U bent hier

Mevrouw Joosen heeft het woord.

Het H3N1-virus hield afgelopen lente lelijk huis in de West-Vlaamse pluimveesector. Heel wat kwekerijen dienden over te gaan tot het ruimen van hun dieren. De economische schade was groot.

Het Sanitair Fonds Pluimvee, dat federaal wordt beheerd, zal vergoedingen uitkeren voor alle kwekers die voldeden aan het door het Federaal Agentschap voor de veiligheid van de voedselketen (FAVV) uitgevaardigde slachtbevel. Initieel leek het dat deze uitkering niet zou worden toegestaan door Europa, omdat H3N1 niet op de lijst staat van ziektes die erkend worden door de Wereldorganisatie voor Diergezondheid (OIE) en derhalve wordt aanzien als licht pathogeen. Ten slotte werd beslist om toch een federale uitkering mogelijk te maken voor kwekers die hun dieren hebben geslacht na het ministeriële slachtingsbevel.

Een bijkomende problematiek betreft de vergoeding van kwekers die overgingen tot slachting vóór het ministeriële bevel werd gegeven. In het kader van het Europese juridische kader voor staatssteun is het immers niet toegestaan om deze te vergoeden. Zij komen dus wel in aanmerking voor een vergoeding voor economische leegstand of herbevolking. De financiering hiervan valt onder de exclusieve bevoegdheid van de gewesten.

In een gezamenlijke communicatie met zijn federale collega Ducarme stelde uw voorganger op 11 juni laatstleden het volgende: “De Vlaamse Regering heeft intussen op mijn voorstel een principeakkoord bereikt om de getroffen pluimveebedrijven financieel tegemoet te komen voor de economische schade die ze lijden. Het gaat om een tegemoetkoming voor de vaste kosten die deze bedrijven blijvend hebben tijdens de leegstandsperiode. Verder overleg met de Europese Commissie in de komende dagen moet uitwijzen wat de praktische modaliteiten hiervan zullen zijn.”

Minister, in hoeverre kan worden voorkomen dat bij een volgende H3N1-uitbraak de vergoeding van getroffen landbouwers zo moeilijk verloopt? Is er overleg met de OIE mogelijk inzake de herkwalificatie van het H3N1-virus?

Hoe werd uitvoering gegeven aan het voornemen van uw voorganger, ex-minister Van den Heuvel, om een vergoeding uit te keren aan de getroffen bedrijven? Werd dit voorstel aanvaard door de Europese Commissie?

In hoeverre is deze tegemoetkoming deel van de bestaande vergoeding voor economische leegstand of herbevolking? Indien niet, is deze cumuleerbaar?

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Collega, het is een heel interessante en belangrijke vraag in een heel moeilijk dossier, om vele redenen. Het vogelgriepvirus dat verantwoordelijk was voor de voorbije H3N1-besmetting, is geclassificeerd als een laagpathogeen virus op basis van de standaardprocedures die zijn afgesproken binnen de Wereldorganisatie voor Diergezondheid. Ik heb me er zelf druk over gemaakt dat dat zo werd geclassificeerd. Ik ben nadien op een dergelijk bedrijf geweest. Het aantal sterftes was abnormaal hoog bij de besmette dieren. Dierengezondheid is wat dat luik betreft een federale bevoegdheid, de federale diensten volgen de besprekingen binnen de OIE op. Een herziening van de standaardprocedures is wat mij betreft zeker aan de orde en moet aangebracht worden door de bevoegde federale landbouwminister Denis Ducarme en de bevoegde federale overheidsdiensten. Mijn voorgangers hebben de voorbije maanden meermaals aangedrongen bij de federale collega’s om dit concreet op te nemen aangezien het hier om een laagpathogeen virus gaat maar met een heel hoge sterfte. We zijn er dus absoluut nog niet, maar alle steun is welkom om de federale bevoegde minister te steunen in zijn acties.

De Vlaamse Regering heeft op 24 mei 2019 principieel een voorontwerp van besluit goedgekeurd dat voorzag in de toekenning van een leegstandsvergoeding aan pluimveehouderijen getroffen door het bevolkingsverbod ingevolge de uitbraak van aviaire influenza. Voormalig minister Van den Heuvel werd door de Vlaamse Regering gelast om het ontwerp opnieuw te agenderen als aan twee voorwaarden voldaan zou zijn.

De eerste voorwaarde: vanuit Vlaanderen mogen wij binnen het bestaande kader van Europese staatssteunregels voor de landbouwsector slechts steun verlenen om de economische gevolgen van een door de federale overheid verplichte ruiming van getroffen bedrijven te compenseren. Je moet dus eerst een verplichte ruiming hebben. Om de effecten daarvan te compenseren, mogen wij steun verlenen. Op het moment van de principiële goedkeuring was dit ruimingsbevel er nog niet. Het KB dat de ruiming verplichtte, is op 4 juli 2019 goedgekeurd en op 11 juli 2019 in werking getreden, waardoor vanaf 11 juli aan deze voorwaarde is voldaan. De kosten die gepaard gaan met het ruimen zelf, vallen onder het dierengezondheidsbeleid en wordt door de federale overheid gedragen. Ik hoop dat dat duidelijk is. Wij kunnen slechts optreden voor de gevolgen. Vanaf 11 juli was aan de voorwaarden voldaan. Het ruimen is echter federaal.

De tweede voorwaarde is de goedkeuring van de diensten van de Europese Commissie van het voorstel van de Vlaamse Regering wat betreft het correct toepassen van de regels inzake het verlenen van staatssteun aan de landbouwsector. De Europese Commissie heeft haar standpunt op 26 augustus 2019 duidelijk gemaakt.

Wat houdt dat standpunt in? Het heeft vier onderdelen.

Ten eerste: het is niet toegelaten om vergoedingen op basis van verschillende artikelen van de staatssteunregeling te combineren voor eenzelfde oorzaak van schade. Wat wil dat zeggen? De vergoeding voor herbevolking is een toepassing van artikel 14 van de staatssteunregels; de vergoeding voor leegstand is net als de federale vergoeding voor de ruiming een toepassing van artikel 26 van dezelfde staatssteunregels. Je moet er dus een kiezen, je mag geen twee artikelen combineren.

Ten tweede: bedrijven die vrijwillig geruimd hebben voor het federale ruimingsbevel op 11 juli 2019 van kracht werd, kunnen alleen worden vergoed voor de herbevolking van de stallen met nieuwe dieren. Ik vind dat zelf lastig, maar we zitten binnen dat Europese kader.

Ten derde: bedrijven die verplicht geruimd hebben nadat het federale ruimingsbevel op 11 juli 2019 operationeel werd, kunnen zowel vergoed worden voor de ruimingskosten, wat federaal geregeld is, als door de gewesten voor de leegstand van de stallen, aangezien beide vergoedingen onder hetzelfde artikel van de staatssteunregels vallen. Dat is dus complex en kan voor sommige bedrijven zeer unfair overkomen omdat je afhankelijk bent van het ogenblik waarop het federaal beslist is. Als je vrijwillig iets gedaan hebt, kun je dan niets krijgen. Maar dat is het kader waarbinnen wij ons bevinden.

Ten vierde: de Europese Commissie is gebonden aan de staatssteunregels die gemaakt zijn om een gelijk speelveld te vrijwaren tussen ondernemers in de 28 lidstaten en past die reglementering zeer rigoureus toe. We hebben hier zeer uitbundig over gesproken met de diensten van de Europese Commissie, zowel op technisch als op politiek niveau, maar dit is het kader waar we ons aan moeten houden.

Op basis van deze visie heeft mijn voorganger aan het Departement Landbouw en Visserij de opdracht gegeven om de regeling die door de Vlaamse Regering principieel goedgekeurd was, aan te passen tot een steunregeling voor de herbevolking van de stallen ten voordele van de getroffen pluimveehouders die hun stallen vrijwillig ruimden, omdat daar de ruimte zit voor ons. Op deze manier blijven die bedrijven die niet van de federale vergoedingsregeling konden genieten, ook niet volledig in de kou staan indien ze voldoen aan de voorwaarden van de Vlaamse steunregeling. Het aangepaste ontwerp van besluit werd intussen positief geadviseerd door onze inspecteur van Financiën en het begrotingsakkoord werd door ons aangevraagd. Dit dossier zal vervolgens ter goedkeuring aan de Vlaamse Regering worden voorgelegd.

Mevrouw Joosen heeft het woord.

Minister, 82 pluimveebedrijven werden afgelopen lente getroffen, en de schade voor die getroffen bedrijven is echt enorm. De sector blijft hier een beetje met een kater achter. Pas op 11 juli 2019 verscheen het koninklijk besluit dat nodig was om in die ruiming met uitzicht op een vergoeding te voorzien. Heel wat van de getroffen bedrijven hadden toen eigenlijk hun stallen al leeggemaakt. Ze hadden dus proactief al een initiatief genomen om het probleem aan te pakken en werden dan geconfronteerd met het feit dat ze eigenlijk beter gewacht hadden om op die vergoeding aanspraak te kunnen maken. Dat is toch wel een raar gegeven. Het merendeel kwam dan ook niet in aanmerking. Dit stuit in de sector momenteel echt wel op onbegrip over de timing van dat koninklijk besluit. Ik ben tevreden te vernemen dat er een ontwerp van besluit voorligt, dat dat aan de Vlaamse Regering overgemaakt wordt, en dat we toch uitzicht hebben op een mogelijk alternatief om daar een beetje aan tegemoet te kunnen komen.

Ik wou nog vragen of we in de toekomst samen met de federale overheid niet kunnen bekijken op welke manier we de timing rond die koninklijke besluiten beter zouden kunnen aanpakken. Het is natuurlijk heel belangrijk om in de toekomst waakzaam te blijven voor nieuwe uitbraken.

De heer Ongena heeft het woord.

Ik sluit mij aan bij mijn collega. Ik denk dat we allemaal hetzelfde gevoel hebben dat bedrijven die hier proactief geweest zijn door hun bedrijven al op te ruimen en daardoor waarschijnlijk bijgedragen hebben aan het verhinderen van de verdere verspreiding van de ziekte, daar nu het slachtoffer van dreigen te worden. Ik denk dat we dat allemaal aanvoelen als iets zeer onrechtvaardigs.

Minister, daarom is het een zeer goede zaak dat u nu het voornemen hebt om het oorspronkelijke besluit van mei aan te passen, zodat ook die bedrijven alsnog een vergoeding zouden kunnen krijgen. Naar men ons vertelt – en u hebt dat toch gedeeltelijk bevestigd – zou het de bedoeling zijn dat u daarmee nu vrijdag al naar de ministerraad gaat. Naar men ons ook vertelt, is het zelfs de bedoeling dat alle dossiers nog voor het jaareinde afgehandeld zouden worden en zelfs uitbetaald. Dat zou wel enorm goed nieuws zijn. Daarom wou ik toch eens polsen of dat inderdaad realistisch is, of u het voornemen hebt om daarover heel snel goedkeuring te krijgen op de ministerraad en u er zelfs voor zult kunnen zorgen dat de getroffen bedrijven nog dit jaar hun vergoeding krijgen.

De heer Pieters heeft het woord.

Voorzitter, als u mij toelaat om even naar de tussenkomst van mevrouw Talpe te verwijzen: ik wil het kransje van de dames niet doorbreken, en mijnheer Ongena heeft daar ook niet zo’n probleem mee, denk ik. We hebben immers een vrouwelijke minister, we hebben een vrouwelijke kabinetschef, we hebben al een aantal vragen gehad van vrouwelijke collega’s, ik denk dus niet dat dat het probleem mag zijn.

Ik moet de collega’s bijtreden, ook daarin dat de landbouw toch proactief wil zijn. Die mensen willen ook vooruit. We moeten daarin mee en de regelingen treffen die nodig zijn.

Ik wil het iets verruimen. Als we in zo’n situatie van epidemie of ziekte terechtkomen, hoe zit het dan met de bevoegdheden of met uw internationale contacten, minister, waarbij men dan voorkomt dat er uitbreiding komt, waar er ook samenspraak is en waar er samen opgetreden wordt volgens Europese standpunten? De federale overheid heeft, zoals u aangeeft, een serieuze bevoegdheid ter zake. Hoever gaat de Vlaamse bevoegdheid? In welke mate bent u bereid om te vechten voor meer bevoegdheid voor u?

Het is belangrijk dat hierover een consensus groeit, namelijk dat die vergoeding noodzakelijk is. Er zullen effectief voldoende middelen moeten worden voorzien om die vergoeding te betalen.

Ik wil ook nog eens wijzen op de warrige communicatie, niet vanuit de Vlaamse overheid maar vanuit het Federaal Voedselagentschap. Op 9 mei hebben zij het bericht verspreid dat er opgeruimd en vergoed zou worden, terwijl sommigen – zoals u suggereerde, mijnheer Ongena – hun verantwoordelijkheid genomen hebben in het belang van de sector, in functie van het wegnemen van de virulentie van die dieren, op eigen kosten. Zij zouden nu het slachtoffer daarvan worden.

Hoever gaat die terugwerkende kracht? Is dat 11 juli of de eerste communicatie op 9 mei? Dat lijkt me zeer relevant.

Als de vergoeding uit het Sanitair Fonds komt – dat mogen we niet vergeten – is dat geld uit de sector zelf. Het zijn door de overheid beheerde middelen van de sector die onder Europese regelgeving vallen. Dat is effectief geld van de sector. Er was blijkbaar al een afspraak onder de verschillende sanitaire fondsen van de diersoorten om eventueel leningen van elkaar aan te gaan om die tegemoetkoming te kunnen doen. Maar we moeten uitleggen aan de landbouwers die bijdragen aan een sanitair fonds, dat hun gespaard geld niet kan worden gebruikt om hun eigen probleem op te lossen op dat moment.

Ik weet het: dat zijn federale aangelegenheden. Toch is het niet onbelangrijk dat wij vanuit Vlaanderen aandringen op een verstandige oplossing. Laat ons eerlijk zijn: uiteindelijk heeft de federale overheid veel te lang getalmd om de juiste beslissing te nemen.

Dan is er nog de discussie over laagpathogeen tegenover hoogpathogeen. U weet dat dat geen federale aangelegenheid is maar een Europese. Laagpathogeen versus hoogpathogeen heeft ook te maken met de leeftijd van de getroffen dieren. Hier waren het eerder de oudere dieren; de jongere dieren worden eerder door hoogpathogene virussen getroffen.

Uiteindelijk is dan de zinloze discussie ontstaan over de verspreiding, terwijl iedereen in de sector weet dat dit gebeurt via de wind en niet via fysieke overdracht of door het betreden van de stallen. Iedereen ziet in de praktijk dat het via de wind gebeurd is, maar toch wordt dat verder in vraag gesteld, ook door de studiebureaus die zich daarmee bezighouden.

Minister, vooral belangrijk is het engagement – ik denk dat het gedragen wordt in deze commissie – om naar een zo goed mogelijke oplossing te zoeken en een eerlijke vergoeding uit te werken voor de mensen die getroffen zijn. Ik wil een oproep doen om toch nog even te proberen om met de federale overheid te overleggen om daar ook de middelen die beschikbaar zijn van de sector maximaal in te zetten om in combinatie met de Vlaamse engagementen een goede vergoeding te krijgen voor die bedrijven. Een aantal bedrijven krijgt het daardoor vandaag financieel lastig.

Minister Hilde Crevits

Collega’s, ik deel de lichte frustratie die in dit dossier bestaat, en ik druk me dan heel voorzichtig uit.

Op het moment dat het virus uitbrak, is er heel veel discussie geweest over – ik zeg het uit mijn hoofd – de impact en of het überhaupt onder bepaalde regels zou kunnen vallen.

Het is eigenlijk laagpathogeen. Ik was bij een koppel thuis, en die vonden dat te simpel. De schade was enorm voor die mensen. Door die categorisering geraken ze plots in een situatie waarin ze miljoenen euro’s investeringen – het gaat echt over miljoenen in de pluimveesector – dreigen te verliezen. Dat zijn vaak jonge mensen. Het is hun levenswerk. Ik vind dat een heel vervelende zaak.

Het eerste punt stond ook in de vraag van collega Joosen, en ik heb dat gevraagd aan de betrokken diensten. Het is nu een heel rigide kader waarin zo’n virus geclassificeerd wordt. We zouden dat wat soepeler moeten maken afhankelijk van de effecten ervan. Maar dat ligt bij de Wereldorganisatie voor Dierengezondheid, en wie moet daar druk op de ketel zetten? Door onze bevoegdheidsverdeling is dat de federale minister. We zijn dus afhankelijk van hem.

En ik kan ook wel proberen onze kanalen aan te spreken. Zo hebben we in de diplomatie ook mensen die daaraan kunnen werken, maar hij zit wel aan het stuur. Je kunt dus proberen om daar omkaderend veel aan te doen. En maak u geen zorgen: u hoort aan mijn intonatie vast wel dat ik dit absoluut niet leuk vind. Het zou moeten worden aangepast. We zullen ons daar dus zeker voor inzetten, maar de bevoegdheidsverdeling is wat ze is.

Twee, sinds 9 mei 2019 – de voorzitter heeft mij het eerste artikel gegeven – zijn wij in overleg met het federale niveau en hebben we gevraagd om het ruimingsbevel in te stellen. Sinds 9 mei. Het is er pas gekomen op 11 juli. Dat is gewoon frustrerend laat. Het had er vroeger kunnen zijn, maar ik ben hierin niet aan zet en toen was ik trouwens helemaal nog niet aan zet. Het is op 11 juli gebeurd. Ik heb een overleg aangevraagd met de federale collega’s. We moeten echt uitzoeken hoe we ervoor kunnen zorgen dat er hierin, indien nodig, korter op de bal wordt gespeeld, want een paar weken kunnen een enorm verschil maken voor hen die effectief vrijwillig ruimen. Dat is dus een lastig punt. Mijn voorganger heeft daar heel veel druk op gezet. 

Nogmaals, het was niet mijn bevoegdheid en ik was op dat moment ook ontslagnemend minister, maar het heeft mij echt getroffen hoe landbouwers in hun voortbestaan eigenlijk afhankelijk zijn van zaken waarop ze weinig of zelfs geen vat hebben. Dat is dus ook lastig. De datum is 11 juli. En dat is niet met terugwerkende kracht, voorzitter. Het gaat dan in op 11 juli. Zo werkt het.

Collega Ongena, u vraagt of het dossier vrijdag kan worden geagendeerd. Graag. En als u kunt helpen om daarin een duwtje te geven, dan doet u dat maar. Ik heb het begrotingsakkoord nog niet. De termijn verstrijkt vandaag. Na vandaag zou ik dus nog kunnen agenderen, maar u weet dat wij op dinsdag agenderen. Voor hoogdringende dossiers kan dat nog op donderdag. Ik zal met de collega’s bekijken of het donderdag nog kan. Als we het vrijdag nog kunnen behandelen, graag. In het andere geval zal het de vrijdag nadien gebeuren. Ons departement is bezig met het dossier.

Wat de afhandeling betreft: ik denk niet dat onze administratie een slechte reputatie heeft op het vlak van het afhandelen van dossiers. Zodra het licht op groen staat, kunnen we dat ook snel en efficiënt doen.

Collega Pieters, het federale niveau is bevoegd voor dierengezondheid en ook voor het in gang steken van de officiële procedure. Ik probeer weliswaar wat te vermageren, maar ik zal toch proberen mijn gewicht in de schaal te leggen en voldoende te wegen op het dossier. Om de bevoegdheden te wijzigen, is er bijna een staatshervorming nodig. Ik zie u al enthousiast knikken, daarom zei ik het ook. In de eerste plaats moeten we echter proberen intens en goed samen te werken, want in de toekomst zou ik die onzekere periode toch willen vermijden. We proberen ook een goede relatie op te bouwen met het federale niveau, maar dat is niet altijd even evident.

Voorzitter, ik heb ook geantwoord op uw vraag wat de inwerkingtreding betreft. We zijn op dat vlak dus gebonden aan 11 juli. Voor mij is het nu van belang dat we, los van de frustratie, proberen het best mogelijke besluit te nemen binnen het Europese kader en dat we proberen zo efficiënt en zo snel mogelijk de mensen toch nog de vergoeding te geven die we kunnen geven.

Minister, ik ben heel tevreden dat Vlaanderen hierin het voortouw zal nemen en op zoek gaat naar alternatieven. We kijken uit naar de aanpassing van het oorspronkelijke ontwerpbesluit. Het zou zeer hoopvol nieuws zijn voor de sector als we snel uitsluitsel kunnen geven aan die getroffen bedrijven.

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.