U bent hier

De heer Vaneeckhout heeft het woord.

Minister, ik heb een vraag over ambtenaren waar u wel iets over te zeggen hebt.

Uit uw antwoord op een schriftelijke vraag van collega Vande Reyde blijkt dat de Vlaamse overheid het zichzelf opgelegde streefcijfer voor tewerkstelling van personen met een handicap of chronische ziekte niet zal halen. Dat is de afgelopen weken ook duidelijk geworden met de beslissing van de Vlaamse Regering rond het Gelijkekansen- en Diversiteitsplan 2020. In die zin is mijn vraag een beetje achterhaald, omdat er al een aantal beslissingen genomen zijn, maar ik denk dat ze toch niet minder relevant is. Voor alle duidelijkheid, we gaan u dit falen niet in de schoenen schuiven, want u bent nog niet lang genoeg op uw post om er de oorzaak van te kunnen zijn, maar het is wel iets waar we lessen uit kunnen trekken.

Ik heb het eens berekend: als we op deze manier verder evolueren, zoals tussen 2008 en nu, dan halen we in 2035 de doelstelling om van 0,8 procent naar 10 procent te gaan. Om maar te zeggen dat de ambitie niet heel hoog is en dat ze niet echt representatief is voor de Vlaamse samenleving. Als we blijven voortdoen zoals vandaag, halen we in 2035 het huidige streefdoel van 3 procent. Naar aanleiding van het diversiteitsplan van afgelopen vrijdag, werd gepleit om de ambitie naar 3,5 procent te brengen.

In uw antwoord haalde u een aantal mogelijke oorzaken aan. Een belangrijke daarbij is ongetwijfeld het inkrimpen van het ambtenarenkorps. Een beperkte instroom van nieuwe mensen betekent automatisch ook een eventuele beperkte instroom van mensen met een handicap of chronische ziekte.

Een deel van de stijging die er toch is, is niet het gevolg van een bewuste aanwervingspolitiek, maar een gevolg van detectie van handicaps en ziektes bij het bestaande korps. En op zich is dat uiteraard een goede zaak, omdat we op die manier een zicht krijgen op de huidige situatie en omdat aangepaste werkomstandigheden leiden tot een verhoogd welzijn op het werk.

Anderzijds is dit ook wel een methodiek die we niet kunnen toepassen wanneer we andere scheeftrekkingen binnen de Vlaamse ambtenarij willen bijsturen, zoals de ondervertegenwoordiging van vrouwen binnen de kaderfuncties of het optrekken van het aandeel ambtenaren met een migratieachtergrond tot hun aandeel in de maatschappij. Minister, is het niet halen van het streefcijfer van 3 procent ambtenaren met een handicap of chronische ziekte voor u een reden om af te stappen van streefcijfers of net een signaal om nog harder in te zetten op het streven naar een divers ambtenarenkorps?

Geldt dit ook voor andere groepen die ondervertegenwoordigd zijn bij onze ambtenaren? Welke zijn voor u de grootste werven? We weten een aantal dingen uit de beslissing van vorige vrijdag, maar in welke mate is het ook een vooruitblik op de volledige legislatuur? Hoe kijkt u naar de scheeftrekkingen tussen de verschillende niveaus binnen de diensten?

Hoe evalueert u het personeelsbeleid van de voorbije legislaturen om te komen tot een meer divers ambtenarenkorps? Welke maatregelen bleken succesvol, welke pistes faalden en welke alternatieve plannen zijn nog onontgonnen?

Hoe valt de ambitie om te komen tot een korps dat een afspiegeling is van de maatschappij, te rijmen met een politiek van natuurlijke afvloeiingen en niet-vervanging?

Hoe ver reiken de mogelijkheden, logistiek en financieel, om tegemoet te komen aan de wensen van ambtenaren die omwille van een handicap of chronische ziekte gebaat zijn met bijkomende ondersteuning op of een aanpassing van de werkplek? Beschikt de Vlaamse overheid bijvoorbeeld over dienstvoertuigen die specifiek aangepast zijn aan de noden van medewerkers met een handicap? Zijn alle werkplekken rolstoeltoegankelijk of rolstoeltoegankelijk te maken?

Moet er soms noodgedwongen worden vastgesteld dat bepaalde aanpassingen onmogelijk of onbetaalbaar zijn en dat kandidaten met een bepaalde handicap voor bepaalde vacatures uit de boot vallen? Wie trekt daar dan de grens? Zijn er cijfers over?

Minister Somers heeft het woord.

Minister Bart Somers

Mijnheer Vaneeckhout, ik dank u voor uw vragen.

Zoals jullie weten, heb ik in mijn beleidsnota HR-beleid duidelijk gesteld dat ik via het Strategisch Gelijkekansen- en Diversiteitsplan 2021-2025 sterk wil inzetten op een inclusief diversiteitsbeleid om zo te komen, of nog meer te komen, tot een Vlaamse overheid die haar voorbeeldfunctie nog beter waarmaakt. Ik ga uit van een Vlaamse overheid als werkplek waar verschillen erkend, toegestaan en gerespecteerd worden en waar alle personeelsleden in hun eigen verscheidenheid kunnen werken.

Op dit moment zijn we in het laatste jaar van het strategisch plan 2016-2020. Afgelopen vrijdag heeft de Vlaamse Regering het Gelijkekansen- en Diversiteitsplan 2020 goedgekeurd, het laatste jaar van dat strategisch plan. In navolging daarvan zal ik binnenkort, in maart of april 2020, naar goede gewoonte samen met de Vlaamse diversiteitsambtenaar een gedachtewisseling houden in deze commissie. Dat is een traditie. Dat is iets dat we jaarlijks doen, op basis van dat rapport, samen met de Vlaamse diversiteitsambtenaar.

We zitten nu dus op een scharnierpunt, het laatste jaar van het vorige strategische plan, dat we niet hebben willen aanpassen, om de continuïteit te respecteren. Dat is ook de logica van die strategische plannen, die over een jaar van een volgende legislatuur gaan, om een minister en een nieuwe regering de tijd te geven om het nieuwe plan voor te bereiden en tegelijkertijd toch verder te kunnen bouwen met wat er al bestond. In het nieuwe plan zullen alle elementen uit het regeerakkoord opgenomen worden. Daarnaast zal ik ook putten uit de adviezen van de commissie Diversiteit van de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen (SERV) en de ideeën die leven bij de administratie en het middenveld, om zo tot een ambitieus gelijkekansen- en diversiteitsplan te komen.

Specifiek voor wat betreft de kansengroep van personen met een handicap of chronische ziekte, geef ik nog het volgende mee. In de vorige regeerperiode had de Vlaamse Regering voor de lopende besparingsronde beslist om de nieuwe instroom van personen met een arbeidshandicap of chronische ziekte vanaf 17 maart 2017 uit te sluiten van de verdere opvolging van de lopende personeelsbesparingen, indien zij waren aangeworven in een voorbehouden betrekking. Zo werd voorkomen dat de besparingsoperatie te sterk ten nadele van die kwetsbare groep zou worden gerealiseerd. Die beslissing van de Vlaamse Regering wordt bij de nieuwe besparingsronde verder uitgevoerd en wordt zelfs uitgebreid naar een uitsluiting van alle instroom van personen met een arbeidshandicap of chronische ziekte bij de entiteiten van de besparingsdoelgroep.

U hebt veel vragen gesteld. Ik stel voor dat we daar uitgebreid en dieper op ingaan bij de gedachtewisseling in de commissie, waar dan ook de diversiteitsambtenaar bij aanwezig is en waarbij het plan zelf op tafel ligt. Anders denk ik dat we het goede verloop van onze commissiewerkzaamheden doorkruisen, want dan gaan we hier een heel grote voorafname doen op die gedachtewisseling. Ik ben bereid om op al die vragen te antwoorden, maar dan denk ik dat de diversiteitsambtenaar niet meer moet komen of dat de gedachtewisseling eigenlijk uitgehold wordt. Ik doe dus een beroep op de hygiëne van onze werkzaamheden om daar nu niet verder in de diepte op in te gaan, maar dat voor te behouden voor het moment dat elk jaar plaatsvindt in deze commissie en waarop de gedachtewisseling wordt georganiseerd.

De heer Vaneeckhout heeft het woord.

Bedankt voor uw antwoord, minister. U weet dat ik een constructieve persoon ben. Ik zal proberen om dat beeld op dit moment nog niet onderuit te halen.

Ik denk dat het een goede zaak is. Ik denk niet dat een toelichting nu het overbodig zou maken dat de diversiteitsambtenaar hier nog langskomt, omdat u als minister en de diversiteitsambtenaar niet dezelfde rol hebben. Een gedachtewisseling met die persoon is dus sowieso interessant.

Ik blijf wel met een bezorgdheid zitten. We zullen het er dan zeker verder over hebben. Een doelstelling die nu eigenlijk al als te laag geschetst wordt, namelijk 3 procent aandeel van personen met een handicap of een chronische ziekte in dienst van de Vlaamse overheid, hebben we in dertien jaar tijd niet gehaald. Integendeel, als we op die manier verder doen, halen we die doelstelling pas in 2035, terwijl er eigenlijk gevraagd wordt om de doelstelling te verhogen.

Bent u van plan om die doelstelling op te schalen? Bent u vatbaar voor de argumentatie dat die 3 procent eigenlijk nog niet voldoende is? Bent u het ermee eens dat het beleid van de voorbije vijftien jaar niet voldoende heeft opgeleverd? En wat betreft de beslissing van de Vlaamse Regering van afgelopen vrijdag: wat zijn voor u de grote bijsturingen die gebeurd zijn voor het jaar 2020 ten opzichte van de voorgaande jaren? Als er geen gebeurd zijn, hoor ik het uiteraard ook graag.

De heer Vandeput heeft het woord.

Het is belangrijk, mijnheer Vaneeckhout, dat u ook noteert dat er effectief wel vooruitgang is, ook wat betreft personen met een handicap. Het streefcijfer is 3 procent. Er is vooruitgang gemaakt, maar is die voldoende? Neen. We moeten daar dus op blijven inzetten. Dat is absoluut noodzakelijk. De hoogte van het streefcijfer zal voor de ene nooit voldoende zijn en voor de andere wel.

Minister, in een vorig leven heb ik een soortgelijke verantwoordelijkheid gehad. Ik stelde vast dat wanneer er aanpassingen werden gedaan aan de werkplek voor mensen die eerst geklasseerd stonden als personen met een handicap, die personen verdwenen. Fysiek waren die mensen aanwezig, maar ze wilden niet op zo'n lijst staan. Ook dat is een stuk diversiteit en integratie waarmee we rekening moeten houden. Als we aanpassingen doen waaronder mensen zouden vallen voor wie aanpassingen noodzakelijk zijn, dan worden ze graag beschouwd als volwaardige werknemers. Dat is aanbevelenswaardig, maar het geeft in de cijfers soms een vertekend beeld.

Naast de aanpassingen die mogelijk en nuttig zijn qua werktijd en flexibiliteit enzovoort, geloof ik heel sterk in het aanbieden van al dan niet betaalde bedrijfsstages of werkstages, ook vanuit de individuele beroepsopleiding. De dienst diversiteitsbeleid zou daar actief aan werken, maar hoe gebeurt dat concreet? Die weg wordt misschien nog te weinig bewandeld, maar op korte termijn is daar wel vooruitgang te boeken. Mensen die we binnenlokken door ze een tijdelijke stage aan te bieden, kunnen we zo integreren in de organisatie.

Mevrouw Partyka heeft het woord.

Minister, u zegt dat alle elementen uit het regeerakkoord zullen worden meegenomen. Dat klinkt voluntaristisch, maar het is niet helemaal echt. Dat is niet het meest ambitieuze deel uit het regeerakkoord, om het zacht uit te drukken.

Ik vind het een bijzonder goed idee om die gedachtewisseling te houden. Als u de punten meebrengt op het vlak van diversiteit van de SERV en van de administratie, dan kunnen we daarover een interessante gedachtewisseling hebben, ook vanuit het parlement.

2020 is inderdaad het aflopende verhaal. Daar moeten we blijven naar kijken, maar we moeten nu focussen op de toekomstige periode, want daar zijn nog mogelijkheden, tot u aangeeft dat we dat in die gedachtewisseling verder zullen kunnen bespreken.

Minister Somers heeft het woord.

Minister Bart Somers

Mijnheer Vaneeckhout, dank u voor uw constructieve houding. Als dat zo is, dan zien we dat en erkennen we dat. U vraagt of we de doelstellingen moeten opschalen. Dat maakt nu net het voorwerp uit van het opmaken van het nieuwe strategisch plan. De vraag of we al dan niet opschalen, wordt bepaald door een aantal elementen.

Element één is een evaluatie van het actieplan. Dat is wat we in maart zouden kunnen doen, samen met de diversiteitsambtenaar. Ik wil me graag engageren om daar ook bij aanwezig te zijn. We kunnen daarover ook een debat voeren. Niet iedereen heeft gelijk. De diversiteitsambtenaar heeft een andere verantwoordelijkheid dan ik als minister, maar dan hoort u beiden. Dit kan aanleiding geven tot een zinvolle gedachtewisseling.

Element twee zijn de inzichten die we verwerven via de aanbevelingen van de SERV. We gaan ook nog met de sector van de mensen met een beperking praten om te horen wat hun inzicht is. Onze eigen administratie bouwt ter zake inzichten op. Het is op basis van al die elementen en het regeerakkoord – dat niet zo weinig ambitieus is als u zegt, mevrouw Partyka, maar de lat kan altijd hoger, het is de taak van het parlementslid om de lat omhoog te duwen –, dat het strategisch plan er zal komen. Dat zal ten laatste in oktober zijn, maar ik probeer om er vroeger mee klaar te zijn.

Een andere vraag is: vindt u dat er al dan niet genoeg vooruitgang is gemaakt? Dat is volgens mij het debat van maart. Mijnheer Vandeput heeft gelijk: er is vooruitgang geboekt. Maar de vraag is of dat genoeg is. Zijn alle doelstellingen bereikt? Sommige doelstellingen zijn gerealiseerd, denk aan mensen met een migratieachtergrond.

Misschien is de definitie daar erg ruim, dat kan voorwerp zijn van een evaluatie. Op gebied van gender is er vooruitgang geboekt, voor sommige dingen zijn we dicht bij de doelstelling 2020, voor andere zijn we daar nog wat van verwijderd gebleven.

Ten derde is er inzake mensen met een handicap een vooruitgang van 1,3 naar 1,8 procent, de doelstelling was 3 procent. Is dat genoeg of niet? Laat dat voorwerp zijn van de evaluatie. Maar er is in dit geval wel een onderschatting, want het is gebaseerd op vrijwillige registratie. Er werken bij de Vlaamse administratie mensen met een handicap die zich niet hebben laten registreren, die vinden dat ze niet geregistreerd moeten worden; dat is de vrijheid van iedereen. We kunnen in alle objectiviteit er toch van uitgaan dat er nog een aantal mensen bij zitten, alleen weet ik niet hoeveel het er zijn. Zijn het er twee of zijn het er honderd? Dat weten we niet, mijnheer Vaneeckhout, maar alleszins is die 1,8 procent een minimum dat gerealiseerd is, en ook daar ziet men een vooruitgang. Is dat voldoende of niet? Laat dat voorwerp zijn van het gesprek dat we gaan hebben samen met de diversiteitsambtenaar op basis van het laatste jaarplan dat we indienen. Dat is voor mij een beetje het kader. U hebt een aantal vragen gesteld die te maken hebben met een evaluatie van het huidige beleid, laten we dat in maart doen. U hebt een aantal vragen gesteld naar beleidsintenties, geef mij daar de kans om dat plan te maken, en wanneer u het plan hebt, gaat u kunnen zeggen dat het op niet veel lijkt of dat het goed is ,of waarschijnlijk, vanuit uw constructieve ingesteldheid, daar ergens tussenin, maar toch eerder positief dan negatief. Dan kunnen we ten gronde discussiëren.

De heer Vaneeckhout heeft het woord.

Eerst en vooral denk ik dat het interessant is om dat op korte termijn in te plannen. We hebben straks de regeling van de werkzaamheden, misschien moeten we kijken op welke termijn we dat zien, afhankelijk van de agenda van de minister en de betrokken diversiteitsambtenaar, uiteraard.

Ten tweede stel ik deze vraag omdat wij ervan overtuigd zijn dat een weerspiegeling van de realiteit van de Vlaamse samenleving in ons ambtenarenkorps een goede zaak is, dat dat leidt tot betere besluitvorming, tot betere diensten, tot grotere betrokkenheid, en dat het onze taak is om alle structurele drempels daarvoor weg te werken.

Ik ga nog een kleine voorafname doen op de evaluatie. We kunnen kijken naar wat er goed gelopen is en wat niet, maar ik ben nu al zo vrij om te zeggen dat als de doelstelling 3 procent was, en we nu na vijf jaar werken aan een stijging zitten van een half procent, het voor mij relatief duidelijk is dat dat niet voldoende is. Als we dit niet het weinig ambitieuze gedeelte van het regeerakkoord willen laten zijn, zal ik samen met mijn fractie alvast de handschoen opnemen om de ambitie van de regering nog naar omhoog te duwen en te zorgen dat we voortgaan, zowel naar doelstellingen als naar het realiseren ervan. Het is heel duidelijk dat we onze ambitie voor het toegankelijk maken van de Vlaamse overheid voor werknemers met een handicap of chronische ziekte nog niet halen. Ik kijk uit naar de volgende gedachtewisselingen daarover, om samen constructief aan de slag te gaan.

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is geopend met een beperkt aantal plaatsen. Bezoekers die een plenaire vergadering willen bijwonen, sturen een mailtje naar 
onthaal@vlaamsparlement.be met daarin naam en geboortedatum.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.