U bent hier

De heer Vande Reyde heeft het woord.

Minister, ik heb de voorbije weken interessante documentatie gelezen over mensen met een beperking en de link met armoede. De federale overheidsdienst heeft hier een studie over gemaakt, onder meer met bijdragen van professor Koen Hermans. Dat was heel interessant, omdat er eigenlijk op een wetenschappelijke manier onderbouwd werd wat velen onder ons wel weten, namelijk wat de realiteit is voor mensen met een beperking: het is heel moeilijk om arbeid te combineren met bepaalde sociale steun.

Ik leg dat even uit aan de hand van een concreet geval. Ik ken een persoon die een beperking opgelopen heeft. De eerste fase is er een van revalidatie en acceptatie. Daarna willen die mensen wel opnieuw de draad oppikken en gaan ze op zoek naar werk, naar een dagbesteding.

Maar als zij daar aan beginnen, krijgen ze na een tijd te horen dat ze de steun die zij op het federale niveau ontvangen, met name de integratietegemoetkoming, verliezen. Dat is echt een tegemoetkoming die gericht is op de aanpassingen die zij nodig hebben, dat gaat niet over een inkomensvervanging of dergelijke. Dat is iets wat zij blijvend nodig hebben om bijvoorbeeld hun huis aan te passen of bepaalde dingen te voorzien voor noden die eigen zijn aan de beperking. Als zij te veel werken, dan dreigen zij die integratietegemoetkoming te verliezen. Daarmee komen ze in een soort van vicieuze cirkel te zitten: je hebt een relatief laag inkomen, bestaande uit uitkeringen aangevuld met een aantal tegemoetkomingen. Als je dan gaat werken om dat inkomen te verhogen, dan slaag je daar in eerste instantie wel in, maar daarna dreig je weer een heel deel te verliezen doordat die tegemoetkomingen gekoppeld zijn aan het nieuwe inkomen dat je verwerft. Op het einde van de rit ben je eigenlijk door te werken slechter af dan niet te gaan werken. Dat kan natuurlijk niet de bedoeling zijn. Dat staat natuurlijk haaks op alle maatregelen waarin we op Vlaams niveau voorzien om mensen met een beperking op de arbeidsmarkt te integreren.

Dat is een probleem dat al langer aansleept. Persoonlijk, maar ik ben natuurlijk nieuw, begrijp ik niet goed waarom dat niet simpel kan worden opgelost door die zaken los te koppelen van het inkomen, maar uw collega, de federale minister van Werk, Nathalie Muylle, heeft begin december aangegeven daar actie in te willen ondernemen. Ze heeft gezegd dat samen te willen doen met haar regionale collega’s, waaronder u. Dat is logisch, want heel veel van die zaken zijn met elkaar gelinkt. De zorg die wij geven op het Vlaams niveau, de ondersteuning voor arbeidsparticipatie, is gelinkt aan de tegemoetkomingen die op federaal niveau bestaan. Een rationeel persoon zou misschien kunnen zeggen dat je die dingen misschien het best allemaal op hetzelfde beleidsniveau brengt. Maar goed, ik ben tevreden dat daarvoor in ieder geval een gemeenschappelijke aanpak werd voorzien door uw federale collega. We zitten ook in een fase van een formatie waarin dat soort zaken misschien kan worden opgenomen in een algemeen akkoord dat ook zal gelden voor de volgende Federale Regering.

Ik besef natuurlijk dat deze materie niet rechtstreeks tot uw bevoegdheden behoort, maar toch heb ik daarbij de volgende vragen: hoe staat u tegenover de drempels die er bestaan bij arbeidsparticipatie voor mensen met een beperking en die het werken met een beperking bemoeilijken? Hoe gaat u in op de uitnodiging van de federale minister? Hebt u daarover al overleg gehad? Werden er al concrete zaken afgetoetst of aangebracht? En, het belangrijkste voor de mensen: komt er actie uit voort? We kunnen blijven de problemen constateren, maar het is echt noodzakelijk om ervoor te zorgen dat die dingen worden opgelost.

Welke pistes ziet u binnen de Vlaamse Regering, en in samenwerking met uw collega’s – federale ministers en andere regionale ministers – om ervoor te zorgen dat sociale en andere voordelen op Vlaams niveau – want er zijn ook een heel aantal sociale voordelen op het Vlaams niveau die gekoppeld zijn aan de integratietegemoetkoming – niet verloren gaan wanneer mensen met een beperking gaan werken?

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Dat zijn zeer interessante vragen. Ik ga eerst wat achtergrond geven. Wellicht kent u die al. Maar uw vraag dateert al van een tijdje terug, van begin december 2019, want ze werd een keer uitgesteld. U verwijst naar het onderzoek van Koen Hermans van de KU Leuven, maar het gaat in feite om een ruimer themaboek over de relatie tussen handicap en armoede dat door twee federale instellingen werd samengesteld. Dat boek werd samengesteld door de Federale Overheidsdienst (FOD) Sociale Zekerheid, vanuit de Directie-generaal Personen met een handicap (DG HAN) en de Directie-generaal Beleidsondersteuning- en coördinatie (DG BESOC) en de Programmatorische Overheidsdienst Maatschappelijke Integratie (POD MI). Het is dus overheidsgerelateerd. In dit themaboek verwijzen de onderzoekers naar een aantal bronnen om de situatie van personen met een beperking op de arbeidsmarkt te beschrijven. Ze gebruiken enquêtegegevens uit de Enquête naar inkomsten en levensomstandigheden (SILC) en de Enquête naar de Arbeidskrachten (EAK) en ook de administratieve data.

Als de onderzoekers in het boek het hebben over personen met een handicap, gaat het om personen die een tegemoetkoming krijgen van de DG HAN, dat is de federale FOD. Dat is een heel specifieke groep van personen met een beperking. Als wij het in Vlaanderen over personen met een arbeidshandicap hebben, dan hebben we het over de groep die door de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB) een indicatie ‘arbeidshandicap en recht op ondersteuning’ heeft toegekend gekregen. Die groepen zijn dus niet helemaal dezelfde. Als ze bij VDAB zijn ingeschreven, kunnen leden van de ene groep deel van de andere groep uitmaken. Mensen met een tegemoetkoming hebben echter geen absolute verplichting zich bij VDAB in te schrijven. Om die reden zijn de groepen niet gelijk.

Vlaanderen heeft het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de Rechten van Personen met een Handicap geratificeerd. Dat verdrag waarborgt het recht op arbeid voor personen met een handicap. Dit betekent dat er een verbod op discriminatie is, maar ook dat de lidstaten maatregelen moeten nemen om personen met een handicap met het oog op een inclusievere samenleving aan de reguliere arbeidsmarkt te laten deelnemen.

Ik zal me tijdens deze legislatuur vanuit mijn eigen bevoegdheden uiteraard volop inzetten om de doelgroep van mensen met een arbeidshandicap, zoals in de Vlaamse regelgeving omschreven, zo veel en zo goed mogelijk aan de arbeidsmarkt te laten participeren. We kunnen op dat vlak een pak maatregelen nemen. Er zijn de bijzondere tewerkstellingsondersteunende maatregelen. Er is de Vlaamse Ondersteuningspremie (VOP). Er is het collectief maatwerk (CMW). Daarnaast is er nog de toegankelijkheid van andere maatregelen, zoals de tijdelijke werkervaring, de individuele beroepsopleidingen (IBO’s) en dergelijke. Er zijn een pak mogelijkheden en dit past in onze belangrijke beleidsdoelstelling niet-beroepsactieven te stimuleren en naar een job te leiden. Op die manier trachten we dit momenteel nog onbenutte arbeidspotentieel op een goede wijze aan te wenden.

Ik ben blij met de passage in het Vlaams regeerakkoord die stelt dat we ook op het vlak van het individueel maatwerk een stap naar een inclusievere samenleving kunnen zetten, maar ik besef ook dat er heel wat werk moet worden verricht. Niet iedereen is in staat in dit individueel maatwerk mee te gaan. We moeten dit kader zeer behoedzaam en voorzichtig schetsen. Dat mensen van collectieve naar individuele ondersteuning gaan, mag niet leiden tot een situatie waarin ze gewoon uit de arbeidsmarkt verdwijnen.

Mijnheer Vande Reyde, u hebt gesteld dat veel van de door u gemelde zaken eigenlijk federale grendels zijn. U hebt een punt. De tegemoetkoming voor personen met een handicap valt niet onder de bevoegdheid van de federale minister van Werk, maar onder de bevoegdheid van de federale minister van Personen met een beperking. Die bevoegdheden zitten nu samen in de portefeuille van minister Muylle.

Mijn administratie maakt een inventaris van alle mogelijke drempels die niet-beroepsactieve mensen ondervinden. Ik zal hier sowieso gepast op reageren en hier concreet mee aan de slag gaan. We zullen de structurele drempels bij de betrokken beleidsdomeinen aankaarten. We willen vooral oplossingen zoeken in een positieve samenwerking, ook met de federale overheid. We willen een systematisch activerende aanpak inbouwen waarin VDAB een belangrijke rol moet spelen. Dit moet uiteraard in goed partnerschap met de uitkeringsinstantie gebeuren.

Het themaboek dat op 3 december 2019 is voorgesteld, levert me relevante input, maar daarnaast is ook de expertise van een aantal stakeholders relevant.

Wat de denkpistes betreft, heb ik al vermeld dat we in deze oefening de belemmeringen oplijsten. U hebt in uw voorbeeld van sociale en andere voordelen verwezen naar het feit dat dit samenhangt met het verlies van de tegemoetkoming. Ik denk dat we moeten streven naar een situatie waarin personen met een beperking die de stap naar de arbeidsmarkt zetten over voldoende informatie beschikken om die stap te kunnen zetten en een financiële meerwaarde ervaren. Er moeten garanties worden geboden, zodat ze veilig op een inkomensvervangende uitkering kunnen terugvallen indien ze niet in de tewerkstelling slagen. Een coherent samenspel van de bevoegdheden, met uitkeringen aan de ene kant en activerende incentives aan de andere kant, kan de kans op slagen enkel versterken.

Mijnheer Vande Reyde, dit zijn veel woorden om te zeggen dat ik uw bezorgdheid deel. Het themaboek gaat niet helemaal over dezelfde groep. De definitie is een beetje anders. We werken aan oplossingen om de toegankelijkheid van de arbeidsmarkt een stuk groter te maken.

De heer Vande Reyde heeft het woord.

Minister, ik dank u voor uw antwoord. Het is de eerste keer, maar ditmaal blijf ik met uw antwoord wel op mijn honger zitten. U hebt gelijk dat veel hefbomen zich bij de federale overheid bevinden, maar uit het werk van de FOD Sociale Zekerheid blijkt dat het armoederisico voor mensen met een beperking ten gevolge van heel deze problematiek dubbel zo hoog ligt als voor andere mensen.

Dat frappeert me enorm omdat ik weet dat er heel veel mensen met een beperking uit die armoedespiraal kunnen geraken als zij de kans krijgen om te werken zonder zorgen. Dat is op dit moment niet het geval. Ik vind dat enorm absurd. Door de overheden in het land is het systeem zo georganiseerd dat mensen die willen werken en die, ondanks hun beperking, hun situatie willen verbeteren, daarin worden tegengewerkt in plaats van geholpen. Dat is de constatatie. Ik vind het absurd dat dit zoveel jaren kan blijven bestaan.

Ik weet dat het iets is wat we samen met de federale overheid moeten aanpakken. U hebt een aantal pistes opgenoemd. Ik verwacht dat het Vlaamse niveau de nodige drive heeft om daar snel actie in te ondernemen. Er is nu, tijdens de federale regeringsvorming, een window of opportunity om die zaken daar in te slijpen. Het kan toch niet dat wij op het Vlaamse niveau aandacht besteden aan het verstevigen van de arbeidsparticipatie – het is jammer dat collega Ronse hier niet is want hij heeft daarover elke week goede inzichten – terwijl we het tegelijkertijd voor die doelgroep van mensen met een beperking zomaar laten, zodat het voor hen onmogelijk wordt.

U haalt terecht het andere voorbeeld aan: wanneer mensen met een beperking de stap naar werken wagen maar het om de een of andere reden niet lukt, hebben zij geen recht meer op een aanvullende tegemoetkoming. Dat is opnieuw een andere factor die ervoor zorgt dat het ten eerste een enorm risico is om te gaan werken en ten tweede dat het niet loont. Zo blijven mensen zonder werk zitten, en mét dat enorm hoge risico op armoede.

We moeten daar iets aan doen. Ik vraag u om vanuit en samen met de Vlaamse Regering aan te dringen bij de huidige federale minister, de informateur, de toekomstige minister – het maakt niet uit, en de meesten zitten bij uw eigen partij, dus dat valt mee – om op korte termijn voor een structurele oplossing te zorgen. Het is uiteindelijk allemaal niet zo moeilijk. We moeten komen tot een systeem van ondersteuning waar het nodig is. Op het Vlaamse niveau doen we dat al met de vele zorgbudgetten. Dat moet losgekoppeld zijn van de inkomens. Dat is de logica zelve. Jullie weten dat ik geen Vlaams-nationalist ben, maar als daarvoor bepaalde bevoegdheden moeten worden overgeheveld naar het niveau waar ze het best thuishoren, met name op het Vlaamse niveau en de lokale besturen in dit geval, dan moeten we dat gewoon doen. Daarvoor moeten we niet wachten tot 2024 of nog later. We moeten ervoor zorgen dat mensen met een beperking de steun krijgen die zij verdienen en dat, als ze gaan werken, zij die steun niet verliezen. Daar komt het op neer. De Vlaamse overheid moet daarin wat meer daadkracht tonen.

Mevrouw Gennez heeft het woord.

Ik sluit mij aan bij de terechte oproep van collega Vande Reyde over arbeidsparticipatie van mensen met een beperking. Alle drempels wegwerken is de boodschap. Op welk niveau dat gebeurt, is wat ons betreft van ondergeschikt belang, als het maar effectief gebeurt. Daarom heb ik een aanvullende vraag, minister. Uw federale collega minister Muylle heeft initiatieven aangekondigd om het inkomen en de ondersteunende maatregelen beter op elkaar af te stemmen en om dat overleg met u aan te gaan. Kunt u concreet opsommen wat er ondertussen is gebeurd of wat er in de pipeline zit? Ik heb de bezorgdheid dat het op elkaar afstemmen van het inkomen en de ondersteunende maatregelen vooral voor een probleem zorgt aan de onderkant van de arbeidsmarkt. De focus moet daar zeer snel op worden gelegd, zodat daar geen verliespost ontstaat.

Op Vlaams niveau is het zeker ook nuttig om te debatteren over de activeringsmaatregelen voor personen met een handicap. Hoe kunnen wij de drempels die zij ervaren wegnemen? Dat gaat vaak over het bestrijden van discriminatie op de arbeidsmarkt. Opnieuw moeten we werkbaar werk bevorderen en voorzien in aangepast werk, maar zeker ook een nog betere samenwerking met het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (RIZIV) op poten zetten rond re-integratie op de arbeidsmarkt van langdurig zieken, wetende dat bij de 160.000 arbeidsongeschikten er toch een zeer grote meerderheid van mensen met een invaliditeit is.

Mijn vraag is of u inzicht kunt geven in wat de afstemmingsmaatregelen zijn die de federale minister heeft aangekondigd. Wat zit er eventueel nog in de pipeline qua afstemming? Heel concreet: wat zit er in de pipeline om die betere samenwerking met het RIZIV op te starten?

Mevrouw van der Vloet heeft het woord.

Ik wil collega Vande Reyde bijtreden. Al wat hij gezegd heeft, klopt inderdaad. Het is zo dat er veel op federaal niveau zit, maar dat het toch wel belangrijk is om dan op Vlaams en federaal niveau samen te gaan werken. Dat is hoogdringend. Dat moet niet alleen gebeuren met de minister die bevoegd is voor de inkomensvervangende tegemoetkoming, maar zeker ook met de minister van Werk. U weet misschien wel dat onze collega, Jan Spooren, daar al enorm veel werk verricht heeft, maar ook nog heel wat werk op de plank liggen heeft om de combinatie mogelijk te maken van zowel het behoud van de inkomensvervangende tegemoetkoming als toch ook een aantal uren gaan werken.

U zegt: we moeten erop letten dat de mensen niet aan het werk gaan en dan als het niet meer lukt, terugvallen. Het voorstel dat op de plank ligt van de collega, is dat het een en-enverhaal zou zijn. Want vaak kunnen ze maar een bepaald aantal uren werken. Het is ook een hele mallemolen om die papieren in orde te krijgen. Het is dus misschien ook wel een en-enverhaal, maar daar moet eens zeer dringend werk van gemaakt worden. De vorige legislatuur is dat niet in werking kunnen treden. We hopen dat het deze legislatuur wel in werking kan treden.

Op Vlaams niveau kunt u inderdaad heel veel doen, minister. U hebt heel veel zaken opgenoemd waarvoor de bevoegdheid bij Vlaanderen ligt. Mijn vraag is of iets als bijvoorbeeld de VOP voldoende bekend is bij de werkgevers. Worden die VOP’s voldoende aangevraagd? En de aanpassingen op de werkvloer? Er is heel wat voorhanden. Maar mijn vraag is of ze zich er voldoende bewust van zijn dat al die zaken bestaan. Het is namelijk zeer belangrijk dat, als we veel mensen aan het werk willen hebben, ook deze doelgroep aan het werk geraakt. Dat is dan vaak met heel wat aanpassingen op de werkvloer, maar dan moet er misschien nog een bewustmaking komen dat er vele zaken bestaan. Natuurlijk moet er op de werkvloer ook de goodwill zijn van de medewerkers en van de bazen. Ik denk dus dat er ook op Vlaams niveau nog heel wat werk is. We moeten niet alles van ons afschuiven. Misschien is het een idee, collega Vande Reyde, om alles over te hevelen naar Vlaanderen. Dat is misschien een werkbaarder idee. Dat kan misschien ook meegenomen worden. Maar ik denk dat er niet alleen op federaal vlak maar ook op Vlaams niveau nog heel wat werk op de plank ligt en dat we daar dan ons beste beentje moeten voorzetten.

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Ik moest, samen met de plaatsvervangende voorzitter, toch wat lachen: Open Vld vraagt een verregaande extra staatshervorming en de N-VA zegt dat er in Vlaanderen ook nog wel wat werk is. Dat is een mooie combinatie. Het is een en-enverhaal. Dat is helemaal tjeef, hé. (Gelach. Opmerkingen van Tine van der Vloet)

Het is een zeer interessante thematiek. 

Collega Gennez, ik ga samenzitten met mijn collega, Nathalie Muylle. Ik moet ook wel zeggen dat er na tien jaar collega Muyters en collega Homans toch nog werk aan de winkel is. Het is misschien goed, als ik zo vrij mag zijn, als ik deze discussie hoor, dat Werk en Sociale Economie weer in één hand verenigd zijn. Nu ik zelf deze bevoegdheden heb, vind ik het heel raar dat ze zo lang uit elkaar getrokken geweest zijn, want ze horen eigenlijk bij elkaar.

Ik heb aan mijn administratie gevraagd om een aantal federale hinderpalen in kaart te brengen. We hebben die nog niet allemaal. Die lagen ook niet kant-en-klaar klaar voor mij. Zodra we daar een overzicht van hebben, ga ik in gesprek met de federale minister. Het is daar de bedoeling om, zoals collega Vande Reyde, collega Gennez en collega van der Vloet al stelden, echt te zoeken naar een manier waarop we mensen die willen werken, de kans kunnen geven om dat te doen, zonder dat ze met permanente angst en buikpijn moeten zitten dat ze, als het niet lukt, door de mazen van het net vallen. Daar zijn op federaal vlak een aantal belemmeringen, maar ook op Vlaams niveau zie ik een aantal belemmeringen of een aantal problemen.

Ik zal twee voorbeelden geven die nog niet zijn opgelost. Het gaat om twee zaken waarmee ik de voorbije dagen zelf ben geconfronteerd.

Het eerste probleem betreft iemand die in het collectief maatwerk werkt en na een evaluatie door VDAB te horen krijgt dat hij eigenlijk te sterk is voor collectief maatwerk en niet wordt erkend om in het collectief maatwerk te blijven. Hij moet naar de gewone arbeidsmarkt, maar als het daar niet lukt, kan hij niet meer terug. We leiden mensen naar de werkloosheid of naar ziekte, terwijl die mensen het in het collectief maatwerk eigenlijk uitstekend deden.

Een tweede zaak die ik eigenaardig vind, is ter sprake gebracht toen de maatwerkbedrijven me enkele dagen geleden hebben bezocht. Als iemand uit het collectief maatwerk stapt en in een gewoon bedrijf begint te werken, krijgt zijn werkgever een VOP. Indien die persoon zonder premie in een bedrijf voor collectief maatwerk blijft, bijvoorbeeld als begeleider, krijgt zijn werkgever die VOP niet. Ik vind dat vreemd omdat in bedrijven voor collectief maatwerk ook gewone werknemers zonder ondersteuning werken. Ik vind dat niet logisch. Iemand die vijftien jaar in het collectief maatwerk heeft gezeten en daardoor is versterkt, kan het misschien aan zonder die volledige begeleiding als een gewone werknemer te werken. Hij kan dat ook in een bedrijf voor collectief maatwerk doen, bijvoorbeeld als begeleider van personeel of zo.

Als we naar 120.000 jobs willen gaan, zijn er ook nog een aantal intra-Vlaamse verbeterpunten waaraan we moeten werken. Ik wil hier geen one-shot geven. Ik heb gewoon twee voorbeelden gegeven die me wat zorgen baren. Om samen met de sociale partners te kunnen nagaan hoe we de instrumenten beter kunnen inzetten, maken we daar een inventaris van.

Wat ik goed vind, is dat we mensen van het collectief maatwerk naar het individueel maatwerk proberen te krijgen. Er kan dan vanuit de maatwerkbedrijven coaching komen op de werkvloer van het bedrijf. Op zich is dat een goede zaak omdat zo coaching in de gewone bedrijven wordt binnengebracht. Dat kan goed zijn om meer werknemers aan te trekken. Er is nog veel werk aan de winkel, maar ik heb veel motivatie om hieraan mee te werken.

Mevrouw Gennez, u hebt het over ziektes gehad. Ik heb waarschijnlijk al eens het voorbeeld van mijn eigen moeder gegeven. Na een kankerbehandeling is zij terug in het onderwijs gestapt. Ze moest fulltime lesgeven en ze is gecrasht. Uiteindelijk is ze om medische redenen op pensioen gesteld. In de huidige onderwijsregelgeving kan iemand geleidelijk instromen, en dat is een heel goede zaak. Mensen die ziek zijn geweest en dan in het onderwijs stappen, maken steeds vaker gebruik van die instapsystemen en kunnen zo blijven werken. We moeten nagaan of we in Vlaanderen nog bijkomende maatregelen op dit vlak kunnen nemen.

Minister, ik dank u voor de bijkomende toelichting. We hebben hier staatshervormingen en zo, maar voor de mensen die dit meemaken, maakt het niet uit waar een bevoegdheid zit. Dit toont aan dat het moet worden opgelost. We krijgen de mensen niet uitgelegd hoe het zit. Dat is de reden. Ik dank u voor het enthousiasme om hiermee aan de slag te gaan dat we van u op alle vlakken gewend zijn. Ik neem aan dat we de komende jaren nog verder op de hoogte zullen worden gebracht.

Minister, u bent blijkbaar nog iets vergeten?

Minister Hilde Crevits

Mijnheer Vande Reyde, ik heb net van mijn mensen het bericht gekregen dat er overleg is geweest met het RIZIV. Er is een samenwerkingsovereenkomst tussen VDAB en het RIZIV. We willen in 2020 tot de re-integratie van vijfduizend zieken komen. Dat is een enorme uitdaging voor VDAB, maar dat is de doelstelling die we onszelf nu geven. Ik speel hiermee in op wat u net hebt gezegd. Ik vind het gewoon van belang mee te geven dat dit overleg momenteel loopt.

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is toegankelijk.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.