U bent hier

Mevrouw Van den Bossche heeft het woord.

Minister, opnieuw een noodkreet, deze keer van een vader op zoek naar een plekje voor zijn vijftienjarige suïcidale dochter. Dit is een specifieke casus, het is me daar niet om te doen, maar het is wel iemand die een gezicht en een stem geeft aan die vele kinderen en jongeren die vaak erg lang wachten op geestelijke gezondheidszorg of jeugdhulp in Vlaanderen. Te lang.

Ik zeg dat niet gewoon, maar men is door het Kinderrechtencomité van de Verenigde Naties daarvoor op de vingers getikt. We moeten het op dat vlak echt wat beter doen. Het is over het hele landschap zo. Of je nu kijkt naar ambulante zorg, de wachttijd om bij een centrum voor geestelijke gezondheidszorg (cgg) terecht te geraken of de wachttijd wanneer je je aanmeldt bij een mobiel team dat bij jou aan huis komt in een crisis bijvoorbeeld, dan wel dat je een opname in de psychiatrie nodig hebt, het is overal erg lang wachten. Ook in de crisisjeugdhulp is het vaak roeien met de riemen die men heeft. Vier op de tien kinderen die op de spoed belanden na een suïcidepoging worden niet geholpen op een of andere manier wanneer zij de spoed verlaten. Dat vind ik heel zorgwekkend. Ik ben hier vorige legislatuur geregeld op teruggekomen en ik wil dat blijven doen.

Minister, ik begrijp dat het nog vroeg is in de legislatuur maar hebt u al een zicht op specifieke maatregelen die u hieromtrent zou willen nemen? Er zijn heel veel adviezen in die zin geformuleerd. Ik denk aan Zorgnet-Icuro dat hier een beetje het voortouw in neemt en een aantal voorstellen heeft gedaan. Ik ken de details van het budget nog niet omdat u dat verder zelf nog moet verdelen, maar ik begrijp dat u ongeveer 60 miljoen euro hebt voor jeugdhulp. Ik weet niet in welke mate dat ook bestemd is voor crisisjeugdhulp en voor andere vormen van jeugdhulp, of het budget geestelijke gezondheidszorg daarnaast staat en hoe u dat dan wenst in te zetten. Ik denk dat die vraag wel belangrijk is. Vandaag gaat mijn aandacht vooral naar kinderen en jongeren maar u mag dat ook breder kaderen in geval u dat zou kunnen.

Federaal minister De Block heeft gezegd dat voor haar het probleem niet zozeer het aanbod is, er is plaats genoeg volgens haar, maar we moeten dat beter coördineren. Praktijkervaring leert dat er vaak simpelweg echt te weinig plaats is en dat almaar meer geld steken in coördinatie en dispatching het probleem niet oplost. De overheadkost wordt op de duur heel groot en het aantal kinderen dat kan worden geholpen, wordt er niet groter door. Deelt u die visie? Gaat u met haar in overleg omtrent dat deel dat duidelijk haar bevoegdheid is? Hoe ziet u die samenwerking?

Mevrouw Vandecasteele heeft het woord.

De aanleiding voor mijn vraag was ook de vader die radeloos om hulp schreeuwde omdat hij zijn dochter niet opgenomen kreeg omdat er wachtlijsten zijn. Ik denk dat iedereen goed kan begrijpen wanneer je dochter met suïcide plannen rondloopt dat je als ouder heel graag wil dat er snel hulp komt omdat je zelf de situatie niet aankunt.

Ik kan beamen wat mevrouw Van den Bossche gezegd heeft. Ik werk als huisarts. Het is een heel groot probleem. Als er een acute suïcidedreiging is, dan kan je kinderen of volwassenen kortstondig laten opnemen in het ziekenhuis. Het grootste probleem is wanneer het grootste gevaar geweken is en mensen terug naar huis kunnen, dat er op dat moment geen vervolgpsychologische hulp aanwezig is. De wachtlijsten zijn inderdaad zeer lang.

Als ik mensen doorverwijs naar de diensten geestelijke gezondheidszorg, dan is er soms een wachtlijststop. Heel concreet in Antwerpen was er laatst voor de jongeren bij het cgg een aanmeldingsstop omdat men de wachtlijst niet kon verwerken. Momenteel is die weer open, maar ook bij volwassenen zien we wachtlijsten tot twaalf maanden. Ik denk dat iedereen begrijpt dat als je met grote psychische problemen kampt, het niet mogelijk is om even twaalf maanden te wachten op hulp. Er is een heel groot probleem op dat vlak.

Minister, in het regeerakkoord staat dat u de wachtlijsten in de geestelijke gezondheidszorg wil wegwerken. Ik vraag me af hoe u dat ziet. Ik ben het er volledig mee eens dat enkel maar een coördinatie, dispatching of meer afspraken maken het probleem niet gaat oplossen. Er zijn echt meer psychologen nodig in die diensten voor geestelijke gezondheidszorg.

Er is een zeer interessante studie van het federaal kenniscentrum over de terugbetaling van psychologische zorg. Ik weet niet of u die gezien hebt. Daar schetst men een kader voor hoe mensen zo goed mogelijk terechtkunnen bij psychologische zorg. Enerzijds vragen zij om eerstelijnspsychologen in te schakelen – dat kan in huisartsenpraktijken of in andere instellingen zijn. Daarnaast vraagt men ook om een uitbreiding van meer gespecialiseerde zorg, dit binnen de diensten voor geestelijke gezondheidszorg.

Het kostenplaatje voor de patiënt is natuurlijk heel belangrijk. We weten ook dat psychische problemen heel fel samenhangen met de levensomstandigheden. Mensen in armoede hebben vaak meer psychische problemen dan mensen die niet in armoede leven.

Als ik patiënten ontvang, is de eerste vraag vaak of ze het kunnen betalen. Een raadpleging bij een psycholoog kost 50 tot 70 euro per keer. Dat is voor veel mensen niet weggelegd. Als het dan goedkoper is – bij de diensten voor geestelijke gezondheidszorg – dan kom je op een wachtlijst van twaalf maanden te staan. Daar moet een grote verandering in komen, net omdat het probleem zo groot is.

De KU Leuven heeft een studie gedaan rond psychisch welzijn bij jongeren, en daaruit blijkt ook dat een op vijf jongeren met ernstige psychische klachten rondloopt, die hebben dus zorg nodig. De nood is zeer hoog, en ik ben heel benieuwd hoe u die problemen rond de toegankelijkheid tot geestelijke gezondheidszorg concreet wilt aanpakken.

Minister Beke heeft het woord.

Minister Wouter Beke

Bedankt voor uw vragen. Elke minderjarige waarvoor we niet tijdig de gepaste hulpverlening kunnen organiseren is natuurlijk bijzonder betreurenswaardig.

Een kwaliteitsvolle geestelijke gezondheidszorg moet toegankelijk zijn, proactief, betaalbaar en nabij. Er wordt ook hard gewerkt om deze situaties op alle niveaus zo veel mogelijk te vermijden, zowel preventief als curatief. Ik denk ook dat het alleen te managen valt vanop alle niveaus, en met een totale aanpak.

Een eerste belangrijke punt is dat dit regeerakkoord als doelstelling heeft om het huidige Actieplan Suïcidepreventie te evalueren, met het oog op het opstellen van een derde Vlaams Actieplan Suïcidepreventie. Daarvoor willen we de internationale tendens Zero Suicide als doelstelling nemen.

Ten tweede is het binnen dit regeerakkoord ook een prioriteit om de wachtlijsten voor kinderen en jongeren verder terug te dringen. Het is echter niet evident om die op korte termijn weg te werken, dat heb ik de voorbije dagen ook al aangegeven.

Wanneer de vraag groter is dan het aanbod, zijn wachtlijsten onvermijdbaar. Binnen de centra zijn er reeds criteria bepaald en afspraken gemaakt om zo efficiënt en effectief mogelijk een antwoord te geven op de vele vragen en noden.

Wachttijden zijn niet enkel afhankelijk van het instroombeleid, maar evenzeer van het doorstroom- en uitstroombeleid. De centra voor geestelijke gezondheidszorg (cgg’s) hebben een proactief instroom-, doorstroom- en uitstroombeleid, waarmee ze trachten om – binnen de limieten van hun capaciteit – zoveel mogelijk tegemoet te komen aan de hulpvragen die hen bereiken. Er zijn ook criteria om sommige aanmeldingsvragen sneller te beantwoorden, bijvoorbeeld bij aanmeldingen met een ernstig risico op suïcide.

Het regeerakkoord wil ook streven naar een betere monitoring van het aantal wachtenden binnen de cgg’s, om de transparantie hierrond te verhogen, en een aangepast beleid te voeren. Ook de context ­– met name het andere aanwezige hulpaanbod in de regio – heeft een impact op wachttijden bij cgg’s. Ook dat moeten we mee in beschouwing nemen.

In het regeerakkoord nemen we ons voor om verder te streven naar een evenwichtige verdeling van de middelen voor alle cgg-werkingsgebieden en alle burgers, door het verder rechttrekken van de historische tekorten.

Voorts zal Vlaanderen blijvend inzetten op de mogelijkheden die onlinehulpverlening kan bieden binnen de klassieke hulpverlening als motor voor zelfzorg. We blijven overtuigd dat onlinehulpverlening een complementaire waarde heeft aan de klassieke hulpverlening. Zodoende kan het een waardevolle ondersteuning bieden tijdens een wachttijd, en kan het een toegevoegde waarde bieden voor de behandeling zelf.

Het is natuurlijk van groot belang om psychische problemen tijdig te detecteren, en gericht te interveniëren. Het programma dat we vanuit de Vlaamse overheid financieren rond vroegdetectie en interventie binnen de regionale netwerken geestelijke gezondheid voor kinderen en jongeren, richt zich specifiek op het snel detecteren van psychische problemen en vroegtijdig ingrijpen.

Er werd een goede weg ingeslagen. Het doel daarbij is dat mensen hun geestelijke gezondheid durven bespreekbaar maken en hulp durven inroepen. Op deze wijze willen we op de ingeslagen weg verdergaan. Het is immers gekend dat men vaak te laat de stap zet naar het zoeken van zorg voor geestelijke gezondheidsproblemen, want de problemen zijn dan reeds langere tijd in ontwikkeling.

Allerlei initiatieven zoals de beeldvormingscampagnes van Te Gek!?, de tiendaagse rond geestelijke gezondheid met als thema ‘samen veerkrachtig’, de OverKophuizen, de website NokNok met een onlinecoachingplatform, en de andere methodieken van het Vlaams Instituut Gezond Leven, dragen bij aan diezelfde doelstelling. Omdat we dit zo belangrijk vinden, is in het nieuwe decreet betreffende de organisatie en ondersteuning van het geestelijke gezondheidsaanbod hier een aparte functie aan gewijd die we in de komende legislatuur willen uitvoeren om zo nog meer een beroep te doen op al onze partners om zorg voor geestelijke gezondheid vooral dichter bij de burger te brengen.

Sinds februari 2019 is de federale overheid gestart met de terugbetaling van een eerstelijnspsycholoog voor de doelgroep volwassenen. Via deze eerstelijnspsychologische functie kunnen mensen snel en laagdrempelig ondersteuning krijgen binnen de basiszorg. We dringen er bij de federale overheid op aan om een uitbreiding van de terugbetaling van de psychologische zorg te realiseren naar minderjarigen en personen boven de 65 jaar. Zo verlagen we mogelijk de druk op de tweedelijnsvoorzieningen zoals de centra voor geestelijke gezondheidszorg (cgg’s) en verlagen we opnieuw de drempel voor mensen om hulp te zoeken voor hun psychische problemen. Intussen is de Vlaamse overheid gestart met pilootprojecten om een eerstelijnspsychologische functie aan te bieden aan de doelgroep ouderen. Het gaat om zes projecten, verspreid in Vlaanderen, die lopen tot februari 2022 met een jaarlijks budget van 75.833 euro per project.

Een derde krachtlijn van het ggz-beleid voor minderjarigen is de afstemming met de integrale jeugdhulp op Vlaams niveau en de federaal geregelde kinder- en jeugdpsychiatrie, in navolging van het goedgekeurde beleid inzake geestelijke gezondheid bij kinderen en jongeren. Door verdere samenwerking en afstemming pakken we ook de wachtlijsten verder aan omdat meer synergie mogelijk moet zijn.

De Vlaamse en federale overheid kiezen er beide voor om de zorg voor minderjarigen met een psychische of psychiatrische kwetsbaarheid, meer en meer te organiseren in regionale netwerken. In zo’n netwerk zijn alle relevante zorgactoren verenigd. Dit versterkt de idee van gezamenlijke verantwoordelijkheid en gedeelde zorg. We doen dit zowel voor laagdrempelige hulpverlening als voor complexere hulpvragen en crisissituaties. Die samenwerking tussen organisaties en diensten is nodig, om te voorkomen dat mensen in de kou blijven staan.

Voor de laagdrempelige hulpverlening verwijzen we naar de opstart van vijftien samenwerkingsverbanden ‘één gezin-één plan’. Deze samenwerkingsverbanden hebben als doel laagdrempelige, sneller inzetbare en beter afgestemde hulp te bieden aan kinderen, jongeren en gezinnen, en dit via één gezinsplan. De eerstelijnspsycholoog voor minderjarigen is hierin geïntegreerd, en de cgg’s zijn een partner in deze samenwerkingsverbanden. We willen in deze legislatuur dit aanbod verder uitbouwen en gebiedsdekkend maken voor heel Vlaanderen.

Voor de complexere hulpvragen werken de federale ggz-netwerken voor kinderen en jongeren samen met de jeugdhulp. Binnen deze regionale netwerken zijn verschillende hulpprogramma’s opgericht rond crisishulp, langdurige zorg, zorg aan jongeren met een dubbeldiagnoseproblematiek, inzetten op intersectorale consult en liaison, outreach voor de residentiële jeugdhulp en een programma rond vroegdetectie en -interventie. Zowel de Vlaamse als de federale overheid hebben de voorbije jaren dus investeringen gedaan die gezorgd hebben voor een uitbreiding van het hulpaanbod en dit binnen de dynamiek van een netwerk van samenwerkende partners. Hierop willen we verder werken en meer zicht krijgen op de noden en de resultaten binnen zo’n netwerk. Het niveau van de regionale zorgzone zal voor Vlaanderen verder worden gevolgd om noden, aanbod en de afstemming tussen beide te verbeteren.

Daarnaast willen we inzetten op het stroomlijnen en vereenvoudigen van het hele veld – welzijn, gezondheid, gezin – en het aanbod inzichtelijker maken voor de burger. We voeren het decreet over de organisatie en ondersteuning van het geestelijke gezondheidsaanbod uit en brengen overtollige structuren/overlegorganen in kaart om verder te verminderen. In het decreet is de erkenning van netwerken voorzien, waarbij een van de decretale opdrachten voor die netwerken is om transparante afspraken op te stellen over de verwijzing van de individuele gebruiker en zijn context op elk mogelijk moment van het zorgtraject van de gebruiker en maximaal rekening houdend met de eigen regie van de gebruiker. De toenemende samenwerking moet er zo ook toe leiden dat het hulpverleningsaanbod transparanter wordt gemaakt, en de onderliggende complexiteit voor ouders en minderjarigen op zoek naar hulp, geen struikelblok meer kan vormen.

Aangezien de federale overheid nog een belangrijk bevoegdheidspakket heeft op het vlak van de geestelijke gezondheidszorg – daar wel –, gaan we met hen in dialoog voor een goede aansturing van die netwerken, om het aanbod en onze beleidsinitiatieven verder op elkaar af te stemmen, de zorg toegankelijk en betaalbaar te maken en te houden, en de financiering volgens de bevoegdheden af te bakenen.

Ook willen we de komende jaren focussen op een betere continuïteit van zorg, zowel binnen de jeugdhulp als binnen de geestelijke gezondheidszorg. Daartoe is een internationale literatuurstudie gestart, die alle belangrijke aspecten inzake de continuïteit van zorg specifiek voor de problemen qua geestelijke gezondheid in kaart wil brengen. De resultaten daarvan zullen worden gebruikt om samen met de sector een eisenkader op te stellen, dat nadien ook kan worden gebruikt door Zorginspectie om die eisen te toetsen in de praktijk. Op die manier willen we evalueren op welke wijze de diverse ggz-voorzieningen zich inzetten om een goede continuïteit van zorg te verzekeren en kwaliteitsverbetering te stimuleren.

Continuïteit van zorg is zo een eerste thema binnen een nieuw toezichtsmodel voor de geestelijke gezondheidszorg. In dat toezichtsmodel zullen we focussen op thema’s in plaats van op organisaties, en willen we over de subsectoren heen gaan bevragen met betrekking tot thema’s. Binnen de jeugdhulp willen we inzetten op het vaker en proactiever realiseren van de gedeelde verantwoordelijkheid in hulpverleningstrajecten en een gedeelde vraagverheldering en diagnostiek. De structurele samenwerking in netwerken concretiseren we in de zorg en ondersteuning voor ontwikkelingstrajecten van minderjarigen, waar partners uit de geestelijke gezondheidszorg en uit de jeugdhulp elkaar wederzijds kunnen versterken als hun expertise proactief kan worden ingezet en ze samen met elkaar en de cliënt een traject kunnen afleggen. Op die manier vermijden we escalaties in trajecten, die vaak gepaard gaan met plotse breuken en discontinuïteit voor minderjarigen en hun gezinnen.

Het regeerakkoord spreekt ten slotte duidelijk de intentie uit om het aanbod in de geestelijke gezondheidszorg te vergroten, zodat we wachtlijsten verder kunnen terugdringen en snel tegemoet kunnen komen aan de zorgvraag, onder andere met prioriteit voor kinderen en jongeren. We moeten de budgettaire ruimte in het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid, Gezin en Armoedebestrijding nog verder concretiseren om te beslissen welk budget we precies in welke sector zullen kunnen investeren. Daar kan ik u dus op dit ogenblik nog geen precieze details over geven, maar alleszins zullen we de komende jaren verder blijven inzetten op een samenwerking op alle niveaus om de zorgvragen van kinderen en jongeren met psychiatrische kwetsbaarheden zo goed mogelijk te beantwoorden.

Mevrouw Van den Bossche heeft het woord.

Minister, dank u wel. Ik hoor u graag zeggen dat u voor zero suïcides gaat, dat u de wachtlijsten wilt terugdringen. Ik begrijp ook dat u zegt die niet meteen te kunnen wegwerken. Dat is begrijpelijk, denk ik. Terugdringen is, als dat op een ernstige manier gebeurt, al een enorme stap, denk ik. U zegt ook heel terecht – het is misschien mijn vertaling van wat u zegt, maar toch – dat mensen bij de cgg’s terecht zullen kunnen voor betaalbare psychologische hulp. Dan is het toch wel belangrijk dat die toegankelijkheid daar is. De vragen zijn veel groter dan het aanbod. Wat zij konden doen om met die vraag om te gaan en zo veel mogelijk aanbod te organiseren, hebben ze eigenlijk al gedaan. De rek is eruit wat dat betreft. U zegt ook dat ze zich op instroom, doorstroom en uitstroom zodanig hebben georganiseerd dat ze binnen de limieten van hun capaciteit het maximaal mogelijke doen. Het gaat me om die limieten. Voor mij zijn die te beperkt. U linkt dat dan vooral aan historische scheeftrekkingen in het voorzien in middelen. Ik weet dat er provincies zijn waar onterecht weinig is geïnvesteerd in geestelijke gezondheidszorg, maar zelfs die provincies die zogezegd winnaars zijn, hebben grote tekorten. Ook daar zijn er aanmeldingsstops. In de grootsteden zijn die aanmeldingsstops vaak heel snel aanwezig. Ik denk dus dat die schreeuw om middelen vrij algemeen is.

Terecht linkt u dat ook voor een stuk aan de terugbetaling van een consult bij een psycholoog, met de tekorten van de huidige regeling op federaal niveau. U zegt: enkel volwassenen, min de senioren dan. Ik ben blij dat er proefprojecten bestaan, maar het is toch jammer dat mensen van 65 en ouder daarvan werden uitgesloten, en kinderen ook. Ik denk dat het belangrijk is dat kinderen wel die snelle toegang tot een betaalbare psycholoog zouden vinden. Het is fijn dat u daarvoor wilt pleiten, maar ik denk dat er dan ook een aantal andere zaken belangrijk zijn om mee te nemen in uw pleidooi, die te maken hebben met diagnostiek. Vandaag kun je enkel een beroep doen op die regeling als het gaat om een veeleer milde angst- en stemmingsproblematiek.

Natuurlijk zijn er ook mensen die kampen met redelijk wat symptomen van psychisch lijden zonder dat dat zo eenvoudig te vatten valt in die twee specifieke diagnoses en oplosbaar is in acht sessies. Ik denk dat de uitbreiding en de aanpassing van het systeem dus ruimer kan worden bepleit dan enkel in de richting die u al aangeeft. Maar ik ben wel blij met uw pleidooi vanuit de Vlaamse overheid.

Concreet, als eerste deel van mijn  antwoord zou ik willen zeggen dat u hier enkel iets aan kunt doen als u ook het budget voorziet. Dus wil ik graag – nu ik weet dat u die middelen nog een beetje moet verdelen – een zeer warme oproep doen, en ik denk met mij de hele sector: laat toch een belangrijk deel van die middelen daarnaartoe gaan. Er is geen onderzoek dat niet aantoont dat er werkelijk nood aan is, dat er veel psychisch lijden is. U zou als minister, door de geestelijke gezondheidszorg toegankelijk te maken, daar veel verschil kunnen maken.

U hebt het ook over een aantal maatregelen die ik belangrijk vind en nodig, maar die op zich niks zullen veranderen aan de wachttijden: die afstemming met psychiatrie en jeugdhulp, de transparantie, het samenwerken in netwerken enzovoort. Dat zorgt ervoor dat mensen op de juiste plek belanden en sneller op de juiste plek belanden, dat die continuïteit van zorg groter is. Het zorgt dus absoluut voor een kwaliteitsvollere zorg. Dat is belangrijk. Maar het aantal plaatsen zal daardoor niet vermeerderen. Daarvoor hield ik toch echt wel mijn pleidooi voor voldoende investeringen.

Mevrouw Vandecasteele heeft het woord.

Ik word al ongerust als u zegt: de vraag zal altijd groter zijn dan het aanbod. In de zorg moet je preventief denken. Ik denk dat we heel veel kosten kunnen besparen als we net preventief werken en mensen heel snel hulp kunnen aanbieden via een psycholoog die gemakkelijk bereikbaar is en die terugbetaald wordt of gratis is. Ik denk dat dat zeer belangrijk is.

Inderdaad, zoals de collega ook zei: het systeem van terugbetaling van de eerstelijnspsycholoog dat minister De Block uitgewerkt heeft, kent heel wat beperkingen. Slechts een kwart van dat budget werd trouwens gebruikt. Er is ook slechts een heel beperkt aantal psychologen dat zich ingeschreven heeft in dat systeem. Heel veel mensen willen echter in dat systeem werken. Zij heeft niet geluisterd naar de bezorgdheden van die mensen.

Enerzijds is er de leeftijdsbeperking, maar ik hoor nu dat u het systeem wil uitbreiden naar jongeren en ouderen. Maar anderzijds is er ook de vreemde opdeling in aandoeningen waarvoor de psycholoog terugbetaald wordt en aandoeningen waarvoor men geen terugbetaling ontvangt. Het is te vergelijken met een huisarts: alsof je bij een huisarts enkel terugbetaling zou krijgen als je voor een lichte griep of voor een lichte buikgriep zou gaan en niet voor een ernstige appendicitis. Dat is dus een vreemde opdeling, die volgens mij contraproductief werkt. Ik denk dat je, net zoals met lichamelijke klachten, ook met een psychische klacht zeer snel moet terechtkunnen bij een psycholoog. En dat zullen we niet kunnen bereiken als we niet meer middelen steken in die eerste lijn, om zo ook de kosten in de tweede en derde lijn te kunnen besparen.

Ik wil toch een idee meegeven. Er wordt altijd gezegd: er is nu eenmaal te weinig budget dus moeten we werken met de middelen die we hebben. Maar we zien bijvoorbeeld dat er zeer veel geld vanuit het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (RIZIV) gaat naar de terugbetaling van antidepressiva. Bijvoorbeeld het antidepressivum Cymbalta kost het RIZIV jaarlijks 12 miljoen euro, terwijl we vandaag weten dat antidepressiva veel minder effectief zijn dan psychologische hulp. Dus is het een beetje vreemd dat wij als maatschappij vandaag nog altijd zeer veel geld geven aan de terugbetaling van antidepressiva en zeer weinig geld investeren in de psychologische hulpverlening. Dus ik denk dat we toch moeten nadenken over hoe we dat systeem kunnen veranderen en veel meer kunnen investeren in preventie en in toegankelijke psychologen.

De heer Parys heeft het woord.

Minister, ik heb een aantal interessante elementen gehoord in uw antwoord. Ik kon me niet helemaal van de indruk ontdoen dat de minister wel veranderd was maar het kabinet misschien niet helemaal. Goed, het was een uitgebreid antwoord, zoals we gewoon waren.

Minister Wouter Beke

Ik ben ingegaan op de oproep van de voorzitter na mijn vorig antwoord.

Als het zo zit, wil ik mijn vorige oproep herhalen.

Neen, serieus: ik denk dat er, ook door de collega’s, een aantal interessante elementen zijn aangereikt. Het terugdringen van die wachtlijsten is essentieel. Daar is geld voor nodig. Dat weten we. Daar is ook een budget voor voorzien. We zijn uiteraard benieuwd, minister, naar de begroting en naar wat daarin exact zal gebeuren.

Maar er is een andere element dat nog niet aan bod is gekomen, dat ik toch even in de discussie wil gooien, namelijk het boek Therapiewinst van professor Clark. Ik weet niet of u daarmee bekend bent, maar hij heeft hier een aantal maanden geleden een conferentie gegeven over evidencebased geestelijke gezondheidszorg.

Ik denk dat dat een enorm belangrijk element is in het aspect waar wij in Vlaanderen voor bevoegd zijn om in onze ggz in te zetten op wat we weten over welke therapieën voor welke soort aandoeningen werken. Kunnen we daar dan effectief een kader voor maken? In de geestelijke gezondheidszorg zijn immers heel veel noden. De vraag is groter dan het aanbod. We zullen wel moeten kiezen waar we op inzetten. Onze fractie vraagt heel duidelijk om alstublieft te investeren in iets waarvan we weten dat het op basis van wetenschappelijk onderbouwd bewijs aangetoond is dat het werkt voor een bepaalde aandoening. Dat is een heel belangrijk element dat ik in de discussie wilde gooien.

Een tweede element is door iedereen aangeraakt, namelijk de enorme knoop waarmee we worstelen als het over gezondheidszorg in het algemeen gaat en zeker over geestelijke gezondheidszorg in dit land. Ik was blij dat de collega van de PVDA heel duidelijk aangaf dat er federale budgetten worden vrijgemaakt voor antidepressiva, die wij misschien beter zouden kunnen investeren in preventie in Vlaanderen. Als dat een pleidooi is, zoals mijn partij er al lang een houdt, om ervoor te zorgen dat er één niveau bevoegd is voor gezondheidszorg in zijn algemeenheid en dat dat Vlaanderen is, dan is dat alleszins een puntje waar we het over eens kunnen zijn.

Want er is natuurlijk wel een paradox en dat is dat wij het hoogste aantal ziekenhuisbedden per inwoner in Europa hebben. Wij hebben 135 ziekenhuisbedden per 100.000 inwoners, terwijl het gemiddelde in Europa 69 is. We hebben hier debatten over tekorten in de geestelijke gezondheidszorg. Dan vraag je je toch wel af of we dat geld niet beter zouden kunnen investeren wanneer preventie en geestelijke gezondheidszorg in zijn algemeenheid een Vlaamse bevoegdheid zouden zijn.

Mevrouw Jans heeft het woord.

Ik wilde heel graag aansluiten bij de vragen van collega’s Van den Bossche en Vandecasteele om het belang te onderschrijven van een goede ggz tout court, en zeker voor kinderen en jongeren. Ik ben ook tevreden dat er in het regeerakkoord een heel aantal kapstokken terug te vinden is, eerst en vooral voor het terugdringen van de wachtlijsten voor kinderen en jongeren maar ook heel concreet om de Vlaamse integrale jeugdhulp af te stemmen op de federaal geregelde kinder- en jeugdpsychiatrie.

Dat brengt me bij het punt dat collega Parys heeft gemaakt. Wanneer we hierover debatteren zitten we inderdaad heel vaak op het snijvlak tussen beide overheden. Ik zou heel graag willen nadenken over wat we allemaal kunnen doen binnen het RIZIV maar ik heb begrepen dat we daarvoor vooralsnog aan de overkant van de straat moeten zijn en dat dat een federale bevoegdheid is, net zoals de modaliteiten van de terugbetaling van de eerstelijnspsycholoog of de psycholoog. Dat is een beslissing die is genomen door de federale regering, door minister De Block. Dat budget geraakt inderdaad niet op omdat die modaliteiten niet in orde zijn.

Wat wel mogelijk is, is dat wij gaan kijken wat wij zelf kunnen. Ik zie dat we heel actief pleiten voor uitbreiding naar min 18 jaar en plus 65 jaar en dat we de voorbije legislatuur daar concreet zelf proefprojecten voor hebben opgezet omdat we niet wachten op wat er van de overkant komt.

Minister, ik vind het ook positief dat u het actieplan suïcidepreventie hierbij betrekt. De dingen staan absoluut niet los van elkaar. Daarnaast wordt er vaak verwezen naar de Vlaamse cgg’s. Het is een feit dat er lange wachttijden zijn. Het is heel goed dat we dat concreet benoemen in het regeerakkoord om daar oplossingen voor te zoeken. Maar het is ook heel goed om te weten dat zij erin slagen om die mensen te bereiken waarvan we hopen dat ze daar terechtkomen. Een consultatie bij een cgg kost om en bij de 11 euro. Het sociaal tarief bedraagt 4 euro. Elk jaar slagen ze erin om de groep die 4 euro kan betalen, te laten stijgen. Ondanks de krapte en de schaarste doen zij aan een tranchering waarbij ze ervoor zorgen dat de meest kwetsbare mensen ook financieel bij hen aan de bak komen. Die cijfers nemen jaar na jaar toe. Zij zetten dus echt in op het toegankelijk maken van de geestelijke gezondheidszorg.

Maar het is een verhaal van budgetten. Er zijn ook budgetten voorzien. Er zijn een aantal resoluties in dit parlement goedgekeurd die aandacht vragen voor die bijzondere doelgroepen. Ik wou vandaag de vraag naar een goede ggz voor kinderen en jongeren enkel onderschrijven.

De heer De Reuse heeft het woord.

Voorzitter, de collega's hebben al verschillende punten aangehaald in hun vraagstelling, net als u in uw antwoord. Het terugdringen van de wachtlijsten bij de crisishulp bij zelfmoordneigingen en zelfmoordpreventie zijn zaken die hier de komende jaren zullen terugkomen en waar we nog uitvoerig over zullen debatteren.

Ik stel vast dat er over deze bekommernissen een heel grote consensus bestaat. Maar in het voorliggend regeerakkoord – dat wat dat betreft wel vol goede bedoelingen zit – heeft men toch in te weinig middelen voorzien om tot structurele oplossingen te komen. Niet enkel wij zeggen dat; het is ook een kreet vanuit de sector.

We hopen dat de minister in deze regeerperiode nog links of rechts wat bijkomende middelen kan versieren en draineren naar het gebied Welzijn en Armoedebestrijding, om toch aan deze noden tegemoet te komen.

Aan de andere kant ontbreekt er voorlopig nog een beleidsbrief, en dat maakt het voor ons als parlementsleden toch wel wat moeilijk om een volledig beeld te krijgen van de volledige budgettaire prioriteiten van u en uw kabinet.

Ik sluit mij aan bij de reeds gestelde vragen, en ik pleit ervoor dat we verder inzetten op zelfmoordpreventie en geestelijk welzijn. Als men dat kan doen via gedragswijzigingen – mensen op een positievere manier in het leven laten staan – dan zal dat ook al een groot deel van de wachtlijsten terugdringen.

Ik verwijs dan bijvoorbeeld naar ‘Oe ist’, de vroegdetectiecampagne die destijds werd gevoerd in West-Vlaanderen, en die heel succesvol was. Ik denk dat u zeker te rade kunt gaan in de provincie West-Vlaanderen. U weet dat de Westhoek spijtig genoeg met de hoogste zelfmoordcijfers van dit land kampt. Ik denk dat daar heel wat expertise beschikbaar is, en ik hoop alvast dat u die in uw beleidsbrief zult implementeren en gebruiken.

Mevrouw Saeys heeft het woord.

Er is al heel wat gezegd, maar ik denk dat we het over een zaak eens zijn: we willen allemaal de wachtlijsten terugdringen, en we willen dat iedereen de nodige zorg krijgt, op de juiste plaats. Ik denk dat er sowieso heel wat raakvlakken zijn tussen geestelijke gezondheidszorg enerzijds en jeugdzorg anderzijds. We moeten kijken hoe de daarvoor voorziene middelen maximaal resultaat kunnen opleveren, en we moeten proberen om de positionering van de cgg’s en de centraal aanmeldingsregisters (CAR’s) beter af te lijnen.

Er is nu op federaal niveau een terugbetaling voor klinisch psychologen voor volwassenen, maar in Vlaanderen is preventie heel belangrijk. We moeten absoluut proberen te voorkomen dat de situatie bij iemand zo escaleert dat we naar tweede- en derdelijnszorg moeten grijpen. Online hulpverlening is daarbij een nuttig middel, maar we moeten ook reeds op jonge leeftijd tools aanreiken om met stress om te gaan. Mensen moeten ook weten dat ze de symptomen snel kunnen herkennen, zodat ze daar zo snel mogelijk op kunnen reageren.

Minister Beke heeft het woord.

Minister Wouter Beke

Bedankt voor de vele tussenkomsten. Misschien moeten we toch eens een apart commissiemoment organiseren om de huidige bevoegdheidsverdelingen in dit land duidelijk te maken. Daar bestaat immers nogal wat verwarring over. 

Zo ligt de bevoegdheid voor eerstelijnspsychologische hulp bij minister De Block. Ook antidepressiva en de middelen die het RIZIV aanreikt, vallen onder haar bevoegdheden. We kunnen erover reflecteren of dat in de toekomst ook beter zo blijft of niet. Maar ik heb begrepen dat het parlement daarvoor nog een andere commissie zou installeren. 

Op dit ogenblik moeten we alleszins werken binnen de bevoegdheidsdomeinen die bij ons liggen. Zolang het over onze bevoegdheden gaat, hebben we er allemaal belang bij om op een goede manier samen te werken. Mijn voorganger heeft daarrond ook samengewerkt met minister De Block. Het is mijn ambitie om die samenwerking verder te zetten – bilateraal, maar ook via de interministeriële conferenties die nu allicht terug worden opgestart. 

In de eerste lijn leveren we al veel inspanningen om tot een goede samenwerking te komen. Zo zijn er verschillende opmerkingen geweest rond preventie; het belang daarvan kunnen we niet genoeg benadrukken. Dat valt natuurlijk ook binnen een bredere aanpak.

Als we kijken naar geestelijke gezondheidszorg en preventie bij jongeren, dan begint vroegdetectie al bij de Huizen van het Kind. We hebben daar in Vlaanderen een heel fijnmazig netwerk voor ontrold. Dat is historisch gegroeid. We moeten hen ertoe aanzetten om nog meer in te zetten op preventie; dat is belangrijk.

Er is dus het preventieve, maar ook het curatieve. De heer Parys heeft de vraag gesteld naar therapiewinst. Dat is natuurlijk moeilijk. Aan de ene kant heb je de ‘evidencebased medicine’ en aan de andere kant is er de therapievrijheid van artsen. Die twee staan niet noodzakelijkerwijze tegenover elkaar. Men kan via evidencebased medicine ook aantonen welke de beste therapieën zijn en welke men het best moet inzetten. Iets anders is een wettelijk of decretaal kader creëren voor ‘what if’ en waar je dan terechtkomt. Het is moeilijk om dat zomaar van bovenaf op te leggen.

De ziekenhuisbedden zijn een federale materie. U hebt een punt wat de cijfers betreft. Ik kan daar op dit ogenblik met mijn huidige bevoegdheden weinig aan veranderen.

Voorbeelden als ‘Oe ist?’ zijn mooie voorbeelden die door het Vlaams Expertisecentrum mee worden genomen in het algemeen beleid voor zelfmoordpreventie. Ze hebben er een plaats in en zijn zeker te vermelden.

Mevrouw Van den Bossche heeft het woord.

De bevoegdheden zijn inderdaad misschien een beetje ongelukkig verdeeld over de niveaus in dit land, maar dat neemt niet weg dat u vanuit Vlaanderen echt veel kunt doen om een verschil te maken. Volgens mij kan het voor een deel organisatorisch, maar u gaat er niet alles mee oplossen als u ook niet voldoende budget voorziet en meer investeert. De belangrijkste vraag blijft hoeveel Vlaanderen de komende jaren kan investeren in geestelijke gezondheidszorg op de verschillende niveaus waarvoor Vlaanderen bevoegd is en een rol kan spelen. U kunt echt een verschil maken. Ik blijf het met veel aandacht volgen.

Mevrouw Vandecasteele heeft het woord.

Ik ga de heer Parys moeten teleurstellen. (Opmerkingen)

Het is inderdaad zo dat de bevoegdheden verdeeld zijn over het land. Om een voorbeeld te geven: we zijn een grote voorstander van een kiwimodel waardoor medicatie serieus in prijs kan zakken. Op federaal niveau is er al een lightversie ingevoerd. Ik denk dat men veel sterker staat als men het federaal aanpakt om goedkopere prijzen af te dwingen. Ik ben dus voor meer bevoegdheden op federaal niveau. (Opmerkingen)

Ja, het is hier het Vlaams Parlement. Als u het vervelend vindt dat we ook spreken over federale bevoegdheden, ga ik u moeten teleurstellen want de aanpak van psychische problemen is ook bevoegdheidsoverschrijdend. We weten dat mensen in armoede meer kampen met psychische problemen dan andere mensen omdat omgevingsfactoren heel veel invloed hebben, net zoals werkomstandigheden.

Kirsten Catthoor, de secretaris van de Vlaamse Vereniging voor Psychiatrie, gaf recent ook een zeer interessante opinie. Ze zegt dat we als we echt het probleem van de toename van psychische problemen bij jongeren willen aanpakken, we ook de leefomstandigheden en werkomstandigheden moeten onderzoeken. We moeten investeren in degelijke huisvesting, wat voorkomt dat er problemen ontstaan.

Momenteel gaat er heel veel geld naar ziekteverlet voor mensen die met psychische problemen kampen. Als men investeert in een goed toegankelijke eerstelijnszorg waar mensen goedkoop, gemakkelijk en laagdrempelig bij een psycholoog terechtkunnen, dan kan men veel problemen op latere leeftijd vermijden en veel kosten voor ziekteverlet voorkomen. We hebben er alle baat bij om daarin te investeren.

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is geopend met een beperkt aantal plaatsen. Bezoekers die een plenaire vergadering willen bijwonen, sturen een mailtje naar 
onthaal@vlaamsparlement.be met daarin naam en geboortedatum.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.