U bent hier

De heer De Reuse heeft het woord.

In een nieuw rapport van het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE) wordt gesteld dat er in ons land te veel kraamafdelingen of ziekenhuisafdelingen zijn waar bevallingen gebeuren. Voor West-Vlaanderen gaat het bijvoorbeeld over een 5-tal materniteiten, voor heel Vlaanderen over 8 of 9, naargelang Oostende, waar er sprake is van een fusie, wordt meegeteld. Waar er vroeger ongeveer 400 bevallingen moesten gebeuren in 3 jaar om de norm te halen, rekent men nu op 557 bevallingen per jaar om dit op het niveau te brengen van wat men de efficiëntere kraamafdelingen in ons land noemt.

Uiteraard heeft die studie heel wat vragen opgeroepen. Ziekenhuizen zien een materniteit namelijk als een zeer belangrijk deel van hun aanbod. De moeder-kindzorg is een basiszorg voor hen, een vorm van laag- tot middelvariabele zorg, basiszorg die dicht bij de bevolking moet staan. Naast het efficiënte mag natuurlijk ook de emotie die gepaard gaat met de geboorte van een kindje, niet uit het oog worden verloren. Dat zorgt voor heel wat emoties bij ouders, grootouders, familie, kennissen, broertjes en zusjes.

De voorzitster van de Vlaamse Beroepsorganisatie van Vroedvrouwen (VBOV) stelt het als volgt: “Het rapport legt te veel nadruk op kwantiteit. Het bekijkt bevallingen louter vanuit een economisch perspectief, terwijl een bevalling voor (...) ouders en (...) familie een heel emotionele gebeurtenis is. Voor de ouders en (...) familie is het belangrijk dat ze die gebeurtenis kunnen beleven in een omgeving waar ze zich thuis kunnen voelen en waar ze zich (...) verzorgd voelen.”

Minister, over de kwaliteit van de zorg, over de vraag of kleinere of grotere materniteiten het beter zouden doen – uiteraard een ander heel belangrijk element –, doet het onderzoek geen uitspraak. Meer zelfs, er wordt gesteld dat daarvoor geen aanwijzingen zijn. Uw collega, federaal minister van Volksgezondheid De Block heeft oren naar het rapport. Zij zegt, vanuit een louter financiële invalshoek, dat een hervorming zich opdringt.

Ik heb dan ook de volgende vragen aan u. Hoe reageert u op die studie? Hebt u daarover al overleg gehad met uw federale collega? U bent in Vlaanderen bevoegd voor de erkenningen. Hebt u hieromtrent dan ook enige plannen, naar aanleiding van dit nieuwe rapport? Zult u in overleg gaan met de betrokken ziekenhuizen, of beter, de ziekenhuisnetwerken, om de studie te analyseren en de positie van de Vlaams Regering te duiden?

Mevrouw De Martelaer heeft het woord.

Voorzitter, minister, collega’s, het KCE berekende inderdaad dat er in een materniteit jaarlijks minstens 557 bevallingen moeten plaatsvinden om de kostprijs per bevalling te kunnen verlagen tot die van de efficiëntere materniteiten, zonder dat er aan kwaliteit of veiligheid wordt ingeboet. Elke vrouw zou binnen een veilige tijdslimiet een materniteit met de wagen moeten kunnen bereiken. De bedoeling is niet om louter geld uit te sparen, maar om de middelen binnen de gezondheidssector zo doelmatig mogelijk in te zetten, zonder te raken aan de kwaliteit of de toegankelijkheid. De medische opvolging van een zwangere vrouw kan zowel door een gynaecoloog als door een huisarts of een vroedvrouw gebeuren.

Op de website van Kind en Gezin lezen we onder andere het volgende: “Zwanger zijn is een ingrijpende gebeurtenis. Hoewel opvolging door een arts noodzakelijk is tijdens een zwangerschap, kan je ook terecht bij een vroedvrouw. De vroedvrouw kan helpen bij het maken van keuzes en het krijgen van inzicht in je zwangerschap en bevalling. De zorg van vroedvrouwen, zowel binnen als buiten een ziekenhuis, vertrekt vanuit optimale zorg voor moeder en kind. Begeleiding tijdens de zwangerschap biedt ruimte om bewust tijd te maken voor je kind en bereidt je voor op de geboorte. De vroedvrouw informeert je bij het maken van belangrijke keuzes, biedt een luisterend oor bij twijfels, …”

De voorgestelde afbouw van materniteiten in Vlaanderen heeft voornamelijk zijn weerslag op zwangere vrouwen die in buitengebieden, op het platteland wonen. In stedelijke omgevingen is er een ruime keuzemogelijkheid wat perinatale begeleiding betreft. Je hebt de materniteit, je hebt gynaecologen, je hebt vroedvrouwen. Die zijn allemaal beschikbaar en gemakkelijk bereikbaar. De organisatie en financiering zijn weliswaar een federale bevoegdheid, maar dat betekent niet dat Vlaanderen moet toekijken. Daarom ook stel ik deze vraag.

We hebben in Vlaanderen een eerstelijnsgezondheidszorg die momenteel volledig in transitie is. Via pilootprojecten worden er lokale multidisciplinaire netwerken (LMN’s) uitgewerkt met betrekking tot bepaalde aandoeningen. Bij die zorgtrajecten wordt de samenwerking tussen patiënten, huisarts, specialist en andere gezondheidswerkers zo goed mogelijk georganiseerd. Zo wordt voor de patiënt een kwalitatieve opvolging gegarandeerd. In elke provincie en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest is er een expertisecentrum voor kraamzorg. Die centra hebben de opdracht om binnen de Huizen van het Kind het aanbod voor aanstaande ouders mee vorm te geven en de samenwerking tussen de betrokken gezondheids- en welzijnsactoren in de pre- en perinatale periode af te stemmen en te faciliteren. Daarbij wordt expliciet aandacht gegeven aan het bereiken van kwetsbare aanstaande ouders. Deze centra hebben in 2014 echter een besparing van 6 procent opgelegd gekregen, en nu, in 2020, wordt opnieuw een besparing van 6 procent doorgevoerd.

Hoe zal de Vlaamse overheid anticiperen op de mogelijke afbouw van de kleine materniteiten?

Het potentieel van bevoegdheden en bekwaamheden van de vroedvrouwen is momenteel nog onderbenut. Ziet u de rol van een vroedvrouw opgenomen binnen de eerste lijn?

De Vlaamse overheid ondersteunt huisartsen in de vestiging en werking van huisartsenpraktijken via het Impulseofonds. Zou in overweging genomen kunnen worden om in die regio’s waar materniteiten verdwijnen, huisartsenpraktijken te stimuleren om binnen het multidisciplinaire team een vroedvrouw op te nemen of zou er binnen dat Impulseofonds ook voor gekozen kunnen worden om groepspraktijken van vroedvrouwen te stimuleren of te ondersteunen?

De expertisecentra kraamzorg, waarvan er weliswaar maar een per provincie is, kunnen een belangrijke actor zijn. Op zes jaar tijd moeten zij echter al 20 procent besparen, terwijl hun opdracht niet kleiner wordt. Hoe wilt u naar de toekomst toe de kwaliteit van deze expertisecentra borgen?

Minister Beke heeft het woord.

Minister Wouter Beke

De studie van het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg is een grondige analyse en bevat interessante informatie waarmee de ziekenhuizen en de ziekenhuisnetwerken aan de slag kunnen, zowel in de context van de netwerkvorming als voor de opmaak van regionale zorgstrategische plannen.

Het KCE communiceerde op 16 januari 2020 dat een materniteit jaarlijks minstens 557 bevallingen moet uitvoeren om de kostprijs per bevalling te kunnen verlagen tot die van de efficiëntere materniteiten, zonder dat de goede zorg daarbij in het gedrang komt. Het kenniscentrum gaf ook de beperkingen van haar studie aan. Zo ging men niet verder in op wat de effecten van de mogelijke sluitingen zullen zijn op de overgebleven materniteiten in de buurt of op de mogelijke impact op het aanbod van de gynaecologie – ruimer dan verloskunde –, pediatrie en anesthesie, alsmede op het aantal vroedvrouwen in de streken waar de materniteit geen 557 bevallingen haalt. Het kenniscentrum verwees naar de locoregionale klinische netwerken om hier een beter zicht en een antwoord op te bieden.

De studie kadert in het federaal actieplan van april 2015 voor de hervorming van het ziekenhuislandschap en ziekenhuisfinanciering. De hervorming moet leiden tot meer kwaliteit en efficiëntie in de zorg. Een van de doelstellingen is om op lange termijn de betaalbaarheid van de gezondheidszorg te garanderen. Een speerpunt van dit plan vormt de rationalisering van de ziekenhuisactiviteiten. Daartoe horen een taakverdeling tussen de ziekenhuizen via de locoregionale ziekenhuisnetwerken, een vermindering van het aantal ziekenhuisopnames, een verlaging van de ligduur en een reductie van het aantal ziekenhuisbedden.

Het kenniscentrum houdt bij zijn studie rekening met de efficiëntie, maar ook met de nabijheid van de dichtstbijzijnde kraamafdeling. De aanbevelingen van het kenniscentrum geven aan ouders de garantie tijdig in een materniteit te geraken, waar in alle rust kan worden bevallen. Volgens de studie wordt de keuze van de ouders iets meer beperkt, maar blijft ze afdoende.

De Vlaamse overheid zal binnenkort overgaan tot de erkenning van de locoregionale klinische ziekenhuisnetwerken. Binnen deze netwerken zal ook gezocht worden naar mogelijke synergieën door samenwerking.

Elk ziekenhuis moet tegen 1 januari 2021 bovendien werk maken van een regionaal zorgstrategisch plan, waarbij de behoefte aan zorg in een regio en het aanbod aan zorg vanuit de ziekenhuizen en andere zorgverleners binnen die regio naast elkaar worden geplaatst. Daarbinnen zullen ook de mogelijke efficiëntiewinsten onderzocht worden. Deze oefeningen kunnen resulteren in een verplaatsing, sluiting of samenvoeging van klinische en ondersteunende diensten binnen een netwerk.

Is er al overleg geweest? Neen, er is nog geen overleg gewest met mijn federale collega. We zullen de resultaten van deze studie agenderen op een interministeriële conferentie met de bevoegde ministers van alle gemeenschappen en gewesten.

Wat gaan wij ondertussen doen? We willen nu niet ingrijpen op de erkenningen. Zoals hierboven geschetst, kijken we in eerste instantie naar de vorming van de locoregionale klinische ziekenhuisnetwerken. Daarnaast vragen we aan alle ziekenhuizen om tegen 1 januari 2021 werk te maken van een regionaal zorgstrategisch plan. In zo’n plan wordt de zorgnood in een regio tegenover het zorgaanbod in die regio geplaatst. Er moet bekeken worden hoe binnen de zorgregio gegarandeerd kan worden dat mensen de basis- en gespecialiseerde zorg krijgen die ze nodig hebben. De studie van het KCE is dan ook een belangrijke bouwsteen voor de oefening rond de zorgstrategische plannen. Mijn administratie zal vanaf 1 januari 2021 de plannen beoordelen op hun inhoud.

Deze beide oefeningen, de netwerkvorming en de zorgstrategische planning, moeten leiden tot een optimale inzet van middelen: zowel over- als onderaanbod van zorg moeten we aanpakken, waarbij de toegankelijkheid en de kwaliteit zeer belangrijke parameters zijn. Het is nu in eerste instantie aan de ziekenhuizen zelf om alle bouwstenen samen te voegen om een stevig huis op te bouwen dat rekening houdt met alle parameters.

Wat met de vroedvrouw? De vroedvrouw heeft als zorgaanbieder in de eerste lijn een belangrijke brugfunctie tussen intramurale en extramurale kraamzorg. De vroedvrouw is bij uitstek geplaatst om geïntegreerde kraamzorg mogelijk te maken en deze specifieke zorg in samenwerking met andere zorgaanbieders uit te werken binnen de context van de eerstelijnszone. Binnen de eerstelijnszone zal de zorgraad met alle betrokken partijen de effectieve multidisciplinaire uitwerking van de kraamzorg realiseren en afstemmen op de specifieke lokale noden. De recent opgestarte pilootprojecten voor regionale zorgplatforms bieden daarnaast de mogelijkheid aan alle partners op het terrein om de mogelijke rol van het regionaal platform inzake kraamzorg te bekijken. Op dit regionale niveau kunnen diverse zorgactoren, onder andere zelfstandige vroedvrouwen en andere eerstelijnsactoren en ziekenhuizen, aan het beleidsniveau adviezen formuleren over de afstemming van het aanbod aan zorg en ondersteuning binnen de regionale zorgzone.

De werkgroep ‘Multidisciplinaire praktijkvormen en zorgcapaciteit ondersteunen’, opgericht naar aanleiding van de hervorming van de eerste lijn, had als expliciete doelstelling te onderzoeken hoe het Impulsfonds kan worden aangewend om multidisciplinaire samenwerking tussen de diverse eerstelijnszorgaanbieders, inclusief de vroedvrouwen, te stimuleren in de huisartsenpraktijk. De werkgroep heeft zijn werkzaamheden beëindigd en aanbevelingen geformuleerd in de zomer van 2019. Die aanbevelingen zullen we nu bekijken in het kader van te ontwikkelen beleid ten overstaan van de werking van de huisartsenpraktijken.

Een van de mogelijkheden om de kwaliteit van de expertisecentra te borgen, bestaat erin die centra op te nemen als partner in de regionale zorgplatformen. Deze piste wordt op dit ogenblik onderzocht via de pilootprojecten inzake regionale zorgplatformen waarnaar ik daarnet heb verwezen.

De heer De Reuse heeft het woord.

Minister, dank u wel voor uw antwoord. De studie wijst inderdaad ook op een internationale trend inzake kwaliteit en zorg, maar ik denk dat het ook belangrijk is dat wij oog hebben voor onze eigenheid en voor onze visie op basiszorg en op de nabijheid daarvan. Voor ons is de moeder-kindzorg toch echt wel basiszorg, iets dat heel nabij moet blijven.

U verwijst ook naar de regionale zorgstrategische plannen, die vanaf 1 januari 2021 zullen moeten worden gevalideerd. Die moeten natuurlijk ook een draagvlak hebben. Dat is ook heel belangrijk. Ook de materniteit en het hele bevallingsgebeuren vallen natuurlijk onder dat draagvlak. Gelukkig zegt de studie niks over het ontbreken van kwaliteit door deze of gene norm. Ook dat mogen we niet uit het oog verliezen. Anderzijds wijst de studie er natuurlijk ook op dat er in 2025 duizend bedden op overschot zullen zijn, vrij zullen zijn, leeg zullen staan. Ik denk dat het dan ook een taak is om binnen de netwerken een goede taakverdeling te vinden, een eigen organisatie. We hebben die netwerken ook die verantwoordelijkheid gegeven, qua organisatie, maar ook financieel, dus daar moeten ze zelf natuurlijk goed de rekening maken. Ik denk daarom dat het ook heel belangrijk is dat u in overleg gaat met die ziekenhuizen, om hen daarop te wijzen, en op de eventuele gevolgen. Ik hoor echter dat u momenteel nog niet zult ingrijpen, nu deze planning loopt. Ik wil toch nog eens vragen om zeker in overleg te gaan met die ziekenhuizen.

Mevrouw De Martelaer heeft het woord.

Minister, in deze kwestie moet de zwangere vrouw echt centraal staan en moeten de diverse zorgverleners errond onderling goed georganiseerd zijn.

Ik hoor in uw antwoord dat u hun toch een belangrijke sleutelrol gaat geven in het geïntegreerde prenatale zorgtraject. Gaat u hun financiële middelen dan herzien, als zij een speciale rol krijgen? Of zegt u dat ze met de middelen die ze nu hebben, ook de verdere trajecten moeten kunnen onderbouwen?

Mevrouw Sleurs heeft het woord.

Minister, ik betreur de heisa die er de voorbije twee weken was rond dit thema. Het was alsof plots alle kleinere materniteiten zouden sluiten, terwijl het natuurlijk een studie is die uitgaat van een zeer goed en belangrijk instituut. Wat wij eraan betreuren, is de eenzijdigheid. Er wordt een studie opgezet vanuit een bepaalde context en een bepaalde hoek, maar in de interpretatie naar de politiek wordt dat dan anders. Wij willen vanuit de N-VA wijzen op het belang om dat van onderuit te bekijken, samen met die netwerkvorming en – zoals u zelf aangeeft – ook samen met de zorgstrategische plannen.

Moeder-kindzorg is basiszorg. Dat moeten we blijven benadrukken. Er zijn inderdaad ook wel materniteiten die genoemd worden die onder andere een goede eerstelijnszorg hebben met een uitgebouwd vroedvrouwennetwerk. Onze oproep is om dat alles samen te bekijken met de zorgstrategische plannen en de netwerkvorming. Het is natuurlijk een voornamelijk federale materie, maar we moeten daar vanuit Vlaanderen heel nauw op toezien, zodat de patiënt centraal staat, zodat de zwangere vrouw centraal staat, zodat de moeder-kindzorg centraal staat, samen met de goede eerstelijnszorg, en dat we onnodige paniekreacties zoals we nu hebben gezien, achterwege kunnen laten.

Mevrouw Saeys heeft het woord.

Het gaat hier inderdaad over een studie van het KCE. Het is geen beslissing. Daar is nogal wat verwarring over geweest. Het zullen inderdaad de netwerken zijn die intern moeten kijken welke materniteiten ze behouden en welke niet.

De gezondheidszorg staat voor belangrijke uitdagingen. Als er verspillingen van middelen zijn, moeten we die absoluut bekijken. Een materniteit waar zeer weinig bevallingen gebeuren – we zien dat ook bij operaties: hoe meer operaties je als chirurg uitvoert, hoe beter je wordt. En als er weinig bevallingen gebeuren, kan dat ook ten koste gaan van moeder en kind. Daar moeten we dus ook zeker en vast rekening mee houden.

Het moet sowieso vanuit het terrein komen. Daar moeten ze bekijken welke factoren er allemaal meespelen. En zij zullen uiteindelijk moeten zien welke diensten zij wel nog aanbieden en welke niet.

Minister Beke heeft het woord.

Minister Wouter Beke

Collega’s, ik denk dat overleg hier op zijn plaats is. Zoals ik gezegd heb, zijn er twee belangrijke zaken waar we nu voor staan, namelijk de erkenning van de netwerken die we gaan doen en de zorgstrategische plannen. Het overleg met en tussen de ziekenhuizen over het aanbod zal in het kader van die zorgstrategische plannen gebeuren. Ik hoop dat dat van onderuit en op een goede manier kan gebeuren. Paniekreacties zijn niet nodig. Het is een interessante studie om dat onderlinge debat en dat overleg te stofferen, maar als we kijken naar de toekomst van onze ziekenhuizen en het aanbod dat we moeten doen, zal het wel over meer gaan dan alleen dat. De materniteiten zijn daarbij niet hetgeen dat als eerste of als enige aan bod moet komen. Ik denk dat een goede zorgstrategische planning, met de vraag ‘welk aanbod kunnen we geven in een goede afstemming, zodat we breed dekkend zijn in de regio’, belangrijk is, ook voor de toekomst.

De heer De Reuse heeft het woord.

Ik hoor van iedereen dat moeder-kindzorg basiszorg is. Dat is alvast een heel goed uitgangspunt van iedereen die hier zit.

Uw voorzitter, minister, verwoordde het heel wat duidelijker. Voor hem is het onaanvaardbaar dat er materniteiten zouden worden gesloten. Hij ziet ook geen enkele aanwijzing dat dat zou moeten gebeuren. Ik hoop dat u eens goed kortsluit met uw voorzitter. U zegt zelf ‘nog niet ingrijpen’ en ‘we zullen afwachten’. Daarom doe ik nog eens een duidelijke oproep: overleg met de ziekenhuisnetwerken en zorg er inderdaad voor dat ze goed begeleid worden, zodat er geen materniteiten moeten sluiten.

Mevrouw De Martelaer heeft het woord.

Minister, ik heb twee opmerkingen.

Overleg met uw federale collega is heel belangrijk, maar ik vraag mij af of er wel interministeriële conferenties georganiseerd kunnen worden, zolang er geen Federale Regering is.

Wat de positie van de expertisecentra kraamzorg betreft, heb ik niet direct een antwoord gekregen op mijn vraag.

Minister Wouter Beke

Wij zijn in volle afwachting van de bevalling van een nieuwe Federale Regering, om in de terminologie te blijven. (Gelach. Opmerkingen van Koen Daniëls)

Wordt het een ezelsdracht? Daar ga ik niet verder op ingaan, maar wat interministeriële conferenties betreft, moeten we afwachten. Wij bereiden alleszins een aantal dossiers voor.

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is gesloten.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.