U bent hier

De heer Van Rooy heeft het woord.

De Vlaamse regeringspartijen hebben in het regeerakkoord afgesproken de samenwerking met Unia te stoppen aan het einde van de lopende samenwerkingsovereenkomst en die samenwerking te vervangen door een eigen Vlaams gelijkekansencentrum dat werkt op basis van de antidiscriminatiewetgeving en dat de opdrachten van Unia en de Genderkamer van de Vlaamse Ombudsdienst bundelt. Dat gelijkekansencentrum zou zich inschakelen in een interfederaal mensenrechtenmechanisme.

Ter gelegenheid van een gedachtenwisseling in de commissie Binnenlands Bestuur gisteren naar aanleiding van het jaarverslag 2018 van Unia opperde Unia-directeur Els Keytsman dat Unia en het nieuw op te richten Vlaams gelijkekansencentrum het best hetzelfde gebouw zouden delen, maar dit roept toch vragen op in verband met de toekomstige verhoudingen tussen dat nieuwe gelijkekansencentrum en Unia.

Op welke manier zullen het Vlaamse gelijkekansencentrum, de regionale afdeling van het nieuwe federale mensenrechteninstituut en Unia samenwerken? Wat zal die samenwerking precies inhouden?

Deelt u de ambitie van Els Keytsman om het nieuwe Vlaamse gelijkekansencentrum de gebouwen te laten delen met Unia en met de regionale afdeling van het nieuwe federale mensenrechteninstituut? Welke initiatieven neemt u in verband met de oprichting van het nieuwe gelijkekansencentrum en de verhouding tot Unia en wat is de timing daarvoor?

Mevrouw Groothedde heeft het woord.

Minister, ook mijn vraag is eerder institutioneel. Ze was eerst als interpellatie ingediend, maar ik zal proberen ze als vraag te formuleren.

Bij de hoorzitting over het jaarverslag van Unia heb ik een aantal vragen gesteld die ik eigenlijk eerder ook al aan u gesteld had. Daar zijn soms antwoorden op gekomen, maar vaak ook bijkomende problemen bij geformuleerd. Ten eerste geeft u regelmatig aan dat u graag zou willen dat het nieuwe Vlaamse gelijkekansencentrum de status heeft van een mensenrechteninstituut. Klopt het echter dat er maar een mensenrechteninstituut per staat kan bestaan? Op welke manier ziet u dat dan?

Ten tweede hebt u ook het voornemen aangegeven dat u dat mensenrechteninstituut graag met een A-status zou oprichten, maar volgens Unia, zo werd tijdens die hoorzitting gezegd, is het heel erg moeilijk om zo’n A-status verkrijgen, alleen al door de staatsstructuur in België. Op welke manier wenst u dat dus aan te pakken?

Ten derde hebben we het al gehad over de eenloketfunctie van Unia, die het toch wel heel laagdrempelig maakt om op dit moment aangifte te doen, die ook voor de Nederlandstalige Brusselaars heel handig is, omdat zij dan niet zozeer in het federale kluwen betrokken worden van bevoegdheden, competenties, grenzen tussen gewesten en gemeenschappen. Unia geeft zelf aan dat die eenloketfunctie op dit moment al te gecompliceerd is om in ere te houden en het zegt dat het nog een heel pak moeilijker wordt als ze er bovendien rekening mee moeten houden dat er een ‘Vlaamse Unia’ is. Op welke manier ziet u het in stand houden van die eenloketfunctie, als het nu al dermate gecompliceerd is? Indien dat eenloketfunctieprincipe verlaten wordt, wordt het dan niet een heel pak moeilijker voor de burgers zelf om aangifte te doen? Ze moeten dan in het kluwen van bevoegdheden zelf de instelling zoeken. Dat geldt extra voor de Nederlandstaligen in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, ook Nederlandstaligen die zich toevallig in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest ophouden ten andere.

Ik kom dan ook specifiek bij de Brusselse burger. Wij zitten hier in de meest kosmopolitische democratische stad ter wereld. In totaal behandelt Unia 718 gevallen in het Vlaamse Gewest en 398 gevallen in Brussel. Dat is dus bijna 400, veel meer dan de helft voor heel Vlaanderen. Op dit moment is die eenloketfunctie dus heel belangrijk voor de Nederlandstalige Brusselaars en de Brusselaars in het algemeen. Bij mijn vorige vraag kon u eigenlijk geen antwoord bieden op welke manier we de Brusselaars daarbij gingen betrekken, hoe we die problemen gingen oplossen. Unia heeft nu ook geen antwoord. We dreigen dus met de uitstap uit Unia het Belgisch labyrint nog maar eens een moeilijker hoekje te geven. Op welke manier gaan we Nederlandstalige Brusselaars en iedereen die met discriminatie te maken heeft binnen de bevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschap, een antwoord kunnen bieden?

Wat de representatie betreft van Nederlandstaligen voor Gelijke Kansen, is het zo dat de taalpariteit Franstalig-Nederlandstalig in de beheersstructuren van Unia door de uitstap uit Unia in het gedrang komt, terwijl Unia wel op heel veel vlakken bevoegd blijft en dus invloed zal hebben op Nederlandstaligen, op Vlamingen en op Nederlandstalige Brusselaars. Op welke manier wilt u de paritaire inspraak van Nederlandstaligen garanderen in Unia, als Vlaanderen er is uitgestapt?

Een zesde punt – nogmaals, mijn vraag was ingediend als interpellatie …

Mevrouw Groothedde, ik wil even tussenkomen. Uw vraag was inderdaad ingediend als interpellatie, maar gelet op de antwoorden die de minister op voorgaande vragen gegeven heeft en de engagementen die aangegaan zijn naar verder onderzoek en verdere onderhandelingen met Unia, meenden wij dat dit niet zwaarwichtig genoeg was als interpellatie. Met ‘wij’ bedoel ik ‘ik’.

Voorzitter, ik zal proberen om dat niet persoonlijk te nemen. Ik gaf gewoon uitleg over de lengte van mijn vraag.

Unia vervult vele rollen en treedt op bij vele discriminatiegronden. Het heeft dat ook uitgelegd in de hoorzitting. Unia geeft informatie maar biedt ook preventie, levert beleidsvoorbereidend werk, treedt op bij discriminatie, bemiddelt en treedt zelf ook in rechte. Vlaanderen kan van al dat werk genieten voor 10 procent van de bijdrage aan Unia. Minister, op welke manier denkt u ervoor te kunnen zorgen dat al die expertise en al die diensten, gegarandeerd zullen kunnen worden voor 10 procent van de kosten? Of zullen we gewoon een heel duur nieuw instituut hebben om hetzelfde te doen als Unia vandaag?

Ten slotte wil ik het een beetje breder opentrekken. Unia vertegenwoordigt ons land, en dus ook Vlaanderen, in verschillende Europese en internationale instellingen. Unia geeft zelf aan dat het heel veel haalt uit deze internationale vertegenwoordiging, maar wordt op zichzelf ook geapprecieerd als zwaarwegende stem aan de tafel. Het biedt veel expertise. Ons land heeft een voortrekkersrol wat gelijke kansen, discriminatie en mensenrechten betreft aan de Europese en internationale tafel en het is een belangrijke partner inzake democratie, de mensenrechten en gelijke kansen. Juist op dit moment is die stem dus belangrijk.

Er is echter slechts één vertegenwoordiger per staat mogelijk in die internationale gremia. Ofwel zal Unia dus zijn stem aan de tafel behouden, wat inhoudt dat Vlamingen en leden van de Vlaamse gemeenschap mogelijk minder vertegenwoordigd worden, ofwel zal Unia zijn stem niet behouden en dreigen Vlaanderen, Brussel en België de verrijking van die internationale gremia te missen. Op welke manier wenst u dat op te vangen, minister?

Ik concludeer dat dit toch wel een heel dure beslissing dreigt te worden, met een extra instituut, terwijl we eveneens dreigen heel veel services en informatie aan de burgers mis te lopen.

Minister Somers heeft het woord.

Minister Bart Somers

Mevrouw Groothedde, u bent zo somber. Laat me beginnen met een kleine randopmerking. U vraagt hoe dat gaat gebeuren als er verschillende organen in ons Belgisch staatsbestel internationaal vertegenwoordigd moeten worden, zoals dat altijd gebeurt. Ik ben vorige week donderdag en vrijdag naar de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) gegaan en ik zat daar namens de Belgische staat in haar totaliteit. Dat verloopt volgens een beurtsysteem waarbij door middel van interkabinettenwerkgroepen (IKW’s) gemeenschappelijke standpunten bepaald worden. Als men niet tot een gemeenschappelijk standpunt kan komen, onthoudt de Belgische Staat zich en duidt ze de standpunten van de deelentiteiten. Het is heel vaak zo dat wij op internationaal niveau of in de Europese gremia als België moeten optreden, standpunten moeten innemen en actief moeten deelnemen, terwijl we maar één zitje hebben. Dat is nu net de eigenheid van onze staatsstructuur, die op dat punt – dat is voor onze vrienden van de N-VA aangenaam – een confederale dimensie heeft, omdat decreten en wetten van dezelfde rechtsorde zijn, gelijke rechtskracht hebben. Dat is een heel specifieke situatie in ons land, waarvoor wij goede en werkbare oplossingen gevonden hebben de voorbije decennia. Dat even terzijde.

Dan ga ik verder wat de grond van de zaak betreft. Ik denk dat het de vierde keer is dat we het over die Uniastructuur hebben. Ik vind dat fantastisch, omdat ik vind dat mensenrechten heel belangrijk zijn en dat het beschermen van mensenrechten eigenlijk de essentie is van ons samenlevingsmodel, want dat garandeert ieders vrijheid. En die vrijheid is nu net iets unieks aan ons maatschappijmodel: dat de individuele vrijheid, ook tegenover derden, ook tegenover de overheid, kan worden gegarandeerd. Daarvoor hebben wij een heel pallet vrijheden die goed bewaakt moeten worden. We hebben ons internationaalrechtelijk geëngageerd om een gelijkekansencentrum te maken. We hebben daarvoor ook een discriminatiewetgeving uitgebouwd, zowel op federaal als op Vlaams vlak. Dat hebben we vandaag.

Iets anders is een mensenrechtencentrum. Daar is internationaalrechtelijk een minder duidelijk kader voor, maar we hebben ons er wel toe geëngageerd om dat als Belgische overheid, als land, te doen met alle entiteiten. Daar wordt nu aan gewerkt.

Ik val misschien wat in herhaling, maar in maart 2023 stapt Vlaanderen uit Unia. Ik heb dus met andere woorden tot 2023 de tijd om er op een ernstige manier over na te denken hoe we dat zullen aanpakken. We zullen daarvoor onze tijd nemen. We zullen dat op een verstandige manier doen. We zullen alle problemen, uitdagingen en nieuwe kansen die zich aanbieden, in beeld brengen. We nemen daarvoor rustig onze tijd. We hebben daarvoor al contacten gelegd, met the European Network of Equality Bodies (Equinet) en the European Network of National Human Rights Institutions (ENHRI). Dat zijn de Europese organisaties van respectievelijk gelijkekansenorganisaties en mensenrechtenorganisaties. We gaan na hoe men dat in het buitenland aanpakt. Uiteraard ben ik enorm geïnteresseerd in de Hanzelanden. Hoe worden gelijke kansen daar gegarandeerd? Hoe worden gelijke kansen daar bewaard? Welke instituten heeft men daar? Wat zijn daar de evoluties en de nieuwe inzichten? Want als je zelf in Vlaanderen iets uitbouwt, moet het onmiddellijk de ambitie zijn om het meest performante, degelijke en meest toekomstgerichte orgaan ter zake uit te bouwen, binnen het kader van het Vlaams regeerakkoord.

Mijnheer Van Rooy, u stelt een heel specifieke vraag. U hebt gehoord dat sommigen ervoor pleiten een gemeenschappelijke huisvesting te organiseren. In alle eerlijkheid, dat is voor mij een van de praktische problemen en uitdagingen die zich zullen stellen. Het is veel te vroeg om daar nu een voorafname op te doen of een antwoord op te geven. Ik wil eerst nagaan hoe het werkt en wat er nodig of niet nodig is. Het probleem van de A-status is gekend. We hebben daarvoor een organisatie nodig die op heel het grondgebied actief is, op alle dimensies die behoren tot een mensenrechteninstelling.

Wat hebben wij gedaan, met het gelijkekanseninstituut? Wij hebben gezegd dat we de normen die in het Verdrag van Parijs vervat zijn als uitgangspunt nemen voor ons eigen Vlaamse beleid. We hebben dat ook gedaan voor het gelijkekansencentrum dat vandaag bestaat. Dat heeft te maken met transparantie, met onafhankelijkheid, met de manier waarop je rapporteert. Dat zijn standaarden die garanderen dat de kwaliteit van uw instelling zo hoog mogelijk is. Het is onze ambitie om daar te raken. We zijn daarover in gesprek. Ik heb Unia bezocht en heb met hen gesproken. We zijn daarover een dossier aan het opbouwen. Maar op dit moment, drie jaar voordat het ei moet worden gelegd, verwachten dat ik al een antwoord heb op al die verschillende aspecten en elementen, zou onrecht aandoen aan mijn ambitie en grote wil om dat zeer participatief te doen. Ik wil goed luisteren naar het middenveld en naar de deskundigen en goed kijken naar wat er internationaal bestaat en mogelijk is. Pas dan, op basis van al die verworven informatie, wil ik goed nadenken over een goed onderbouwd voorstel waarmee ik naar de commissie kan komen.

Ik begrijp – en ben daar dankbaar voor – dat men waarschijnlijk elke maand een nieuwe invalshoek vindt om te vragen hoe het nu met Unia zit. Tot maart 2023 zal Unia functioneren zoals het vandaag functioneert. Ik heb dus alle tijd om dat in orde te brengen. U zult mij daar regelmatig aan herinneren en dan kan ik telkens opnieuw zeggen dat mensenrechten fundamenteel zijn voor mij. Ze zijn de kern van onze samenleving en moeten goed worden bewaakt. We hebben een mensenrechteninstelling nodig, een gelijkekanseninstituut van hoge kwaliteit, dat op een performante manier kan werken. Daarbij staan de burger en zijn bekommernissen centraal. De samenwerking tussen het federale en het Vlaamse niveau moet op een goede manier op elkaar worden afgestemd. We zullen proberen te zoeken naar een manier die misschien inspirerend kan zijn voor andere mogelijke toekomstige samenwerkingen tussen die verschillende beleidsniveaus.

Veel meer dan dat kan ik daarover vandaag niet zeggen. En ik zeg eigenlijk, mijnheer Van Rooy, mevrouw Groothedde, hetzelfde als wat ik twee, drie maanden geleden heb gezegd, omdat we pas in 2023 klaar moeten zijn. Maar ik ben blij dat jullie allebei even hevig zijn, de ene rechts, de andere links. Dat is plezant. En ik in het midden. Zo heb ik het graag. Laten we het zo houden. (Gelach)

Mijnheer Van Rooy, zoals daarstraks gezegd, u hebt twee minuten spreektijd.

Voorzitter, maak u geen zorgen. Minister Somers heeft mij overigens het beste argument gegeven om vanaf nu toch voor minstens anderhalf jaar te zwijgen over Unia. Ik ga dat zeker doen. Ik wil toch nog één opmerking of vraag ter afsluiting opwerpen. Als ik het goed begrepen heb, zijn er straks drie entiteiten, namelijk het Vlaamse gelijkekansencentrum, de regionale afdeling van het nieuwe federale mensenrechteninstituut en Unia, dat weliswaar gelukkig niet meer met ons Vlaams belastinggeld wordt gefinancierd, maar het is er nog wel. Minister Somers, vindt u dat zelf niet een beetje te veel van het goede? Wordt dat geen wirwar? Dreigt het ook geen clash te worden tussen die drie of ziet u een harmonieuze samenwerking tot stand komen tussen die drie, eventueel in hetzelfde gebouw?

Mevrouw Groothedde heeft het woord.

Minister, u lijkt hierop te antwoorden alsof het over een ideologische kwestie zou gaan, maar het gaat over goed bestuur. Het ei is al gelegd, de beslissing is gevallen, maar het kader is er nog niet. Het gaat er niet om een tekst te schrijven, er moet een instituut worden opgericht. Het lijkt me niet meer dan normaal dat we daar op tijd vragen over beginnen te stellen. Ik vind het ook heel vreemd dat er op al die vragen nog geen antwoord is en dat die beslissing is gevallen, zonder dat men weet hoe het nieuwe centrum er eigenlijk moet gaan uitzien.

Een paar concrete vragen dan maar. Welke informatie er is gekomen van Equinet en ENNHRI als antwoord op uw vragen? Kunt u die vragen ook meedelen?

Wat het mensenrechtencentrum betreft, zult u weten dat Unia een advies heeft gegeven over de oprichting van een overkoepelend federaal mensenrechteninstituut, maar het heeft hebben zijn advies ook veranderd, nadat beslist was dat Vlaanderen uit Unia zou stappen. Kunt u daar feedback over geven?

Mevrouw Groothedde, kunt u uw tweede vraag herhalen?

Zeker. Unia heeft in het voorjaar een advies gegeven over de oprichting van een federaal mensenrechtencentrum. Dan is met deze nieuwe Vlaamse Regering de beslissing gekomen om uit Unia te stappen en Unia heeft aangegeven dat zijn standpunt wat betreft de oprichting van een federale mensenrechteninstituut dan ook gewijzigd is. Graag zou ik van u vernemen hoe u zich verhoudt tot de oprichting daarvan en wat u vindt van dat advies van Unia.

Kunt u dan ook planmatig aangeven wanneer u een antwoord zou hebben op deze vragen? Er ligt immers heel wat werk te wachten om dat nieuwe instituut op te richten.

Mevrouw Goeman heeft het woord.

We hebben deze discussie al enkele keren gevoerd. Ons standpunt blijft ongewijzigd. Wij vinden de oprichting van een apart Vlaams gelijkekansencentrum een kostelijke affaire zonder echte meerwaarde in de strijd tegen discriminatie. Dan spreek ik ook als Brusselse. Bij uitbreiding geldt dit ook voor alle Vlaamse burgers. Op deze manier maken we het overmatig en nodeloos complex om discriminatie te melden. We zijn het alleen maar moeilijker aan het maken.

Minister, ook wij zien wel iets in zo’n mensenrechteninstituut, maar zoals u weet, moet dat voor ons dan op het federale niveau gebeuren. Zoals gezegd, is de politieke beslissing ondertussen wel genomen, maar het lijkt mij niet meer dan normaal dat wij onze rol als oppositie spelen en het proces op de voet volgen om zicht te krijgen op het kostenplaatje van dat Vlaams instituut en op de toegankelijkheid ervan. Inderdaad, u weet het, wij vinden dat er in ieder geval gezocht moet worden naar een oplossing om de eenloketfunctie te blijven garanderen en de expertise te behouden. U zei zelf al dat u dat belangrijk vindt. Dat zal natuurlijk ook implicaties hebben voor het personeel.

Hoe gaan die schuiven? Hoe gaan we ervoor zorgen dat de Nederlandstalige pariteit binnen Unia ook gegarandeerd blijft? Dat zijn allemaal zeer relevante vragen van mevrouw Groothedde, ik wil haar daarvoor ook bedanken. We houden verder ook de vinger aan de pols, en dat zal nog meerdere malen gebeuren, zodat we heel goed stap voor stap kunnen volgen hoe u het aanpakt, ook vóór 2023.

Mij vraag is vandaag dan ook heel concreet. Een nieuw element is dat u zegt dat u met een aantal Europese instellingen toch al een eerste overleg gepleegd hebt om hun advies in te winnen. Ik ben dan ook heel benieuwd naar wat hun eerste reactie was.

Mevrouw Sminate heeft het woord.

Minister, het zal u verbazen, maar voor één keer ben ik het helemaal eens met wat u vandaag gezegd hebt. (Opmerkingen. Gelach)

Of Unia nu fysiek in hetzelfde gebouw zal zitten met het nieuwe centrum of niet, dat is op dit moment inderdaad bijzaak. Het is natuurlijk de bedoeling dat er duidelijke afspraken gemaakt zullen worden tussen beide, maar als de ene niet bevoegd is, zal die de vraag wel doorsturen naar de andere, net zoals dat vandaag al gebeurt bij Unia als het bijvoorbeeld gaat over gender.

Waar het volgens mij wel om draait, is dat we goed voorbereid zijn. U zegt dat we nog heel veel tijd hebben, maar binnen anderhalf jaar zal de samenwerkingsovereenkomst wel opgezegd moeten worden. Dat lijkt misschien lang, maar zo’n centrum operationeel krijgen, vergt heel wat inspanningen. Het is dus goed dat u alle aspecten gaat onderzoeken en kijken naar de buurlanden of zelfs verder om de good practices te bekijken en van te leren, maar ik denk dat de tijd toch enigszins dringt.

Ik heb één concrete vraag, iets wat mij niet helemaal duidelijk is: de problematiek rond dat A-statuut. U zegt dat die problematiek gekend is, maar als ik mij goed heb laten informeren, is daar wel een uitzondering op mogelijk. Klopt die informatie, of is dat het eerste dat u daarvan hoort?

De heer Van de Wauwer heeft het woord.

Ik ga hier nogmaals herhalen wat wij in het verleden altijd gezegd hebben, vragen over Unia zijn hier al heel vaak aan bod gekomen. Voor ons is het belangrijk dat discriminatie en racisme absoluut en krachtig bestreden worden. Het is natuurlijk daarom heel belangrijk dat er een heel sterk gelijkekansencentrum is, dat zowel met de nodige omzichtigheid als met de nodige slagkracht kan optreden, en dat het vooral voor de mensen ook heel duidelijk is waar ze terechtkunnen met hun klachten. In dat opzicht hebben we hier ook al altijd benadrukt dat het een goede zaak is dat de opdrachten van de Genderkamer gebundeld zullen worden met de opdrachten van een Vlaams gelijkekansencentrum: dat kan alleen maar bijdragen tot duidelijkheid.

De expertise die Unia de voorbije jaren opgebouwd heeft, moet zeker meegenomen worden naar het Vlaamse gelijkekansencentrum, we hebben daar tijdens de gedachtewisseling ook al naar verwezen. Het zou immers enorm zonde zijn mocht al die expertise verloren gaan en opnieuw opgebouwd moeten worden. Wat dat betreft, collega Sminate, ben ik het ook voor de allereerste keer volledig eens met u: het mag niet afhangen van waar dat nieuwe Vlaamse gelijkekansencentrum gevestigd zal worden. Of dat nu al dan niet in het gebouw van Unia is, dat is niet de belangrijkste kwestie; de belangrijkste vraag is de manier waarop die verschillende instituten zullen samenwerken. Ik heb meerdere zaken onthouden uit de gedachtewisseling, maar toch één heel belangrijke: de heel constructieve houding die ik opmerkte bij Unia wat betreft de overheveling van de bevoegdheden naar het nieuwe Vlaamse gelijkekansencentrum.

Minister, ik denk dat het u ook was opgevallen. Hebt u indicaties dat die constructieve houding er vandaag niet meer zou zijn?

De heer Ongena heeft het woord.

Wij hebben inderdaad een tweetal weken geleden een zeer interessante en langdurige discussie gehad met de mensen van Unia over hun jaarverslag. Daar kwamen uiteraard verschillende vragen naar boven over het nieuwe Vlaamse centrum. Maar, collega’s, in alle eerlijkheid, van die vele vragen was er geen enkele die onoverkomelijk was, zo leek mij. Ik begrijp dat de oppositie het momentum nog eens aangrijpt om te zeggen dat het geen meerwaarde heeft, ik zou mijn oproep willen herhalen: ik denk dat een eigen Vlaams centrum wel degelijk een meerwaarde kan hebben als we voldoende waken over het eenloketprincipe, wat men vandaag trouwens ook al moet doen vanuit Unia als het met gender te maken heeft. Daar heeft men toegegeven dat men dat vandaag al doet, waarom zou men dat in de toekomst niet kunnen doen? Langs de andere kant moeten we natuurlijk ook waken over de onafhankelijkheid, maar ik heb er alle vertrouwen in dat dat zal gebeuren.

Wat de huisvesting betreft: ik begrijp dat dat blijkbaar een moeilijk punt is voor het Vlaams Belang. Voor ons is dat een bijzaak. Als liberaal denk ik: hoe efficiënter het kan, hoe beter. Dus als het kan helpen om het eenloketprincipe, dat we toch altijd voor ogen hebben, te versterken, lijkt me dat toch wel een nuttig idee. Bovendien, toen onze verre voorgangers in 1970 voor de eerste keer vergaderden met de Cultuurraad en nadien met de Vlaamse Raad, was dat ook in de Kamer van Volksvertegenwoordigers, en zie ons hier nu zitten. Dus ik denk dat het samen in één huisje zitten daarom nog niet betekent dat je nadien niet verder kunt doorgroeien tot een sterke organisatie. Dus ik denk dat we die discussie niet moeten beginnen te voeren.

Mijnheer Ongena, ik heb een kleine historische bemerking: de Vlaamse Gewestraad vergaderde in het stadhuis van een stad ergens gelegen tussen Antwerpen en Brussel.

Minister Somers heeft het woord.

Minister Bart Somers

Dat laatste wil ik corrigeren: een stad die als voorsteden Antwerpen en Brussel heeft. (Gelach)

Alle gekheid op een stokje, uiteraard is dit een belangrijk thema. Daarom hebben we Unia hier ook uitgenodigd voor een hoorzitting. Op dat vlak heeft mevrouw Sminate natuurlijk gelijk. En het verbaast me helemaal niet, mevrouw Sminate, dat wij het 100 procent met elkaar eens zijn, dat gebeurt soms in het leven. Trouwens, in een goed huwelijk moet men het ook niet altijd eens zijn. Er moet ook een zekere spanning blijven. (Gelach)

Wij hebben dus op dat punt een uitstekend huwelijk. Alle gekheid op een stokje, ik denk dat wij daar de volgende maanden ernstig aan gaan doorwerken, want we moeten inderdaad niet wachten tot maart 2023 om alles in regel te stellen. Maar zeggen dat we nu al in tijdsnood zijn? Als ik de uitdagingen en het werk op mijn departement zie, zijn er toch nog wel wat andere dingen die sneller volledig in stelling gebracht moeten worden. Dat laat ons ook toe om hier wat diepgaander over na te denken, want er zijn inderdaad wel wat praktische en technische problemen. De voorbeelden die mevrouw Groothedde en anderen aanhaalden, zijn mooie voorbeelden van de hindernissen die genomen moeten worden om tot een goed en sterk gelijkekansencentrum te komen.

De heer Van Rooy had een heel specifieke vraag – en ik neem zijn engagement van dat anderhalf jaar graag mee. Internationaal zien wij dat er in veel landen twee soorten instellingen bestaan: een gelijkekansencentrum en een mensenrechteninstelling. Een gelijkekansencentrum heeft tot doel discriminatie – en dat gaat heel breed: op basis van handicap, leeftijd, gender, afkomst …– te bestrijden. Een mensenrechtencentrum is een centrum dat onder meer de mensenrechten moet promoten, dat gaat nog veel breder. Trouwens, dat is een van de uitdagingen. Als je een goed mensenrechteninstituut wilt bouwen, wordt er ook wel verwacht dat dit zich met alle mensenrechten bezighoudt. Vandaag zijn er heel veel instellingen en instellinkjes – denk aan de Privacycommissie – die ook geheel of gedeeltelijk met mensenrechten bezig zijn. En eigenlijk, in zo’n federaal of nationaal mensenrechteninstituut, zou je veel van die dingen op elkaar moeten afstemmen. Dat zijn de twee centra.

Wij hebben een heel specifieke structuur, omdat wij natuurlijk deelstaten hebben. Wij zijn een federaal land. Dat betekent dat sommige dingen bij ons verdubbeld worden of ontdubbeld worden. Een van de gevolgen daarvan – en op dat vlak hebt u gelijk – is dat er dan drie instellingen zullen zijn. Er zal een mensenrechteninstelling zijn. Er zal Unia zijn, dat misschien ook van naam verandert. Want misschien zeggen de Franstaligen in 2023: als Vlaanderen dat regionaal op eigen benen wil doen, willen wij dat misschien ook. Ik weet dat niet, ik doe daar geen uitspraken over. We gaan alleszins een federaal Unia hebben, waar misschien de andere deelstaten mee in geïncorporeerd zijn. En we gaan ons Vlaams gelijkekansencentrum hebben. Maar er valt er natuurlijk ook eentje weg. De Genderkamer bij de ombudsman wordt geïntegreerd in het nieuwe orgaan. Dus er komt er de facto geen extra bij. Een stuk van Unia wordt losgekoppeld en het genderinstituut wordt erin geïntegreerd.

Kan zoiets goed samenwerken? Ik denk dat dat mogelijk moet zijn, omdat ik denk dat het mensenrechteninstituut iets anders is dan het gelijkekansencentrum. Kan een gelijkekansencentrum goed samenwerken met een regionale poot? Ik denk dat wel. Ik denk dat daar voldoende pragmatiek en creativiteit aan de dag gelegd moet worden om dat goed te doen.

Wat Unia betreft, is het evident dat de mensen van Unia die beslissing van de Vlaamse Regering liever niet hadden gezien. Ik begrijp dat ook. Het is een instelling waar mensen werken. Het gaat niet enkel om structuren, maar ook om mensen die samenwerken.

Unia heeft zich vanaf de eerste dag en tijdens alle contacten die ik heb gehad, constructief en loyaal opgesteld. Unia heeft het over het primaat van de politiek. Als de beleidmakers dat beslissen, moet Unia daar op een constructieve manier aan meewerken. Dat is de houding van Unia. Die constructieve medewerking betekent dat Unia de problemen en potentiële problemen die Unia ziet, moet benoemen. Indien dat niet gebeurt, zullen we iets in elkaar steken en nadien met de problemen worden geconfronteerd. Het is evident dat de migratie van de huidige naar de volgende situatie complex is, maar het is niet de meest complexe oefening die we in ons leven al hebben gemaakt. Als ik kijk naar wat we op het vlak van staatshervormingen al hebben gedaan, is dit klein bier.

Wat de pariteit in Unia betreft, is er een pariteit in de federale component. Daarnaast zullen er regionale vertegenwoordigers van onze Franstalige landgenoten zijn. Dit zal een herdenking van de beslissingsstructuur binnen Unia vragen. Dat is een van de uitdagingen waar niet zozeer wij, maar wel Unia voor zal staan.

Mevrouw Sminate, u hebt een vraag gesteld over de Principes van Parijs en de A-status. Die beslissing wordt genomen door een subcomité. Uit de informatie die wij tot nu toe hebben gekregen, blijkt dat er een spanningsveld is tussen het krijgen van die A-status en landen die met betrekking tot mensenrechten of gelijke kansen federaal zijn gestructureerd. Tot nu toe heeft geen enkel land die status gekregen. Dat is de informatie die ik tot nu toe heb ontvangen. We verzamelen nog verdere informatie omdat dit een interessante casus kan zijn. We kunnen van dichterbij nakijken of we die A-status toch niet kunnen verwerven. We moeten dit internationaal bekijken, maar eerst moeten we hier een goed beeld van hebben en de juiste informatie krijgen. We moeten goed weten hoe alles in elkaar zit, maar we komen hier zeker op terug.

Mevrouw Groothedde, u hebt een vraag gesteld over de contacten met de twee Europese organen die we hebben gehad. Het gaat om een eerste verkennend gesprek tijdens ons bezoek aan Unia. We hebben die vertegenwoordigers gezien en gezegd dat we in contact zouden blijven. We willen van hen informatie krijgen. Wat zijn de ‘best practices’ waaruit we kunnen leren? Hebben zij nog voorbeelden van federale landen, want er zijn nog federale landen die met deze uitdagingen zitten? Hoe wordt alles daar georganiseerd? Hoe pakken we dat aan? We staan met hen in contact. Er is een eerste verkennend gesprek gevoerd en we gaan hier verder op door om informatie te krijgen.

Dat zijn in mijn ogen de belangrijkste opmerkingen. Ik wil nog eens onderstrepen dat ik de bekommernissen en de aandachtspunten volkomen deel. Met betrekking tot het eenloketsysteem, de eenvoud ten aanzien van de burger, de oplossing van mogelijke belangenconflicten, de vraag over wie bevoegd is en de expertise die niet verloren mag gaan, deel ik de bekommernissen die zijn geuit. Zodra we een stap verder staan, zullen we het Vlaams Parlement informeren. Wat mij betreft, mag hier elke maand een vraag om uitleg over Unia worden gesteld, maar de komende maanden zullen we vooral in stilte het dossier opbouwen. Wat de structuur en de hervorming betreft, geven we onszelf ettelijke maanden om dat op een goede manier voor te bereiden.

Mevrouw Groothedde heeft het woord.

Minister, ik apprecieer uw goodwill, maar ik heb medelijden met u. We zijn het helemaal eens, maar tegelijkertijd moet u deze beslissing blijkbaar nemen. Ik ben benieuwd hoe u dit instituut met 10 procent van de middelen zo performant wilt maken als wat we met Unia nu hebben.

Het kan een instituut worden dat het veel kleinschaliger en op een veel lager pitje moet aanpakken of het kan een enorm duur instituut worden. We dreigen expertise en diensten te verliezen. U hebt het met de staatshervormingen vergeleken. Dat is een frappant voorbeeld, want de Brusselaars hebben het daardoor niet bepaald gemakkelijker.

Hier zal dus een extra instituut worden opgericht, complexer en bovendien onnodig, want we hebben een prima en goed werkend instituut. Ik onthoud van deze uitwisseling vooral dat we hier met deze regering een beslissing hebben genomen op Vlaams niveau ter ere van een inhoudelijk lege doos, die puur ideologisch is. Qua echte inhoud krijgen wij helemaal nog geen antwoord op de vragen die worden gesteld. U hebt gelijk: dat antwoord kan nog niet worden gegeven, maar dat antwoord had er al moeten zijn voordat er een akkoord was.

Vandaag staan we niet zo ver van de eindmeet en hoor ik op allerlei essentiële vragen nog altijd geen antwoord. Daarom vraag ik ook naar een planning, zodat ik niet om de twee maanden deze vraag moet stellen, met nog meer gecompliceerde vragen erbij. Want intussen zitten we aan acht punten die we nog helemaal niet hebben opgehelderd. U zegt: ‘Dit is allemaal belangrijk, maar we weten niet hoe we het gaan oplossen.’ Het zou heel fijn zijn als we daar eens wat inzicht in kregen, tegen wanneer en wat.

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is toegankelijk.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.