U bent hier

De heer Van Miert heeft het woord.

Minister, ik heb afgelopen weekend uw beleidsnota gelezen en ik hoop dat meerdere leden van deze commissie dat ook hebben gedaan. Als burgemeester van een kleine stad was ik natuurlijk benieuwd te weten welk eten en drinken uw beleidsnota bevat met betrekking tot stedenbeleid, regiovorming en fusies. Zonder te willen vooruitlopen op de bespreking van de beleidsnota, die volgende week van start gaat, heb ik een vraag om uitleg opgesteld aangaande de fusies.

In uw beleidsnota gaat u niet echt dieper in op de problematiek van de zogenaamde ‘donutfusies’. Het gaat om centrumsteden die worden omgeven door allerhande kleinere gemeenten die de handen in elkaar slaan en die daardoor alleen in hun regio overblijven. De centrumsteden zitten in een situatie met heel hoge sociale lasten. Ik denk dan aan de werkloosheid, de vergrijzing, de armoede en kinderarmoede en ook de kennis van de taal. Dit vraagt veel capaciteit en opvang van onze ambtenaren, waaraan een kostprijs is verbonden. Het is duidelijk dat een stad die problemen meer aantrekt als er voorzieningen en capaciteit zijn. Dit zorgt echter voor een enorme druk op de samenleving in die binnensteden.

Ik heb alle begrip voor omringende gemeenten die zich niet geroepen voelen om meer middelen en capaciteit vrij te maken om mee aan die problematiek te werken, maar de concentratie van dit alles zorgt voor nog meer afstand tussen het landelijke en het stedelijke. Als kleine voorafname op de bespreking van de beleidsnota zou ik u dan ook twee vragen willen stellen.

Minister, welke maatregelen wenst u te nemen om te voorkomen dat de centrumsteden uit de boot vallen als het om schaalvergrotingen en fusies gaat? Welke maatregelen denkt u te kunnen nemen om bondgenootschappen tussen het landelijke en het stedelijke te faciliteren, te optimaliseren en al zeker te behouden?

De heer De Loor heeft het woord.

Mijnheer Van Miert, aansluitend op uw vraag om uitleg heb ik ook een vraag om uitleg over de toekomstige fusies van gemeenten ingediend. Het is een materie die me na aan het hart ligt.

Minister, ik heb gemerkt dat u in het Vlaams regeerakkoord en in uw beleidsnota, die straks wordt voorgesteld, opnieuw de ambitie hebt om, door de ondersteuning van vrijwillige schaalvergroting, sterke en bestuurskrachtige lokale besturen te creëren. De Vlaamse Regering zal een financieel ondersteuningspakket uitwerken om aan die fusieoperaties die een bepaalde minimale schaalgrootte bereiken ter beschikking te stellen. Naast schuldovername zou ook een garantieregeling in verband met het Gemeentefonds van toepassing zijn. Hierdoor kunnen nieuwe fusiegemeenten nooit minder ontvangen dan de som van de afzonderlijke lokale besturen.

Ik heb echter vernomen dat de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG) daar een kanttekening bij maakt. De fusie kan ook onverwachte effecten hebben. Dat is in het verleden al gebeurd met betrekking tot de verdeling van de middelen van het Gemeentefonds, zeker in de groep van gemeenten met een voorafname. De nieuwe fusiegemeente krijgt haar deel van het Gemeentefonds op basis van het aantal inwoners. Dit verhoogt tevens een gedeelte van de enveloppe, waardoor sommige andere gemeenten in dezelfde groep geld zullen verliezen.

De vorige Vlaamse Regering heeft een aantal stimuleringsinitiatieven voorgesteld die ik altijd heb toegejuicht. Ik vond immers dat de Vlaamse Regering een zeer ambitieus en sterk pakket aanbood. Het gaat om een fusiebonus in de vorm van een schuldovername ten belope van 500 euro per inwoner, met een maximum van 20 miljoen euro per fusieoperatie.

Minister, ik heb al even gekeken in uw beleidsnota, maar ik wil mijn vragen toch stellen omdat uw nota niet altijd duidelijkheid heeft geboden. Welke stimuleringsinitiatieven zult u precies nemen om de fusies op vrijwillige basis zo maximaal mogelijk te laten slagen? Hoeveel budget plant u voor de stimuleringsinitiatieven?

De schuldovername van de nieuwe fusiegemeenten zou worden gedifferentieerd naargelang van de bereikte schaalgrootte, heb ik gelezen. Hoe ziet die differentiatie er precies uit? Wat is de minimale schaalgrootte die de nieuwe fusiegemeenten moeten bereiken? Is er een maximale schuldovername per fusieoperatie vastgelegd, zoals in de vorige legislatuur wel het geval was?

Hoe ziet u de garantieregeling voor het Gemeentefonds? Hoe zult u ervoor zorgen dat de garantieregeling voor het Gemeentefonds voor de nieuwe fusiegemeente geen nefaste gevolgen zal hebben voor andere gemeenten in dezelfde groep?

De VVSG vroeg in haar memorandum om een aangepaste fusiebonus, die ook minder vanzelfsprekende, maar potentieel sterke fusies faciliteert en mogelijk maakt. Hoe staat u hiertegenover? Zijn er mogelijkheden om ook versneld te fuseren voor de start van de nieuwe bestuursperiode in 2024? Zullen die fusies ook aanspraak kunnen maken op een fusiebonus?

Minister Somers heeft het woord.

Minister Bart Somers

Mijnheer Van Miert en mijnheer De Loor, ik dank u voor deze boeiende vragen, die ook  interessant zijn voor mensen die lokale verantwoordelijkheid dragen of hebben gedragen. Dit is een van de grote uitdagingen waarmee we in Vlaanderen worstelen. De vraag is hoe we dat op het lokale niveau organiseren en hoe we dat zo sterk mogelijk maken.

Mijnheer De Loor, tussen de lijnen hebt u al erkend dat deze meerderheid een immense inspanning doet voor de lokale besturen, 400 miljoen euro extra boven op de 3,5 procent groei van het Gemeentefonds. Dat is een nooit geziene inspanning die Vlaanderen doet voor alle lokale besturen, ongeacht de ideologische kleur. Ook de landelijke gemeenten en steden worden daar beter van. Een aantal specifieke problemen en pijnpunten hebben we proberen op te lossen. Eigenlijk zijn we daar al in een eerste financieel gebaar zeer ver in gegaan.

Over alle partijgrenzen wordt gedeeld dat we vandaag de dag een inspanning zouden moeten doen om de schaal van onze lokale besturen te upgraden. Alleen de vraag hoe we dat doen verschilt van partij tot partij. De aanpak die we hebben uitgewerkt in dit regeerakkoord is heel goed en heel evenwichtig, en met heel veel respect voor de lokale autonomie. Daar geloof ik zelf heel sterk in. Hier zitten verschillende mensen die lokaal actief zijn, verschillende uitstekende burgemeesters trouwens, en ook minder uitstekende burgemeesters, maar ze zijn er. Ze zullen het met mij altijd eens zijn dat, wanneer er vanuit Vlaanderen en Brussel, of het nu federaal of Vlaams is, zaken worden opgelegd, dit vaak tot frustraties leidt. We hebben dat proberen te vermijden met een aanpak die volgens mij sterk is en uit verschillende elementen bestaat.

Eerst en vooral willen we hen die willen fusioneren – wat niet eenvoudig is, wat vaak tot emotionele debatten leidt, heel veel werk met zich meebrengt, met integratieprocessen die niet altijd eenvoudig zijn, onzekerheid over de toekomstige politieke verhoudingen enzovoort –, ondersteunen. We doen dat door een fusiebonus, door middel van een schuldovername. U hebt me gevraagd hoeveel budget ik daarvoor plan. Eigenlijk is dat open end, omdat wanneer de Vlaamse overheid een schuld van een gemeente overneemt, dat binnen entiteit twee blijft. Dan verandert de schuldpositie ten aanzien van de Europese instellingen en de federale overheid niet.

Ook in de vorige bestuursperiode hebben er verschillende gemeenten eindelijk het taboe van de fusies doorbroken. Dat taboe bestond sinds de jaren 70. Ik wil de burgemeesters die daaraan hebben meegewerkt nogmaals feliciteren, want daar is politieke moed voor nodig. In mijn directe omgeving heeft collega Van den Heuvel dat in de gemeente Puurs gedaan. Dat was niet eenvoudig, maar hij heeft dat kunnen realiseren, dus hoed af daarvoor. Maar eerst en vooral is er dus een serieuze fusiebonus. Hoeveel die zal bedragen, zullen we in de komende maanden uitwerken en daarover zullen we op tijd en stond berichten.

Ten tweede is er de Waarborgregeling: de twee gemeenten samen zullen nooit minder ontvangen uit het Gemeentefonds dan wat ze voordien afzonderlijk ontvingen. We creëren de mogelijkheid van een groter aantal schepenen om op die manier te faciliteren dat twee politieke realiteiten zich verenigen.

Ten derde zullen we het ondersteuningsaanbod versterken. Dat ondersteuningsaanbod werd pas de voorbije periode opgebouwd binnen het Agentschap Binnenlands Bestuur (ABB) en hield voor het ABB ook een heel nieuw leerproces in, maar het staat er vandaag sterk. Op basis van de decreetsevaluatie die het ABB uitvoerde in samenspraak met de besturen die op 1 januari 2019 fuseerden, wordt ook gekeken of er aanpassingen nodig zijn aan het juridisch kader. Voor fusies in het decreet over het lokaal bestuur zal het fusiebestuur nog minder drempels ondervinden. Dus ook dat gaan we verder screenen en waar mogelijk bijsturen.

We gaan ook nog eens een impactanalyse doen, Vlaams en federaal, om onze hele regelgeving toch nog fusievriendelijker te maken. Het bestaande draaiboek fusies, dat vandaag een uitstekend instrument is voor zij die eraan willen beginnen, zullen we verder verfijnen en verbeteren. Dat is het kader van de stimuli die we inbouwen.

U vraagt me of die schuldovername gedifferentieerd zal worden. De VVSG heeft daar al van alles over gezegd en rond gedaan. Ik ben daar goed over geïnformeerd. We gaan die schuldovername enkel differentiëren op basis van schaalgrootte. Dat is een keuze die we gemaakt hebben in de regering. Anders gaan we zeer snel vervallen in discussies waar je wel het begin van ziet maar niet het einde.

Ik ga al deze maatregelen, die ik hier nu in sneltreinvaart overloop, opnemen in een kadernota over de fusies. Ik denk dat we in de loop van de komende maanden alle tijd zullen hebben om daar samen ten gronde over te discussiëren. Ik zou ook heel graag met die kadernota naar het parlement gaan om dan ten gronde te bekijken wat de verschillende elementen zijn die meespelen. Ik ga daar natuurlijk niet mee wachten tot 2022-’23. We gaan proberen dat wat vroeger te doen, om de appetijt tot fusioneren te vergroten.

Een tweede element in de discussie is het beleidskader, de vraag van collega Van Miert. Als men fusioneert, dreigen we dan in Vlaanderen niet tot een soort van antistedelijke fusiegolf te komen, met in het meest extreme geval donutfusies? Daarbij fusioneert men rond een stad om toch maar geen deel te zijn van die baarlijke duivel, die de stad volgens sommigen blijkbaar is. Ik ben het daar natuurlijk volledig mee oneens, collega Van Miert, dat steden baarlijke duivels zijn.

De fusies die de vorige bestuursperiode aangegaan zijn, waren een positief verhaal. Het is volgens mij wel een realiteit dat het bij sommige fusies in meer of mindere mate meegespeeld heeft dat men niet met de stad wilde fusioneren. We hebben ook geen enkele fusie gezien die zich op een stad richtte. Dat is een moeilijk verhaal. We zeggen namelijk dat het vrijwillig is, en toch willen we een soort richtinggevend afwegingskader maken, waarbij evenwichtige regionale verhoudingen volgens mij belangrijk zijn.

Ik wil op de eerste plaats lokaal gaan luisteren. Ik wil burgemeesters daarover horen. Ik ga daar mijn licht opsteken. Ik ga de verschillende ideeën die op het terrein leven, aanhoren. Ik ga proberen daarin een afwegingskader te realiseren dat zich laat inspireren door wat er in Nederland bestaat. In Nederland heeft het kabinet een afwegingskader gemaakt voor fusies. U weet dat er in Nederland heel veel en heel vaak gefusioneerd wordt. Dat is geen bindend kader, maar een soort checklist waarbij men een aantal elementen mee in overweging moet nemen wanneer men nadenkt over fusies. Dat gaat over criteria als draagvlak, interne samenhang, bestuurskracht, evenwichtige regionale verhoudingen en duurzaamheid.

Zo'n afwegingskader dat richtinggevend is en van onderuit wordt opgebouwd, waarbij we mensen overtuigen dat de fusieoperatie iets heel duurzaam is en lang een realiteit zal zijn, is een puzzelstuk om in de goede richting te gaan. Men moet zichzelf wat kunnen overstijgen in de dagdagelijkse politieke verhoudingen en mensen een spiegel voorhouden met zo'n afwegingskader.

Een laatste puzzelstuk is de regiovorming. Het is mijn overtuiging – en ik zeg dat als iemand die al achttien jaar burgemeester is in een centrumstad, de vijfde stad van Vlaanderen – dat we moeten opletten dat de tegenstelling tussen het landelijk Vlaanderen en het stedelijke Vlaanderen niet verder groeit. Dat is een tendens die je niet alleen bij ons ziet, maar op heel veel plaatsen. Het is misschien wat te verregaand om te beweren dat de gele hesjes voor een deel uit dat spanningsveld zijn ontstaan – sommigen zeggen zelfs dat Trump zijn overwinning voor een deel uit zo'n spanningsveld is ontstaan –, maar we moeten beseffen dat er een verschil is tussen een stedelijke realiteit en politici die daarin functioneren en politici die in een meer landelijke omgeving werken. We voelen dat in alle partijen.

We zijn geografisch niet zo erg groot, dichtbevolkt en volgens sommigen een ‘nevelstad’. We moeten proberen om de tegenstellingen te overbruggen. Dat kun je niet doen vanuit de arrogantie van een stad of vanuit een soort misplaatst angstgevoel vanuit het landelijke Vlaanderen. Je doet dat vooral door samenwerkingsverbanden te creëren op basis van gelijkwaardigheid.

Als we spreken over regiovorming, zijn er nogal wat mensen die zeggen dat het stadsregio's zijn. Ik denk dat het geen stadsregio's mogen zijn want dat mogen ze expliciet niet zijn. Het moet een regio zijn waar gemeenten die gedeelde belangen hebben, de handen in elkaar slaan en waar win-winsituaties worden gecreëerd. In Vlaanderen zijn er vandaag al een aantal heel mooie voorbeelden van waar men op basis van gelijkwaardigheid – ik denk aan de Kempen, aan onze regio, aan Zuid-West-Vlaanderen – en vanuit een regionale aanpak opnieuw meer vertrouwen en samenwerking mogelijk maakt tussen de stad en het landelijke gebied. Als we dat op een goede manier doen met respect en behoedzaamheid en voorzichtigheid, dan krijgen we een ander klimaat voor de fusies van de toekomst.

Dit zijn voor mij enkele elementen van antwoorden waar we de komende maanden nog hard aan moeten werken. Het staat nog maar in de kinderschoenen, maar voor mij is het allerbelangrijkste dat ik heel veel contact zal hebben en ga luisteren naar de mensen die op het terrein verantwoordelijkheid dragen.

De heer Van Miert heeft het woord.

Minister, ik dank u voor uw uitgebreid antwoord.

De stimuli zijn er in ieder geval, dat kunnen we niet ontkennen. Het gaat over grote bedragen, hoewel u nog geen top hebt vastgelegd, maar er doen al een paar bedragen de ronde.

U legt de vinger goed op de wonde. De politieke verhoudingen blijven zorgen voor een spanningsveld en vooral ook voor emotionaliteit. Dat is iets wat ik in onze regio zelf ervaar. Het blijft een probleem. Als we de geldelijke inspanningen zelfs nog veel hoger leggen, zal het nog geen garantie zijn op resultaat in een verregaande samenwerking binnen een aantal gemeenten.

Minister, ik had op mijn vraag zeker geen sluitend antwoord verwacht, maar al wel een voorzet. Ik ben dan ook heel blij te vernemen dat u lokale gesprekken – meer op maat, eerder dan decretaal voor heel Vlaanderen –, wilt opstarten en wilt nagaan hoe we kunnen verder bouwen op de reeds bestaande samenwerkingsverbanden. Ik kijk daar heel erg naar uit.

Ik heb eigenlijk geen extra vragen meer. Ik heb er nog een kleintje, maar u kunt er misschien niet onmiddellijk op antwoorden. In Nederland zijn er voorbeelden van ambtelijke fusies, dus niet zozeer politieke fusies. Hebt u daarover ideeën of kunt u nog geen tipje van de sluier oplichten?

De heer De Loor heeft het woord.

Minister, ik dank u voor uw antwoord, ook al moet u het antwoord op verschillende van mijn vragen schuldig blijven. Ik weet dat u pas enkele weken minister bent, dus dat respijt is u zeker gegund. Ik begrijp dat de stimuleringsinitiatieven van de vorige Vlaamse Regering in grote lijnen dezelfde stimuleringsinitiatieven zullen zijn die worden voortgezet. Ik kan dat alleen maar toejuichen, want ik ben een enorme believer van fusies, niet fusie om de fusie, maar fusie om net bestuurskrachtigere en sterkere lokale besturen te maken, allemaal met het oog op een heel sterke dienstverlening voor de inwoners, of je nu in Herstappe woont of in Antwerpen of in Zottegem. Een fusie mag dus geen doel op zich zijn, maar wel een middel om bestuurskrachtige en sterke gemeenten te krijgen.

Minister, voorlopig blijf ik op mijn honger zitten over een aantal zaken zoals de schuldovername. Mijnheer Van Miert zegt dat er bepaalde bedragen rondgaan in de wandelgangen. Dan denk ik dat ik meer moet rondlopen in de gangen van het parlement, want ik ben ze nog niet tegengekomen. Misschien zal ik dat wel doen vanaf morgen.

Minister, ik kijk ook uit naar uw kadernota. Ik zou er heel sterk voor pleiten dat onze commissie en het Vlaams Parlement daar zeker bij worden betrokken. Ik vraag ook om daar zeker niet mee te wachten. De lokale besturen moeten duidelijkheid krijgen zodat de appetijt om in een fusieverhaal te stappen, zo snel mogelijk groter wordt; dit op basis van concrete informatie over waarover ze kunnen beschikken, en wat de voordelen en de voorwaarden zijn.

Zo kan het spanningsveld tussen het stedelijke en het landelijke Vlaanderen worden weggewerkt. Dan kunnen we naar nog meer sterke besturen en bestuurskrachtiger gemeenten gaan.

De heer Warnez heeft het woord.

Ik heb nog twee aanvullende vragen. Collega De Loor is een believer van fusies, onze fractie is vooral een believer van de gemeentelijke autonomie. We zijn dan ook blij met het afwegingskader dat er komt, niet om manu militari de fusies te barricaderen. Het is belangrijk ervoor te zorgen dat de centrumsteden en plattelandsgemeenten geen tegenstanders zijn, maar objectieve bondgenoten.

Minister, u sprak over regiovorming op basis van gelijkwaardigheid. Hebt u al een idee wat die gelijkwaardigheid dan concreet betekent? Ik zie in een aantal intergemeentelijke samenwerkingsverbanden dat bepaalde grote steden meer te zeggen hebben in de raden van bestuur, en dat kleinere steden dat niet hebben. Zit daar een gelijkwaardigheid of ziet u die ergens anders?

Daarnaast ben ik blij met de doelstelling van de fusiebonus. U ziet die niet als een lokwortel, maar als een compensatie van de kosten verbonden aan die integratie. Daarbij zou schaalgrootte het enige criterium zijn. Wil dat dan zeggen dat als een grote stad, bijvoorbeeld van 60.000 inwoners, fusioneert met een kleinere gemeente, bijvoorbeeld van 1000 inwoners, dit een grotere fusiebonus oplevert dan drie kleinere gemeenten van 10.000 inwoners, wat toch ook geen vanzelfsprekende fusie is?

De heer Vaneeckhout heeft het woord.

Minister, ik ben blij sommige dingen te horen. Het is een goede zaak dat we fusies een kans geven op basis van lokaal draagvlak en maatwerk, en dat het niet meer volgens het idee is dat we iedereen gaan verplichten om in iets mee te gaan. De gemeenten worden betrokken. Het is van belang dat er een draagvlak is bij de bevolking, bij de politiek en bij ambtenaren, en dat er dus actief aan de slag wordt gegaan.

Ik zou ervoor willen pleiten om in die oefening voldoende aandacht te besteden aan de nabijheid van de dienstverlening. Het is niet omdat het één politiek en ambtelijk niveau wordt, dat de dienstverlening centraal georganiseerd moet worden op alle gebied. Ik denk dat we daar vaak vervallen in zwart-witverhalen. Ik denk dat er goede voorbeelden zijn. Er zijn echter ook slechte voorbeelden in het buitenland, van fusierondes die achteraf de afstanden alleen nog maar blijken te hebben vergroot.

Zoals u weet, ben ik vooral zeer blij met de aandacht in het tweede deel van uw antwoord voor de regionale samenwerking. Ik ben zelf afkomstig uit Zuid-West-Vlaanderen, een van de inspirerende regio’s in Vlaanderen waar er over stads- en streekgewesten nagedacht wordt. Ik noem het ook liever een streekgewest dan een stadsgewest. Ik denk dat we nu een fase van experiment ingaan. Ik denk dat het niet anders kan, dat er niet één monogaam model zal zijn waarin steden of gemeenten samenwerken in een regio. Ik ben blij dat ook u die tegenstelling tussen stad en platteland aanvoelt als onproductief. Ik denk wel dat de ernst van de situatie goed ingeschat moet worden. Op 26 mei hebben we toch ook electoraal een aantal tendensen gezien die verschillend waren in de steden en in de gebieden buiten de steden. Ik denk dat we ook daar lessen uit moeten trekken. Die regionale samenwerking zal daar een antwoord op zijn.

Ik zie daar twee aandachtspunten. Ik hoop dat u die deelt. Ik heb die in een eerdere vraag om uitleg al wel eens toegelicht. Ten eerste is er het democratische gehalte. Ik weet dat u geïnspireerd bent door de burgemeesters. Dat is ook terecht. Zij kunnen daar zeker een bepaalde dynamiek aan geven. Daartegenover staat natuurlijk dat wij in een democratie leven. Ook die streekgewesten moeten dus een democratisch gehalte hebben, dat niet alleen af te lezen is in de gemeenteraden en afgeleide gemeenteraden van de gemeenten die dan deel zijn van die regionale samenwerking. Ten tweede is er het aanpakken van het overaanbod aan tussenstructuren en andere intercommunales. Men moet dus niet bovenop nog een extra niveau creëren, maar het niet-democratische gehalte van die andere tussenstructuren opvangen.

De heer Anaf heeft het woord.

Ik wil nog even verdergaan op de vraag van collega Van Miert. Lokale autonomie is uiteraard heel belangrijk. De grootste valkuil van die vrijwillige fusies is toch wel dat er fusies kunnen gebeuren die eigenlijk niet gewenst zijn, die echt tegen iets zijn. Ik wil dat onderschrijven. Ik was daarom blij om expliciet in de beleidsnota te lezen dat de Vlaamse Regering al dan niet een decretaal initiatief kan nemen. Ik ben ook blij dat u zegt dat er een afwegingskader zal komen. Ik denk ook dat het een goede zaak is om zich te laten inspireren door het buitenland, onder andere Nederland, en zeker ook met de lokale besturen daarover in overleg te gaan. Het is echt wel essentieel dat dat afwegingskader er komt.

Ik heb nog een expliciete vraag aan u, minister. Een afwegingskader is één zaak. Maar veel zal afhangen van politieke wil en politieke moed. Als er effectief een fusie wordt voorgesteld aan de Vlaamse Regering waarvan iedereen hier duidelijk merkt dat het echt een fusie is die vooral tegen iets is, bent u dan bereid om die tegen te houden? In de vorige legislatuur is volgens mij elke fusie sowieso goedgekeurd. Ik denk dat er ook geen grote malheuren gebeurd zijn. Er staan er misschien nog wel te gebeuren. Minister, bent u dan bereid om uw nek uit te steken en die effectief tegen te houden? 

Er is nog een ‘fusionard’ die iets wil zeggen. De heer Van den Heuvel heeft het woord.

Voorzitter, ik ben blij dat u ‘fusionard’ zegt en niet ‘culminard’. Dat ben ik trouwens ook niet.

Ik heb twee bemerkingen. Ik begrijp heel goed de bekommernissen die sommige collega’s hier geuit hebben over die donutfusies, iedereen tegen de grote stad. Ik denk ook dat dat op sommige plekken niet de juiste manier is. Dan moet je bekijken hoe je dat kunt vermijden. Dan alle eieren in de mand van de daadkracht van de minister leggen, vind ik ook wat kort door de bocht. Ik onderschat natuurlijk de daadkracht van de minister in dezen niet, maar dat is toch wel wat de verantwoordelijkheid afschuiven. Het is een en-ensituatie.

Minister, ik ben heel blij dat u daarnet verwezen hebt naar de Mechelse regio. Ik heb daar de voorbije vijf jaar toch niet het gevoel dat we constant moeten opboksen tegen de grote, boze, vieze stad, die alles in de plaats van die domme, kleinere gemeenten wil doen. Dus ik denk dat het ook afhangt van de houding van de stad zelf ten opzichte van de buurgemeenten, om een zekere bereidwilligheid te creëren, een zeker vertrouwen te geven, en om de andere kleinere gemeenten op een gelijkwaardige, evenwaardige manier en als een volwassen partner te bekijken.

Ik denk dat de steden, of de burgemeesters of verantwoordelijken van die regionale steden, ook een taak hebben in dezen. Ze mogen niet in een hoekje staan huilen en zeggen: kijk, die buurgemeenten willen van ons niks weten. Ze moeten met een open vizier kijken naar die buurgemeenten en hen inderdaad proberen te verleiden en zeggen: kijk, we kunnen er samen sterker van worden, het is een en-enverhaal.

Trouwens, het graduele karakter dat wellicht voor de fusiebonus uitgewerkt gaat worden, stimuleert eigenlijk ook die ietwat grotere steden en gemeenten om toch een fusie door te voeren. Er is dus een duidelijke financiële wortel om de verleidingsactiviteiten op te voeren.

Minister Somers, voelt u zich uitgedaagd wat de verleiding betreft?

Minister Bart Somers

Ik denk dat dit een heel goede bespreking is. Ik denk dat er in de schoot van deze commissie met heel veel nuance nagedacht wordt over de manier waarop we daarmee moeten omgaan. We voelen allemaal dat we voor een stuk in dezelfde richting kijken, maar dat we tegelijkertijd ook het delicate en moeilijke daarvan ondervinden.

Ik zal eerst heel punctueel op de vraag van mijnheer Van Miert reageren. Bestuurlijke fusies bestaan inderdaad in Nederland, waar er trouwens ook gastheerfusies bestaan. Daarbij voert één gemeente alle of een deel van de taken uit van de andere gemeenten binnen de bestuurlijke fusie, maar blijven de politieke organen van alle gemeenten bestaan. Ook al ben ik uit principe een orangist, ik weet in alle eerlijkheid niet of zoiets in onze Vlaamse politieke zeden en gewoonten echt zou werken. Al zijn politiezones eigenlijk een stukje vergelijkbaar, want daar heb je een gedeelde politiecapaciteit. Ik kijk altijd naar de eigen voorbeelden: Mechelen vormt één politiezone met Willebroek en er moeten dus afspraken worden gemaakt tussen verschillende burgemeesters om te bepalen waar welke capaciteit wordt ingezet. Opnieuw: dat lukt bij de ene en mislukt bij de andere.

Beeld je nu eens in dat je in een gefusioneerde gemeente zit met één administratie, één budget en één begroting, maar twee burgemeesters die elkaar naar het leven staan. Hoe dat zou functioneren in Vlaanderen, weet ik niet. U weet dat de positie van een burgemeester in Vlaanderen anders is dan in Nederland, al komt het college van wethouders wel min of meer overeen met ons schepencollege. Ik denk niet dat we het nog complexer moeten maken, maar het is een spielerei die we meenemen en waar we verder over zullen nadenken. U hebt het aangekaart. Het zal vanaf nu het voorstel-Van Miert heten. (Gelach)

Ik wil wel twee basisbedenkingen maken. Je kunt niet tegelijkertijd zeggen dat we heel veel belang hechten aan de lokale autonomie – en ik volg collega Warnez daarin – om je dan als Vlaamse overheid als keizer-koster op te stellen en de fusies door de strot van de lokale besturen te duwen. Het is het een of het ander; beide botsen met elkaar. Deze Vlaamse Regering heeft na discussie voor het eerste spoor gekozen. We vertrekken vanuit de lokale besturen en we moedigen ze aan, we helpen ze, we stimuleren ze om een aantal fusies mogelijk te maken, maar zonder dergelijke fusies op te leggen.

Een tweede bedenking: mijnheer De Loor, u zegt heel hoffelijk dat u nog geen antwoord hebt gekregen op een aantal vragen. Ook daar is het het een of het ander. Ofwel heb je een minister die eerst zijn tijd neemt om te luisteren naar en te spreken met de lokale besturen en burgemeesters, maar dan moet je aanvaarden – wat u ook doet – dat een minister op dit ogenblik nog niet op alles sluitend kan antwoorden. Ofwel heb je een minister die hier nu op alles sluitend antwoordt, maar dan moet die niet meer gaan praten met de lokale besturen, want dan bepaal je het in hun plaats. Ook daar moet u er begrip voor hebben dat, als je niet alles op voorhand wilt vastleggen en met een open geest en met een open vizier naar alles wilt luisteren om voldoende input te hebben, ik vandaag nog niet op elke vraag concreet kan of wil antwoorden. Ik heb misschien zelf een aantal ideeën ter zake, maar ik ben daar toch wel voorzichtig in.

Dit lukt maar indien de politiek er op een wijze en slimme manier mee omgaat. Fusies lukken maar als mensen met respect en soms ook in discretie met elkaar kunnen praten. Regiovorming wordt pas echt efficiënt als mensen bereid zijn om te zoeken naar win-winoplossingen. Mijnheer Warnez, u vroeg hoe zo’n regiovorming kan plaatsvinden. De persoon die naast u zit, collega Van den Heuvel, is daar een goed aanspreekpunt voor, want onder andere de gemeenten Puurs en Bonheiden kregen heel specifieke taken en waren de trigger in deeldomeinen. Voor mobiliteit was dat Bonheiden, voor heel de regio, omdat daar een burgemeester zat die enorm met mobiliteit begaan was, daar op een goede manier rond werkte en zo de rest inspireerde.

Collega Van den Heuvel deed dat op andere punten. De stad Mechelen deed dat voor de brandweer. Zo droeg elke gemeente haar steentje bij. Men kon van elkaar leren en men werd lerende organisaties. Dat creëert natuurlijk vertrouwen.

Men moet op dat niveau ook bereid zijn om een stukje af te stappen van de dogmatische, ideologische benaderingen van problemen en vanuit een managementlogica naar oplossingen zoeken. Als je die twee dingen aan elkaar koppelt en er is de generositeit van de ene en het inlevingsvermogen van de andere, dan kan dat lukken. Het is de enige manier.

Ik ben het niet helemaal eens met zij die zeggen dat we vandaag in de fase van het experimenteren zitten. Ik hoop dat we net iets verder geraken. We moeten verder geraken op vijf jaar tijd. We moeten verder geraken dan alleen maar experimenteren. We moeten proberen een kader te creëren dat duidelijkheid en stabiliteit geeft. Het kader zal maar van onderuit komen, maar we moeten duwen en verder geraken. Op die manier kunnen we een van de grootste institutionele uitdagingen in Vlaanderen aan: hoe zorgen we ervoor dat de verrommeling en de onduidelijkheid verdwijnt en de slagkracht op het lokale niveau versterkt?

We zullen er zeker nog veel over praten.

De heer Van Miert heeft het woord.

Minister, ik volg u als u zegt dat experimenteren en tussenvormen – houtje-touwtje zoals men in Nederland zegt –, niet meer gepast zijn. Ik geloof er heel sterk in – en dat is zonder paniekvoetbal of doemdenkerij – dat we met deze Vlaamse Regering stappen vooruit moeten zetten. De stimuli en het kader zijn klaar. We moeten niet langer experimenteren maar naar resultaten gaan.

De heer De Loor heeft het woord.

Voorzitter, ik sluit me aan. We zijn het stadion van experimenteren voorbij.

Minister, ik ben heel blij dat u zegt dat we verder moeten gaan. Collega Anaf heeft gesproken over politieke moed, maar u hebt niet geantwoord op zijn vraag of u ook de politieke moed zult hebben om, als er fusies worden voorgesteld, er niet op in te gaan.

Minister Bart Somers

Ik heb altijd geleerd dat je niet met de fanfare voorop moet jagen. Te uwer bescherming: het is het Vlaams Parlement dat per decreet een fusie moet goedkeuren. U hebt dus altijd het laatste woord.

Nog even over die politieke moed. Er zijn twee zekerheden. De mensen hebben het meeste vertrouwen in de lokale besturen en ze verwachten ook meer en meer van de lokale besturen, van hun burgemeester, van hun schepenen, van de voorzitter van het bijzonder comité. Ik ben wel een believer van lokale autonomie; ik denk dat ik dat in het verleden al heb bewezen en ik zal dat in de toekomst ook blijven doen. Ik denk dat alle inwoners baat hebben bij sterke en bestuurskrachtige gemeenten.

Minister, ik ben het volledig met u eens dat u een consultatieronde inplant met burgemeesters en schepenen om u van een aantal zaken te vergewissen. Maar ik pleit er ook voor om zeker geen tijd te verliezen, zodat er zo snel mogelijk duidelijkheid wordt verschaft aan steden en gemeenten die zin hebben om in een fusie te stappen.

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is geopend met een beperkt aantal plaatsen. Bezoekers die een plenaire vergadering willen bijwonen, sturen een mailtje naar 
onthaal@vlaamsparlement.be met daarin naam en geboortedatum.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.