunnen. Samenwerking met lokale besturen kan een onderdeel van de oplossing zijn. Op welke manier kan dat in het kader van het knelpuntberoepenverhaal meegenomen worden?

Een laatste element zijn de uiteenlopende verwachtingspatronen van werkzoekenden en werkgevers. Daar kunnen acties rond opgezet worden, bijvoorbeeld samen met Onderwijs, maar ook vanuit VDAB kan op dat vlak wellicht nuttig werk worden verricht. Hoe zult u dat aanpakken?

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Collega's, ik wil starten met dat laatste punt. De tweet van de woordvoerster van VDAB van vanmorgen vind ik wel hartverwarmend, omdat je voelt dat men heel trots is op de manier waarop men dienstverlening aanbiedt en dat dit net voor een heel moeilijk te plaatsen doelgroep een groot succes is. Ik vind inderdaad dat men ook mensen die in een asielcentrum verblijven, zoals in dit geval, snel en efficiënt naar werk moet kunnen toeleiden. Dit toont ook een beetje de nieuwe aanpak van VDAB aan: we gaan er naartoe en we proberen mensen onmiddellijk aan het werk te krijgen. Er is gewoon heel veel werk, en als het dan lukt, mag het ook wel eens positief benaderd worden.

De knelpuntberoepenlijst, collega’s, is een jaarlijkse temperatuurmeting van onze arbeidsmarkt. Die maakt ook duidelijk dat het niet alleen gaat over het beter op elkaar afstemmen van vraag en aanbod. Het doet mij ook inzien dat we tijdig oog moeten hebben voor veranderingen in onze samenleving. Denk bijvoorbeeld maar aan de groeiende vervangingsvraag door pensionering of de snellere kwalificatieveroudering door de digitalisering, waar veel mensen niet mee mee zijn. Dat zijn veranderingen die het elk jaar moeilijker maken om de resterende werkzoekendenpopulatie te matchen met knelpuntvacatures. Het maakt ook absoluut duidelijk dat we bijkomende inspanningen moeten leveren op een aantal fronten – ik heb het nu niet over een Vlaams front, maar over fronten op de arbeidsmarkt.

Ten eerste wordt de knelpuntberoepenlijst alsmaar meer ingezet om werkzoekenden te oriënteren naar bijkomende opleidingen of naar loopbaanheroriëntatie. Ook de inspanningen die we moeten leveren om 120.000 burgers extra aan het werk te krijgen of te laten participeren aan de arbeidsmarkt, is op dat vlak belangrijk, want dat draagt bij tot een bijkomend arbeidsaanbod dat de krapte mee kan helpen verlichten, zeker bij knelpuntberoepen. VDAB werkt bovendien aan een grondige vernieuwing van zijn matchinginspanningen, wat ervoor moet zorgen dat zowel werkgevers als werkzoekenden gedetailleerd weten waar er vraag naar is en waar zich een reëel aanbod bevindt. Tot slot zet VDAB ook in op actuele arbeidsmarktinformatie voor werkgevers, zodat ze realistische eisen stellen in hun vacatures en bereid zijn om ook meer te denken in termen van potentieel en leerladders op de werkvloer.

Ik heb jullie in de voorbije weken al gezegd dat het opleiden op de werkvloer voor mij ook alsmaar meer aan belang zal winnen. Het is van belang dat we niet alleen naar werkzoekenden kijken. De knelpuntberoepenlijst moet ook een wake-upcall zijn voor bedrijven om blijvend te investeren in hun kapitaal. Permanent omscholen of bijscholen naar knelpuntberoepen in een bedrijf mag niet herleid worden tot wat ‘bullshit bingo’ in een jaarlijks managementplan. Het moet ook gedragen zijn, met concrete acties en heel concrete maatregelen.

Als Vlaamse Regering stellen we ook voor mensen die een job hebben, opleidingsincentives ter beschikking. Die zijn inzetbaar voor heel wat knelpuntopleidingen. Zo willen we de leergoesting stimuleren.

Voor mij is het sowieso van belang dat werkzoekenden heel snel ingeschaald, georiënteerd en gematcht worden met concrete vacatures. Als de afstand tot de arbeidsmarkt te groot is, moet je sneller toeleiden naar intensieve trajecten. Dat kunnen eerst oriënterende opleidingen of beroepsgerichte doorstroomopleidingen zijn, voordat je als werkzoekende in een beroepsgerichte opleiding start. Binnen de beroepsopleidingen wordt nu al voornamelijk ingezet op knelpuntopleidingen. Men gaat ook proactief inzetten op investeringen in opleidingen voor moeilijk in te vullen vacatures met een mogelijk of toekomstig knelpuntkarakter in een niche, regio of stad. Want afhankelijk van waar het is, kan dat totaal anders zijn. In 2019 werden zo 22.019 beroepsgerichte opleidingen beëindigd die bij de start van de opleiding toegang gaven tot minstens één knelpuntberoep. Op het totaal van de beëindigde opleidingen in 2019 bedraagt dit 68 procent. Dat is eigenlijk niet zo’n slecht cijfer.

De nieuwe knelpuntenberoepenlijst bevat een aantal beroepen waar VDAB al competentieversterkende acties voor inzet. Indien we deze opleidingen meetellen komen we uit op 71 procent van alle beëindigde beroepsopleidingen in 2019. Van de mensen die een opleiding volgen, leidt 79 procent toe tot een knelpuntberoep. De cijfers zijn afhankelijk van hoe je ze bekijkt, positief of minder positief. Dat staat niet haaks op de cijfers die u hebt genoemd. Ik probeer wat te nuanceren. Als je een opleiding volgt, zal die bijna altijd toeleiden naar een knelpuntberoep.

Een goed voorbeeld daarvan is begeleider kinderopvang. Dat interesseert mij nu in grote mate sinds ik oma geworden ben. Dit is Vlaanderenbreed nu een knelpuntberoep, maar dat was het daarvoor al in bepaalde steden en gemeenten. Hiervoor voorziet VDAB ook gerichte acties. Dat is een van de voorbeelden waar mensen elders verworven competenties kunnen inzetten om een kwalificatie te krijgen.

De samenwerking met de lokale besturen is voor mij zeer, zeer belangrijk. We hebben meer samenwerkingsovereenkomsten nodig. Daarbij is het echt belangrijk dat de gemeenten op de hoogte zijn van het aanbod van VDAB en hoe VDAB het verschil kan maken voor de lokale besturen die bijvoorbeeld mensen hebben die een leefloon trekken. Niet alle lokale besturen zijn zich bewust van de vruchten van een goede samenwerking met VDAB.

Mobiele opleidingen of opleidingen waar VDAB-instructeurs ter plaatse komen in een atelier dat ter beschikking wordt gesteld door een gemeente of stad en zo opleidingen metselen, lassen of schoonmaak aanleren, kunnen een waardevol onderdeel zijn van een samenwerkingsovereenkomst. Dan wordt er gewerkt op maat van de lokale noden. Er zijn geen mobiliteitsproblemen, dat kan veel oplossen. Ik geloof daar echt in. Dat is een win-winsituatie voor veel partijen.

Ik heb in de voorbije weken al uitgelegd dat steden en gemeenten gebaat zijn bij een hogere werkzaamheidsgraad. Meer mensen aan de slag is niet alleen positief voor Vlaanderen, maar ook voor het lokale bestuur. Het is ook goed voor het welzijn van de mensen.

Het klopt dat je een mismatch vaak vanuit twee kanten kunt benaderen en zeker op het vlak van verwachtingen. Je hebt de persoon die werk zoekt en dus een bepaalde verwachting heeft van de job, je hebt ook de werkgever die verwachtingen heeft. Als die compleet niet matchen zit je met een groot probleem. Dit betekent onder andere dat we moeten inzetten op actuele en behapbare arbeidsmarktinformatie voor de werkzoekenden en dat we de werkgevers een realistisch beeld moeten geven van het potentieel.

Werkzoekenden moeten sneller georiënteerd worden door hen in contact te brengen met de realiteit van bepaalde beroepen. Ik kan me vergissen, maar ik denk dat het restaurant- en hotelwerk een voorbeeld van een mismatch is waarover ik in de voorbije weken las. Men schat dat helemaal anders in als werkzoekende en als werkgever. Daar moeten we eens naar kijken. Het kan best zijn dat mensen geïnteresseerd zijn maar dat ze gewoon de taal niet spreken of een bepaalde houding niet hebben. Daar kun je ook met korte opleidingen op inspelen of opleidingen op de werkvloer geven, al is dat moeilijk als je contactberoepen hebt waar de reputatie van de werkgever staat of valt met de manier waarop mensen zich gedragen. Dat maakt het moeilijker om dat direct op de werkvloer te doen.

Er is echt interesse en VDAB zet zich echt in om op korte tijd de juiste skills aan te leren. Taal is natuurlijk moeilijker aan te leren dan een bepaalde houding, ik ben me daarvan bewust en VDAB ook.

VDAB moet nog meer in functie van het potentieel van kandidaat-werknemers kijken, door hen mee te nemen in een traject met werkplekleren.

Tot slot vanuit de uitwerking van de werkgeversbenadering wordt door VDAB versterkt ingezet op proactieve acties naar werkgevers met jobmarkten, rekruteringsacties op het einde van de opleiding, enzovoort. Dat zijn heel veel en diverse maatregelen.

De heer Ronse heeft het woord.

Het is inderdaad een heel palet aan maatregelen. U hebt een aantal zaken gezegd die heel belangrijk zijn. Zo moeten we goed forecasten wat de vervangingsnoden zullen zijn en welke competenties er in de toekomst nodig zullen zijn. Misschien doen we dat nog te weinig. Zowel bij werkzoekenden als bij werknemers moeten we periodiek kunnen en durven nagaan of ze nog ‘fit’ zijn voor de arbeidsmarkt van de toekomst en welk type opleidingen ze best zouden volgen om te beantwoorden aan de noden van de arbeidsmarkt van de toekomst. Dat is een extra laag die ik aan uw antwoord zou willen toevoegen inzake de aanpak van knelpuntberoepen.

Een andere laag die ik er nog bovenop zou willen leggen, is dat we zeker niet uitsluitend mogen kijken naar uitkeringsgerechtigde werklozen wanneer het gaat over het toeleiden naar knelpuntberoepen, maar ook naar mensen die in andere stelsels zitten. U hebt al een aantal zaken opgestart, zoals de samenwerking tussen het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (RIZIV) en VDAB. Dat kan ook een onderdeel vormen van de volgende samenwerkingsovereenkomst. Ik denk ook aan het verleiden van mensen die vandaag instaan voor het huishouden en het gezin, maar wel over competenties of potentieel beschikken om een knelpuntopleiding te volgen of een knelpuntberoep uit te oefenen. Ik verwijs graag naar het initiatief van de voorzitter en de heren Ongena en Muyters inzake de loopbaancheques voor mensen die al 36 maanden inactief zijn.

Die twee extra lagen kunnen worden toegevoegd aan het actieplan met betrekking tot knelpuntberoepen.

Minister, ik wil u danken voor uw antwoord. Er gebeurt gelukkig al heel wat. De heer Ronse heeft nog een aantal nuttige suggesties gedaan en ik voeg er graag nog twee aan toe.

We hebben niet alleen VDAB als opleidingsverstrekker maar ook nog heel wat andere, zoals de centra voor volwassenenonderwijs (CVO’s) en SYNTRA. Het kan nuttig zijn om ook hun opleidingsaanbod nog sterker te betrekken bij het knelpuntberoepenbeleid van de Vlaamse overheid. Ook daar zit heel wat expertise en zijn er al opleidingen richting knelpuntberoepen beschikbaar, maar misschien kan ook daar nog een tandje bijgestoken worden. Dit kan op het platform dat wordt opgericht met alle opleidingsverstrekkers aan bod komen en vanuit de knelpuntberoepenlijst en de forecasting, waar de heer Ronse al over sprak, nog beter geprogrammeerd worden. Creativiteit, zoals in de samenwerkingsovereenkomst met de lokale besturen, is op dat vlak zeer welkom.

De werkgeversgerichte benadering die in het nieuwe ontwerp van decreet naar voren komt, is bijzonder belangrijk. Vanuit de data die VDAB ter beschikking kan krijgen over de populatie van mensen die aan de slag zijn bij werkgevers, kan VDAB proactief werkgevers benaderen met een aanbod. Op die manier kunnen we grote stappen vooruitzetten in het vermijden van knelpuntberoepen via het proactief opleiden van bestaand personeel en dergelijke. De dataregisseur die VDAB kan en moet worden, kan ook een oplossing zijn voor knelpuntberoepen.

De heer Ongena heeft het woord.

Het feit dat er 22 extra beroepen zijn bijgekomen op de knelpuntberoepenlijst is een zoveelste teken aan de wand van het feit dat we met een grote krapte op de arbeidsmarkt kampen. We moeten elkaar daar niet meer van overtuigen. Om dat aan te pakken, hebben we heel veel maatregelen nodig. Als we die opsommen, herhalen we uw beleidsnota waarin heel wat is opgenomen. Ik zal dat dan ook niet doen, maar ik wil heel specifiek naar één maatregel informeren, namelijk de jobbonus. Die is bedoeld om mensen aan te moedigen en een positieve stimulans te geven met extra nettoloon voor zij die minder dan 1700 euro per maand zullen verdienen. Wat is de stand van zaken daaromtrent? Ik weet dat u dat samen met minister Diependaele in elkaar moet steken. Hebt u er zicht op hoever het daarmee staat? Wanneer zal dit ingevoerd worden?

Mevrouw Gennez heeft het woord.

Ik heb een korte bijkomende vraag. We hebben eens ingezoomd op het aantal vrijstellingen voor knelpuntopleidingen. Daaruit bleek volgens onze cijfers dat in 2019 gemiddeld 16 procent van het totaal aantal opleidingen knelpuntopleidingen waren waarvoor vrijstelling voorzien werd. In 2018 was dat nog 23 procent. We zien dus een daling. Dat is een beetje in tegenspraak met het stijgend aantal knelpuntberoepen. De vraag is hoe we ook inzake opleidingen beter kunnen matchen bij de alsmaar groter wordende lijst van beroepen.

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Collega Ronse, wat uw eerste opmerking betreft: er staat expliciet in het regeerakkoord dat we versterkt willen inzetten op wat de competentieprognoses zijn, niet alleen op marcroniveau, bijvoorbeeld rond de digitalisering, over de sectoren heen, maar ook op sectorniveau. Dat is absoluut de bedoeling.

Het verhaal van de knelpuntberoepen – dat staat ook in het regeerakkoord – is er voor de hele bevolking, in welk statuut men zit, maakt eigenlijk niets uit. Het is er zowel voor werkzoekenden als werknemers. Het is ook van belang dat bedrijven die bijvoorbeeld nadenken over herstructurering op tijd proberen, over de sectoren heen, een aanbod te organiseren om te herscholen. Ik weet dat dat nu nog niet veel gebeurt, maar dat zou al veel kunnen helpen, zeker naar mensen die het al moeilijk hebben. Ik heb in het bedrijf in Mechelen met de vakbond gesproken. Ik heb dat vorige week al gezegd en het is me bijgebleven. Wanneer arbeiders, maar ook mensen met bijvoorbeeld een diploma ingenieur, twintig jaar zijn meegegaan in een bepaalde niche, en het bedrijf plots overkop gaat, en niemand heeft zich daarop voorbereid, dan zitten die mensen daar en moeten ze zich eigenlijk opnieuw laten opleiden, terwijl, als je dat op de een of andere manier een klein beetje op tijd ziet aankomen, je er al een stukje voor kunt zorgen dat als men werkloos wordt, men toch een rugzak heeft die wat groter is dan wat men gedaan heeft. Dat baart me zorgen. Er is werk aan de winkel bij VDAB, maar ook aan de werkgeverskant om daar zorg voor te dragen. 

Die knelpuntberoepenlijst aanpakken is een zaak van velen. Als je bijvoorbeeld weinig instroom krijgt in het onderwijs, moet je durven na te denken over wat de oorzaken zijn. Hoe komt het dat er weinig instroom is? Het STEM-actieplan (Science, Technology, Engineering and Mathematics) bijvoorbeeld helpt daar wel een beetje bij. We hebben een grote campagne gedaan over het lerarenberoep. Vorig jaar was er dan meer instroom, maar dit jaar is er weer minder instroom. Een campagne kan een bubbel zijn, maar dat wordt dan ook weer een stukje minder.

Wat de vrijstellingen betreft, collega Gennez, ik heb die cijfers ook gezien. Ik denk dat het in het antwoord op een schriftelijke vraag was. Een vrijstelling wordt soms zeer specifiek gegeven voor een knelpuntberoep in een bepaalde regio, en wordt dus niet altijd Vlaanderenbreed gegeven. Men is vrij zorgzaam in het geven van die vrijstelling. Het moet ook passen in het traject naar werk en het kan niet zomaar voor elke opleiding. Ik begrijp de uitleg, maar ik vind het onlogisch in deze tijden dat dat achteruitgaat. Ik heb er eigenlijk nog geen antwoord op. We moeten dus uitzoeken hoe dat komt. Is dat een zaak van menselijke beoordeling? Ik begrijp het dus wel, dat dat niet vrijblijvend is, maar dat was vorig jaar en het jaar daarvoor ook niet vrijblijvend en de arbeidsmarkt staat nog een beetje meer in brand. Je zou dus eigenlijk kunnen veronderstellen dat dat stijgt. Ik aanvaard uw opmerking, maar ik heb nog geen oplossing. We vragen dat na.

De heer Ronse heeft het woord.

Ik ben het eens met wat de minister nog aanvullend meegaf. Wat misschien een goed instrument zou kunnen zijn om mee te experimenteren in dat soort casussen, is een social impact bond (SIB), waarbij we de sector echt op een vernieuwende manier uitdagen om dat te doen, en ook belonen via het rendement dat we die SIB’s uitbetalen. Dat is wel stof genoeg om mee te experimenteren.

We zullen ongetwijfeld nog terugkomen op de knelpuntberoepen. De knelpuntberoepen zullen nog niet weg zijn, ondanks alle goede acties die er vandaag naar voren worden geschoven.

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is geopend met een beperkt aantal plaatsen. Bezoekers die een plenaire vergadering willen bijwonen, sturen een mailtje naar 
onthaal@vlaamsparlement.be met daarin naam en geboortedatum.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.