U bent hier

De heer Bothuyne heeft het woord.

Verschillende onderzoeken, onder andere van de Universiteit Antwerpen, maar ook persoonlijke getuigenissen in De Standaard tonen aan dat vluchtelingen die in ons land aangekomen zijn, diverse obstakels ondervinden om zich duurzaam te integreren in de Belgische arbeidsmarkt. De formele weg om de Belgische arbeidsmarkt te betreden is voor hen relatief eenvoudig, maar vaak ondervinden ze problemen met de sterk gereguleerde en geïnstitutionaliseerde arbeidsmarkt. Het duurt niet enkel lang om te integreren en om een eerste werkervaring te vinden, ze liepen volgens een studie van de Universiteit Antwerpen ook meer risico om snel terug in de werkloosheid of sociale bijstand te vervallen. Een duurzame integratie op de arbeidsmarkt is dus nog moeilijker dan een eerste werkervaring opdoen.

Zowel universitair onderzoek als getuigenissen geven het beeld dat duurzame integratie in de arbeidsmarkt niet enkel een kwestie is van hen snel naar een job te leiden, want vaak blijkt die job van korte duur. Nochtans is dat net de laatste vijf jaar de focus van het beleid geweest: mensen zo snel mogelijk begeleiden naar een job. De slogan van VDAB was lange tijd ‘De snelste weg naar werk’, maar misschien is dat niet altijd de snelste weg naar duurzaam werk en dat moet toch de bedoeling zijn.

Vluchtelingen raken blijkbaar snel ontmoedigd door het type jobs waarvoor ze in aanmerking komen. Het zijn vaak precaire of onaantrekkelijke jobs die vaak ook niet aansluiten bij het diploma of de werkervaring die ze hadden in hun land van herkomst en dus ook onder hun competentieniveau blijven.

Minister, bent u het eens met de conclusies van dit universitair onderzoek naar de loopbanen van vluchtelingen evenals met de getuigenissen van vluchtelingen in de krant De Standaard twee weken geleden? Blijkt dit beeld van een gebrek aan duurzame integratie in de arbeidsmarkt ook uit de VDAB-statistieken?

Indien dat beeld wordt bevestigd, welke oorzaken ziet u als cruciale factoren voor duurzame integratie van vluchtelingen in onze arbeidsmarkt?

We maken steeds meer de shift van een focus op diplomavereisten naar een focus op de vaardigheden waarover werkzoekenden beschikken: beroepskwalificaties, elders verworven competenties enzovoort. Er zijn nu die tien beroepen waarmee u aan de slag kunt. Welke plaats nemen erkende vluchtelingen beleidsmatig in dit verhaal in? Zijn er mogelijkheden voor deze doelgroep?

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Eerst en vooral vind ik het positief dat vluchtelingen heel snel in contact komen met VDAB en de arbeidsmarkt. Er bestaat daarover ook een passage in het regeerakkoord. Het is goed dat mensen beseffen hoe alles hier werkt. VDAB kan daarover zeer goed uitleg geven. Daarna volgt de vaststelling dat vluchtelingen er langer over doen om een eerste job te vinden.

Maar, collega Bothuyne, ik moet u een beetje ontgoochelen, want tot mijn verbazing vinden we  dat niet terug in de VDAB-statistieken. Ik heb dat ook al geantwoord aan collega Ronse, op schriftelijke vraag nummer 48. U kunt daarover informatie vinden.

Wij beschikken alleen maar over cijfers over anderstalige werkzoekenden met een migratieachtergrond in de dienstverlening, maar niet op meer detailniveau over asielzoekers, erkende vluchtelingen, gezinsherenigers enzovoort. En daardoor kunnen we het geschetste beeld nog niet concreet toetsen.

Ik kom halfweg dit jaar met een ontwerp van decreet – hopelijk, het is voorlopig goedgekeurd door de regering – naar deze commissie in het kader van de nieuwe opdracht van VDAB als dataregisseur. En pas dan zal VDAB de decretale basis hebben om gedetailleerde gegevens te verkrijgen en te analyseren. Zonder dat kan VDAB de details niet bekijken.

Sinds 2017 werkt VDAB wél effectief via de ‘Integratie door werk’-aanpak aan arbeidsmarktintegratie van onder meer vluchtelingen. Het uitgangpunt van die aanpak is dat werk een belangrijke factor is voor snelle en duurzame integratie. Dat heb ik al vaak gezegd. Men kiest voor een heel snelle poging om anderstaligen met een migratieachtergrond te laten participeren, waarbij de kortste weg naar duurzaam werk uiteraard centraal staat. Er zijn coachingsinitiatieven als ‘DUO for a JOB’ en ‘mentoring naar werk’, waarover we het hier al eerder hadden.

In de lijn met het Vlaamse regeerakkoord hebben we afgesproken dat mensen die hier inburgeren binnen de twee maanden na de start van hun inburgeringstraject toegeleid móéten worden naar VDAB. Het VIONA-onderzoek (Vlaams Interuniversitair Onderzoeksnetwerk Arbeidsmarktrapportering) bevestigt ook dat het volgen van een inburgeringstraject er effectief toe leidt dat de weg naar VDAB sneller gevonden wordt. En dat is op zich een heel goede zaak. Het VIONA-onderzoek moet trouwens nog worden opgeleverd. Ik geef gewoon een aantal voorlopige vaststellingen mee.

Wat de oorzaken betreft: ook hier geldt dat we het engagement van zowel werkgevers als vluchtelingen zelf nodig hebben om een duurzame integratie te verkrijgen. We moeten zo veel mogelijk mensen aan de slag krijgen en iedereen is even waardevol om aan de slag te gaan.

Wat kunnen we doen? Eén, je geraakt al vooruit met de mate waarin werkgevers bereid zijn om mensen kansen te geven, bijvoorbeeld via werkplekleren, los van strikte diploma-, taal- en ervaringsvereisten. Er wordt geëxperimenteerd met geïntegreerde trajecten, waardoor je een taal leert met het werk dat je doet. Dat kan niet voor alles, maar voor een aantal jobs kan dat wel heel nuttig zijn. 

Twee, niet alle competenties van mensen met een migratieachtergrond zijn altijd even goed up-to-date. Er is ook een heel grote diversiteit. Dat heb ik ervaren als minister van Onderwijs. Sommigen mensen zijn hooggeschoold als ze aankomen, anderen zijn analfabeet. Het is geen ‘one size fits all’. Je moet echt in detail gaan kijken naar wat de mensen kunnen. Het is belangrijk dat er geïntegreerd wordt gewerkt, maar dat lukt niet altijd. We moeten dus flexibel zijn in ons aanbod en zoeken naar een combinatie van competentieversterking, werk en inburgering.

Drie, we moeten inzetten op duurzame jobs. Het is niet alleen zaak om iemand snel aan de slag te krijgen, maar ook om deze persoon te lanceren voor een duurzaam verblijf op de arbeidsmarkt. Daarbij is een goede oriëntatie van belang, net als talenkennis enzovoort. Dat zijn de recepten die we hier al vaak hebben gehad.

Het is ook belangrijk om iemand niet los te laten zodra er een job gevonden is. Dat is niet alleen een probleem bij mensen met een migratieachtergrond, maar ook bij veel kortgeschoolden of mensen die in armoede leven. Als je ze aan het werk krijgt, moet je nog een stuk kunnen begeleiden. Want anders loopt het sowieso weer verkeerd. Ik wil dit dus niet beperken tot één groep. Maar uw vraag gaat natuurlijk over één groep.

Er is dus op verschillende vlakken nog veel werk. We maken ook werk van een talennota, die als doel heeft zoveel mogelijk mensen met een taalachterstand, met de gepaste ondersteuning naar de arbeidsmarkt toe te leiden. Uiteraard gaat het hier niet enkel over vluchtelingen, maar ook over mensen met een migratieachtergrond, maar evengoed kortgeschoolden of laaggeletterden. We mogen deze laatste groep niet vergeten.

Daarnaast bereid ik ook in overleg met minister Somers het vernieuwde inburgeringstraject voor en meer specifiek de toeleiding naar VDAB.

Dan kom ik tot uw laatste vraag. We zetten maximaal in op het zichtbaar maken van buitenlands talent en waar nodig op het certificeren van vaardigheden en competenties. We werken samen met het National Academic Recognition Information Centre (NARIC) om tot een betere erkenning van buitenlandse diploma’s te komen. Hier is, naar ik meen, al een vraag gekomen om dat wat sneller te laten verlopen. Ik heb toen positief geantwoord en we hebben daar ook al op ingegrepen. Die erkenning moet wel kwaliteitsvol kunnen gebeuren, je kunt niet zomaar een stempel zetten op een diploma of certificaat als je niet zeker bent dat de oorsprong correct is. Dat vergt tijd.

Mijnheer Bothuyne, dan hebben we tot slot nog de tien knelpuntberoepen, waarvoor je ervaring kunt laten erkennen. Ik heb in het parlement in een antwoord op een actuele vraag al gezegd dat dit een uitstekende zaak is, maar ook hier geldt dat het een gedegen kwaliteitscheck moet zijn. Het is niet omdat je tien jaar thuisgewerkt hebt en de eigen kinderen hebt verzorgd dat je automatisch een stempel krijgt dat je dat ook in groepen kunt. Er moet wel getoetst worden of de opgedane ervaring relevant en gelijkwaardig is voor het knelpuntberoep waarvoor je gecertificeerd wilt worden.

De heer Bothuyne heeft het woord.

Minister, ik dank u voor uw antwoord, waaruit blijkt dat er nog heel wat werk te doen is. Wat de statistieken betreft: als ik het goed heb, is de matching tussen de databanken van VDAB en het Agentschap Integratie en Inburgering tot op vandaag een heikel punt en weten de beide diensten eigenlijk nauwelijks wie ze gemeenschappelijk in traject hebben. Het is ontstellend om dat vast te stellen. Dat moet zo snel mogelijk verholpen worden, willen we mensen effectief zo snel mogelijk vastnemen bij inburgering om ze toe te leiden naar een opleiding of werk.

Bij mijn vraagstelling kwam het al aan bod: de snelste of kortste weg naar werk, kan een foute aanpak zijn. Het is goed om mensen te integreren op de arbeidsmarkt, maar als we ze duurzaam inzetbaar willen maken is een andere benadering nodig, waarbij niet alleen competentieversterking, maar zeker ook de taalcomponent van belang is. Ik ben blij dat u een talennota zult uitwerken. Te veel mensen in dit land, die hier al lang zijn of hier geboren zijn, kennen geen of onvoldoende Nederlands om te integreren op een duurzame manier. Zo komt men op de arbeidsmarkt in precaire jobs terecht en wordt het een draaideurverhaal. Dat is niet goed voor de integratie in de ruimere samenleving. Die talennota wordt dus een cruciaal instrument.

Minister, ik hoop dat u daar ook budget voor krijgt; we gaan immers niet alleen meer, maar ook betere taalopleidingen nodig hebben. Het niveau moet omhoog. We zien dat veel mensen die in een opleiding zitten, bij VDAB of bij partners, tijdelijk niet slagen. Het opvangen van die mensen om ze een aangepast remediëringstraject aan te bieden is iets wat VDAB niet of nauwelijks doet. Ook daar moet werk van worden gemaakt. Het is niet omdat men in een traject stapt dat men ook slaagt. Als men niet slaagt, moet gekeken worden hoe daaraan kan worden verholpen. Daar eindigt de opdracht voor VDAB en zijn partners zeker niet. Maar daarvoor zijn middelen en mensen nodig. Het is meer dan de moeite om daarin te investeren; de terugverdieneffecten voor maatschappij en arbeidsmarkt zijn onomstotelijk bewezen.

Ik wil nog een laatste element toevoegen met betrekking tot de idee van geïntegreerde taaltrajecten, waarbij je op de werkvloer taalcoaching krijgt. Dat zijn nuttige instrumenten, maar tot op heden zijn dat vooral nicheverhalen. Dat gaat niet over duizenden mensen, of duizenden trajecten, maar over een paar honderd plaatsen. Er zijn wel tienduizenden mensen die nood hebben aan taalversterking. Ik wil dus een oproep doen om u daar niet blind op te staren. Die geïntegreerde trajecten zijn op dit moment heel nuttig als aanvulling op een bestaand aanbod, en ze kunnen nog uitgebreid worden, maar ze zijn zeker niet zaligmakend voor de uitdaging waar we voor staan.

De heer Ongena heeft het woord.

Mijnheer Bothuyne, ik dank u voor deze belangrijke vraag. Het is inderdaad cruciaal dat we proberen vluchtelingen die hier worden erkend, zo snel mogelijk te laten integreren in onze samenleving. En wij geloven dat werk, een job, nog altijd een heel belangrijke motor is tot die integratie. Het is belangrijk om die mensen zo snel mogelijk aan het werk te krijgen.

Daar spelen natuurlijk meerdere facetten – u hebt er zelf al naar verwezen, minister – zoals de erkenning van diploma’s. Zo is er het verhaal van de Syrische professor die samen met de Syrische analfabeet in dezelfde klas zit. Maar er is goed nieuws. Ik heb cijfers opgevraagd bij minister Weyts, en daaruit blijkt dat het aantal erkenningen de voorbije drie jaar met de helft is gestegen. Dat is ongetwijfeld ook de verdienste van de voorganger van minister Weyts. De procedures zijn versneld. Het kan natuurlijk nog altijd beter, we hebben zelf het voorstel gedaan om na te gaan of er tijdelijke erkenningen mogelijk zijn omdat vaak soms kleine administratieve formaliteiten niet worden voldaan.

Daarnaast zijn er natuurlijk ook de inburgeringstrajecten. Zoals u zelf zei, zijn die in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van minister Somers, maar ook VDAB speelt daarbij een belangrijke rol. In het nieuwe inburgeringstraject zullen die mensen na twee maanden automatisch naar VDAB worden doorverwezen. Ik kijk dan ook naar u, minister, om samen met minister Somers, maar ook minister Weyts, zoveel mogelijk die geïntegreerde trajecten mogelijk te maken. Ik geloof echt wel dat we daar nog veel stappen vooruit kunnen zetten. Inburgeringscursussen of -trajecten moeten wat ons betreft een motor zijn naar werk. We stellen jammer genoeg vast dat ze vandaag soms te veel een rem zijn naar een job. Ik reken dan ook op u, minister, om vanuit uw bevoegdheid en dan vooral met VDAB, aan die kar te trekken om nog meer werk te maken van die geïntegreerde trajecten.

Mevrouw De Vreese heeft het woord.

Minister, ik denk dat de Vlaamse Regering inderdaad heel ambitieus is op dat vlak, of het nu minister Weyts is, minister Somers of u als minister van Werk bent. Het regeerakkoord is ook heel ambitieus en zet volop in op integratie, niet alleen van vluchtelingen maar van alle nieuwkomers.

Werk is inderdaad heel belangrijk, onder meer voor het uitbouwen van een sociaal netwerk – collega’s worden vrienden – waardoor men geïntegreerd geraakt in onze samenleving.

Gisteren verschenen nog twee artikels over dit onderwerp in De Standaard. Eén artikel is een getuigenis van iemand die als vrijwilliger een Afghaanse jongen aan werk heeft geholpen. Dat is een moeizaam traject waaruit blijkt dat duurzaamheid en het leren van de taal belangrijk is. Die Afghaanse jongen leert Nederlands maar wordt in eerste instantie in een Franstalige omgeving tewerkgesteld, wat het natuurlijk nog complexer maakt om hier aan de slag te gaan.

Ik denk dat vrijwilligers hier een belangrijke rol in kunnen spelen. Dat sluit een beetje aan bij het buddyproject dat minister Somers nog verder wil uitbreiden.

Het tweede artikel gaat over 3,1 miljoen euro die u, minister, zult uittrekken voor organisaties die hun vrijwilligerswerking willen professionaliseren. U hebt zelf net DUO for a JOB genoemd, maar er zijn nog een heel aantal andere projecten: Team4Job, MentorYou, Connect2Work, Mentor2Work van het Minderhedenforum en projecten van Vluchtelingenwerk Vlaanderen. Misschien zijn er nog andere die hier niet zijn vernoemd. Er is dus een hele reeks van initiatieven opgebouwd rond vrijwilligers, eventueel ook met mensen die daar professioneel mee bezig zijn.

In het artikel staat ook dat 30 tot 60 procent van de werkzoekenden na een mentortraject werk vindt. Ik vind dat een heel uiteenlopende range. Minister, het zou interessant zijn om te bekijken welke projecten resultaat hebben en daar verder op in te zetten. Wat de subsidies betreft, kunt u dan evalueren welke methode goed en welke iets minder werkt en dus moet worden aangepast. Zult u dat doen?

Het is fijn als iedereen zich aansluit, maar de timing voor aansluiters bedraagt wel twee minuten.

Mevrouw Gennez heeft het woord.

Minister, u hebt inderdaad gezegd dat er bij VDAB geen specifieke cijfers beschikbaar zijn over de trajecten van erkende vluchtelingen. Naar aanleiding van de vraag waren wij ook eens gaan snuisteren naar precieze cijfers, maar we hebben die niet gevonden. Wat we wél hebben gevonden – en dat zou indicatief kunnen zijn voor het misschien wat beperktere succes van vorming en opleiding én doorstroom naar duurzaam werk van deze doelgroep –, is dat er een ondervertegenwoordiging is in de tewerkstellings- en opleidingsmaatregelen, zoals individuele beroepsopleiding (IBO), van mensen met een allochtone achtergrond. En dat past natuurlijk in de cijfers dat slechts 57 procent van de bevolking op beroepsactieve leeftijd die buiten België geboren is, aan het werk is. En daarmee scoren we toch laag naar Europees perspectief: 13 procent lager dan het Europese gemiddelde. Uiteraard is deze doelgroep per definitie een doelgroep die buiten de Europese Unie geboren is.

Minister, bent u ervan op de hoogte dat we in het opleidingsinstrumentarium van VDAB toch nog te veel zien dat werkzoekenden van allochtone origine in grote mate blijven steken in voorbereidende, niet direct werkgerelateerde vooropleidingen, zoals attitudetraining en sollicitatietraining, zonder echt door te stoten naar beroepsgerichte opleidingen? Wat zult u specifiek daaraan doen?

Mevrouw Malfroot heeft het woord.

We hebben geen bezwaar tegen vluchtelingen die werken. Maar het is het gebrek aan kennis van het Nederlands dat dé oorzaak blijft waarom ze geen werk of geen werk volgens hun diploma vinden, en dus ook de reden waarom ze ontmoedigd zijn en niet geïntegreerd geraken. Deze ontmoedigde vluchtelingen zullen er dan ook geen probleem mee hebben om, na een periode van korte tewerkstelling, toch een uitkering te ontvangen. En jullie, als meerderheid, zullen hun die uitkering zeker toekennen, want ‘de vreemdelingen moeten meer kansen krijgen’, nietwaar?

En ja, de vluchteling zal maar al te graag liever die uitkering krijgen dan te gaan werken, aangezien het verschil in inkomen tussen werken en niet werken dermate klein is. We zullen dus weer kunnen bevestigen dat massa-immigratie op economisch vlak geen meerwaarde betekent voor onze economie. Integendeel, die integratie van vreemdelingen is veel moeilijker en veel complexer dan jullie de doorsnee-Vlaming wijsmaken.

Wij zullen er ons dan ook tegen verzetten dat de conclusies van dergelijke studies opnieuw zullen worden misbruikt om weer te voorzien in extra begeleiding of extra ondersteuning, specifiek voor vluchtelingen of immigranten. De beste aanmoediging om hen te laten werken, blijft het uitvoeren van voldoende controles op het misbruik van uitkeringen.

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Dat was eerder een debatfiche dan een tussenkomst. (Opmerkingen van Ilse Malfroot)

U hebt het recht om in uw tussenkomsten te zeggen wat u wilt. Het is niet aan mij om commentaar te geven, al heb ik dat nu wel gedaan. (Gelach)

Eerst en vooral, mijnheer Bothuyne, ik hoef u niet te zeggen dat die matching van databanken mij uitermate frustreert. Vandaag weet VDAB niet wie inburgeraar is. Ze kunnen dat niet actief opzoeken. Ik heb dat alleen maar vastgesteld. Ik ben zes maanden bezig. U kunt niet verwachten dat dat al in orde is. Maar het ís niet in orde.

Duurzame integratie op de arbeidsmarkt is absoluut belangrijk. Er is al gezegd dat we verder moeten gaan dan het toeleiden naar één specifieke job. Ik heb daarover lang gesproken met mensen uit de uitzendarbeid. Uitzendarbeid kan ook een goede start betekenen en duurzaam zijn. Je kunt niets veroordelen en niets beoordelen. Je moet bekijken wat er voor de persoon in kwestie ideaal is om te starten en waar hij goed kan werken.

De geïntegreerde taaltrajecten zijn beperkt. Het gaat inderdaad over een beperkt aantal trajecten. Ik ga er absoluut mee akkoord dat er te weinig aan geparticipeerd wordt. Ik heb dat hier ook al gezegd. Als je totaal niets van feeling hebt met het Nederlands, is het uiteraard nuttig om eerst een taalbad te krijgen en dan een beroepsopleiding. Maar er zijn ook mensen bij wie je de twee perfect kunt integreren. Opnieuw: een aanpak op maat. En wie het geïntegreerd kán, die moet het doen.

Mijnheer Ongena, u sprak over mogelijkheid tot tijdelijke erkenning. Daarbij is voorzichtigheid geboden. Als er een tijdelijke erkenning niet oké is, moet ze weer ingetrokken worden, en dat geeft ook problemen. Ik ben voor een efficiënte procedure. We hebben ook al nagedacht over snelwegprocedures. Het komt erop neer dat we altijd weer moeten kijken voor wie het wel of niet kan. We hebben de versnelling doorgevoerd en het kan nog efficiënter. Ik wil meewerken aan alles wat de kwaliteit niet in het gedrang brengt. Daarom vind ik tijdelijkheid lastig. Als men iets tijdelijk loslaat en het is een risicovolle job, kan dat grote miserie opleveren. Het moet dus van alle kanten bekeken worden. Kortom, ik heb geen aversie voor tijdelijkheid, maar ik ben wel voorzichtig, en dat heeft te maken met mijn voorgeschiedenis als minister van Onderwijs.

Inburgering als motor naar werk wordt absoluut bevestigd in de VIONA-studie. Als je een inburgeringscursus volgt, heb je ook meer kans om sneller werk te vinden. Ik sta uiteraard achter wat in het regeerakkoord staat, en ik zal proberen dat ook efficiënt uit te voeren.

Mevrouw De Vreese, dit zal inderdaad inspanningen vragen, niet alleen van mezelf, maar ook van mijn collega’s Somers en Weyts. De kleur van de kat speelt geen rol, als ze maar muizen vangt. Dat is hier misschien een slechte vergelijking, maar we zullen de handen in elkaar moeten slaan om kansen te scheppen, maar ook om mensen te laten en doen participeren aan de arbeidsmarkt. U sprak over buddywerking; dat staat in het regeerakkoord. Tot mijn aangename verbazing zijn er heel veel vrijwilligers die bereid zijn om mensen te begeleiden in trajecten naar werk. Dat leeft in de samenleving. Dat is heel positief. Er zijn ook veel initiatieven van mentoring. U stelde voor om te kijken wat er werkt. Dat is net wat we willen doen, ook in de projecten die zopas werden goedgekeurd. Ze zullen worden geëvalueerd. We laten dat nu open, en zullen wat goed werkt, dan meer uitrollen.

Mevrouw Gennez, de ondervertegenwoordiging binnen de individuele beroepsopleiding (IBO) van mensen met een migratieachtergrond, staat ook in VIONA. De IBO zou het beste instrument zijn om hen toe te leiden naar werk, maar vaak staan die mensen ook te ver van de arbeidsmarkt om in een IBO terecht te kunnen zonder voortraject.  Het is dus vrij complex.

Mevrouw Malfroot, ik ben het wel met u eens dat het moet lonen om te werken. Met een aantal andere zaken ben ik het niet eens. We moeten vermijden dat wie werkt, slechter af is dan wie niet werkt. Daarover staan ook interessante dingen in het regeerakkoord.

Ik hoop dat ik daarmee op al uw vragen heb geantwoord.

De heer Bothuyne heeft het woord.

Minister en collega’s, dank voor de bijkomende vragen en voor het antwoord daarop. Iedereen heeft zijn voorgeschiedenis. Alle inburgeraars, zowel nieuwkomers als anderen die nood hebben aan taalverwerving en begeleiding, hebben een voorgeschiedenis. Dat vergt inderdaad een aanpak op maat. U had het over katten die muizen vangen. Ik denk dat er in dezen veel meer katten nodig zijn. Er zijn ongelooflijk veel uitdagingen als het gaat over integratie op de arbeidsmarkt. De voorbije tien jaar hebben we een Agentschap voor Inburgering en Integratie en een VDAB gehad die zo goed als geen nieuwe substantiële initiatieven hebben genomen als het gaat over integratie op de arbeidsmarkt van mensen die een taalachterstand hebben of nieuwkomer zijn op de arbeidsmarkt. Dat is ontstellend. Het is veel politieke aandacht geweest voor integratie op de arbeidsmarkt, maar er is op Vlaams niveau niets of nauwelijks iets aan gedaan. Het is aan deze Regering om meer en beter te doen. De intentie in het regeerakkoord is goed, maar er moet boter bij de vis komen. Er zullen enorme investeringen nodig zijn in bijkomende trajecten, bijkomende opleidingsplaatsen en bijkomende werkervaringsplaatsen om effectief hiervan een succes te maken.

Collega Malfroot, het verschil tussen werken en niet werken moet inderdaad groter. Begin jaren 90 was er een verschil van 8 procent tussen het minimumloon en een uitkering. Nu zit dat verschil op 32 procent. Het verschil is dus al fors vergroot door de vorige regering, en deze regering heeft met de jobbonus de intentie om dat nog beter te doen. Ik hoop dat u dat durft te erkennen en dat u dan ook iets meer vanuit de realiteit zult vertrekken en minder vanuit een wensbeeld. Ik heb trouwens begrepen dat uw partij er voorstander van is om de volledige prijs van opleidingstrajecten door te rekenen aan werkzoekenden, zeker als ze van vreemde of allochtone origine zijn, maar ik vraag mij af op welke manier een dergelijke drempel zou helpen om mensen te integreren in de arbeidsmarkt en aan de slag te krijgen. Misschien is het beter dat u daar in uw partij nog eens het debat over voert. 

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is gesloten.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.