U bent hier

De heer Van Miert heeft het woord.

Zaterdag 4 januari 2020 heeft zich op de Kouter in Gent een vrij grote groep van vijfhonderd mensen verzameld. Ze wilden een duidelijk statement maken tegen homofoob geweld, nadat twee jonge holebi’s het weekend daarvoor in elkaar werden geslagen aan het Sint-Baafsplein. Men wilde een duidelijk statement maken en zeggen dat dit niet meer kon. De politie is op dit moment nog bezig met het onderzoek. Uit de verklaringen van de slachtoffers kunnen we toch duidelijk afleiden dat er wel degelijk sprake is van homofobie en homofoob geweld.

Helaas is dit, collega’s, geen alleenstaand feit. We kennen de cijfers over fysieke agressie die Unia registreerde bij 17 gevallen in 2018. Ook scheldpartijen en dreigende taal werden geregistreerd. In 2017 waren er 26 meldingen, in 2018 al 42, maar we moeten ons hier ook de vraag durven te stellen of iedereen er wel mee naar buiten komt. Wat blijft er allemaal onder de radar? Want als er één woord is dat toch doorheen heel dit verhaal gaat, dan is het angst of schrik. Dat homofoob geweld heeft voor die mensen zelfs tot gevolg dat ze zich niet niet gaan vertonen in het openbaar; ze blijven liever thuis, sluiten zich op. Ik heb in mijn vraagstelling aan u ook enkele quotes opgenomen van holebi's. Ik zal ze niet allemaal meer brengen, maar er blijkt toch altijd opnieuw een overheersend gevoel van totale onmacht te zijn, machteloosheid in heel die situatie. ‘Wat kunnen wij daartegen doen?’ Je ziet dat die mensen voortdurend op zoek zijn naar de drukste weg naar huis, waar ze het meest zichtbaar zijn. Dat zijn toch fenomenen die we, beste collega’s, niet kunnen tolereren. We kunnen niet tolereren dat mensen op die manier door het leven moeten stappen.

Minister, voor uw politieke familie en de mijne zijn gelijkheid en individuele vrijheden op het vlak van gender en seksuele geaardheid ‘non-negotiable’, niet onhandelbaar, in geen enkele omstandigheid. Mensen moeten in het openbaar zichzelf kunnen zijn, ongeacht hun seksuele geaardheid.

Minister, ik heb uw beleidsnota over uw bevoegdheid Gelijke Kansen 2019-2024 gelezen en u stelt daarin het volgende: "Vlaanderen is zo divers als het aantal burgers dat onze regio telt. Mensen worden niet alleen bepaald door hun herkomst, ze dragen een gender, een seksuele identiteit, mogelijk een handicap, leeftijd, sociaal kapitaal, enzovoort. Identiteiten vormen zich rondom een samenspel van deze vele kenmerken, perspectieven en een continue stroom aan ervaringen. Het is het geheel dat ieder van ons uniek maakt.”

U stelt verder ook dat u uitdrukkelijk de ambitie hebt om het maatschappelijk weefsel in Vlaanderen, als dat op dat vlak ontstoken is, te willen genezen, dat u daar actie tegen wilt ondernemen. Zo heb ik het in uw programma gelezen. U hebt de ambitie, zegt u, om te werken aan oplossingen. 

Minister, ik heb ter zake twee vragen.

Welke maatregelen en oplossingen denkt u te kunnen nemen tegen dat homofoob geweld? De handhaving zit op federaal niveau, maar als het over preventie en sensibilisering gaat, dan komen we bij uw bevoegdheden terecht. Wat denkt u te kunnen doen? 

Hoe steunt u de lokale overheden in hun strijd tegen homofoob geweld?

Mevrouw Groothedde heeft het woord.

Minister, ik zal niet herhalen wat mijn collega al heeft gezegd, maar ik zal focussen op een aantal elementen die nog niet zijn vermeld. In het jaarverslag van Unia staat inderdaad dat het aantal meldingen van geweld vanwege de seksuele geaardheid relatief stabiel blijft op 5 procent van de meldingen, maar er wordt ook aangegeven dat onderrapportage schering en inslag is. Daar zit dus een probleem.

Hoe wilt u voor een kader zorgen waarin personen uit de lgbti+-gemeenschap (lesbian, gay, bisexual, transgender, intersex) zich veilig genoeg voelen om meldingen te maken van haatmisdrijven en discriminaties waarvan zij het slachtoffer zijn?

Welke initiatieven neemt u in het algemeen? De meldingen zijn immers één zaak, maar in eerste instantie moeten we ervoor zorgen dat er geen discriminatie is tegenover mensen uit de lgbti+-gemeenschap en dat er voor hen dus geen redenen zijn om zich onveilig te voelen. Op welke manier bent u zinnens om hiervoor met het middenveld samen te werken?

Mijn collega had het over de angst om naar buiten te komen. Dat gaat er ook over dat mensen angst hebben om zich te tonen zoals ze zijn. Wat dat betreft is de brug heel snel gemaakt naar mensen met een ander gender of een andere geaardheid, maar bijvoorbeeld ook met vrouwen die te maken hebben met intimidatie of met agressie op straat of met mensen die te maken hebben met racisme. Mensen gaan zichzelf niet kenbaar maken, vrouwen gaan zich op een andere manier kleden of koppels gaan niet hand in hand lopen, omdat dit agressie zou opwekken.

Een tweede punt dat ik wil maken is dat we het als maatschappij mensen soms niet gemakkelijk maken. Het gaat er niet alleen om dat mensen in mekaar worden geslagen. Daarvoor is de drempel om aangifte te doen wellicht wat lager, omdat het over enorm zware feiten gaat. Maar als het gaat om dagelijkse problemen, zoals nageroepen worden of kleine - kleine is misschien niet het juiste woord - of heel onaangename verbale agressie, dan leggen we het probleem veeleer bij het slachtoffer, omdat het slachtoffer wordt opgezadeld met het tijdverlies en de last om naar de politie te stappen. Dat leidt ertoe dat men dat op den duur niet meer doet.

Kortom, hoe zult u de drempel naar Unia of een andere gelijkekansenorganisatie verlagen. Hoe werkt u daarvoor samen met het middenveld en op welke manier hoopt u voor meer veiligheid te kunnen zorgen?

Minister Somers heeft het woord.

Minister Bart Somers

Mijnheer Van Miert en Mevrouw Groothedde, ik dank u voor uw vragen en sluit mij aan bij de verontwaardiging die uit uw betoog blijkt en bij de analyse en bezorgdheid dat we een aantal grondrechten hebben waarover niet onderhandeld kan worden. Die zijn voor ons fundamenteel en we wensen daar niet op toe te geven. Een van die grondrechten is dat mensen recht hebben op hun seksuele geaardheid. Ze moeten die mogen beleven en zouden om die reden geen agressie moeten ervaren. We leven in een rechtsstaat. Geweld is voor mij onaanvaardbaar, wat ook de onderliggende reden daarvoor moge zijn. Ook aanzetten tot gebruik van geweld, om deze of om eender welke reden, is onaanvaardbaar. We hebben in ons strafrecht een duidelijk signaal ingeschreven: homofobie is een strafverzwarende omstandigheid bij gewelddelicten. Dat is maar goed ook.

Een tweede vaststelling die ik doe is dat we in onze samenleving nog altijd een probleem hebben met homofobie en holebifobie: 31 procent van de Vlamingen ervaart twee mannen die kussen in het openbaar als aanstootgevend en 49 procent van de Belgen vindt homoseks onnatuurlijk. Dat blijkt uit de diversiteitsbarometer onderwijs van 2018. Dergelijke cijfers zijn wel confronterend.

De derde beschouwing is een positieve beschouwing. Gelukkig leven wij in Vlaanderen en in ons land, ondanks de moeilijkheden, met een zeer groot draagvlak voor de seksuele diversiteit in de samenleving. Ons land is in haar wetgeving daarin wereldwijd toonaangevend. De meeste Vlamingen zijn van mening dat iedereen de vrijheid moet krijgen om zijn of haar seksuele geaardheid te kunnen beleven. In tegenstelling tot vele andere landen bestaat er een grote tolerantie ten aanzien van de lgbti+-gemeenschap. Ook uit de vele reacties op het incident in Gent, onder andere op de Kouter maar ook op vele andere plaatsen, voel je dat er toch een grote maatschappelijke betrokkenheid is. Er is verontwaardiging, wanneer er incidenten zijn, en er bestaat een engagement voor die vrijheid van iedereen om zijn seksuele geaardheid te kunnen beleven zoals hij wil.

Als minister ga ik de volgende weken en maanden ook contact opnemen met de lokale besturen, omdat ik denk dat zij de eerste partner zijn om op het terrein een verschil te maken, mijnheer Van Miert. We kunnen dat proberen te bestrijden vanuit de Wetstraat – we moeten dat ook doen –, maar het verschil wordt natuurlijk gemaakt in onze steden en dorpen, waarbij we door middel van een goed uitgebouwd lokaal beleid dat heel de veiligheidsketen in acht neemt, kunnen werken aan een cultuuromslag – dat is natuurlijk het belangrijkste –, maar ook aan het effectief sanctioneren van al diegenen die de wetgeving ter zake met de voeten treden en de menselijke waardigheid aantasten.

Laat mij eerst nog iets zeggen over het cijfermateriaal. Ik ben het volkomen eens met wie zich afvraagt wat nu de evolutie is, want we worden hier geconfronteerd met een groot ‘dark number’, zoals men dat in de criminologie noemt, een groot aantal feiten die waarschijnlijk niet aangegeven worden. Dan is de vraag naar de evolutie van de cijfers natuurlijk moeilijk in te schatten. Wij gaan daar de komende maanden ook nog verder wetenschappelijk onderzoek naar laten doen – gelukkig gebeurt dat ook regelmatig – om die evolutie scherper en duidelijker in beeld te brengen.

Wat kan het beleid nu doen? Het beleid heeft natuurlijk eerst en vooral een rol in het onderwijs, waarbij men een school als een veilige omgeving ervaart, waarbij het onderwijzend personeel een aanspreekpunt kan zijn voor jongeren die geconfronteerd worden met homofobie, waarbij diversiteit in het educatief materiaal – en ik spreek hier over seksuele diversiteit – aanwezig is. Ik denk dat daar een heel belangrijke hefboom zit om die cultuuromslag mogelijk te maken. Jongeren die slachtoffer zijn van wat u kleine pesterijen noemt – ik denk dat pesterijen nooit klein zijn, maar ik begrijp wat u bedoelt, mevrouw –, jongeren die steeds weerkerend gepest of vernederd worden, gediscrimineerd worden, in de hoek gezet worden of een schaamtegevoel aangepraat worden, moeten daarover in een veilige omgeving met leerkrachten en dergelijke van gedachten kunnen wisselen en moeten ondersteund worden. (Opmerkingen van Celia Groothedde)

Ik denk dat er ook een rol is voor de media, en binnen Gelijke Kansen wil ik inzetten op zichtbaarheid, empowerment en ondersteuning, onder meer door de financiering van het middenveld. U weet dat ik daarop niet bespaard heb, wat een heel bewuste keuze was. Er was afgesproken om een generieke besparing van 6 procent te doen, maar wij hebben via herschikkingen geprobeerd het lgbti+-middenveld buiten beschouwing te laten. Zij zijn belangenbehartiger en woordvoerder, zij kunnen lobbyen, zij zijn voor mij een belangrijke partner. Ik denk dat we voort moeten werken aan platformen zoals www.schooluitdekast.be, waarbij er educatief materiaal aangereikt wordt aan scholen en aan leerkrachten die in hun loopbaan ongetwijfeld heel regelmatig met deze problematiek in contact komen. Ik denk dat er ook een rol bestaat voor de overheid om het bredere publiek te sensibiliseren en te informeren.

Belangrijk is ook dat wij aan het interfederaal actieplan tegen homo- en transfobie, waarvan de ambtelijke voorbereiding nu gestart is, actief gaan deelnemen. Gelijke Kansen gaat daarin voor Vlaanderen coördineren.

De lokale overheden worden op verschillende manieren ondersteund. Eerst en vooral is er de digitale nieuwsbrief lokaal gelijkekansenbeleid, die sinds januari 2019 bestaat en door mijn voorganger opgestart werd. Daarmee wordt een derde van de Vlaamse steden en gemeenten bereikt. Dat aantal groeit nog steeds gestaag.

Er werd ook een lerend netwerk opgestart voor lokale gelijkekansenambtenaren van centrumsteden gezien de specifieke grootstedelijke context. De eerstvolgende bijeenkomst, begin februari, gaat specifiek over het kruispunt seksuele identiteit en etniciteit.

Ten slotte is er ook nog de ondersteuning van de regionale regenbooghuizen. Die hebben als opdracht de lokale besturen te inspireren en te ondersteunen in een lokaal regenboogbeleid.

Ik denk dat we vooral mensen moeten aanmoedigen dat, wanneer ze geconfronteerd worden met homofobie, niet als slachtoffer maar als toeschouwer, ze dat niet blauwblauw te laten maar de nodige stappen zetten, aangifte doen en interveniëren. Slachtoffers moeten we een context aanreiken waarin ze ondersteund worden, wanneer ze een klacht indienen. Ook daar kunnen lokale praktijken het verschil maken. Ik kan uit eigen ervaring spreken: in mijn stad hebben we op een zeker moment beslist dat, wanneer iemand het slachtoffer was van homofobie of van seksuele intimidatie – nog iets breder dus –, de politie dan bij de mensen thuis kwam om daar de klacht aan huis op te nemen. In die specifieke, soms ook wel confronterende context, kan dat een keuze zijn die men lokaal maakt: het politiekorps zo organiseren dat mensen met zulke klachten niet meer naar het commissariaat moeten komen, maar bij hen thuis, in hun veilige omgeving, hun verhaal kunnen doen, net vanwege de grote emotionele impact die dat kan hebben.

We moeten sensibiliseren, ook naar de potentiële daders toe. Ik spreek over de ‘potentiële daders’. Sensibiliseren, duidelijk maken, ook aan jonge mensen, wat de impact kan zijn wanneer men zich bezondigt aan homofoob gedrag en mensen daarmee vernedert en in de hoek dringt, welke grote schade dat psychologisch maar ook maatschappelijk kan veroorzaken. Ik denk dat we daar ook bondgenoten moeten zoeken in de samenleving. Het uitwerken van een lokale aanpak ondersteunen, die daadwerkelijk het verschil kan maken, is belangrijk.

Ik denk niet dat er wonderoplossingen zijn. Ik denk dat de overheid het probleem niet alleen kan oplossen. Ik denk dat de samenleving daarvoor moet rechtstaan en met heel duidelijke taal moet stellen dat ze dit niet aanvaardt, omdat dit over een van de kernwaarden in onze Westerse samenleving gaat, namelijk de vrijheid, de vrijheid van elk individu om zichzelf te kunnen zijn in zijn seksuele geaardheid, in zijn seksuele identiteit. Volgens mij is dat de juiste aanpak. Daarvoor willen we de volgende maanden extra bouwstenen aanbrengen door wetenschappelijk nog beter te ondersteunen, door lokale besturen verder te versterken, hun beleid dat ze lokaal kunnen voeren mee te onderbouwen en door er tegelijkertijd ook voor te zorgen dat we in het onderwijs aanmoedigen dat er maatregelen genomen worden en dat we vanuit Gelijke Kansen verder inzetten op het empoweren van het middenveld.

De heer Van Miert heeft het woord.

Dank u wel voor uw antwoord, minister. Ik onthoud vooral de lokale initiatieven en het idee om de politie bij dergelijke feiten daarmee te laten omgaan in de gemoedelijkheid van de huiskamer, in plaats van een steriel verhoorkantoortje. Dat zijn allemaal goede ideeën.

Minister, ik blijf een beetje op mijn honger zitten. Bij mij gaat het vooral over die stap naar geweld. U haalt cijfers en percentages aan van het aantal Vlamingen dat het moeilijk heeft om dat te accepteren, zich niet goed voelt in die omgeving. Maar er is nog altijd een groot verschil – en ik heb dat ook al eens aangehaald bij de uiteenzetting van Unia – tussen Jan met de pet, die wat moeilijk op zijn stoel zit te schuiven, en iemand die effectief de straat op gaat en twee mannen of twee vrouwen die hand in hand lopen, daadwerkelijk op het gezicht gaat slaan. Daar zit een grote stap tussen. Het kan zijn dat je daar innerlijk niet mee in het reine komt. Het kan dan aan je opvoeding liggen, vooral aan je godsdienstige opvoeding dan, dat je daar een probleem mee hebt. Maar de stap naar dat geweld is nog iets helemaal anders.

Zoals collega Groothedde zegt, zijn er meerdere vormen van pesten. Naroepen enzovoort is natuurlijk ook niet goed te keuren, maar dat is nog altijd geen geweld. We moeten de dingen bij hun naam noemen. En heel vaak, om niet te zeggen altijd, kunnen we de mensen die van naroepen en nafluiten overgaan tot het effectief gebruik van fysiek geweld wél in een bepaalde doelgroep situeren. Zij krijgen van thuis uit niet de nodige ondersteuning. Er wordt hen niet gezegd dat ze niet goed bezig zijn.

Minister, het is goed dat we dit preventief aanpakken en dat we sensibiliseren, maar dat volstaat niet. Het gaat over de klappen die worden uitgedeeld. Vooral daaromtrent moeten we een signaal geven, als beleidsmakers, als politici en ook als lokale besturen. We moeten, vooral aan die doelgroep, duidelijk maken dat dit niet kan in Vlaanderen anno 2020. Wat is uw reactie daarop?

Mevrouw Groothedde heeft het woord.

Een van de interessante dingen aan deze commissie is dat we inderdaad altijd een debat voeren.

Minister, ik wilde in eerste instantie graag reageren op wat u hebt gezegd, maar ik zal  toch ook even inhaken op wat de collega zegt. Een punt dat ik sowieso wilde aanhalen in tweede instantie, is transfobie. U hebt het zijdelings aangehaald. Wegstoppen wie je bent, wanneer je trans bent, dat is echt moeilijk. Als je je op het scala van gender en identiteit ergens op een plek bevindt die niet helemaal vastomlijnd is, dan wordt het moeilijk.

Ik pik in op wat u en de collega zeggen. Ik vind dat u gelijk hebt, minister, dat omstaanders inderdaad een rol te spelen hebben. Maar dat het niet van de overheid zal afhangen, daarmee ben ik het dan weer niet helemaal eens.

Ik geloof echter wel, in tegenstelling tot de collega, dat er geen groot verschil is tussen het zogezegd heel kleine – ik had ‘klein’ gezegd, maar had beter ‘dagdagelijks’ gebruikt, omdat het zo vaak gebeurt – en het heel grote. Er is wél een glijdende schaal. Elke instantie waarbij we iemand ‘janet’ of ‘verwijfd’ noemen is een vorm van micro-agressie, en dat zit op dezelfde schaal als geweld. Wat dat betreft, is er helemaal geen groot onderscheid. Iemand op zijn gezicht slaan kan evenveel pijn doen als iemand in zijn eigen identiteit heel erg beledigen. Dat is ook geweld, maar dan in een andere vorm: roepen, fluiten, schelden of denigrerende opmerkingen in ons eigen taalgebruik. Wat dat betreft, geloof ik wél in sensibiliseren.

U hebt het over klachten aan huis. Dat is een interessant punt, maar dat neemt nog altijd heel erg veel tijd in beslag. Zouden we niet eerder kunnen denken aan het bestaande meldpunt van Unia? Zouden we dat niet bekender en laagdrempeliger kunnen maken, om aan mensen aan te geven dat ze er op die manier met twee klikken kunnen doorgaan en veel sneller aangifte kunnen doen? Politie aan huis is fijn, maar dat kun je niet gebruiken voor het geweld van elke dag. Je kunt echter wel een onlinedossier opbouwen.

Wat de lokale besturen betreft, lijkt het mij super als dat gebeurt. Een van de problemen daarmee is dat er een ‘als’ moet staan. Wij kunnen dit niet opleggen. Op de plekken waar het heel erg nodig is, zijn de noden misschien zo hoog dat men er niet aan toekomt in een lokaal bestuur: ofwel is het lokaal bestuur te klein om dit op zich te nemen en heeft het de middelen niet, ofwel ziet men het niet als prioriteit. Ik zou u dus heel sterk willen aanmoedigen om de willekeur tegen te gaan en daarop een antwoord te bieden, want dat heb ik in het algemeen nog niet gehoord van deze Vlaamse Regering. Elke keer wanneer we dingen naar het lokale niveau brengen, waar we zaken inderdaad veel makkelijker kunnen aanpakken en veel korter op de bal kunnen spelen, zorgen we er ook voor dat er geen overzicht meer is, dat er geen duidelijkheid meer is, dat we niet om de verantwoording kunnen vragen die we van de Vlaamse Regering eigenlijk zouden mogen verwachten.

Ten slotte ben ik het niet helemaal met u eens. Als overheid hebben we wel degelijk een grote rol te spelen. We zitten hier als verkozenen, we horen de samenleving te inspireren, en dus moeten we de grondrechten ook echt garanderen. Wat dat betreft blijf ik op een andere manier op mijn honger zitten. Het is mooi om waarden te onderschrijven, maar wij moeten ze wel waarmaken.

Wenst er iemand aan te sluiten bij deze vragen? Voor de goede orde geef ik nog eens mee dat u voor de replieken, zowel van de vraagstellers als van de parlementsleden die bijkomende vragen stellen, twee minuten krijgt. Ik heb hier een stopwatch liggen en zal die regel rigoureus toepassen. Dat heet dan ‘streng, maar rechtvaardig’.

De heer Van Rooy heeft het woord.

Voorzitter, ik dank u.

Mijnheer Van Miert, ik ben het in grote lijnen met u eens, ware het niet dat ook u zeer voorzichtig te werk gaat in uw poging om man en paard te noemen. Het gaat hier over geweld en agressie. Ik ben het eens met mevrouw Groothedde dat het niet alleen om geweld gaat, maar ook om verbale agressie, uitschelden. Dat komt dan vooral van onze allochtone medemens en dan vooral van onze islamitische allochtone medemens. De vele ervaringen van homoseksuelen die ik ken, maar die ook af en toe in de media verschijnen, tonen dat aan. Ik wil Ayaan Hirsi Ali, die een vriendin van mij is – en dat zeg ik met veel trots –, citeren. Zij is immers ook een ervaringsdeskundige. Ze is vanuit Somalië geëmigreerd naar West-Europa. Ze woont in Nederland en ze heeft recent in De Telegraaf laten optekenen dat immigranten het leven van onze vrouwen en holebi’s onveiliger maken. Het probleem ligt volgens haar bij immigranten, moslims, die het niet gewend zijn om in hun cultuur respect te hebben voor vrouwen en holebi’s.

Dan zegt de heer Somers dat er geen wonderoplossingen zijn en maakt hij de vergelijking met mensen die kussende mannen aanstootgevend vinden. Daar gaat het niet om en de heer van Miert heeft dat terecht duidelijk gemaakt: er is een groot verschil tussen mensen die kussende mannen misschien aanstootgevend vinden of die, anders dan ik, bijvoorbeeld tegen het holebihuwelijk zijn en mensen die homoseksuelen of vrouwen uitschelden of fysiek lastigvallen. Ik wil met het volgende afsluiten. Als één van de partijen die hier aan het woord is geweest of nog aan het woord komt, in een federale regering komt te zitten, draai dan de migratiekraan dicht en voorkom dat er nog meer mensen uit landen als Afghanistan, Syrië en Irak naar hier komen. In die landen is er een meerderheid aan homohaters. Uit de onderzoeken blijkt dat hoe meer u van die mensen binnenhaalt, hoe meer u onze wijken onveilig maakt voor holebi’s en vrouwen.

Mijnheer van Rooy, u hebt 2 minuten en 29 seconden gesproken. Dat was dus niet volgens de regels.

De heer Van de Wauwer heeft het woord.

Ik dank de heer Van Miert en mevrouw Groothedde voor het schetsen van het probleem.

Minister, u dank ik voor het duidelijke antwoord en voor uw ambities in de beleidsnota. Ik heb in het verleden al herhaald dat het een goede zaak is dat u het middenveld, de regenbooghuizen en de lgbti-organisaties vrijwaart van besparingen. Er is inderdaad een groot verschil tussen fysieke en verbale agressie en het feit dat men niet volledig achter de verworven rechten van holebi’s staat. Alles start wel bij die acceptatie. Ik wil niet altijd ingaan op wat de heer Van Rooy zegt, maar nu ga ik dat toch doen, al is het een beetje anekdotisch. Ik heb twee Syrische jongeren bij mij thuis opgevangen. Toen ze hier pas aangekomen waren, moesten ze ook niets weten van holebi’s. Uiteindelijk heeft een van die jongens op mijn huwelijksplechtigheid onze trouwringen naar voren gebracht. Het kan dus ook goed verlopen.

Het was hoopvol om te zien dat in Gent vijfhonderd mensen op straat zijn gekomen om het signaal te geven dat ze zijn wie ze zijn en dat ze hun identiteit niet wensten te verstoppen. Als er dan mensen zijn die het uiten van genderidentiteit, geaardheid of religieuze identiteit aanstootgevend vinden, dan ligt het probleem bij de mensen die er aanstoot aan nemen en niet bij de mensen die hun identiteit willen uiten.

Daarom is het heel belangrijk dat er in al die gevallen aangifte gedaan blijft worden, zowel bij Unia als bij de politie. Er is inderdaad het ‘dark number’, dus ik vrees dat het probleem groter is dan we momenteel uit de cijfers kunnen zien. Een van de zaken die we trouwens ook in het jaarverslag van Unia lazen, was dat verschillende melders ook klachten bleken te hebben over de afwezigheid van of het gebrek aan opvolging door de politie. Ik denk dat daar ook nog een belangrijke uitdaging ligt.

Dat is dan ook de vraag die ik u wilde stellen, minister. U hebt gewezen op wat u op lokaal niveau kunt doen, maar misschien is het ook aangewezen om te bekijken of u initiatieven kunt nemen naar de federale overheid toe, zodat er ook voldoende opvolging wordt gegeven vanuit de politie, zowel wat betreft de registratie van die klachten als de goede opvolging ervan.

Mevrouw D’Hose heeft het woord.

Ik wil mij ook aansluiten bij mijn collega’s en mijn allergrootste bezorgdheid uiten over de toename van dit soort geweld. In mijn thuisstad Gent is het spijtig genoeg opnieuw voorgevallen en het zal u dan ook niet verwonderen dat ik aanwezig was op die manifestatie waar we met vele mensen ons afgrijzen hebben geuit tegen dit zinloos geweld. Ik voelde daar enorm veel weerbaarheid vanuit de regenbooggemeenschap, maar ik voelde tijdens de individuele gesprekken die ik had, ook dat men het gevoel heeft dat het de laatste jaren erger geworden is. Vrienden van mij bevestigen dat ze tien jaar geleden zonder problemen hand in hand konden lopen in de Veldstraat en dat dit nu veel moeilijker is. Dat baart mij toch wel zorgen. Dit is wel geen wetenschappelijke analyse, dit zijn geen cijfers, maar de eerste cijfers bevestigen toch die toename en ik denk dat wij ons daar terecht zorgen over mogen maken.

U hebt verwezen naar het interfederaal actieplan; u bent hierover blijkbaar in onderhandeling met uw collega’s. Blijkbaar zat er tussen het eerste en het tweede actieplan een gap van drie jaar, drie jaar waarin er onderhandeld is. Dat is dan ook drie jaar tijdverlies. Ik hoop uit de grond van mijn hart dat we hier niet opnieuw drie jaar tijd zullen verliezen. De situatie van de Federale Regering is natuurlijk wat ze is, maar ik kan me nu voorstellen dat er met een onderwerp waar toch bijna alle partijen – en ik zeg bijna alle partijen – het volledig eens over moeten kunnen zijn en waarover er consensus moet zijn, geen reden is om te talmen. Ik begrijp uit uw antwoord dat u al gestart bent met eerste gesprekken en dat u hiervoor de regie hebt. Dat lijkt mij een zeer goede zaak. Ik ben benieuwd naar de exacte timing daarvan en wanneer u denkt met dit plan te kunnen landen.

Tot slot – voorzitter, ik beperk me tot mijn tijd – wil ik ook nog even aanstippen dat we hier telkens spreken over homo- en transfobie, maar dat we eigenlijk in de feiten en de realiteit te maken krijgen met een steeds diverser wordend palet van seksualiteit. Denk maar aan de vraag naar invoering van het derde geslacht, het non-binair denken en de genderidentiteit en -expressie. Dit is een nieuw gegeven in de hele zaak en we mogen ook daar niet naïef in zijn, want voor heel wat mensen zijn die begrippen geen evidentie. Het is dan ook aan ons, aan het beleid, om hier voldoende aandacht aan te besteden bij de opmaak van nieuwe actieplannen. Ik ben ervan overtuigd dat er een concrete en kordate aanpak nodig is in het veld, maar we moeten daar ook een overkoepelend actieplan naast kunnen leggen. Zeker dit soort van nieuwe uitingsvormen draagt de kiem in zich voor slachtoffergeweld. Ik hoop dat u ook hiervoor aandacht hebt. 

Minister Somers heeft het woord.

Minister Bart Somers

Dank u wel, collega’s. Veel vragen, maar eigenlijk zijn ze voor mij terug te brengen tot een drietal kernbedenkingen over dit toch wel belangrijke thema.

Eerst haak ik in op wat mevrouw Groothedde naar voren schuift, en waarover we – denk ik – grondig van mening verschillen, mevrouw Groothedde, namelijk de rol van de lokale besturen. U zegt dat lokale besturen dat wel mogen, maar niet hoeven te doen en u vraagt of ze dat dan wel gaan doen. U stelt dat er een probleem is dat, wanneer we iets toevertrouwen aan lokale besturen, we het eigenlijk uit handen geven en geen opvolging en controle meer hebben. Ik vind dat een zeer conservatieve kijk op lokale besturen. Ik ga uit van het omgekeerde: ik zie de lokale besturen als onze allereerste partner, een partner die ons beleid, schouder aan schouder met ons, zeker in de kernambities, mee in realiteit kan omzetten op het terrein.

Ik heb heel veel contact gehad, achttien jaar lang, met alle collega-burgemeesters van de centrumsteden, ongeacht hun politieke kleur. Ik ben nooit iemand tegengekomen die deze problematiek niet ernstig neemt, die niet bereid is om daar zijn schouders onder te zetten. Alleen is men soms zoekende. ‘Hoe kunnen we dat doen?’ ‘Waar zitten de ‘best practices’?’ ‘Wat is de methodologie?’ ‘Wat is mogelijk en wat is niet mogelijk?’

Voor mij, voor alle duidelijkheid, is dat lokale bestuur een heel belangrijke hefboom om op het terrein echt iets te veranderen. We kunnen hier heel lang praten over theoretische concepten en stoere verklaringen afleggen, maar als je iets wilt veranderen op het terrein, als je wilt dat de slachtoffers echt geholpen worden, als je omstaanders echt wilt motiveren om ook de vinger omhoog te steken wanneer zoiets gebeurt, als je je politieapparaat wilt oriënteren op dingen en als je een netwerk wilt uitbouwen van mensen die slachtoffers kunnen bijstaan, dan ga je dat op de allereerste plaats lokaal moeten doen.

Ik ga een heel concreet voorbeeld geven: het vervolgingsbeleid. Een lokaal bestuur of een lokale zone moet een veiligheidscontract sluiten met de procureur in de veiligheidsdriehoek. Daarin worden de prioriteiten van het lokale vervolgingsbeleid vastgelegd. Een burgemeester of een schepencollege kan zeggen: ‘Dat vinden wij een prioriteit en wij vragen u, procureur, om steeds te vervolgen.’ Dat is een keuze die lokaal gemaakt kan worden. Dat is iets wat wij niet kunnen opleggen, maar waarin we lokale besturen wel kunnen aanmoedigen. Ik het weet van steden waar dat consequent gedaan wordt. Dat is een eerste voorbeeld. En dan heb je een echte verandering op het terrein.

Ik geef nog een tweede voorbeeld: sensibiliseringscampagnes. Wie is beter in staat om te weten op welke plaats en voor welke groepen er gesensibiliseerd moet worden dan lokale besturen, die heel dicht bij de burgers staan? Ik denk dus dat je het belang van die lokale besturen voor een effectieve aanpak van het probleem niet mag onderschatten. Ik ben daarover dus een andere mening toegedaan. Ik denk dat een belangrijk deel van ons beleid zich net moet richten op het empoweren en versterken van lokale besturen en het aanreiken van ‘good practices’.

Er zijn lokale besturen die heel veel stappen hebben gezet op het vlak van seksuele intimidatie, die daar een vuist rond maken, die daar een hele ketenaanpak proberen te hanteren, die met alle actoren in hun stad gaan praten en die in jeugdhuizen gaan praten om daar een mentaliteitsverandering op gang te brengen en meer respect bij te brengen voor seksuele diversiteit. Ik denk dat dat heel fundamenteel is. Volgens mij zit daar echt een deel van het antwoord.

Een tweede deel van het antwoord is het volgende. Wat kan er gebeuren op Vlaams vlak? Ik denk dat ik daar ook tamelijk duidelijk in geweest ben. Ik denk dat er een heel belangrijk element zit in Onderwijs, in het middenveld en in het regenboogmiddenveld, die we allemaal goed ondersteunen. Ik denk dat ook het gelijkekansenbeleid een heel belangrijk element is, evenals het voorbereiden van het nieuwe nationale actieplan. We moeten daar inderdaad heel veel dingen in stelling brengen. Wat ik daarstraks ook al zei, als er aangifte gedaan wordt, is dat niet óf aangifte bij de politie óf bij Unia. Natuurlijk moet die laagdrempeligheid van Unia en andere plekken waar je aangifte kunt doen verder gepromoot worden. Dat willen we ook doen. Daarom heeft mijn voorgangster ook een netwerk van gelijkekansenambtenaren opgericht, die elkaar kunnen informeren. Daarom hebben wij een nieuwsbrief gemaakt om de lokale besturen beter te informeren, omdat je dan een echt fijnmazig netwerk hebt bij de mensen. Ik denk dat dat fundamenteel is.

Een derde element is de vraag naar een dadersprofiel, ook een vraag van collega Van Miert. Ik denk dat we daar een ernstig onderzoek naar moeten doen. We hebben dat ook al gedaan. In 2017 is er een heel grote survey, de SID-survey (Samenleven in Diversiteit), afgenomen bij 4500 mensen van Belgische, Marokkaanse, Turkse, Poolse, Roemeense en Congolese afkomst, om te kijken hoe zij staan tegenover seksuele diversiteit. Uit dat onderzoek blijkt dat er inderdaad verschillen zijn naargelang de herkomst. De groep die daar het meest negatief tegenover staat, zijn mensen van Congolese en Turkse afkomst, zo blijkt uit dat onderzoek. Ik denk dat je de dingen onder ogen moet zien en daar op een juiste manier mee moet omgaan. Mensen van Marokkaanse, Roemeense en Poolse herkomst nemen een tussenpositie in. Bij hen is het een gemengder beeld.

De groep die daar het meest negatief tegenover staat, zijn mensen van Congolese en Turkse afkomst. Dat blijkt uit dat onderzoek. Ik denk dat je de dingen onder ogen moet zien en daar op een juiste manier mee moet omgaan.

Mensen van Marokkaanse, Roemeense en Poolse herkomst nemen een tussenpositie in. Bij hen is het een gemengder beeld.

Wat heel belangrijk is, is dat we geen inductiefout maken. 60 tot 70 procent van de mensen met een Congolese, Turkse, Poolse, Roemeense of Marokkaanse afkomst die bevraagd zijn, vinden dat holebi’s een leven moeten kunnen leiden zoals ze dat zelf willen. De meerderheid van die mensen vindt dat. Er is dus een minderheid die dat niet vindt, zoals er onder de autochtone bevolking een veel kleinere, maar toch ook een minderheid is die vindt dat dat niet kan. De grote fout, en dat is de karikatuur en daarmee helpen we een gelijkekansenbeleid geen millimeter verder, is zeggen dat alle mensen met migratieroots zo denken en dat alle daders mensen met migratieroots zijn. Ik zeg niet dat u die fout hebt gemaakt, maar ik denk dat dat de fout is die sommigen wel willen maken. U niet, maar er zijn er die die wel willen maken.

Ik denk dat het belangrijk is dat we net emanciperen in plaats van te stigmatiseren. We gaan dat onderzoek wel opnieuw voeren, omdat ik dat onderzoek belangrijk vind. Ik wil zien welke evolutie er is, ik wil daar ook mee aan de slag. Dat betekent dat we in bepaalde milieus versterkt moeten werken, we moeten empoweren. Ik zal u een concreet voorbeeld geven: ik heb dat als burgemeester in mijn stad gedaan. Ik heb naar bepaalde doelgroepen extra inspanningen gedaan om hen duidelijk te maken en uit te leggen en hen proberen mee te krijgen in het verhaal dat seksuele diversiteit een verworvenheid is in onze samenleving en dat het niet kan dat men zich daar via vormen van agressie of intimidatie of wat dan ook tegen afzet. Dat is onaanvaardbaar. Voor niemand. Maar ik heb ook veel bondgenoten gevonden bij mensen met migratieroots om mee dat verhaal te vertellen, die rechtstaan in die gemeenschap en dat gezegd hebben, die er hun nek voor uitsteken. Het zijn die rolmodellen die een wezenlijk verschil maken.

U hebt gelijk dat we daar niet blind voor moeten zijn, we moeten dat onder ogen zien, maar we moeten dat op een juiste en verstandige manier doen.

Er is trouwens nog een andere groep die bijdraagt tot homofobie. Niet alleen etnisch-culturele groepen, maar sommige andere groepen worstelen ideologisch met homofobie. Want ik ben het niet helemaal eens met het verhaal dat er een Chinese muur staat tussen intimidatie en geweld die strafrechtelijk zijn aan de ene kant, en expliciete homofobie aan de andere kant. Ik denk dat expliciete homofobie zeker vanuit gezagsrelaties en vanuit mensen die een maatschappelijke verantwoordelijkheid dragen sommige mensen op verkeerde ideeën kan brengen en een klimaat kan creëren waarbij men bijvoorbeeld zegt dat homoseksualiteit toch maar iets raars is, dat dat niet klopt, dat het geen variant, maar een deviant is. Homoseksuelen vormen misschien zelfs een bedreiging voor onze volksgezondheid. Zo zijn er uitspraken.

Als iemand zegt dat de beste preventie rond hiv het promoten is van duurzame en heteroseksuele relaties, dan ben je natuurlijk de homofobie aan het voeden. Dat is een expliciet homofobe uitspraak. Dan creëer je natuurlijk een klimaat waarin je zegt dat die homo’s misschien een gevaar zijn voor mijn volksgezondheid. Dat is een uitspraak van de heer Dewinter, hé, in 2010. (Opmerkingen van Sam Van Rooy. Reactie van de voorzitter)

Ik zal nog een voorbeeld geven: “Homoseksualiteit is een onvolgroeide vorm van seksualiteit. Jongeren die zeggen dat ze homo zijn, moeten begeleid worden.” Ik heb hier bladzijden vol met uitspraken van politici die op die manier een bepaald beeld neerzetten van mensen die een andere seksuele geaardheid hebben. Dit is natuurlijk ook problematisch, dit creëert ook een verkeerde context. Nogmaals: u behoort niet tot die mensen. U zegt terecht dat we ervoor moeten zorgen dat we de dingen goed in beeld brengen en dat we de problemen aanpakken daar waar er problemen zijn. Problemen zitten overal in onze samenleving, dat heb ik daarstraks proberen duidelijk te maken, maar er zijn een aantal groepen bij wie je merkt dat die problematiek intenser is. Daarmee moet je dus aan de slag en je moet proberen een beleid op te zetten dat dat probleem aanpakt, zonder de fout van de heer Van Rooy te maken waarbij je alles veralgemeent. Dan wordt een beeld opgehangen waarbij de mensen met een migratieachtergrond het probleem zijn. Het probleem is de homofobie in het algemeen. Dat is een belangrijk element om de nuance duidelijk te maken.

Dan wordt een beeld opgehangen waarbij de mensen met een migratieachtergrond het probleem zijn. Het probleem is de homofobie in het algemeen. Dat is een belangrijk element om de nuance duidelijk te maken.

De heer Van Miert en Mevrouw Groothedde krijgen elk nog twee minuten spreektijd.

Minister, ik ben tevreden met uw antwoord en ik voel dat u gedreven bent om de koe bij de horens te vatten. U haalde de cijfers aan van het Uniarapport over de verschillende bevolkingsgroepen en hoe zij tegenover homoseksualiteit staan. Ik heb dat rapport ook gelezen. Daar zit juist mijn grote schrik – en ik heb het net nog eens nagelezen in het Uniarapport –: zij willen vooral inzetten op de heteronormatieve visie van onze samenleving. We weten dat allemaal. We zullen sensibiliseren en er zal geld vrijgemaakt worden om daar iets aan te doen, maar mijn bezorgdheid draait vooral om de tweede stap. Minister, u hebt dat goed verwoord, dat is wanneer men mensen effectief op het gezicht gaat slaan. Die gevallen moeten we er eerst uithalen. Dat zorgt immers vooral voor de angst en voor de voedingsbodem. Daarom gaan mensen zich liever opsluiten dan zich in het openbaar te vertonen met hun partner. Minister, ik kijk alvast uit naar de resultaten van het nieuwe onderzoek. Dit wordt hier zeker verder opgevolgd.

Mevrouw Groothedde heeft het woord.

Minister, het is geruststellend dat u een medestander bent in deze strijd. U zegt terecht dat het vreemd is om vanuit partijen die het niet normaal vinden dat mensen van hetzelfde gender samenzijn of die ertegen zijn dat ze in het huwelijksbootje kunnen treden, juist andere groepen onverdraagzaamheid verwijten. Als we dan toch vanuit het anekdotische vertrekken, zal iemand die vrouw noch lid van de regenbooggemeenschap is waarschijnlijk geen ervaring hebben met intimidatie of persoonlijk geweld. Iemand die beide wel is, kan dan weer zeggen dat allerlei groepen wat dat betreft lastig doen en intimideren en geweld plegen. Kortom, we zijn het erover eens dat het denken vrij is, maar het doen niet.

Wat de lokale besturen betreft, zegt u dat u steden kent die dat doen. We kennen natuurlijk allemaal steden die dat doen en dat is heel fijn, maar dat is het punt niet. Als steden dat willen, is dit ook niet het enige punt waar ze kunnen op inzetten. Een van de andere problemen is dat ze het ook moeten kunnen. Ze moeten de middelen, de knowhow en de kennis hebben. Niet elke stad, niet elk bestuur heeft dat in huis. Ik heb het u ook aangereikt: het kan ook een stuk laagdrempeliger gemaakt worden om een aangifte te doen. Dan denkt u weer aan de lokale besturen, terwijl we dat algemener kunnen maken. Op die manier kunnen we er ook voor zorgen dat er uniformiteit in die aangiftes is, dat er niet elke keer een overdracht moet gebeuren en dat we die cijfers centraal houden.

Mijn collega Van Miert had het daarnet over het inzetten op heteronormativiteit. Dat lijkt mij juist wel belangrijk. Zoals mevrouw D’Hose daarnet zei, hebben we vandaag een maatschappij die op alle manieren divers is en het is heel belangrijk om net dat aan te geven aan allerlei gemeenschappen, aan mensen van allerlei leeftijden en herkomsten en in allerlei sociale situaties. Daar beginnen we met het kweken van tolerantie en het zorgen dat we geweld voor zijn.

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. De publiekstribune is gesloten.

zullen de commissiewerkzaamheden voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. De publiekstribune is gesloten.

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.