U bent hier

Commissievergadering

woensdag 25 september 2019, 10.00u

Voorzitter

De heer Anaf heeft het woord.

U begon zeer ambitieus aan uw opdracht als de Vlaamse minister van Armoedebestrijding, en dat siert u. Iedereen is het hier eens dat men in het kader van armoedebestrijding niet ambitieus genoeg kan zijn en dat het een schande is dat er in een welvarende regio als Vlaanderen nog mensen zijn die in armoede moeten leven. Ik hoop dat daarover een grote consensus is. Helaas presenteerde Kind en Gezin op 13 juni 2019 opnieuw de jaarlijkse kansarmoedecijfers. Het zal geen verrassing zijn dat er helaas geen sprake is van een halvering. Integendeel, de cijfers blijven verder stijgen. Van alle 0- tot 3-jarigen groeit 14 procent vanaf de geboorte in kansarmoede op.

Dat is niet het enige cijfer. Ik verwijs ook naar de Voedselbanken, die de eerste zes maanden van 2019 bijna 170.000 bezoekers telden. Dat is een stijging met meer dan 6 procent, vergeleken met vorig jaar.

Minister-president, u bent nu vijf jaar de minister van Armoedebestrijding. U hebt gezegd dat men u mag afrekenen op uw uitspraak dat u de kinderarmoede zult halveren. Het zal u misschien verbazen, maar dat ben ik niet van plan. Er zijn immers meerdere factoren die meespelen: armoedebestrijding is complex en heeft met verschillende beleidsdomeinen te maken. Niet alleen de Vlaamse overheid is hiervoor verantwoordelijk. Er zijn een paar belangrijke hefbomen en kansen die men tijdens de voorbije legislatuur heeft gemist, om nog niet te spreken over de hervorming van de kinderbijslag. Daarin zat volgens mij een veel grotere hefboom om de kinderarmoede aan te pakken. Ik ben vooral niet van plan om u op uw beleid af te rekenen omdat al de mensen die in armoede leven daar geen boodschap aan hebben. Ze hebben geen boodschap aan een rondje zwartepieten of aan wie zijn schuld het nu eigenlijk is. Ze willen vooral dat wij als politici oplossingen zoeken en effectief iets aan het armoedeprobleem in Vlaanderen doen.

Toch stel ik u deze vraag. Welke structurele maatregelen had u in gedachten toen u vijf jaar geleden uw uitspraak over de halvering van de kinderarmoede deed? Waarop baseerde u zich en hoe kon u het hard maken dat die maatregelen inderdaad voor een halvering zouden zorgen?

Hoe evalueert u de maatregelen die u hebt genomen op het einde van uw legislatuur? Hoe komt het dat we die halvering van de kinderarmoede niet hebben bereikt en dat de kinderarmoede alleen maar is blijven stijgen?

Minister-president Homans heeft het woord.

Mijnheer Anaf, ik zal uw twee eerste vragen samen beantwoorden. Het siert u dat u zegt dat u me niet op mijn uitspraak zult afrekenen. Het moet wel nog eens herhaald worden dat de belofte over de halvering van de kinderarmoede deel uitmaakt van het Pact 2020, dat in 2008 is gelanceerd.

Ik heb in 2016 die vraag gekregen. Geen enkel antwoord daarop was goed. Als ik had gezegd dat ik die ambitie wilde loslaten, had iedereen gezegd dat ik niet ambitieus genoeg was en dat dat niet kon. Als ik had gezegd dat ik die doelstelling met de vingers in de neus zou halen, was ook dat geen wijs antwoord geweest, als men rekening houdt met de omstandigheden.

Armoede vergt een structurele en horizontale aanpak. Op dat vlak ben ik het volledig met u eens. Dan hebben we het over de arbeidsmarkt, het onderwijs, wonen. De verantwoordelijkheid daarover ligt bij iedere minister in de Vlaamse Regering.

Het is ook belangrijk dat we de onderliggende oorzaken van armoede proberen aan te pakken. Concreet betekent dit dat we volop werk moeten maken van de inburgering, activering en scholing om armoede te bestrijden. Want wat leren ons de cijfers van Kind en Gezin en European Union Statistics on Income and Living Conditions (EU-SILC)? 64,5 procent van de kansarme geboortes komt voor bij moeders van niet-Belgische origine. Er is een verhoogd armoederisico voor personen geboren buiten de Europese Unie. Het gaat dan over 39 procent in vergelijking met 8 procent bij personen die geboren zijn binnen de Europese Unie. Er is een verhoogd armoederisico bij werklozen: 38 procent tegenover 3 procent bij mensen die werken. Er is ook een verhoogd armoederisico bij gezinnen met een zeer lage werkintensiteit: 54 procent tegenover 2 procent bij gezinnen met een zeer hoge werkintensiteit. Daarnaast is er ook een verhoogd armoederisico bij laaggeschoolden: 21 procent tegenover 4 procent bij hooggeschoolden.

We hebben met de voltallige Vlaamse Regering op dit vlak dan ook heel belangrijke zaken gerealiseerd. Er zijn diverse maatregelen genomen om kwetsbare personen aan het werk te krijgen. We hebben versterkt ingezet op de activering van werklozen. We hebben tijdens deze legislatuur sterk geïnvesteerd in sociale economie, waardoor er bijna tweeduizend doelgroepwerknemers tewerkgesteld werden. Dat is een behoorlijk groeipad geweest, en het werd door uw fractie met heel veel enthousiasme mee goedgekeurd. Ik denk dat het ook heel goed is dat de oppositiepartijen deze maatregelen mee hebben goedgekeurd.

Als we naar cijfers van de werkloosheid kijken, dan waren er in augustus 2015 nog 247.826 werkzoekenden. In augustus 2019 waren dat er 196.433.

Dat is een daling van 51.000 werkzoekenden. Alles kan natuurlijk beter en als dat een van uw replieken gaat zijn, dan zal ik u al proberen voor te zijn: alles kan inderdaad beter, maar we moeten toch erkennen dat er hier in Vlaanderen volop op activering is ingezet. Ieder gewest kiest zijn eigen prioriteiten en activering is een van de prioriteiten die Vlaanderen gekozen heeft om ook structureel een antwoord te kunnen bieden op die strijd tegen armoede.

Wat inburgering betreft, werden er op vijf jaar tijd 30 procent meer trajecten opgestart: ongeveer 22.000 in 2018 tegenover 17.000 in 2013. De inburgeraars geven ook aan dat zo’n traject hen ook effectief helpt om bij afloop ervan sneller een job te kunnen vinden.

Over Wonen ben ik daarnet zeer uitvoerig ingegaan op een vraag van collega De Meester. Ik neem aan dat ik dat niet meer moet herhalen, tenzij u dat wilt, collega Anaf, dan wil ik alles wat we op het vlak van huisvesting gedaan hebben nog wel eens herhalen. Maar om uw agenda een klein beetje te ontlasten, voorzitter, zal ik het stukje over Wonen overslaan.

We hebben activering, werk, en ook inburgering gehad. Natuurlijk zijn er los van Wonen ook nog een aantal andere belangrijke verwezenlijkingen gebeurd, waaronder de hervorming van de kinderbijslag. U noemt die hervorming een soort van gemiste kans en zegt dat we eigenlijk meer met die hervorming hadden kunnen doen om kinderarmoede ook effectief te gaan bestrijden dan wat we met het Groeipakket gedaan hebben, maar in deze regeerperiode is er ook 38,3 miljoen euro extra uitgetrokken voor betaalbare plaatsen in de kinderopvang. Wat het Groeipakket concreet betreft, weet u dat er bijna een verdubbeling is van het aantal minderjarigen met een verhoogde kinderbijslag omdat de ouders een lager inkomen hebben. U weet ook – en persoonlijk vind ik dat een zeer goede keuze – dat als kinderen boven op de reguliere kinderbijslag ook nog recht hebben op een sociale toeslag, dat die toegekend wordt op basis van het inkomen van de ouders en niet meer op basis van hun statuut. Iemand die bijvoorbeeld een inkomen uit arbeid heeft dat of een uitkering kreeg die even laag is als een leefloon, had in het vorige systeem geen recht op een sociale toeslag. We hebben dat bij het Groeipakket wel al doorgetrokken. Ik hoop dan ook dat u ermee instemt, collega Anaf – en bij uitbreiding uw fractie – dat het een goede manier van aanpakken is om van die statuten af te stappen en gewoon te kijken naar het inkomen. Iemand die dus een even laag inkomen heeft uit arbeid als een leefloon, heeft evenzeer recht op een sociale toeslag wat de kinderbijslag betreft. Dat is de filosofie die we daar doorgetrokken hebben.

Ik kan u ook nog meegeven dat 22,1 procent van de kinderen onder de 18 jaar een sociale toeslag gekregen heeft, tegenover 11,4 procent tijdens het jaar voordien. Bij kinderen jonger dan 6 jaar is er meer dan een verdubbeling van het aantal kinderen met een sociale toeslag: van 9,2 procent naar 21,6 procent. Deze toekenning gebeurde ook automatisch. Het is niet meer zo dat de betrokkene dat moet aanvragen.

Wat andere belangrijke verwezenlijkingen betreft, spreek ik ook over de inkanteling van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn (OCMW) in de lokale besturen. Dat is bij het begin van deze gemeentelijke legislatuur, op 1 januari 2019, ingegaan. Ik weet niet of u zelf lokaal politiek actief bent, collega Anaf, maar zelf heb ik in de gemeenteraad van Antwerpen ervaren dat dat allemaal redelijk vlot verlopen is, en ik heb van collega’s soortgelijke geluiden gehoord, met name dat het in de gemeenteraden toch wel op groot applaus onthaald werd, omdat gemeenteraadsleden nu eindelijk alle thema’s die tot het sociaal beleid behoren in één forum kunnen bespreken, in plaats van dat altijd kunstmatig op te splitsen.

Dan hebben we ook nog het Vlaams energiearmoedeplan, dat in eerste instantie natuurlijk is opgesteld door de minister bevoegd voor Energie, en ook de hervorming van het volwassenenonderwijs om nog meer en kwetsbare personen te kunnen bereiken.

Hoe evalueer ik deze maatregelen en uiteindelijk ook het resultaat in het licht van de meest recente cijfers van Kind en Gezin? Ik denk dat het voor een goed begrip wel belangrijk is enige duiding te geven bij de kansarmoede-index van Kind en Gezin. De kansarmoede-index van Kind en Gezin geeft het aantal geboorten weer in een kansarm gezin in de afgelopen drie jaar. Hoe wordt dit eigenlijk effectief gemeten? Tijdens hun  contacten met gezinnen gaan de verpleegkundigen en gezinsondersteuners van Kind en Gezin na of er signalen zijn van kansarmoede op zes domeinen. Het eerste domein is het maandinkomen van het gezin en het is problematisch, collega’s, dat het maandinkomen effectief alleen maar rekening houdt met het inkomen, ofwel een uitkering ofwel een inkomen uit arbeid, maar bijvoorbeeld reguliere kinderbijslag; de toeslagen op de kinderbijslag, studiebeurzen en dergelijke meer; en allerlei sociale toeslagen en tarieven hier niet in worden meegeteld. Dat vind ik redelijk problematisch. Ten tweede is de opleiding van de ouders ook een van de factoren. Een derde factor is het stimulatieniveau van de kinderen. Een vierde is de arbeidssituatie van de ouders, een vijfde de huisvesting en een zesde de gezondheid.

Collega’s, buiten beschouwing gelaten, gaat dit misschien veeleer over subjectieve inschattingen. Wanneer een gezin zwak scoort op drie of meer criteria, spreekt men bij Kind en Gezin volgens die kansarmoede-index per definitie over kinderen die in kansarmoede leven, zonder nog maar de term ‘risico op kansarmoede’ te gebruiken.

Kind en Gezin zelf en professor Ive Marx – en wie ben ik om Ive Marx tegen te spreken? – hebben ook aangegeven dat dit geen geschikte indicator is om het beleid te evalueren. Om het beleid te evalueren, zeggen zowel Kind en Gezin als professor Ive Marx, zitten er in die kansarmoede-index te veel subjectieve elementen vervat, is hij te multidimensionaal en gaat hij over veel meer dan over armoede alleen. 

De impact van externe factoren is ook groot. Na de beloftes en uitdagingen en de acties van het Pact 2020, gelanceerd in 2008, werden we nadien jammer genoeg geconfronteerd met een economische crisis. Dat is gewoon de realiteit. Niet zoveel later kwam de migratiecrisis, dat is ook gewoon de realiteit. Je bent dus ook afhankelijk van een externe begroting.

Bovendien, eerst geconfronteerd met de economische en daarna de migratiecrisis – oude getrouwen in dit parlement zullen niet verbaasd zijn als ik dat toch nog eventjes aanhaal –, stelt ook Kind en Gezin trouwens dat het stijgend aandeel kinderen met een mama van niet-Belgische origine in Vlaanderen mee de stijging van de algemene index verklaart. Dat zijn letterlijk de woorden van Kind en Gezin. Die heb ik niet verzonnen.

Het kan geen kwaad om te kijken hoe Vlaanderen scoort – scoort is misschien een slecht woord in een debat over armoede – of wat de positie is van Vlaanderen in vergelijking met andere Europese landen, dat lijkt me beter dan ‘scoren’. Als we die vergelijking maken met andere Europese regio’s en landen en op basis van de meest recente EU-SILC-enquête van 2018 (statistics on income and living conditions in Europe) stellen we vast dat het armoederisico – het aandelen personen onder de armoededrempel – in Vlaanderen 10 procent bedraagt. Ik heb dat afgerond. Voor heel België bedraagt dat aandeel 16 procent, voor Wallonië 22 procent en voor Brussel 33 procent.

Ik wil meegeven, en ik vind dat niet fijn om dat hier te moeten zeggen, ik haal er echt geen plezier uit voor alle duidelijkheid, maar Brussel deelt de laatste plaats met Roemenië en Roemenië scoort in de EU-SILC-enquête dan nog significant beter dan Brussel.

In Europees perspectief doet Vlaanderen het niet zo heel slecht, maar alles kan beter, alles moet beter, zeker als we het over arme mensen hebben, mensen met een risico op armoede, en zeker ook kwetsbare mensen. Vlaanderen staat op de tweede plaats na Tsjechië. We kunnen absoluut nog veel beter. We moeten niet zelfgenoegzaam worden. We hebben wel degelijk in de onderhandelingen – en nu ontbloot ik misschien de kroon een beetje – absoluut ook oog voor de prioriteit van de aanpak van het armoedeprobleem in Vlaanderen. Ik zeg alleen nog niet hoe.

De heer Anaf heeft het woord.

Ik ben in elk geval blij om te horen dat er aanzienlijke aandacht zal zijn voor armoedebestrijding in het regeerakkoord. Wij gaan dat met onze fractie uiteraard van heel nabij opvolgen. Ik ben ook benieuwd in welke richting dat zal gaan.

Ik ben ook blij dat u niet naar de 1 euromaaltijden verwezen hebt. Het is ook slim om niet te hard door te gaan op de maatregelen inzake huisvesting, want er zijn ook een aantal dingen gebeurd die de armoede zeker niet hebben doen dalen, om over de stijging van de huurwaarborg van twee naar drie maanden niet te spreken.

Goed, ik ben op zich wel blij met het heel uitgebreide antwoord. Het zal niet lukken om op al die elementen door te gaan, mijn tijd is helaas beperkt. Ik denk dat we het met elkaar eens moeten zijn dat er meer nodig is. Ik ben heel benieuwd naar dat regeerakkoord. We moeten nog veel meer structureel inzetten op die armoede. We hebben nood aan een minister van Armoedebestrijding die echt een mandaat krijgt om ook op de andere beleidsdomeinen echt te wegen. Het is eerder kwestie om bij de volgende Vlaamse Regering op te volgen wat daarin staat en welke maatregelen er komen. Er moet een echte samenwerking komen met de lokale besturen. Ik ben lokaal actief geweest, ik was schepen tot aan de vorige verkiezingen, ik heb gekozen voor het Vlaamse mandaat, ik ben nu wel gemeenteraadslid in Turnhout.

Een aantal zaken op het terrein lopen echt mis. Er is nog steeds een veel betere samenwerking mogelijk tussen Kind en Gezin en de lokale besturen. Zij weten waar die armoede zit. Laat ons die informatie beter delen. Dat kan een heel belangrijk iets zijn in de nieuwe taakstelling van Kind en Gezin.

We zullen dit debat nog vaak verderzetten in de komende jaren. Ik begrijp dat u nog moeilijk uitspraken kunt doen over het nieuwe regeerakkoord. We zijn heel erg benieuwd.

De heer Danen heeft het woord.

Minister-president, ik ben helemaal niet tevreden met uw antwoord. U hebt heel veel tijd nodig gehad om die analyse te maken die velen samen met ons maken, namelijk dat er veel te weinig gebeurd is – dat voelt u eigenlijk zelf. Ik vraag me af of u zelf gelooft dat de armoedecijfers substantieel naar beneden kunnen, of dat u denkt dat het inherent hoort bij een regio als Vlaanderen. Als ik uw antwoord hoor, vraag ik me af of u zelf nog gelooft in de belofte die u in 2016 hebt gedaan.

Experten, zoals Ive Marx maar ook anderen, het middenveld, mensen in armoede geloven wel dat het mogelijk is om op middellange termijn de armoede te halveren. Gelooft u zelf dat het mogelijk is om de armoedecijfers substantieel naar beneden te brengen?

De heer De Meester heeft het woord.

We hadden natuurlijk kunnen weten dat de minister-president niet alleen de cijfers over de wachtlijsten voor de sociale woningen maar ook de cijfers over de kinderarmoede in ons land zou nuanceren. U zult in de volgende regering ongetwijfeld minister van Nuancering worden. Maar de cijfers blijven wel de cijfers.

Ik wil het nog even benadrukken. Tijdens de vorige legislatuur is de kinderarmoede gestegen van 10,5 procent naar 14,1 procent. Dat is een stijging met de helft. Ik zal u daar wél op afrekenen, minister-president. Ik reken u daar wel op af, want dat is een schande in een van de rijkste regio’s van Europa en zelfs van de wereld.

Natuurlijk is armoede een complex probleem. Het heeft zelfs in de eerste plaats niet te maken met een migratiecrisis, minister, want de armoede stijgt zowel bij kinderen met niet-Belgische ouders als bij kinderen met Belgische ouders. De essentie is de wooncrisis in ons land en – daar hebben we het al over gehad – u zult begrepen hebben, minister-president, dat ik niet bepaald onder de indruk ben van het woonbeleid dat u de voorbije jaren hebt gevoerd.

Ten tweede: werk is inderdaad ook zeer belangrijk. Maar volwaardige tewerkstelling is niet helemaal hetzelfde als het harteloze en inefficiënte activeringsbeleid dat u hebt gevoerd. Ik heb het dan natuurlijk over uw regering, de uittredende regering. Activering is alleen maar zinvol als dat effectief leidt tot volwaardige en duurzame tewerkstelling. Als dat echter leidt tot de uitsluiting van mensen, dan versterkt u de armoede alleen maar. En dat is wat er de voorbije jaren is gebeurd. Als een activeringspolitiek ertoe leidt dat mensen op een leefloon terechtkomen dat onder de armoedegrens ligt of als activering ertoe leidt dat mensen in de werkloosheid blijven en in een degressief systeem terechtkomen, dan duwt u mensen in de armoede in de plaats van mensen uit de armoede te helpen. Dat is wat er de voorbije jaren is gebeurd.

Mevrouw Saeys heeft het woord.

De Vlaamse Regering is met het VAPA het engagement aangegaan om effectieve maatregelen te nemen om de armoede te bestrijden en terug te dringen. U hebt beloofd om in het voorjaar van 2019 een geactualiseerde rapportage voor te leggen. Wij hebben die niet gezien. Daarom wil ik vragen om kort de bevindingen daarvan toe te lichten.

Minister-president Homans heeft het woord.

Dat is een beetje een vreemde vraag, collega Saeys. Ik dacht dat er in de meerderheid iets was afgesproken over dat VAPA. U vraagt me nu om daar voor de vuist weg de conclusies van te geven. Ik heb die niet bij. We zullen dat nagaan en we zullen die dan aan de commissiesecretaris bezorgen. Er zijn wel degelijk in de regering en in de meerderheid duidelijke afspraken over gemaakt.

Voor de rest heb ik geen bijkomende vragen gekregen. Waarin ik geloof, voorzitter, dat behoort tot mijn persoonlijke levenssfeer, denk ik. Ik geloof wel degelijk in het terugdringen van de armoede. En voor de rest denk ik dat ik niet moet antwoorden op een pleidooi dat eigenlijk thuishoort op een congres van de PVDA in plaats van in deze commissiezaal.

De heer Anaf heeft het woord.

Er is al veel gezegd. Ik zou graag nog een oproep willen doen, ook aan alle parlementsleden hier aanwezig, om de armoedeproblematiek hoog op de agenda te blijven zetten en ons niet te verliezen in discussies over de indicatoren en de vraag of die goed zijn of niet. Ik denk dat het probleem heel duidelijk is. Laten we dat probleem ernstig aanpakken, op een structurele manier en ook in samenspraak met zowel de lokale besturen als de federale overheid. Laten we proberen om voor resultaten te gaan, want die zijn er de vorige legislatuur helaas niet geweest.

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is geopend met een beperkt aantal plaatsen. Bezoekers die een plenaire vergadering willen bijwonen, sturen een mailtje naar 
onthaal@vlaamsparlement.be met daarin naam en geboortedatum.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.