U bent hier

Mevrouw Schryvers heeft het woord.

Het decreet van 20 april 2012 betreffende de opvang van baby’s en peuters bepaalt op welke manier kinderopvanginitiatieven de plaatsen moeten toewijzen. Het subsidiebesluit van 22 november 2013 gaat hier verder op in. Zo moet elke organisator die een subsidie voor inkomenstarief, trap 2, of een plussubsidie, trap 3, ontvangt, in het opnamebeleid voorrang geven aan bepaalde gezinnen. Dat betekent dat bij de keuze tussen meerdere opvangvragen de organisator eerst moet ingaan op de vraag die behoort tot een voorrangsgroep. Absolute voorrang moet worden gegeven aan wie kinderopvang nodig heeft om werk te zoeken, om werk te houden of om een beroepsgerichte opleiding te volgen. Voor de overige voorrangsgroepen – alleenstaanden, gezinnen met een laag inkomen, pleegkinderen en broers en zussen – bestaat geen rangorde.

Daarnaast moet de organisator ervoor zorgen dat er voor trap 2 minstens 20 procent en voor trap 3 minstens 30 procent kinderen aanwezig zijn die voldoen aan minstens twee van de kenmerken, namelijk opvang nodig in het kader van een werksituatie, alleenstaanden, gezinnen met een laag inkomen, kwetsbare gezinnen of pleegkinderen.

Met het decreet Pleegzorg van 29 juni 2012 kozen we resoluut voor pleegzorg als eerste te overwegen optie wanneer een kind niet bij de ouders kan opgroeien. Omdat de kosten voor kinderopvang pleegouders niet zouden tegenhouden om ook de allerkleinste kinderen in pleegzorg op te vangen, namen we uitdrukkelijk op in het decreet dat voor pleegouders wier pleegkind naar de kinderopvang gaat, altijd het laagste tarief kinderopvang geldt. Uit de bevraging die we in aanloop naar de conceptnota en het decreet hebben gedaan, bleek immers dat dit vaak een hinderpaal was voor gezinnen om de allerjongste kinderen op te nemen in de pleegzorg. Met die maatregel wilden we daar iets aan doen.

Op 31 december 2018 waren er 799 attesten inkomenstarief voor een pleegkind, aanzienlijk meer dan het jaar voordien, toen er 593 attesten waren. Zo blijkt uit eerdere schriftelijke vragen die ik over dit thema heb gesteld.

Met deze maatregel wordt een daadwerkelijke ondersteuning geboden aan pleegouders in de opvang van de allerkleinsten. Om de maatregel ten volle te laten renderen, is het natuurlijk nodig dat pleegouders ook toegang hebben tot die kinderopvang. Tijdens het herfstreces heeft in dit huis een grote dialoogdag plaatsgevonden van Pleegzorg Vlaanderen. Daarin kwamen een aantal elementen naar voren die ook tijdens andere dialoogdagen waren aangegeven. Een daarvan was dat het soms moeilijk is om toegang te krijgen tot de kinderopvang. Minister, ik link dit ook een beetje aan wat u daarnet hebt gezegd in antwoord op de vorige vraag, namelijk de blijvende groei van pleegzorg maar vooral de netwerkpleegzorg. Er waren getuigenissen van mensen die in hun familie opeens de vraag krijgen om een kind in pleegzorg bij hen thuis op te nemen. Zij zijn daar wel toe bereid, maar worden dan geconfronteerd met bijvoorbeeld de vraag in welke kinderopvang zij terechtkunnen voor dat kind. Vaak is die opvang nodig op heel korte termijn. Als die hoogdringend is, doet het probleem zich heel duidelijk voor, ook wanneer het pleeggezin ver van de kinderopvang woont waar het kindje al werd opgevangen. Zeker netwerkpleeggezinnen zijn daar vaak niet op voorbereid.

Minister, bent u ervan op de hoogte dat de toegang tot de voorschoolse kinderopvang een probleem kan zijn voor pleeggezinnen? Op welke manier is de voorrangsgroep pleegkinderen vertegenwoordigd in de voorrangsgroepen zoals opgenomen in het decreet? Op welke manier kan de toegang van deze doelgroep tot de kinderopvang met inkomenstarief beter worden gegarandeerd?

Hebt u zicht op hoe de sector omgaat met de toepassing van de voorrangsregels voor de verschillende doelgroepen? Welke voorrangsgroepen zijn doorgaans het meest vertegenwoordigd bij de invulling van de 20 procentregel – trap 2 – of 30 procentregel – trap 3?

Minister Beke heeft het woord.

Minister Wouter Beke

Zoals u zelf aangeeft, bestaan er inderdaad voorrangsregels voor de kinderopvang met een subsidie voor het inkomenstarief. Men is verplicht om bij voorrang toegang te geven aan bepaalde gezinnen of kinderen, waaronder pleegkinderen die kinderopvang nodig hebben. Dit is echter geen absolute voorrang voor elke groep afzonderlijk, dus ook pleegkinderen hebben geen expliciete voorrang op andere doelgroepen uit de voorrangsregels.

Dit maakt dat wanneer er al voldoende kinderen vanuit de voorrangsgroepen opgevangen worden – in dit geval is dat 20 procent bij trap 2 – en er geen plaats meer vrij is in de kinderopvang, men voor pleegkinderen soms niet onmiddellijk een plaats heeft in de kinderopvang. De mogelijkheid tot snelle toegang voor pleegkinderen hangt dus af van de beschikbaarheid van de opvangplaatsen én van de mate waarin ook voor andere voorrangsgroepen aanvragen binnenkomen.

Als we kijken naar de registratie rond de voorrangsgroepen voor 2018, dan zijn er binnen deze voorrangsgroepen 675 pleegkinderen. Dit is 1,3 procent van het totaal aantal kinderen uit voorrangsgroepen. Dit gaat in stijgende lijn sinds de opstart van het decreet in 2014.

Kind en Gezin maakt organisatoren van kinderopvang bewust van het belang van een doordacht opnamebeleid en zet hen ertoe aan om goed te monitoren en indien nodig bij te sturen. Daarbij komt ook dat we van de lokale kinderopvang verwachten dat zij opvangvragen correct registreren en opvolgen met specifieke aandacht voor onder meer opvangvragen van gezinnen uit voorrangsgroepen, en dus ook voor pleegkinderen.

Daarnaast blijven we verder inzetten op een uitbreiding van het aanbod. We zullen hiervoor tijdens deze legislatuur ook bijkomende middelen inzetten. Bijkomende capaciteit is in bepaalde regio’s zeker nodig om die toegankelijkheid voor pleegkinderen beter te kunnen realiseren.

In het voorjaar van 2019 zijn ook de eerste dringende opvangplaatsen toegekend. Kinderen die plots in een pleeggezin terechtkomen, en daardoor plots opvang nodig hebben, kunnen gecatalogeerd worden onder ‘acute crisissituatie in het gezin’, waardoor ze dus ook een beroep kunnen doen op deze dringende opvangplaatsen.

In 2017 kwam 28,2 procent van de opgevangen kinderen in locaties terecht waar ouders betalen volgens inkomenstarief uit een specifieke voorrangsgroep. In 2018 ligt het totaal gemiddelde hoger, namelijk op 30,3 procent. 73,2 procent van de subsidiegroepen met een subsidie voor inkomenstarief trap 2 bereikte in 2018 minstens 20 procent kinderen uit die voorrangsgroepen. Dit aantal is hoger dan het aantal dat in 2017 de norm haalde, namelijk 69 procent. Voor 2018 ligt dit in de gezinsopvang hoger, namelijk op 75,8 procent.

Om tot een voorrangsgroep te behoren, moet men voldoen aan minstens twee kenmerken. Het is duidelijk dat binnen de voorrangsgroepen de absolute voorrangsregel voor opvang van kinderen vanwege werk en/of opleiding het zwaarst doorweegt. 92,3 procent van de opgevangen kinderen uit de voorrangsgroepen komt uit deze categorie. 76,3 procent van de kinderen uit de voorrangsgroepen behoort ook tot een gezin met een laag inkomen en 33 procent is een kind van een alleenstaande ouder.

Mevrouw Schryvers heeft het woord.

Minister, ik dank u voor uw antwoord. Als we pleegzorg verder naar voren willen schuiven – wat we al een aantal jaren doen – als eerste optie wanneer een kind niet thuis kan opgroeien, dan moeten we er natuurlijk voor zorgen dat er voldoende faciliteiten zijn voor mensen die als pleegzorger voor dat kind willen zorgen. We hebben heel grote inspanningen gedaan, en die renderen ook. Ik denk dan aan het toepassen van het automatisch laagste tarief kinderopvang, waar voordien het tarief kinderopvang werd berekend op basis van het inkomen van de pleegzorgers. Ze moesten dan vaak de hoogste tarieven betalen. Ik denk ook aan de automatische toekenning van school- en studietoelagen. Natuurlijk moet dan ook wel de toegang worden gegarandeerd. Ik begrijp heel goed dat de voorrangsgroepen in algemeenheid zijn bepaald in het decreet en dat niet aan een van die groepen absolute voorrang wordt toegekend.

Minister, ik zou u toch willen vragen – het is goed dat het al gebeurt – om vanuit het agentschap Opgroeien verder in te zetten op de bewustmaking van de kinderopvanginitiatieven met betrekking tot de thematiek. Het zou heel erg zijn wanneer er echt een dringende nood en een crisissituatie is waarbij een kind terecht zou kunnen in een pleeggezin – in of buiten het netwerk –, dat dit de reden zou zijn waarom het kind in een residentiële voorziening moet worden opgevangen. In die zin kunnen de dringende opvangplaatsen een deel van de oplossing zijn. Mijn belangrijkste doelstelling van vandaag is om aandacht te vragen voor de thematiek, zowel bij het agentschap als bij de kinderopvanginitiatieven, want het is een alsmaar belangrijkere doelgroep.

De heer Parys heeft het woord.

De opvangvoorrang die we voor pleegkinderen hebben ingeschreven in het decreet, mag uiteraard geen lege doos zijn. We hebben het in de vorige vraag gehad over het feit dat pleegzorg met 8 procent is gestegen, wat op zich heel positief is. Ik heb nog eens naar de cijfers gekeken op de wachtlijst van pleegkinderen die zelfs na de stijging nog altijd geen pleeggezin vinden. Vorig jaar ging dat toch over 844 kinderen die op het moment van de registratie aan het wachten waren op een pleeggezin.

Zoals mevrouw Schryvers al zei, kan het niet zijn dat zo'n kind geen pleeggezin vindt omdat pleegouders die wel bereid zijn tot opname geen plek vinden in de kinderopvang. Dat mag absoluut geen lege doos zijn. In de percentages die de minister heeft genoemd komt pleegzorg eigenlijk niet prominent naar voren en ik maak me daar zorgen over.

Minister, het is misschien niet dé oplossing voor alles, maar wel een kleine. Komen pleegkinderen automatisch in aanmerking voor trap 3, waar men 10 procent kinderen uit kwetsbare gezinnen moet opvangen? Als dat niet het geval is, kan dit dan worden opengesteld zodat we daar toch ook al een klein extra kanaal voor pleegkinderen invoeren?

Mevrouw Saeys heeft het woord.

Ik begrijp zeker en vast de bekommernis. We hebben pleegouders in de kinderopvang het laagste tarief gegeven om net de pleegzorg voldoende aantrekkelijk te maken en de financiële barrières weg te werken. Anderzijds ben ik wel wat terughoudend voor het bepalen van te veel voorrangsgroepen, want dit betekent dan weer dat andere ouders een stapje achteruit moeten zetten. Ik ben ook terughoudend voor het formuleren van een percentage zoals we dat doen voor andere voorrangsgroepen. Voor organisatoren is het zeer moeilijk om hiervoor plaatsen vrij te houden. Dat zou zeer inefficiënt zijn en het halen van de wettelijke bezettingsgraad zou gehypothekeerd kunnen worden.

De heer Daniëls heeft het woord.

Collega’s, zoals de minister daarnet zei, gaat het inderdaad ook over beschikbaarheid. Ik verwijs naar het debat naar aanleiding van een vraag om uitleg tijdens de vorige commissievergadering. Als er extra plaatsen komen, ontstaat er natuurlijk meer plaats voor iedereen, ook voor pleegzorg.

Minister, in het regeerakkoord staan er in dat verband twee zaken. Een, we proberen om meer kinderopvang te organiseren. Twee, we proberen er maximaal voor te zorgen dat we de plaatsen die we hebben, ook kunnen gebruiken. Collega’s, we moeten gaan voor een combinatie. Maar de eerste doelstelling – een belangrijke doelstelling, die ook is opgenomen in het regeerakkoord – is dat we maximaal moeten zorgen voor voldoende beschikbare kinderopvang. Iedereen die kinderopvang wil doen … Ik verwijs naar het debat over de eigen kinderen. We moeten zo veel mogelijk plaatsen hebben. En dan hebben we ook meer kans om meer mensen een plaats te geven.

Minister Beke heeft het woord.

Minister Wouter Beke

De drie invalshoeken en bekommernissen zijn waar. Een, de bekommernis van hoe we ervoor kunnen zorgen dat pleegkinderen toegang hebben, ook om de aantrekkelijkheid van pleegzorg in de toekomst te bewaren. Twee, hoe we voor een goed evenwicht kunnen zorgen zodat de andere ouders daar niet de dupe van worden. En drie, hoe we ervoor kunnen zorgen dat er in de toekomst een soort van uitbreidingsbeleid zal komen, en daar verder op kunnen inzetten.

De drie elementen zijn waar. Ik vermoed dat we daar in deze commissie nog op zullen terugkomen, op het ogenblik dat we een van de doelstellingen, namelijk het sterker voorrang geven aan ouders die werken, zonder de andere criteria weg te gommen, zullen implementeren.

Ik heb mijn bekommernissen duidelijk aangegeven.

Mijnheer Parys, elke piste die we kunnen bekijken, vind ik het onderzoeken waard. Maar, als ik het mij goed herinner, zijn er toch maar weinig plaatsen in trap 3? (Opmerkingen van Lorin Parys)

We moeten ervoor zorgen dat de toegang verzekerd is, ongeacht waar het pleeggezin woont. Mogelijk is dat dan weer een barrière. Maar goed, dat is stof voor verder onderzoek. Ik dank u.

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

De plenaire vergadering en de commissievergaderingen zijn in principe openbaar, tenzij anders vermeld. 

U wil een vergadering bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.