U bent hier

Vrijdag 10 april zijn de website en de webservices niet beschikbaar

Op vrijdag 10 april zijn de website www.vlaamsparlement.be en de webservices niet beschikbaar.
Er is een technisch onderhoud van alle informaticasystemen.
De werken starten om 07:00u en duren tot 09:00u.
Om de impact van de onderhoudswerken te beperken, vindt het onderhoud ’s ochtends vroeg plaats.
Onze excuses.

De heer Laeremans heeft het woord.

Uit cijfers van Katholiek Onderwijs Vlaanderen, gepubliceerd op 9 januari 2020, blijkt dat in het schooljaar 2018-2019 in het secundair onderwijs 18.086 leerlingen in januari – dus als gevolg van de studieresultaten van het eerste trimester – van studierichting veranderden. Op een totaal van ongeveer 430.000 leerlingen is dat zo’n 4,2 procent of toch 1 op 23 leerlingen. Of dit veel of weinig is, is moeilijk te zeggen, want er zijn geen referentiecijfers om mee te vergelijken, aangezien het de eerste keer is dat dit netoverschrijdend voor heel Vlaanderen werd geanalyseerd.

Blijkbaar zitten toch veel leerlingen bij het begin van het schooljaar in een verkeerde richting. In de eerste graad zou dit te wijten kunnen zijn aan de keuze tussen de A- en B-stroom. Een aantal leerlingen dat een diploma van de lagere school haalde maar met de hakken over de sloot – bijvoorbeeld met 55 procent –, gaat toch naar de A-stroom, terwijl ze misschien beter in de B-stroom zouden zitten omdat ze niet sterk genoeg zijn.

Met het nieuwe systeem dat vanaf dit schooljaar in werking is getreden, moeten zij naar de A-stroom. De ouders mogen er niet meer voor kiezen om hun kinderen in een B-stroom te zetten omdat ze nog niet rijp of te zwak zijn. Als ze in de A-stroom zitten en niet kunnen volgen, dan schakelen ze soms over naar 1B. We zullen moeten afwachten – als dit volgend jaar opnieuw wordt gemeten – of dit enig effect heeft.

In de latere jaren zien we die januariveranderingen vooral in het derde jaar, waarbij leerlingen van het algemeen secundair onderwijs (aso) kiezen voor een lichtere richting binnen aso of overstappen naar het technisch secundair onderwijs (tso). Ook in het vijfde jaar veranderen veel leerlingen die in richtingen zitten met veel wetenschappen en wiskunde naar andere richtingen waar deze vakken minder sterk aan bod komen. Dat heeft vaak te maken met het advies van de klassenraad, bijvoorbeeld na het vierde jaar. Soms raadt men een leerling aan om geen Wetenschappen-Wiskunde te doen, omdat dit dan minstens zes uur wiskunde of, voor de heel goeden, acht uur wiskunde betekent, terwijl de leerling in het vierde jaar bijvoorbeeld maar 51 of 52 procent haalde voor wiskunde. Dat is geen basis om die richting te volgen. Maar ja, er zijn ouders die zeggen dat hun kind ingenieur of dokter moet én zal worden. Die leerlingen moeten dan Wetenschappen-Wiskunde doen omdat de ouders dat ook hebben gedaan. We komen dat heel vaak tegen, en dan zien ze met Kerstmis dat het toch niet haalbaar is in het vijfde jaar en dat ze liever kiezen voor een overstap dan een C-attest te riskeren op het einde van het vijfde jaar.

De overstap naar tso en beroepssecundair onderwijs (bso) gebeurt soms ook te langzaam, omdat er nog altijd – ten onrechte – een negatief imago aan vasthangt. Een kind mag absoluut niet naar het beroeps of het technisch onderwijs omdat dat minderwaardig zou zijn. Wij probeerden daar altijd tegen in te gaan, maar het is moeilijk om die ouders daarvan te overtuigen. Wij vinden wel dat het heel belangrijk zou zijn om een positieve campagne te houden voor tso en bso en een opwaardering te bewerkstelligen.

Minister, hoe evalueert u deze cijfers? Vindt u het zinvol om dit onderzoek de komende jaren te herhalen, om de impact van de vernieuwde eerste graad te kunnen vaststellen? Zullen de door de u aangekondigde gestandaardiseerde proeven ook mee bepalend zijn voor de school- en studievoortgang? Of heeft dat er niets mee te maken en is dat alleen maar om het algemene niveau van kinderen vast te stellen, zonder dat dat gevolgen heeft voor de schoolloopbaan? Welke initiatieven zult u daaromtrent nemen?

Mevrouw Goeman heeft het woord.

Minister, tijdens het schooljaar 2018-2019 veranderden ongeveer 18.000 Vlaamse middelbare scholieren nog tijdens het schooljaar van studierichting. Dat is ongeveer 4 procent van het totale aantal leerlingen in het secundair onderwijs. Tot 15 januari 2019 konden leerlingen nog van studierichting veranderen. Ongeveer de helft veranderde van studierichting binnen dezelfde onderwijsvorm. Het andere merendeel stapte over naar een onderwijsvorm die in de perceptie, en wat ons betreft volledig ten onrechte, vaak als ‘lager’ wordt geïnterpreteerd.

Voor ons toont dat vooral aan dat het watervalsysteem in het secundair onderwijs nog heel erg ingebakken zit in de hoofden van ouders en leerlingen, ondanks de modernisering die is doorgevoerd. Met sp.a hebben we telkens voor een andere aanpak gepleit. In het onderwijs moeten we veel meer aandacht proberen te hebben voor de talenten en interesses van leerlingen. Volgens ons helpt een brede eerste graad jongeren om die te ontdekken, om daarna door te stromen naar verschillende richtingen, die dan ook als gelijkwaardig worden behandeld. Het is heel belangrijk dat jongeren binnen het onderwijs worden georiënteerd op basis van wat ze kunnen en niet op basis van wat hun ouders graag zouden zien dat ze met hun leven doen, en dus zeker niet op basis van een hiërarchie van studierichtingen. Voor ons heeft heel die hervorming van het secundair onderwijs echt wel de kans gemist om net dat hiërarchisch denken uit ons onderwijs te halen.

Minister, hoe interpreteert u die cijfers? Welke acties gaat u als minister ondernemen om ervoor te zorgen dat jongeren kiezen op basis van hun talenten, in plaats van op basis van maatschappelijke verwachtingen en hiërarchie? Hoe gaat u ervoor zorgen dat leerlingen beter worden georiënteerd naar een studierichting die echt bij hen past?

Minister Weyts heeft het woord.

Minister Ben Weyts

Vooraf wil ik duiden dat studieveranderingen en/of heroriënteringen geen nieuw fenomeen zijn. Ik heb de cijfers opgevraagd van alle netten en koepels. De cijfers die worden vermeld, zijn, voor alle duidelijkheid, die van het Katholiek Onderwijs Vlaanderen, die er dan ook nog eens een aparte analyse op heeft losgelaten. Uit cijfers van de administratie blijkt dat dat cijfer de afgelopen drie jaar redelijk stabiel is. Er wordt gewag gemaakt van 3,7 procent. Het schommelde altijd rond de 3,5 procent.

De redenen voor een studieverandering tijdens het schooljaar kunnen natuurlijk zeer verschillend zijn: de leerling stelt vast dat de gekozen studierichting niet aansluit bij zijn interesses of talenten, of dat de keuze gebaseerd is op onvolledige of onjuiste informatie. Ik ben het ermee eens dat de studiekeuze van leerlingen niet bepaald mag worden door de hiërarchie in de maatschappelijke appreciatie voor de onderwijsvormen. Dat was net een van de knelpunten die op tafel lagen in het kader van de modernisering van het secundair onderwijs. De doelstelling was om dat aan te pakken. Maar ik wil ook de kritiek op die zogenaamde waterval enigszins nuanceren met inzichten uit SONO-onderzoek (Steunpunt voor Onderwijsonderzoek), waaruit blijkt dat hoog mikken, een strategie die vaak gebruikt wordt bij studiekeuze, toch een beperkt positief effect kan hebben op schoolse prestaties en ook op wat men het ‘academisch zelfconcept’ noemt, de perceptie die een leerling heeft van zijn eigen schoolse kunnen door zich te vergelijken met zijn omgeving. Het is niet dus altijd slecht om hoger te mikken.

Ik denk dat we er vooral voor moeten zorgen dat leerlingen en hun ouders keuzevaardiger worden door hen meer inzicht te geven in de eigen mogelijkheden van de leerling, in de studiemogelijkheden en in de arbeidsmarkt.

Vooral via kwaliteitsvolle onderwijsloopbaanbegeleiding kan een school een leerling ondersteunen om voldoende zelfkennis te ontwikkelen en de juiste keuzes te leren maken. Met de hervorming van de leerlingenbegeleiding zijn scholen sinds 1 september 2018 verplicht om een beleid inzake leerlingenbegeleiding te hebben – waarvan onderwijsloopbaanbegeleiding een onderdeel is – en daarover ook concrete afspraken te maken met het centrum voor leerlingenbegeleiding (CLB).

In het kader van de modernisering van het secundair onderwijs hebben we ook enkele gerichte maatregelen genomen om het probleem aan te pakken. Denk maar aan het versterken van de oriënterende functie van de eerste graad en dus de getrapte studiekeuze, die reeds na het eerste jaar start.

We vinden net dat het de doelstelling moet zijn van het onderwijs om zo snel mogelijk de onderscheiden talenten van elk kind te kunnen detecteren, en er vervolgens ook voor te zorgen dat die talenten specifiek worden aangeboord. Net daarom is er die getrapte studiekeuze.

Ook de nieuwe indeling van het studieaanbod van de tweede en derde graad van het secundair onderwijs moet zorgen voor meer transparantie. Daarom zeggen we ook dat de finaliteit van elke studierichting voor leerlingen en ouders glashelder moet zijn, zodat je zicht hebt op het volledige curriculum. Daarom wil ik ook dat we één overzichtelijke, eenvoudige en uniforme tabel introduceren voor het studieaanbod, van het eerste tot het laatste leerjaar van het secundair onderwijs.

Een belangrijk element in dit hele verhaal is de rol van de klassenraad. Wat mij betreft gaat het om de determinerende rol van de klassenraad op het vlak van leerlingenevaluatie en -oriëntering. Dat een leerling vandaag van rechtswege van studierichting kan veranderen tot 15 januari van het lopende schooljaar strookt daar niet echt mee. Vandaag heeft de leerling voor die studieverandering geen beslissing van een klassenraad nodig, terwijl ik dat dat absoluut nodig zou vinden.

Als we echt vertrouwen willen geven aan de leerkrachten, aan diegenen die beschikken over de expertise, dan moeten we dat ook doen. Ik wil daarom bekijken of we de maatregel die al genomen is in de eerste graad, met name dat een studieverandering tijdens het schooljaar enkel mogelijk is na een gunstige beslissing van de toelatingsklassenraad, kunnen doortrekken naar de hogere leerjaren. Die beslissing gebeurt dan op grond van een evaluatie van de klassenraad. Het zou altijd de klassenraad moeten zijn die beslist over een studieverandering tijdens het schooljaar, in alle jaren van het secundair onderwijs.

Met de invoering van de gevalideerde, gestandaardiseerde en genormeerde proeven willen we in de eerste plaats de kwaliteit van ons onderwijs opvolgen en de vinger aan de pols houden over hoe het gesteld is met ons onderwijs. Daarbij willen we focussen op de leerwinst die wordt geboekt bij de leerlingen, en nagaan in welke mate de leerlingen de eindtermen bereiken. Daardoor kunnen we ook beschikken over informatie op het niveau van ons volledige onderwijssysteem, op schoolniveau én op individueel leerlingenniveau. Dat is natuurlijk zeer omvattend, en daarom willen we in de eerste plaats focussen op de leergebieden en vakken Nederlands en wiskunde.

Ik wil de resultaten van die proeven terugkoppelen naar de scholen, op leerling- en schoolniveau, en natuurlijk ook naar de overheid. Dat is een dubbele finaliteit. Enerzijds heb je scholen die informatie aanreiken, waarmee ze aan de slag kunnen gaan om hun interne kwaliteitscontrole kunnen versterken. Ze kunnen zichzelf een spiegel voorhouden, en daarmee aan de slag gaan.

Daarnaast wil ik die scholen die in vergelijking met andere vergelijkbare scholen onvoldoende leerwinst boeken, sneller kunnen detecteren, en ervoor zorgen dat die betrokken scholen dan kunnen instappen in een begeleidingstraject.

Het is niet de bedoeling dat die proeven bepalend zijn voor de studievoortgang op individueel niveau bij de leerlingen. Dat staat de scholen natuurlijk vrij, want zij organiseren diverse proeven. Scholen kunnen die resultaten meenemen in de globale eindbeoordeling van leerlingen, naast hun eigen evaluaties. Daar zijn ze autonoom in.

Dat de informatie uit dergelijke proeven een goede zaak kan zijn voor leerlingen, blijkt trouwens ook uit het Nederlandse onderzoek van professor van de Werfhorst. Op basis van dat onderzoek concludeerde men dat het gebruik van zulke proeven zorgt voor een meer gebalanceerde beoordeling van leerlingen, en zo ook bijdraagt tot gelijke onderwijskansen, wat toch een doelstelling is van velen in deze zaal.

De heer Laeremans heeft het woord.

Minister, dank u voor uw uitgebreide antwoord. Ik kan me zeker vinden in uw stelling dat hoog mikken ook positief kan zijn. Men moet ook niet te laag mikken. Belangrijk is dat we juist mikken, en dat we niet te hoog mikken, natuurlijk. Het is absoluut zo dat men zo snel mogelijk de eigen talenten moet aanboren. Ik heb al eerder gezegd dat de keuze wat ons betreft sneller had mogen komen dan na het eerste middelbaar, want meerdere kinderen in het zesde studiejaar zijn daar eigenlijk al klaar voor. Dat is nog iets anders dan de hoogbegaafden, maar ik vrees toch een beetje dat die begaafde leerlingen in dat eerste jaar misschien wel wat tijd zouden durven te verliezen. Maar goed, laten we evalueren als we de resultaten zien van die eerste graad.

U zegt dat u dan een glasheldere keuze zult laten maken, met één tabel voor de hele school, maar ik hoop dat u zo snel mogelijk al duidelijk zult maken aan diegenen die nu in het eerste jaar zitten wat ze kunnen doen en hoe hun traject er in het derde jaar uit zal zien. Daar is immers maar één schooljaar tussen. Ik hoop dat, ook al hebben we nog niet het volledige plaatje van vijf en zes, men toch al goed weet waar men naartoe gaat in drie en vier. Ik hoop dus dat die leerlingen en ouders in de loop van het tweede middelbaar weten wat ze mogen verwachten in het derde, want binnenkort zullen ze daar zitten. We mogen dat niet te lang voor ons uit schuiven.

Wat die overstap betreft: ik kan erin komen dat de klassenraad daar absoluut een gunstige beslissing in moet nemen. Op dit ogenblik wordt, als de klassenraad de kerstexamens bespreekt, vaak het advies gegeven dat een bepaalde richting echt niet geschikt is voor iemand, dat men hem aanraadt om voor 15 januari contact op te nemen met het CLB voor een gepaste studierichting enzovoort. Dat gebeurt heel frequent. Wij kunnen echter niet weten of bepaalde leerlingen die er wel door zijn, het idee hebben om van richting te veranderen. Als zij dan begin januari komen zeggen dat ze willen overschakelen, dan mag dat niet, want de klassenraad heeft daar niks over gezegd. Dan moeten de leerlingen dat eigenlijk al wel weten in december, en die eventuele overstap moeten ze dan ook aankondigen, want dan moet de klassenraad daar een gunstig advies voor geven. Anders worden die mensen misschien vergeten. Ik hoop dus dat u dat meeneemt wanneer u die zaken zou willen aanpassen.

Mevrouw Goeman heeft het woord.

Minister, dank u wel voor uw antwoorden. Wat mij natuurlijk interesseert, is dat hele watervaleffect, of dat nu in het midden of op het einde van het jaar is. U zegt dat het geen kwaad kan om hoog te mikken, maar wat ik vooral hoor, onder andere van de Vlaamse Scholierenkoepel, is dat het toch bijzonder nefast is voor leerlingen als ze het gevoel hebben dat ze daarna naar beneden moeten bijstellen. Dat brengt misschien een gevoel van falen en teleurstelling met zich mee, dat vaak heel slecht is voor de motivatie van leerlingen. De grote vraag is dus voor mij vooral: wat gaan we doen aan dat watervaleffect? Dan denk ik ten eerste dat we nog heel veel werk hebben op het vlak van ongelijkheid in het onderwijs. Ik heb hier de Diversiteitsbarometer van de KU Leuven en de UGent nog eens bekeken. Daaruit blijkt dat vrouwelijke leerlingen, leerlingen die hoog scoren qua socio-economische status (SES), leerlingen met de Belgische nationaliteit die thuis Nederlands spreken en leerlingen zonder schoolse vertraging op het einde van de leerjaren één tot en met vijf van het secundair onderwijs, een grotere kans hebben op een A-attest, en een lagere kans op een B- of C-attest. Dat geldt echter helaas ook omgekeerd.

Dus ik denk: inderdaad nog maar eens een aanmoediging, als we echt iets willen doen aan het watervaleffect om het gelijkekansenbeleid echt au sérieux te nemen. Ik neem aan, ik hoop, dat we deze legislatuur de kans gaan krijgen om daar nog uitgebreid over in discussie te gaan, want ik wil niet ontkennen dat er een discussie nodig is om te kijken hoe we die GOK-middelen zo efficiënt mogelijk kunnen inzetten.

Waar we ook iets moeten aan doen, is de perceptie. Het is hier al verschillende keren gezegd: er is nog altijd een soort maatschappelijke hiërarchie ingebakken in het hoofd van veel ouders inzake de beste richtingen met een verschil tussen aso, kunstsecundair onderwijs (kso), bso en tso. In die zin blijven we het een enorm gemiste kans vinden dat dat verschil er niet uit is gehaald. Dat is trouwens ook een heel expliciete vraag van bijvoorbeeld de Vlaamse Scholierenkoepel als een stap om die perceptie te keren.

Drie, u legt zeer terecht de vinger op de wonde inzake het feit dat oriëntatie an sich een probleem vormt. Daar moeten we zeker nog veel verder werk van maken. Ik ben blij dat u dat alvast als prioriteit benoemt, maar ik ben niet heel zeker dat die aanpak de juiste is. Voor mij is het heel duidelijk: een 12-jarige weet nog niet wat hij wil worden. Mijnheer Laeremans, ik ben zeer benieuwd om de voorbeelden te horen van 12-jarigen die al heel duidelijk weten waar ze met hun leven naartoe willen. Ik zal eerlijk zijn, ik ken er geen. (Opmerkingen van Jan Laeremans)

Ik weet niet uit wat voor milieu u komt, maar in Brussel is dat in ieder geval een totaal andere realiteit. Allez! 12 jaar! Dan weet je toch nog niet of je computeringenieur, leerkracht of kok wilt worden. (Rumoer)

U verwacht dat mensen op 12 jaar eigenlijk al een keuze maken tussen aso, bso en tso. Ik vind dat niet de juiste insteek. Dat is altijd ons uitgangspunt geweest: een brede eerste graad, kinderen die zelf hun talenten ontdekken en niet de ouders – dat hebt u correct gezegd – die vandaag vaak de knoop doorhakken op basis van maatschappelijke perceptie, wat, als kinderen niet meekunnen, tot teleurstellingen leidt als ze moeten afzakken.

Dan willen wij een oriënteringstraject vanaf het derde middelbaar. Ik hoor dat u daarover wilt meedenken. Het idee van gevalideerde, gestandaardiseerde testen zou daar een instrument kunnen zijn om inderdaad een traject af te leggen – doordacht – met leerlingen, om die vaardigheden in kaart te brengen om zo tegen het eind van het secundair een heel duidelijk beeld te hebben van wat iemand kan en wil.

De heer Brouns heeft het woord.

Mevrouw Goeman, u weet toch ook dat het masterplan van 2013 aan de basis lag van de modernisering die nu nog uitgerold moet worden. Ik zou zeggen: geef het alle kansen. Het heeft tot doel om te komen tot een betere en sterkere oriëntering van leerlingen. Dat is het doel van heel die modernisering. Wij verwachten daar het nodige heil van wat het watervalsysteem betreft.

Als dan uiteindelijk een heroriëntering nodig zou zijn voor een bepaalde groep, is dat voor ons geen vies woord. Als dat in het teken staat van de ontwikkeling van elk kind, kan dat gerust.

De heer Daniëls heeft het woord.

Dit is een vraag die de volledige cirkel van onderwijs begint te maken.

Ik wil nog wat elementen toevoegen en wat zaken duidelijk maken. De vraag van de heer Laeremans begon met het basisonderwijs. De collega’s van sp.a beweren hier dat we moeten wachten tot in het secundair onderwijs voordat leerlingen met alles in contact mogen komen. Alsjeblieft! Laat ons in het basisonderwijs ook al – en sterker – wetenschap en techniek op de agenda zetten. Vandaag hoor ik nog altijd dat wereldoriëntatie gegeven wordt en dat daar alles in verpakt zit, verstopt zit. Dan vraagt men zich af waarom leerlingen niet kiezen voor wetenschap en techniek. Ja, omdat het verstopt zit! We benoemen het niet eens. We hebben het in het decreet al uit elkaar gehaald, maar toch blijft het verstopt zitten.

We hebben leerlingen met een getuigschrift basisonderwijs. Dat woord zegt wel iets. Het is een getuigschrift basisonderwijs, geen aanwezigheidsattest basisonderwijs. Dat is een belangrijke oproep naar onze scholen lager onderwijs: dat een getuigschrift getuigt dat die leerling de basisdoelen onder de knie heeft.

We kunnen hier van alles over zeggen: het zijn er te veel of te weinig die heroriënteren. Maar ze heroriënteren wel. Het advies van de klassenraad wordt door heel wat van die leerlingen gevolgd. We kunnen dat die leerlingen nu toch niet verwijten. Ik heb er zo heel veel in mijn klas gehad die het geprobeerd hebben en hard hun best hebben gedaan, maar voor wie het niet lukte.

Mevrouw Goeman, u hebt het over computeringenieur of verpleger. Dan moeten we de studiekeuze uitstellen tot 18 jaar, en sommigen moeten hun partnerkeuze dan uitstellen tot hun 40 jaar. Dan kies je nooit. Als u mij vandaag zou vragen of ik hetzelfde zou studeren in het hoger onderwijs, dan weet ik dat niet. Misschien zou ik Rechten studeren, misschien zou ik voor ingenieur studeren of misschien zou ik voor Geneeskunde kiezen. Zou ik Pedagogische Wetenschappen opnieuw kiezen? Ik weet het niet. Maar op een bepaald moment moet je beginnen te werken in een bepaalde richting. Dus, na het eerste jaar secundair onderwijs wordt de basisoptie gekozen. En neen, het is geen brede eerste graad. Stop daar alsjeblief mee, want anders zeg je tegen het veld dat ze alweer moeten stoppen met datgene waarmee ze net zijn gestart. Het veld vraagt één ding: rust! We hebben nu een keuze gemaakt en we gaan daarop verder.

U zegt dat leerlingen bepaalde richtingen niet halen of dat het niet lukt, en u hebt het zelf gezegd: anderstaligen. Als we dan spreken over een taalbad, dan roept u het hele parlement samen dat dit een schande is. Maar het is wel iets concreets om ervoor te zorgen dat leerlingen die de talenten hebben, net wel die meer abstracte richtingen met een meer abstracter Nederlands taalgebruik aankunnen. Laat ons daar echt op inzetten en stoppen met de termendiscussie, want dat brengt niets op.

Minister Weyts heeft het woord.

Minister Ben Weyts

Het is inderdaad niet zo dat men nu al op 12 jaar moet kiezen of men loodgieter wordt dan wel luchtmachtpiloot. Daar gaat het niet over. Via de getrapte studiekeuze kunnen we ervoor zorgen dat er een onderscheid is, dat men kan kiezen tussen een doorstroomrichting en een richting met dubbele finaliteit of met arbeidsmarktfinaliteit.

Daarom vinden we het ook belangrijk om kinderen zo snel mogelijk kennis te laten maken met de verschillende mogelijkheden. In het basisonderwijs tot en met zelfs in het kleuteronderwijs proberen we enige aandacht te hebben voor STEM, waarbij ik aan het afnemende veld vraag om zelf meer naar de scholen te trekken. Dat moeten geen voorbeelden zijn van geslaagde bedrijfsleiders, maar ze moeten tonen wat jonge mensen die een STEM-opleiding hebben gevolgd, doen in het bedrijfsleven en welk traject ze hebben gevolgd. Leerlingen moeten daar een duidelijk zicht op krijgen.

Het is misschien ook belangrijk om afscheid te nemen van de terminologie van het watervalsysteem. Het gaat gewoon over de juiste studiekeuze maken. Daarvoor kan het helpen dat men de mogelijkheden zoveel mogelijk leert kennen alsook waarnaar studieopleidingen specifiek leiden.

Ik wil nog een kanttekening maken. Misschien zijn deze cijfers niet zo negatief, want uiteindelijk maakt men dan toch wel hopelijk de juiste keuze. Men heeft wel de moed om te veranderen, wat niet simpel is. Het gemakkelijkste is om niet te kiezen en te blijven zitten. Als dat cijfer zelfs nog een beetje oploopt, weet ik niet of dat zo negatief is. Men wordt dan toch gestimuleerd of men neemt de adviezen van de klassenraad dan toch ter harte en handelt ernaar om een keuze te maken.

Mijnheer Laeremans, u hebt gelijk dat we duidelijk op voorhand moeten communiceren als we de regels wijzigen voor de tweede en derde graad, zodat men weet welke mogelijkheden er zijn om nog van studiekeuze te kunnen veranderen of niet. Dat moet ook opgenomen zijn in het schoolreglement zodat het duidelijk wordt vanaf dag één.

De heer Laeremans heeft het woord.

We zijn er absoluut voorstander van om leerlingen in het zesde studiejaar van de lagere school al zoveel mogelijk kennis te laten maken met wat hen te wachten staat in de volgende jaren, want ze moeten toch al in het eerste jaar een keuze maken, al is het maar voor een bepaald aantal uren.

Het gaat snel, dus men moet dat zeker in de lagere school gaan promoten. Er is wel degelijk al een pak kennis aanwezig bij die kinderen. Die weten ook vaak al of ze veeleer dit of veeleer dat willen gaan doen. Iemand die bijvoorbeeld echt graag iets met talen wil gaan doen, moet dat toch ter harte kunnen nemen? Wij wisten in het zesde studiejaar ook: die gaat Latijn doen en die gaat naar het beroeps. Er was bij ons toen helemaal geen sprake van een negatieve keuze, dat het ‘maar’ beroeps was.

We kunnen natuurlijk beslissen om het woord ‘waterval’ niet meer te gebruiken, maar op zich is dat geen negatief woord. In de toeristische sector gaat iedereen graag naar watervallen kijken. Dat is mooi, in de natuur. Je komt daardoor automatisch op een andere plek terecht. (Opmerkingen)

Er hangt een negatieve connotatie aan, maar wij vinden dat geen lager niveau. Het is anders. Wij vinden nog altijd dat het beroeps- en technisch onderwijs een boost moeten krijgen en moeten worden opgewaardeerd. De leerlingen moeten fier zijn dat ze daarin zitten. Die mentaliteit zou best mogen veranderen.

Het watervaleffect is vandaag gewoon een realiteit. Ik citeer uit het standpunt van de Vlaamse Scholierenkoepel, die er toch iets dichter bij staat dan ik: “Leerlingen kiezen meestal voor een richting binnen het aso. Zo hebben ze het gevoel de meeste opties open te houden. Vaak gebeurt dit onder druk van ouders en leerkrachten. Meestal veranderen leerlingen pas naar bso- of tso-richtingen als er problemen opduiken.” Voor mij illustreren de cijfers die we hier vandaag hebben aangekaart, net dat probleem. Mijn enige oproep vandaag is om dat probleem au sérieux te nemen en daar iets aan te doen.

Basisonderwijs is voor mij basisonderwijs. Daar krijgen leerlingen allemaal samen een allround opleiding. Er wordt de hele tijd benadrukt hoe belangrijk kennis is. En dat is voor mij ook een van de belangrijke taken van het basisonderwijs: om kinderen een basiskennis bij te brengen als het gaat over biologie, taal, wetenschap, en om inderdaad een eerste keer een aantal talenten en vaardigheden in kaart te brengen, op basisniveau. Daarna gaan we naar het secundair onderwijs, waar we een versnelling hoger schakelen en waar kinderen vooral zelf in staat moeten zijn om een eerste keuze te maken. We zullen het er nooit over eens zijn, maar wat dat betreft, vind ik de hervorming gewoon niet verregaand genoeg. Het eerste jaar, waarbij je nog een breed pakket samen hebt en een beetje specialisatie, en daarna een tweede jaar, waar je toch al duidelijk in een traject wordt gestopt, dat is een gemiste kans. We gaan die discussie niet overdoen. Er lagen plannen op tafel, zelfs toen we samen in de regering zaten, mijnheer Daniëls. En toen hebben jullie ze getorpedeerd. Oké, het is gepasseerd, maar ik zal dat eeuwig spijtig blijven vinden.

Ik vind het ook vreemd, minister, dat u hier oproept om afscheid te nemen van het jargon ‘watervaleffect’. Ik wil dat gerust doen, maar het punt is net dat wij het heel jammer vinden dat er destijds geen afscheid is genomen van de termen aso, tso en bso, want die zijn daarmee verbonden. Die perceptie is daarmee verbonden.

Tot slot, mijnheer Daniëls, zou ik willen dat u stopt met mij woorden in de mond te leggen. Ik ben helemaal niet tegen een doorgedreven taalbeleid. Taal is belangrijk. Kennis van het Nederlands is belangrijk. We zien dat er een duidelijk verband is tussen taalachterstand en leerachterstand. Het enige wat ik altijd heb gezegd, is dat ik tegen aparte taalbadklassen ben. Maar taaltrajecten vind ik een zeer goed idee.

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

De plenaire vergadering en de commissievergaderingen zijn in principe openbaar, tenzij anders vermeld. 

U wil een vergadering bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.